IX. De Doopersche Oplossing

Ik weet en ben verzekerd in den Heere Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelf; dan die acht iets onrein te zijn, dien is het onrein.

Rom. 14 : 14. a


Ook de Dooperschen nemen ten opzichte van het vraagstuk dat ons bezig houdt, een eigen standpunt in. Voor hen ligt de wereld, als zoodanig, in het booze, is de wereld onrein, en onrein al wat uit de wereld komt, of tot de levenssfeer der wereld behoort. Zelfs de Overheid, die in deze sfeer der wereld haar ambt uitoefent, wordt dientengevolge als onrein beschouwd, en het kind van God, dat een geheel ander, nieuw, hemelsch leven ontvangen heeft, zou zich verlagen, en tegen zijn hemelsche roeping ingaan, indien het aan het Overheidsambt kracht en tijd wijdde. De echte volgeling van Christus staat buiten en tegenover de wereld. Hij heeft die wereld te dulden, maar mag er zich niet aan geven. En zoo trok geheel de belijdenis der Dooperschen op dit punt zich ten leste saam in het stelsel van de dusgenaamde „Mijdinghe”, d.w.z. in de overtuiging, dat een wedergeboren mensch in de wereld buiten de wereld leven moest. En zulks wel in dien zin, niet alsof enkel de wereld in slechten zin te mijden ware, gelijk ook de apostel ons toeroept „dat we de wereld niet zullen liefhebben”, en gelijk het nog onder alle Christenen als zetregel geldt, dat we de wereldsche manieren en vermakingen niet volgen mogen; maar in dien volstrekten zin, dat onder „wereld” geheel de levenssfeer der wereld, heel het natuurlijke leven werd verstaan, en men uit dien hoofde als kind van God ook het rechterambt, burgemeesterambt en zooveel meer mijden moest. Dat altegader waren wereldsche aangelegenheden, en daar had een Christenmensch zich buiten te houden.

Dit Doopersche standpunt, dat nog in menigen kring onder den Gereformeerden naam verdedigd wordt, zou nimmer zijn ingenomen, indien de belijdenis der „gemeene gratie” steeds in het midden der kerken geleefd had. De Doopersche leer van de mijding der wereldsche dingen is toch niets dan de natuurlijke vrucht van het dualisme, dat door de Roomsche voorstelling van de oorspronkelijke gerechtigheid post had gevat, dat bij de Dooperschen niet alleen stand hield, maar nog verscherpt werd, dat zelfs onder de Lutherschen bleef nawerken, en dat alleen van Gereformeerde zijde principiŽel overwonnen werd.

*

|66|



a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Derde reeks’ X, De Heraut No. 1014 (30 mei 1897).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001