II. In de wereld bewaard

O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is uw naam op de gansche aarde! Gij, die uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.

Psalm 8 : 2. a


Het uitgangspunt der Gereformeerde Belijdenis ligt in de Souvereiniteit Gods, en niet in de zaliging van den mensch of in de redding van den zondaar. Het is wel waar, dat elke Belijdenis iemand onderstelt, die belijdt, en dat in het ik van dien belijder, in zijn zelfbewustzijn, het uitgangspunt ligt van zijn roepen voor Jezus; maar de Gereformeerde onderscheidt zich juist daarin van alle overige belijders, dat hij hierbij niet staan blijft, doch zich afvraagt: Hoe kom ik tot belijden? en dan niet anders kan antwoorden, dan dat God in zijn majesteit er hem onweêrstaanbaar toe dringt. Hij vindt zichzelven terug in wat in Jeremia geschreven staat, dat Jeremia van God af wilde, maar dat de werking van Gods Geest als een „vuur in zijne beenderen” werd, tot hij moest uitroepen: „Heere, Gij zijt mij te sterk geweest. Gij hebt overmocht.” Gods Souvereiniteit is alzoo voor den Gereformeerde niet een wijsgeerige stelling, dat er orde in het heelal moet wezen, en dat derhalve al het bestaande aan God onderworpen en God over alles Souverein moet wezen. In het minst niet. Onze Gereformeerde Belijdenis komt evenzoo uit het hart van ons zielsleven op als Luthers „gerechtvaardigd door het geloof.” Maar terwijl bij Luther de reddende kant van Gods inwerking op den voorgrond treedt, en dus de beschouwing zich beperkt tot de eigen ziel, is het bij den Gereformeerde een Jakobsworsteling met God geweest, waarbij het ging om den prijs van hemel en aarde. Het is bij hem de gevallen mensch, die zich als heer der schepping en als meester over zichzelven tegenover den levenden God had geplaatst. Weerklank van het satanische: „Gij zult als God zijn,” en gesteund door de paradijsordinantie: „Hebt heerschappij over alle rijken der aarde.”

De Gereformeerde is, als hij tot belijden komt, geen gemoedelijke dweper, |9| maar een gewezen wederpartijder Gods. Hij weet dat hij tegen zijn God in opstand is geweest; dat hij zelf souverein heeft willen zijn, en dat hij het nu heeft afgelegd, dat hij overwonnen is, dat God en niet hij souverein is gebleken, en dat deze nederlaag, wel verre van hem onzalig te maken en hem te knakken, hem juist een zaligheid schonk, die alle vreugde der wereld te boven gaat. Hij weet dat hij Jakob was, en dat hij in de erkentenis van Gods alles te boven gaande souvereiniteit Israël is geworden. Zoo is Gods Souvereiniteit voor hem begonnen niet met Gods almachtig bestel over starren en engelen, over de zee en haar eilanden, over de dierenwereld en de volken, maar met het ervaren, het gevoelen van Gods Souvereiniteit over zijn eigen ik, over zijn eigen persoon, over zijn eigen wezen, over zijn eigen verleden, over zijn heden en zijn toekomst. Het „Heere, Gij zijt mij te machtig geweest, en hebt overmocht,” dát en dát alleen is het uitgangspunt; en het is daarom zoo het toppunt van onzinnigheid, om ooit te denken dat een „ernstig aanbidder,” zooals het bij Zephanja heet (hfdst. 3 : 10) — en dat is juist het karakter van den Gereformeerde — ooit met de algemeene genade zou kunnen beginnen. Neen, het brandpunt van zijn geheele existentie ligt in het moment, toen hij, zooals Da Costa zong, het God gewonnen gaf, het wapen streek, en in aanbidding voor zijn Heere en zijn Meester, en den Koning zijner ziel, nederknielde. Zijn uitgangspunt kan daarom in geen wijsgeerig beweren liggen, maar moet altoos in de Particuliere Genade ontdekt worden. En juist dit is het, waarom de erkenning van Gods Souvereiniteit voor den Gereformeerde altoos saamvalt met de zalige erkentenis van zijn eigen uitverkiezing door zijn God. Uitverkiezing toch is niets anders dan de Souvereiniteit van God, die tot in ons verleden, tot achter ons verleden, ja tot in de eeuwigheid teruggaat.

*

Doch hiertoe eenmaal gekomen, kan het dan ook niet anders, of met zijn eigen ziel, voelt hij ook alles wat zijns is, ja heel de wereld, aan Gods almachtigheid onderworpen. God is dan Souverein over zijn ziel, Souverein over zijn lichaam, Souverein over zijn huisgezin, Souverein over zijn beroep, Souverein over zijn leven, Souverein over zijn vaderland, Souverein over alle volk en alle natie, ja, het firmament daarboven, en de hemel der hemelen ze zijn alle aan de Souvereiniteit des Heeren Heeren onderworpen. „Heere, hoe heerlijk is uw Naam over de gansche aarde! Gij, die uwe majesteit gesteld hebt boven de hemelen.” Sterker nog, gij kunt zelfs de Souvereiniteit van uw God niet belijden over uw eigen ziel, zonder tevens diezelfde Souvereiniteit Gods over al wat bestaat te erkennen, en het is die erkenning van Gods Souvereiniteit ook over wat buiten de sfeer der Particuliere Genade valt, waardoor elk waarachtig Gereformeerde er |10| toe moet gedreven en gedrongen en geperst worden, om ook de Gemeene Gratie onzes Gods te belijden. Het leerstuk der Gemeene Gratie is alzoo een leerstuk, dat wel terdege uit het hart en de kern zelf van onze Gereformeerde belijdenis en van de Gereformeerde zielservaring is opgekomen. De „voorwerpelijken” doen daarom zoo dwaas, als ze een Souvereiniteit Gods willen prediken, die buiten de ervaring der eigen ziel omgaat, en de „onderwerpelijken” doen zoo onzinnig, als ze de Souvereiniteit Gods, die hun in hunne eigen zielsworsteling ontdekt is, niet vanzelf uitbreiden tot al wat buiten hen bestaat. Tot over Satan moet de Souvereiniteit onzes Gods voor ons zielsoog schitteren. Niets is er, dat er buiten valt. Ze omvat en omvangt alles. Ze strekt over hemel en aarde en over wat onder de aarde is, zich uit.

Nu te zeggen, dat men dit vanzelf gelooft en belijdt, maar dat men daartoe het leerstuk der Gemeene Gratie niet van noode heeft, ware al te onnadenkend en gedachteloos. De Heere is ons in het diepste onzer zielsworsteling als de Heilige verschenen. Juist dit is het verschil tusschen de wijsgeerige Souvereiniteit, die er alleen op uit is, om het heelal onder één hoofd saam te vatten, en de Gereformeerde belijdenis, die uit de nederlaag van het eigen opstandig hart tot de erkentenis van Gods almogendheid opklimt. Voor den Gereformeerde daagt het licht van Pniël. En bij dat Pniël is zijn eigen nederlaag niet alleen de erkentenis van zijn eigen schuld en ellende, maar tevens de erkentenis van de Souvereine heiligheid zijns Gods. Daar weet de wijsgeer niets van, maar dit is voor den Gereformeerde het één en al. Bij die zelfervaring nu vindt de Gereformeerde voor wat hem zelven en voor wat Gods uitverkorenen betreft, de heerlijke oplossing van den strijd tusschen eigen zonde en Gods heiligheid in Christus, in den Zoon der liefde, en in het bloed van het Lam. Maar de wereld verwerpt dien Christus. Ze heeft aan den Christus geen deel. Ze volhardt in haar opstand. Ze blijft vijandinne Gods. En hieruit nu rijst de niet te ontwijken vraag, hoe die Souvereine en Heilige God desniettegenstaande die wereld, die zich tegen Hem verzetten blijft, dragen kan, en waarom Hij, de Souvereine en de Heilige, ze niet aanstonds verdoet door den adem zijns monds. En op die vraag nu geeft het leerstuk der Gemeene Gratie, en dit alleen, het antwoord. Het verklaart aan Gods uitverkorenen hoe een heilig God die onheilige wereld nog kan laten voortbestaan, nog bemoeienis met haar heeft, en haar nog aan de eere van zijn Naam dienstbaar maakt.

Deze korte saamtrekking van het dusver gevonden resultaatmoesthier vooropgaan, om het aan die broederen, die nog altoos hoofdschuddend dat heerlijke dogma voorbijgaan, en soms niet zonder beduchtheid er zich van afkeeren, duidelijk te maken, hoe ze zich tegen de baarblijkelijkheid des geloofs verzetten; en ook om een laatste poging te wagen, of ook hun de |11| schellen van de oogen mochten vallen. Ze zijn toch ook leden en dienaren in onze Gereformeerde kerken. De liefde gebiedt te gelooven, dat de diepste grondtrekken van het Gereformeerde geloofsleven ook hun niet vreemd zijn, en dat zij al wat we als uitgangspunt voor de belijdenis der Gerneene Gratie in schets brachten, ook door hen volmondig wordt beaamd, ja, erkend als de ervaring van hun eigen zielsleven. Maar dan kunnen ze ook op hun aarzelend of afwerend standpunt niet staan blijven. Dan moeten ze óf met ons erkennen, dat de belijdenis der Gemeene Gratie hieruit vanzelf voortvloeit, óf wel ze hebben aan te toonen, hoe zonder haar een Souverein en Heilig God een wereld die tegen Hem in opstand is en blijft, en zijn Christus verwerpt, in lankmoedigheid dragen en aan de eere zijns Naams dienstbaar kan maken. Het moet onder ons uit zijn, met het opwerpen van losse bedenkingen. Er moet een einde komen, aan het gemakzuchtig veroordeelen. Wie het recht zal hebben, om tegen een wetenschappelijke, historische en dogmatische waarheid van zoo buitengewoon gewicht zich aan te kanten, moet dan ook zelf de hand aan de ploeg slaan, moet toonen dat hij het probleem waarvoor we staan, zelf gevat heeft, en doen blijken dat hij, waar hij de oplossing van Calvijn en alle goede Gereformeerden verwerpt, een eigene, betere oplossing aan Gods kerk te bieden heeft. Geschiedt dit, dan zijn we bereid deze nieuwe vondst aan de Schrift, historie en realiteit te toetsen, en zwaard met zwaard in eerlijken kamp te kruisen. Maar gelijk het nu staat, is alle leerstellige kamp onmogelijk. Zoolang het blijft bij wat het volk noemt „tegenmorrelen”, rest ons niet anders dan stil en rustig met de uiteenzetting van wat we tot onderwerp kozen, door te gaan.

Dat thans aan de historische en aan de dogmatische reeks, nog een derde reeks van practischen aard wordt toegevoegd, heeft zijn natuurlijke oorzaak. Voor den Gereformeerde, juist wijl hij een „ernstig aanbidder” is (Zephanja 3 : 10), heeft alle stuk van zijn belijdenis consequentie. Er vloeit uit elk stuk van zijn belijdenis iets voort voor zijn levenspractijk. Hij is geen droomer, die alleen in zichzelven over zijn belijdenis peinst, maar hij vraagt zich op elk punt van den weg af, wat zijn roeping, wat zijn taak, wat de hem van God opgelegde plicht is, en hoe hij, krachtens zijn belijdenis, in de vervulling van die taak heeft te verkeeren. Zeer zeker is de Gereformeerde man van het gevoel, en niet minder is hij de man van de gedachte, maar even beslist is hij man van daad. Hij moet leven, hij moet optreden, hij moet onder menschen verkeeren, hij moet handelen onder menschen, en bij dit alles moet hij door zijn belijdenis beheerscht en geleid worden. Een belijdenis voor den Zondag, met een belijdenisloos leven al de dagen der week, is hem ondenkbaar. Geheel zijn persoon, met |12| heel zijn bezit en schat aan have en goed, en met heel zijn werkzaamheid, moet de ééne groote offerande zijn die hij zijn God toewijdt, niet om daardoor den hemel te verdienen, maar uit innigen dank. Hier moet dus gekozen of gedeeld worden. Hij moet van tweeën één doen: hij moet zich óf met al wat in en aan hem is, in den dienst der kerk terugtrekken, en die kerk van de wereld isoleeren, óf wel hij moet in de wereld een positie weten in te nemen, die zijn belijdenis niet weerspreekt.

Was er nu geen Gemeene Gratie, dan zou het eerste standpunt het éénig juiste en geoorloofde zijn. Met wat Gode vijandig is, mag geen Gereformeerde den zoen sluiten. De vijand Gods moet ook hem ten vijand zijn, en al moest hij er den hongerdood om sterven, in een wereld die vermengd dit booze karakter droeg, zou voor hem geen plaats zijn. Denke men dit wel in. Staat het zoo, dat de wereld gelijk is aan de wateren van den Zondvloed, en is de kerk de arke Gods die wel op die wateren drijft, maar er geheel van is afgesloten, dan is onze plaats in die arke, en zijn die wateren voor ons niet anders dan verderf en dood. Wie wedergeboren wordt en zich bekeert, moet dan uit die wereld uit. Niet alleen door zich af te scheiden van haar roepende en zwijgende zonden, maar door zich strikt van haar leven af te zonderen, en niets met haar gemeen te hebben. Ook de rok is dan van het vleesch bevlekt. Ge kunt dan in de wereld geen roeping hebben. En uw eenige roeping is dan, om opgesloten, in de arke Gods met al Gods uitverkorenen, die wereld te veroordeelen. Of vindt ge u, uws ondanks, zóó in haar midden geplaatst, dat ge haar niet mijden kunt, dan moet ge haar zóó in het aangezicht weérstaan, dat ze u aanvalt, u grijpt, en u bant door houtmijt, kerker of schavot. Dat is principiëel. Dat is consequent. Dat is op het dualistisch standpunt den moed van zijn overtuiging bezitten en toonen. Dat was dan ook ten deele het standpunt ingenomen door de Christenen in de tweede en derde eeuw, door de kloosterlingen, zuilheiligen, hermieten en bekluisden, in de middeleeuwen, en later ten deele door de Anabaptisten of Dooperschen. En zij, die thans maar al te zeer geneigd zijn, om het dualisme van Tertullianus, van Simon den styliet en van onze Nederlandsche Doopers te veroordeelen, onderwijl ze zelven in halfslachtigheid hun kracht verspelen, zouden wel doen, met de oorspronkelijke drijfveer der dualistische strooming historisch iets nader te onderzoeken. Alle drie deze dualistische bewegingen zagen in de wereld niet anders dan „de wereld die in het booze ligt”, niet even zelfs openden ze hun oog voor de Gemeene Gratie. Dienvolgens stonden ze als trouwe dienaren van God en Christus principiëel tegen de wereld over, en, bij het woord de daad voegende, braken ze dan ook met die wereld, en trokken zich consequent op het heilig erf der kerk terug. Wat hen dreef en bezielde was geen enghartig kerkisme, geen zucht of lust om zich in eigen kring op te sluiten, en den strijd en de moeite des |13| levens te mijden, maar de vrome oprechte zucht, om alle gemeenschap af te breken met een wereld die in het booze ligt en tegen God vijandig overstaat.

*

Bij Tertullianus en zijn geestverwanten kwam dit voort uit tweeërlei reactie. Uit reactie tegen het brutaal-zondige leven der toenmalige Heidensche beschaving, en evenzoo uit reactie tegen de vervolgingen. De Heidensche wereld sneed feitelijk Gods uitverkorenen af, en tegenover die vijandschap der Heidenen vond Tertullianus en vonden zijn geestverwanten het dubbel laf en zondig, zoo de Christenen dan toch ter sluiks van de genoegens en van de privileges der wereld profijt zochten te trekken. Zich afscheiden van de wereld werd dientengevolge hun natuurlijke leuze. In het kloosterwezen kwam deze gedachte tot volle consequentie. Leven in de steden en dorpen, onder de menschen, te midden der wereld, en zich dan toch van de wereld afzonderen, ging ten slotte niet. Het lid zijn van een gezin, het beheeren van eigen bezittingen en zooveel meer, bracht toch telkens weer met de wereld in aanraking. Wie ernst wilde maken met de breuke met de wereld, kon dus niet anders doen, dan uit de wereld naar de woestijn, uit de steden naar het klooster uitwijken, het huwelijk afsnijden, alle bezit vaarwel zeggen, en zich, met afstand van eigen wil, plaatsen onder een geestelijken leider. En waar zelfs het saamwonen met anderen toch weer bleek de wereld in het klooster te dragen, dreven anderen de consequentie nog verder, en beklommen een zuil, waarop ze leefden en stierven, werden hermiet in een bosch, of lieten zich inmetselen in een kluis. Alle dingen die wel later tot misbruik en zonde en hoogmoed geleid hebben, maar die oorspronkelijk wel terdege uit den ernstigen toeleg opkwamen om God te dienen, en met de wereld die tegen Hem in opstand is, geen gemeenschap te hebben.

Op dezelfde lijn bewogen zich evenzoo de Dooperschen, met name hier te lande, en niets is onbillijker dan deze ernstige lieden uitsluitend naar Jan van Leidens dolzinnigheden, naar de Amsterdamsche naaktloopers, of naar de „mennisten-leugens” te beoordeelen. Integendeel, het zijn deze Dooperschen geweest, die, eer het Calvinisme doorbrak, de hitte des daags gedragen hebben, en uit wier rijen het grooter aantal onzer bloedgetuigen is voortgekomen. Aanvankelijk waren het ernstige, vrome, consequente lieden, die den moed hadden, om de consequentiën van hun standpunt ten volle te aanvaarden. Is het dus al, dat wij gedurig tegen de dwaling der Dooperschen waarschuwen, nooit doet dit in iets te kort aan den eerbied dien wij voor hun geloofstrouw en hun heldenmoed koesteren. Zij kenden geen Gemeene Gratie. De wereld Iag voor hen nog geheel uitsluitend in het booze. En dienovereenkomstig zochten ze dan ook een eigen Koninkrijk |14| Gods tegenover die wereld te stichten, om zich in dat geestelijk Koninkrijk terug te trekken, en voorts allen band met de wereld te verbreken.

Hetzij men dus op Tertullianus, hetzij men op de kloosterlingen, hetzij men op de Anabaptisten zie, voor hen kan ons, bij hun oorspronkelijk streven, ontzag en eerbied vervullen, want het is ongelooflijk wat offers ze brachten, en wat ze niet voor hun overtuiging over hadden. En zeer zeker dient luide uitgesproken, dat zij die in onze dagen in de wereld streven en leven, en nochtans groot gaan op hun spiritualisme, in de schaduw zelfs van deze oorspronkelijke helden en heldinnen van het dualisme niet staan kunnen. Laat men zich dit toch diep inprenten. Gereformeerden die half Doopersch gaan, zonder de consequentiën der Dooperschen te aanvaarden, zijn en blijven amphibieën, die te land noch te water tot het oefenen van wezenlijke kracht bekwaam zijn.

*

Kiest men daarentegen, naar het woord van Jezus: „Ik bid niet dat Gij ze uit de wereld wegneemt, maar dat Gij ze in de wereld bewaart”, en evenzoo naar het woord van Paulus: „dat we anders de wereld zouden moeten uitgaan”, tegen dat dualisme, dan komt men noodzakelijkerwijs tot de erkentenis, dat de roeping der Christenen volstrekt niet alleen op het erf der kerk ligt, maar dat zij evenzoo een roeping hebben te midden van het leven der wereld. En op de vraag, hoe dit kan, hoe dit denkbaar is, dat een kind van God nog bemoeienis met een zondige wereld hebbe, luidt het korte, klare en eenvoudige antwoord: Dat kan en dat moet, omdat God zelf met die wereld nog bemoeienis heeft. En het is deze bemoeienis van uw God met de wereld, die u verklaard wordt in het stuk der Gemeene Gratie. Doch dan volgt hieruit ook dat we den aard en den regel en de beteekenis van deze Gemeene Gratie helder hebben in te zien, omdat juist daardoor onze gedraging tegenover, onze bemoeienis met en onze roeping in die wereld moet beheerscht worden. Zoo treedt het dan in helder licht, waarom het niet genoeg is dit leerstuk historisch en dogmatisch vast te stellen, maar waarom er ook practische gevolgtrekkingen uit moeten worden afgeleid, en waarom we half werk zouden doen, met dat laatste deel uit ons aaneengeschakeld betoog weg te laten.

De groote tegenstelling is nu zoo duidelijk als dat slechts kan in het licht gesteld. Aan het dusgenaamd „kerkisme” spillen we geen woord meer. Dit pijnlijke verschijnsel der geestelijke traagheid en gemakzucht verdient niet de eere, dat het met de groote worsteling der geesten ook maar in verband worde gebracht. Dat zich opsluiten in eigen familie, in eigen camaraderie, in eigen kring, om elkander te streelen, en in gewaande eigen voortreffelijkheid, laatdunkend door zijn vensters op de voorbijgangers neer te zien, is een min aantrekkelijk verschijnsel, dat ge in alle groote |15| steden en bij alle politieke partijen, na haar overwinning, kunt waarnemen. En het is ditzelfde kring-egoïsme, dat ook op kerkelijk gebied, onder den naam van kerkisme, binnensloop. Een even ongeestelijk als onverkwikkelijk soort van zelfbehagende afzondering. Maar geheel daarvan afgezien, is het dualisme tot driemalen toe in Christus’ kerk opgetreden met hoog bedoelen en met hoog ernstige aandrift. Het ging steeds uit van het standpunt, dat de kerk heilig, maar de wereld zondig was, en trok zich daarom in de heilige arke terug, om niet in de woeling van de wateren der wereld den geestelijken dood te vinden. Tegenover dit Dualisme, dat volkomen gerechtvaardigd is, en ook voor ons plichtmatig zou zijn, indien de wereld niet alleen in zichzelve alzoo „in het booze lag,” maar er ook door God in gelaten was, staat nu de belijdenis der Gemeene Gratie, die ons leert, hoe God in zijn ontferming ook over die zondige wereld zijn hand behoudend, zonde en vloek stuitend, heeft opgeheven, en hoe juist daardoor die wereld aan Gods kinderen weêr de mogelijkheid aanbiedt, om er hun God, Hem ter eere, in te dienen. Dat wijzigt dan op eenmaal onze roeping. Was onze roeping anders: Uitgaan uit de wereld en haar afsnijden, — nu wordt het onze roeping: In die wereld ingaan en zich in de wereld bewaren. En dit nu is, in tegenstelling met het Doopersch beweren, het standpunt van een iegelijk die Gereformeerd is.

Dit laatste standpunt is niet gemakkelijker, maar veel moeilijker. Op het eerste standpunt is er één moeilijk oogenblik, het oogenblik waarop men finaal met de wereld breekt. Doch is dit eenmaal geschied, dan is de strijd ook uit, en komt er verder geen strijd of verzoeking. Op het Gereformeerde standpunt daarentegen duurt de strijd en de moeite tot aan onzen dood toe, en komen we nimmer de wapenen af te leggen, om ons op onze lauweren ter ruste te vleien. Te midden van de wereld ligt dan onze roeping. In het midden der wereld moet dan de Heere onze God worden verheerlijkt. En elken morgen en elken avond treedt dan weér de verzoeking op ons toe, om ons in die wereld God vaarwel te laten zeggen. Bij dien zooveel meer inspannenden strijd hebben we daarom zekerheid van tred, vastheid van gang noodig, en om die te kunnen erlangen, leiding en stuur. Zonder kompas is die woelende zee van het wereldleven voor geen kind van God te bevaren. En dit kompas nu mist ge, zoo ge niet de Gemeene Gratie in haar oorsprong en strekking indenkt, en geen oog hebt voor de lichtbundels die haar glansen op uw weg voor u uitstralen. We gaan daarom thans, na deze noodzakelijke resumptie als inleiding, tot de bespreking van deze practische consequentiën van het leerstuk der Gemeene Gratie over, en maken een aanvang met over Staat en Overheid te spreken, omdat in deze instelling het wezen der Gemeene Gratie zich het duidelijkst belichaamt.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ II, De Heraut No. 1141 (5 november 1899).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001