De Gemeene Gratie

door Dr. A. Kuyper

Derde Deel. Het practische gedeelte

Amsterdam (Höveker & Wormser) 1904



Van de Gemeene Gratie

Derde deel

Het practisch gedeelte.


I. Te lang vergeten.

Zijne majesteit is over de aarde.

Psalm 148 : 13b. a


De eerste en tweede reeks van onze vertoogen over de Gemeene Gratie zijn dan nu ten einde gebracht. In de eerste reeks is geschiedkundig het ontstaan en bestaan er van toelicht; en in de tweede is dit wondere stuk van Gods barmhartigheden leerstellig uiteen-, en met de Particuliere Gratie in verband gezet. We overdrijven niet, zoo we het dankbaar uitspreken, dat reeds door deze twee reeksen voor velen verrassend licht over de Waarheid, en over het Leven onder de tucht dier Waarheid is opgegaan. Het erkentelijk bericht ons daarover toegezonden, was veel in getal en gaf bewijs, dat onze vertoogen in hoofdzaak doel troffen. Toch mogen we ons niet ontveinzen, dat we nog niet alle broederen overtuigden, op wier instemming we prijs zouden stellen. Nog bij den jongsten strijd over de Opleiding tot den Dienst des Woords werden onze stukken over de Gemeene Gratie op onzachte wijze aangegrepen, om een blaam op de Vrije Universiteit te werpen. Dat werd, zoo heette het, almeer een school van de Gemeene Gratie, en de Zaligmakende Genade werd daaraan ondergeschikt gemaakt en ontzenuwd. Zelfs schreef men er bij, dat we almeer den kant der Groninger godgeleerden opgingen, die de heilige belijdenis oplosten in „een opvoeding der menschheid door God.” We noemen geen naam van den schrijver, noch noemen het blad waarin dit geschreven werd. Het is ons droef genoeg, te moeten vaststellen, dat er nog broeders zelfs in den |2| boezem van onze vrijgemaakte Gereformeerde kerken zijn, die na al wat we te berde brachten, hun hart derwijs voor dit schoone stuk van Gods ontfermingen toesluiten, en die zelfs in bittere uitingen vervielen, om, kon het, den ingang van dat leerstuk in de gemeente des Heeren nogmaals te stuiten.

Toch zullen we ons wel wachten dit bittere verzet aan onedele bedoelingen toe te schrijven. Met name hem, die zoo bitter schreef, kennen we daar persoonlijk te goed voor. Hem en zijn geestverwanten drijft en bezit uitsluitend de vrees, dat de grenslijn tusschen het heilige en ongeheiligde zal worden verflauwd. Intusschen zullen deze broederen zelven moeten toegeven, dat geen orgaan der pers zoo beslist als de Heraut van zijn ontstaan af, en aldoor, voor het zoo scherp mogelijk trekken van die grenslijn is opgekomen. Gevaar loopt die grenslijn alleen door twee dingen. Ten eerste door het niet absoluut-stellen van de wedergeboorte, en ten tweede door de leer, dat Christus persoonlijke en doel treffende verzoening voor alle menschenkinderen heeft teweeggebracht. Dit zijn de twee wiggen, die men van de dagen onzer vaderen af beproefd heeft in den muur van Sions tempel in te drijven, en het is door deze twee valsche voorstellingen, dat allengs het heilige met het onheilige ineen zijn gemengd. Nu is het, in en buiten onzen kring, genoegzaam en te over bekend, hoe juist de Heraut van den beginne van zijn optreden af, juist tegen deze beide vervalschingen vanhetEvangelie is opgekomen. Onze eerste reeks: Dat de genade particulier is, strekte juist, om de dusgenaamde „algemeene Verzoening” in de hartader aan te tasten; en onze harde strijd voor de mogelijkheid der „Wedergeboorte” reeds in de potentie, bij het kind in de wieg, had geen andere strekking dan om juist de wedergeboorte als een volstrekt werk Gods te doen eeren, waaronder de mensch absoluut lijdelijk verkeert, en waaraan de persoon des zondaars niet alleen niets toebrengt, maar waartegen hij zich, indien het mogelijk ware, zeer beslist zou aankanten. Bij den volwassene valt dit niet zoo sterk in het oog, omdat de volwassene reeds zekere mate van kennis bezit; maar juist bij het kind in de wieg is dit volstrekte van de daad Gods boven allen twijfel verheven.

Het streven en bedoelen nu van wie zoo sprak en schreef met dat der Groninger godgeleerden op één lijn te willen stellen, is dan ook alleen te verklaren uit misverstand. Er blijkt uit dat men misschien wel te hooi en te gras een enkel onzer vertoogen, die we nu sinds 1878, meer dan twintig jaren lang ten beste gaven, heeft ingezien, en er misschien een zeer enkel van ten einde bracht, maar dat men in de verste verte ons niet in ons schrijven heeft gevolgd. Met name durven we het uitspreken, dat over onze vertoogen ter toelichting van de Gemeene Gratie bovenbedoeld vonnis is gestreken, zonder kennis van die vertoogen. Nu duiden we dit dezen broeder in het minst niet euvel. We maken er geen aanspraak op, dat |3| onze veelschrijvende pen door een ieder zal gevolgd worden. Maar wel achten we de vraag te mogen stellen, of het goed, of het billijk, of het verantwoord is, zulk een averechtsch oordeel, dat op geen kennis der feiten steunt, uit te spreken in een blad, dat omloopt in kringen, die de Heraut zoogoed als niet kennen. Vooral sinds 1892 is het ons herhaaldelijk voorgekomen, dat broeders en zusters uit die kringen, die vroeger stelselmatig tegen De Heraut gewaarschuwd werden, en die dienvolgens de pijnlijkste vermoedens tegen onze onderstelde aanraking van de Waarheid koesterden, na eindelijk met de Heraut zelf in aanraking te zijn gekomen, ons met aandoenlijk leedgevoel beleden, hoezeer ze, door voorgangers misleid, veroordeeld hadden wat ze niet kenden, en hetgeen, nu ze het leerden kennen, hun volkomen akkoord met Gods Woord bleek te zijn, hun hart toesprak, en hun blik zoo ongemeen verruimde. Één schreef ons zelfs, dat hij nog steeds doende was om het onkruid uit te wieden, opgeschoten uit het booze zaad van miskenning dat hij zelf vroeger zoo kwistig tegen ons had uitgestrooid.

Bij den aanvang van deze nieuwe en laatste reeks, meenden we dit op den voorgrond te moeten stellen, omdat aan het loochenen of het eeren van het stuk der Gemeene Gratie metterdaad het gezonde karakter onzer Gereformeerde Belijdenis hangt. De historie onzer Gereformeerde kerken is metterdaad in menig opzicht zoo teleurstellend geweest. In Polen, in Italië en in Frankrijk zijn ze maar al te spoedig voor de verpletterende overmacht van een haar vijandig geweld bezweken. In de Zuidelijke Nederlanden zijn ze zoogoed als uitgeroeid, zoodra deze van de Noordelijke gescheiden werden. En in Duitschland heeft Luthersche invloed al spoedig de overhand gekregen, en is, wat er nog Gereformeerd heette, maar al te zeer met Luthersche elementen vermengd geraakt. In hoofdzaak kan men dan ook zeggen, dat de Gereformeerde kerken alleen in ons land, ten deele in Zwitserland, en op de Britsche eilanden stand hielden, wat de laatste aangaat met name in Schotland; een uiteraard veel te beperkt terrein. In Amerika had men destijds nog niet anders dan onbeduidende kolonisatiën. Ten gevolge hiervan is het terrein der Gereformeerde kerken voor hare ontwikkeling veel te beperkt geweest, en heeft met name haar godgeleerde wetenschappelijke ontwikkeling op verre na die vlucht niet kunnen nemen, waarop ze oorspronkelijk was aangelegd. Toch zou dit bezwaar nog minder zijn geweest, bijaldien ze in deze drie landen zich vrij en zelfstandig had kunnen ontwikkelen. Maar juist dat is haar belet. In Zwitserland kreeg formeel het Zwinglianisme de overhand, hierdoor werd de overheid meesteresse in Christus’ kerk, en werd de natuurlijke ontwikkeling gestuit. Juist Genève viel in de handen der Libertijnen. Op de Britsche eilanden eischte de worsteling met de Staatskerk, ter oorzake van haar overdreven ritualisme, alle krachten op, ten gevolge waarvan de |4| Gereformeerden deels uitstierven, deels in eenzijdig spiritualistischen weg ontwikkeld werden. Schotland, met name in de Hooglanden, bleef nog het langst aan de belijdenis der vaderen getrouw, maar meer in conservatieven, dan in vooruitstrevenden zin. Men roestte er vast in de overgeleverde denkvormen, en sloot zich af voor algemeene ontwikkeling. In ons eigen land is de droeve gang van zaken, aan een ieder, die in onze kerkhistorie geen vreemdeling is, genoegzaam bekend. Eerst werd alle kracht verteerd in de worsteling met het Arminianisme. Toen slopen door het opkomen der Volkskerk allerlei ongeformeerde elementen in eigen boezem in. De ijzeren vuist der overheid belette ook hier vrije ontwikkeling. En de splitsing van de theologische krachten over heel een reeks van leerscholen, sneed de mogelijkheid van gezonde ontwikkeling af, en deed maar al te dikwijls de ééne school haar kracht verspelen in polemiek met de andere.

Dit nu is oorzaak geweest, dat het leven in onze Gereformeerde kerken almeer los raakte van de theologische ontwikkeling. Deze twee hadden één moeten zijn, en zie, ze kozen zich elk een eigen bedding. De levende Gemeente hield op het theologische leven te verwarmen en te scherpen, en de theologie werd steeds onmachtiger om het leven der Gemeente te leiden. Beide stroomen liepen naast elkaar. Gevolg hiervan was, dat de theologische stroom ten leste geheel verzandde, eerst in Supranaturalisme, toen in Rationalisme dood liep, en dat de kerkelijke stroom zich al duidelijker splitste in een breeden arm van half wereldsche vroomheid, en een smallen arm van echt geestelijk leven. Ten slotte was al onze scholen de Gereformeerde theologie dan ook een onbekende grootheid geworden, en in den boezem der landskerk ging de groote massa met den geest der eeuw mede; en bleef als drager van het Gereformeerde leven alleen dat smalle stroompje over, dat onweerstandelijk aan den geest der eeuw het hoofd bood, en uit de liefde Christi bleef tieren.

Die eigenaardige positie nu bracht voor dit kleine overblijfsel een niet te miskennen gevaar met zich. Nog schuilend in de groote, meerendeels ongeloovige landskerk, miste men ten eenemale kerkelijke organisatie en kerkelijke leiding, naar eisch van het Gereformeerde beginsel. Het „gezelschap” kwam voor de kerk, de „oefenaar” voor den Dienaar des Woords in de plaats. Bij de groote schudding der geesten, die het eind der 18de eeuw kenmerkte, dreef men meê af op den stroom zonder theologisch kompas. Oude, practische literatuur was den meesten voedsel, vooral vertaald uit Engelsche geschriften, en het verschil in zienswijze, dat, ten gevolge van dat gemis aan leiding, allengs onder de geloovigen opkwam, bleef alleen daarom langen tijd nog verborgen, omdat men bijna niet met elkaar in aanraking kwam, en verstrooid in het land leefde. Wie wist in Zeeland af van wat in Friesland omging, wie kende in Holland de geestelijke levensbeweging op de Veluwe? Zoo was het begrijpelijk, dat allengs |5| en ongemerkt alle eenheid teloor ging, dat in de onderscheiden provinciën temperament, aanleg en karakter op de ontwikkeling der denkbeelden en gevoelens scheidenden invloed begon te oefenen, en dat zich in de onderscheiden streken van ons land zekere type vastzetten, die zich onzuiver en buiten verband met het geheel ontwikkelden. Nog zijn de sporen hiervan allerwegen te ontdekken, te meer waar in deze onderscheidene kringen vroeg of laat meestal een persoonlijkheid van beteekenis optrad, die zonder wetenschappelijke vorming, zijn stempel op zijn omgeving afdrukte.

Dit broedde aldus voort, tot met het begin der 19de eeuw deels de piëtistische literatuur uit Duitschland, deels de methodistische geschriften van den Reveil ingang vonden, en het optreden van mannen als Bilderdijk, Da Costa en Groen unificeerend op het leven ging inwerken. Natuurlijk gevolg hiervan toch was, dat, naar gelang deze kringen inmiddels gevormd waren, hetzij de ééne, hetzij de andere soort literatuur hen meer aantrok. Niet zoo lang duurde het dan ook, of drie stroomingen teekenden zich al duidelijker af: eenerzijds een meer mystieke, daarnaast een meer methodistisch getinte, en tusschen beide in trad met steeds helderder bewustheid een derde strooming op, die zich bleef voeden met onze oude Gereformeerde practizijns, en op herstel van het kerkelijk leven aandrong, zij het aanvankelijk in veel te repristineerenden zin.

De hierdoor ontstane splitsing onder de geloovigen kan niet diep genoeg betreurd worden, en ze was daarom te noodlottiger, omdat juist bij het eerste opkomen elke theologische leiding ontbrak. Zoo bleef zelfs elke poging uit, om het verschil van gevoelen door dieper indringen in de waarheid of door terugkeer naar de beginselen der vaderen te boven te komen. Noch Bilderdijk, noch Da Costa, noch Groen van Prinsterer waren theologen in principiëelen zin, en zoo arbeidde en ijverde een iegelijk in den Naam des Heeren, maar zonder tot die hooge eenheid te geraken, die alleen het afdalen in de theologische beginselen geven kon. Bilderdijk leefde meer in de Middeleeuwen dan in de glorie der Reformatie, Da Costa mengde het Chiliastisch element in den strijd, Groen van Prinsterer huiverde voor de Canones van Dordt, en in het land bewandelde elk oefenaar zijn eigen paadje, zonder dat er aan theologische medicatie te denken viel. En evenzoo ging het op kerkelijk gebied. Ook hier drie stroomingen die evenwijdig liepen. Eenerzijds van de mannen van den Reveil, die alle hope van het kerkelijk leven hadden afgewend; daarnaast zij die nog aan een reformatie van de landskerk bleven vasthouden; en tusschen deze beide in die anderen, die met verschil van graad, aan de genezing der landskerk wanhoopten, en op herstelling van de kerkformatie door eigen initiatief bedacht waren. Doch waarin deze drie ook uiteenliepen, dit hadden ze allen gemeen, dat de theologische leiding zoogoed als geheel ontbrak; dat het verleden der vaderen slechts zeer gebrekkig |6| gekend werd; en dat ze hun uitgangspunt en steunpunt niet anders konden vinden dan in het leven der gemeente, gelijk dit in zeer verzwakten toestand nog altoos door de genade Gods stand hield.

Hieruit nu is het te verklaren, dat, geheel deze eeuw door, het optreden der geloovigen zich dualistisch tegenover de wereld heeft geplaatst, en al te eenzijdig spiritualistisch ontwikkeld is. Aan een weer veroveren van de hoogere sferen van wetenschap, van maatschappelijk leven, en van staatsbemoeiing dacht men niet. Men dorst in zijn verlegenheid niet hooger mikken, dan op een redden van het geestelijk leven voor eigen kring. Daarom sloot men zich in dien kring op. Liet wat daarbuiten lag aan zichzelf over. Legde zich vooral op practische werkzaamheid toe. En toen na de geweldenarijen van 1834 en volgende jaren, eindelijk rust en rechtserkenning was verworven, zag men niet wel in, wat er nog meer zou te verwerven zijn. Land en volk in hun breede afmetingen waren toch verloren, en reeds scheen het hoogste bereikt te zijn, zoo men in eigen beperkten kring weer vrijheid bezat, om zelf en in eigen huis en in eigen kerk den God der vaderen te dienen naar de inspraak van het hart. En wel werden ten slotte meerdere theologische scholen gesticht, maar met geen ander dan het practische doel, om de nieuw opkomende kerken van leeraars te voorzien. Van een roeping der heilige godgeleerdheid om op het terrein der beginselen voor alle wetenschap en voor heel het volksleven den toon aan te geven, had men zelfs het flauwste vermoeden en het zwakste begrip niet.

Eerst de Schoolstrijd, door Groen van Prinsterer zoo meesterlijk aangebonden en geleid, heeft in dezen stand van zaken verandering en daardoor verbetering aangebracht. Al valt het toch niet te verbloemen, dat ook de Christelijke school lange jaren door niet weinigen uitsluitend uit zaligmakend motief gesteund werd, als middel om „de kinderkens tot Jezus te laten komen”, toch was met die school rechtstreeks een maatschappelijk en burgerlijk element aan de orde gekomen, dat in de paedagogiek zich steeds sterker gelden deed. Zoo geraakte men vanzelf, zonder het te merken, uit den gesloten cirkel uit, en zette den voet weêr ook op het terrein van het buiten-kerkelijk leven. En toen nu de philanthropie ook harerzijds aandacht vroeg voor hygiëne, ziekenverpleging, psychiatrie enz. en de sociale vraagstukken ook in de kringen onzer Christelijke arbeiders om oplossing vroegen, ontlook er vanzelf belangstelling voor en bemoeiing met een geheele reeks van buiten-kerkelijke vraagstukken, die het vroegere kerkelijke isolement steeds meer onhoudbaar maakten.

Dit bracht een keer teweeg, die er noodzakelijk toe leiden moest, en er dan ook toe geleid heeft, om ons te doen verstaan, dat we met de heerschende denkbeelden, dat we met de resultaten der wetenschap, en zoo ook met constructie der beginselen, gelijk die in de niet-Christelijke |7| wereld gangbaar zijn, niet vooruit konden. Die pasten niet op onze Belijdenis. Het was ijzer met leem verbinden. Zoo kwamen we dus voor een tweesprong te staan. We moesten óf weêr naar het kerkistisch kringetje terug en van alle bemoeiing met de zaken van wetenschap en kunst, van land en volk afzien, óf wel we waren gedwongen om zelf weêr een eigen constructie der beginselen op te bouwen, die met onze Gereformeerde belijdenis accordeerde. Had men er dusver geen bezwaar in gezien, het met de Universiteiten van ongeloovig beginsel te doen, mits onze zonen aan de kerk maar getrouw bleven, thans zag men in dat dit innerlijk dualisme overwonnen moest worden, en dat we aan kweeking van eigen wetenschap, uit eigen beginsel, aan een eigen Universiteit brood-behoefte hadden.

Doch toen rezen ook de moeilijkheden. Aan de wetenschappelijke werken uit de 17de en 18de eeuw had men nu niet meer genoeg, want men stond niet meer tegenover het aloude Arminianisme, maar tegenover een geheel anders toegeruste denkende wereld, die in Modernisme, Ethische vermenging, Pantheïsme en Evolutie haar kracht zocht. Toch mocht men geen tabula rasa maken om van meet af nieuw te construeeren. We waren een historische richting. We wilden niet anders dan Gereformeerd zijn. En zoo ontstond de drang en de behoefte om tot de oorspronkelijke bronnen van het Gereformeerde leven in zijn bloeitijd terug te gaan; te vragen hoe destijds de grenslijnen waren getrokken, waarlangs ook voor den strijd onzer dagen een oplossing te vinden was; en, was die richting eenmaal gevonden, moedig en door omvangrijke studie de stekken uit te zetten, die den weg afbakenden voor onze toekomstige ontwikkeling.

Daarom nu was het noodig, dat ernstig en nauwkeurig het aloude dogma van de Gemeene Gratie weêr van het stof der eeuwen ontdaan, en in helder licht voor ons geplaatst werd. Wie zich binnen den kring van zijn kerkelijk instituut opsluit, heeft genoeg aan de studie der Particuliere Genade; maar wie de roeping ontving, om ook op wetenschappelijk, burgerlijk en paedagogisch terrein op te treden, moet zich orienteeren ook op het gebied dat buiten het instituut der kerken ligt, en juist dat gebied blijft buiten den horizont van ons geloof liggen, tenzij we ernst gaan maken met dat wondere leerstuk der Gemeene Gratie, dat ons het regiment Gods over het buiten-kerkelijk leven verklaart. Het is door die overweging gedrongen, dat wij er ons toe gezet hebben, om dat leerstuk met eenige volledigheid toe te lichten, gelijk we in deze laatste reeks het in zijn practische toepassing hopen na te speuren. En zijn er nu broederen, die achten een beteren weg te kennen, zoo zijn zij er niet mede van af, door nu en dan een schampschot naar onzen kant af te vuren, maar dan rust op hen de zedelijke en zeer ernstige verplichting, om hunnerzijds een beteren weg aan te wijzen, en even uitvoerig als wij dat deden, hun pleit |8| te voeren voor de rechtbank der echt-Schriftuurlijke, dat is de Gereformeerde beginselen. Ook zij moeten dan voor het rapport tusschen het leven in en buiten de geïnstitueerde kerken de constructie der beginselen leveren, en ze moeten dat zóó doen, dat hun theorie uit de Gereformeerde beginselen blijkt gededuceerd te zijn, en in het geheel van onze Gereformeerde Belijdenis past.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Laatste reeks’ I, De Heraut No. 1140 (29 oktober 1899).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001