VIII. Tempering van de zonde

En God zelde tot hem in den droom: Ik heb ook geweten, dat gij dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.

Gen. 20 : 6. a


Het feit zelf staat alzoo voor ons vast. Er is en er werkt een gemeene gratie, en vrucht van deze gemeene gratie is, dat het doodelijk bederf der zonde niet regelrecht in al wat mensch heet, en in heel de schepping, tot den einde toe, doorwerkt. Wie dit heel de historie beheerschende feit voorbijziet, kan óf de diepte der zonde niet erkennen, óf hij doet te kort aan ’s menschen schepping naar Gods beeld. Maar hoe nu verder? Hebben we dit feit alleen te erkennen, of staan ons gegevens ten dienste, om tot op zekere hoogte eenig inzicht te erlangen in de wijze waarop deze gemeene gratie werkt? Een zeker voorzichtig te stellen, en nog voorzichtiger te beantwoorden vraag, omdat we met haar het verborgen terrein des mystieken levens betreden; maar een vraag die ook zoo toch onder de oogen moet worden gezien. In elk geval is de quaestie die het hier geldt, in hooge mate belangrijk. Gemeenlijk toch treedt het leven der wereld voor ons als onbeschenen met het licht van Boven, en te midden van die in donkerheid en duisternis verzonken wereld bespeurt onze geest dan hier en daar enkele lichtvlakken. Lichtvlakken die de één zich over heel Europa en Amerika laat spreiden, terwijl de ander ze inkrimpt tot die kleine kringen, die het nauwer met de belijdenis van den Christus nemen, en een derde deze lichtvlakken schier tot lichtpunten saamtrekt, schijnende uit het hart van enkele bijzonder vrome personen. De leer der gemeene gratie daarentegen vertoont ons heel de schepping als, van den aanvang tot nu toe, door niets anders dan door de genade Gods gedragen; die genade in elk volk en in elke eeuw, in elk geslacht en in elk persoon werkende; en schemerachtig door de donkerheid waarin het alles verzonken ligt, een weerschijn glinsterend van de reddende, de behoudende, de bewarende macht Gods. Het zou zonder die gemeene gratie alles als met één ontzettenden donderslag inéénstorten en in de hel verzinken. Dat het alles nog staat tot nu toe, en gelijk het nog staat, nog zooveel schoons te aanschouwen geeft, is niet omdat de zonde niet zoo erg en de vloek niet zoo ontzettend, maar omdat Gods gemeene gratie zoo almogend is.

Maar hoe gaat deze werking der gemeene gratie nu toe? Als Abraham koning Abimelech van Gerar met Sara gefopt heeft, zeggende dat Sara |58| zijn zuster was, ontstaat er gevaar voor echtbreuk. Abimelech had Sara, als een voor hem huwbare vrouw in zijn harem genomen, en het pad was hem geëffend, om onwillens en onwetend ontucht te plegen met de wettige vrouw van Israëls stamvader. Toch is het hiertoe niet gekomen. Het kwaad is gestuit. En dat het God was die dit kwaad stuitte, wordt ons op stellige wijze betuigd, in wat de Heere zelf aan Abimelech zeide : „Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.” Dit gold, ieder zal het toegeven, geen particuliere genade ten opzichte van Abimelech, ook al raakt deze daad het werk van Gods particuliere genade in Adam en Sara zijdelings. Hier was alzoo neiging, overhelling tot zonde, gelijk de Heere uitdrukkelijk verklaart, tegen Hem; ook was de gelegenheid bereid. De zonde stond zóó zóó te geschieden. En toch kwam ze niet uit, werkte ze niet door, maar vond ze beletsel. Ze werd gestuit door God. Onze Kantteekenaren spreken het vermoeden uit, dat Abimelech plotseling onwel was gemaakt, krank werd, en alzoo van het kwaad werd afgehouden. Wat ons bericht wordt, komt hierop neer, dat God in den eigen nacht, na den dag waarop Sara in Abimelechs harem was binnengeleid, hem in den droom verschenen is, en hem het verzinsel van Abraham, alsof zij zijn zuster was, ontdekt heeft, en in dien droom sprak God tot hem: „Zie gij zijt dood om der vrouwe wil, want zij is met een man gehuwd.” Deze woorden nu laten geen andere uitlegging toe, dan dat alle zondelust Abimelech vergaan was, en dat het God was die hem opzettelijk dezen zijnen lust had ontnomen. En dat dit zoo was, wordt nader bevestigd, door tweeërlei feit: 1º. door wat bericht wordt in vs. 4: „doch Abimelech was tot haar niet genaderd”, en 2º. door dat we reeds uit vs. 6 hoorden, dat God zelf aan Abimelech verklaarde, hoe dit vergaan van zijn lust Gods werk was geweest. Hij had het belet. Hij, de Heere, had het niet toegelaten.

Er is hier alzoo sprake van een rechtstreeksche inwerking van God op den persoon van Abimelech, waardoor een opgewekte zondige drift ingetoomd, een drijvende zonde gestuit, een voorbedacht kwaad verijdeld wordt; en wel sprake van een rechtstreeksche inwerking, die tegelijk op Abimelechs zin en ziel werkte; hem zinlijk dood op zichzelven terugwierp, en in de ziel zijn lust brak. Dit moest hier eenigszins breeder uiteengezet, omdat we hier uitvoeriger dan gemeenlijk in de Heilige Schrift, de werking der gemeene gratie ons zien toegelicht en door God zelf verklaard. Ook is het gebeurde met Abimelech des te opmerkelijker, omdat duidelijk blijkt dat de gemeene gratie niet ethisch toeging. Hiermede wordt bedoeld, dat de weerhouding niet het gevolg was van betere of vromere gedachten die God in Abimelech opwekte, gelijk b.v. bij Jozef, toen Potifars vrouw hem poogde te verleiden. Van zulk een werking op de consciëntie, of door de consciëntie is hier geen sprake. Integendeel, Abimelech is zich er in het |59| minst niet van bewust, dat hij op het punt had gestaan tegen God te zondigen. Hij zegt het vrijuit: „In de oprechtheid mijns harten heb ik dit gedaan”, en hij vraagt kloekmoedig: „Heere, zult Gij dan een rechtvaardig volk dooden?” Van schuldbesef is hier alzoo geen sprake. Abimelech verstaat er niets van, dat wat hij wilde begaan, zonde tegen God zou zijn geweest. Toch zou het dit zeer stellig geweest zijn. De Heere zegt het nadrukkelijk: „Ik heb u belet van tegen Mij te zondigen.” De werking der gemeene gratie ging hier dus geheel buiten het persoonlijk zedelijkheidsbesef van Abimelech om. Wat plaats greep was geen zedelijke werking, maar een machtswerking. Het was God, die met zijn almachtige hand in het persoonlijk leven van Abimelech naar zin en ziel ingreep ; zinlijk zijn kracht brak en in de ziel zijn lust bluschte. Of dit nu, gelijk de Kantteekenaars vermoeden, door invallende ziekte plaats greep, doet er niet toe. Ook zulk een plotseling over iemand gebrachte krankheid is en blijft toch een machtswerking van God op zijn persoon; ook al blijve het hierbij voorshands geheel in het midden gelaten, of wij ons deze krankheid te denken hebben als gevolg van waarneembare oorzaken, gevatte koude of iets dergelijks, of wel dat God hem deze krankheid onmiddellijk, en zonder tusschenoorzaken op het lijf wierp.

*

Van soortgelijke daad Gods nu, waardoor zonde belet wordt, lezen we ook elders in de Heilige Schrift. Zoo staat er in Genesis 31 : 4-7: „Toen zond Jakob henen en riep Rachel en Lea op het veld tot zijne kudde; en hij zeide tot haar: Ik zie uws vaders aangezichte, dat het jegens mij niet is als gisteren en eergisteren; doch de God mijns vaders is bij mij geweest. En gijlieden weet, dat ik met al mijne macht uwen vader gediend heb. Maar uw vader heeft bedriegelijk met mij gehandeld, en heeft mijn loon tien malen veranderd. Doch God heeft hem niet toegelaten om mij kwaad te doen.” Ook hier dus was kwaad in het zin; de toeleg om kwaad te doen bestond: de drijving der zonde was er, maar God heeft het verhinderd. Hij heeft Laban niet toegelaten, om aan Jakob dat kwaad te doen. In gelijken zin lezen we in Psalm 105 : 14, 15: „Hij liet geen mensch toe hen te onderdrukken; ook bestrafte Hij koningen om hunnentwil, zeggende: Tast mijne gezalfden niet aan, en doet mijnen profeten geen kwaad,” waar het „niet toelaten” niet bestond in het verbieden, maar in het beletten, om zijn gezalfde aan te tasten. En waar het hier nog slechts enkele op zichzelf staande gevallen geldt, daar toont Romeinen 1 ons, dat deze zondestuitende werking een veel algemeener karakter droeg. Als er toch staat, dat de Heere God de heidenen „overgegeven heeft in een verkeerden zin”, ter oorzake van hun steeds verder gaanden afval, ligt hier vanzelf in opgesloten, dat er een periode voorafging, waarin God ze niet losliet, niet |60| overgaf, en dus in zijn hand hield, tegenhield, stuitte op hun weg, en bewaarde. De verstokking en verharding, waarmede telkens gedreigd wordt, is dan ook niet een positief inbrengen in de ziel van opzettelijke zonde, maar alleen een zich min of meer terugtrekken van die genade, waardoor dusver het zoo ergerlijk uitbreken van het kwaad voorkomen werd. Zoolang God met zijn vleugels u dekt, komt er geen verharding, en zijt ge bewaard; maar trekt God zich terug, en wordt de doorwerking der zonde vrijgelaten, dan komt de verharding en de verstokking vanzelf. Bij noordwestenwind strandt het schip op onze kusten, niet omdat de stuurman het op strand stuurt, maar als hij ophoudt door het roer het schip van strand af te houden. Zóó als het roer ophoudt te werken, vliegt het schip pijlsnel naar de kust en wordt op de zandbank stukgeslagen. En dat een ander schip niet strandt, is niet omdat dit schip beter is, of omdat de zuiging van wind en vloed op dit schip niet werkt, maar alleen omdat de stuurman met zijn roer de drijfkracht van wind en vloed wist om te leiden. En zoo nu is het ook hier. De zondige drijfkracht die in wind en vloed onze ziel wil doen stranden, en op het strand stuk zal slaan, is aanwezig en werkt op elks ziel, maar het is God, die het roer in het scheepke onzer ziel omwerpt met zijn almachtige hand, en daardoor het stranden belet. En zóó houdt God de Heere niet op, dat roer in onze ziel tegen wind en vloed in te wringen. of opeens slaat dat roer om, ons hart slaat om en glijdt achterwaarts, en de schipbreuk onzer ziel volgt gewisselijk.

Als dan ook de rechtvaardigen klagen: Heere, waarom doet Gij ons van uwe wegen dwalen? Waarom verstokt Gij ons hart, dat wij U niet vreezen? Keer weder om uwer knechten wil, de stammen uws erfdeels, (Jes. 63 : 17), zoo is hiermede in het minst niet bedoeld, dat de Heere opzettelijk zijn volk tot ongeloof en afval aanzette en prikkelde; maar, heel anders, dat zijn volk, zoo Hij het ook maar even loslaat, met onweerstaanbare zuiging helt naar het booze, en dat het alles alleen door zijn stuitende en bewarende genade op die helling werd tegengehouden. De klacht komt alzoo hierop neder: Gij, o God, die ons dusver door uw genade hadt bewaard en in toom gehouden, en den boozen zin in ons hadt ingetoomd, waarom hieldt Gij op ons alzoo te bewaren, daar Gij toch wist, dat dit leiden moest tot een afdwalen van uw wegen en tot een verlaten van de vreeze uws naams? Nu ligt het in den aard der zaak, dat de Heilige Schrift van deze bewarende genade bijna uitsluitend bij kinderen Gods, bij ’s Heeren volk, bij zijn erfdeel handelt, en alzoo de „gemeene gratie” zoogoed als eeniglijk bespreekt, voor zooveel ze ingevlochten ligt in de particuliere genade. Wat we van Abimelech lezen, was uitzondering. Maar ook, voor zoover ze in de particuliere genade is ingevlochten, draagt de gemeene gratie dan toch altoos datzelfde karakter, dat ze van zonde afhoudt, en in dien zin bewaart voor het kwade. Ons resultaat kan dan ook geen ander zijn, dan dat de |61| zonde perst en dringt met de in haar tegendeel omgezette scheppingskrachten, en dat het God als Schepper is, die deze door Hem in het creatuur gelegde en in het creatuur in stand gehouden krachten, in de sterkte van haar dringing en persing naar het kwade beperkt en breekt.

*

Er werkt in het gansch heelal geen enkele kracht, dan die van God besteld is, door God geschapen werd, en door God van oogenblik tot oogenblik in stand wordt gehouden. Voor zoover nu deze krachten van geestelijken aard en in zijne redelijke creaturen zijn ingeschapen, is tevens door Hem de richting bepaald, waarin deze krachten hebben te werken. Maar deze bepaling van de richting is geen natuurnoodwendigheid. De zedelijke krachten werken niet als de zwaartekracht. Een losgelaten steen moet vallen, en kan niet naar boven wippen. Een met gas gevulde ballon moet naar boven, en kan, zoolang dat gas werkt, niet naar beneden. Maar op zedelijk gebied is elke kracht door een roerpen beheerscht, en al naar gelang die roerpen links of rechts wordt omgeworpen, werkt die kracht, laat ons zeggen, noordwaarts of zuidwaarts; ethisch uitgedrukt: naar boven of naar beneden, heilig of onheilig, tot deugd of tot zonde, ten goede of ten kwade. Zonde is alzoo niet het ontstaan van een nieuwe kracht, maar het richten van de scheppingskrachten tegen Gods bestel in, in verkeerde richting. In geen enkele zonde kan ooit een kracht werken, die niet door God geschapen zou zijn. Vanwaar toch zou zulk een kracht anders ontstaan wezen, en wie zou ze geschapen hebben?

Ware het nu alzoo, dat God aan deze krachten, na ze geschapen te hebben, een zelfstandig bestaan had gegeven, zoodat ze voortaan buiten Hem om bestonden, dan zou haar verdere werking aan zichzelve zijn overgelaten, en alzoo een geïsoleerde sfeer in de schepping vormen. Maar dat is niet alzoo. Niemand bezit in zijn bloed, in zijn zenuwen, in zijn spieren, en zoo ook in zijn wil of in zijn verstand, ook maar één oogenblik, één enkele krachtswerking, die in zichzelve kan rusten; en zoo God ophield dit alles in hem te onderhouden, en te dragen, zou op hetzelfde oogenblik van alle deze krachten niets meer over zijn of bestaan. Om het eens sterk uit te drukken: God zelf heeft de spieren in de hand van Rome’s soldaten ondersteund en gesterkt toen hun bboze hand de nagelen in Jezus’ handen en voeten dreef, en wanneer God op datzelfde oogenblik zijn kracht aan hun spieren onttrokken had, zou hun hand op het eigen oogenblik verlamd en verstijfd zijn, en niemand zou Jezus hebben kunnen deren. Dit alles is alzoo niet slechts toegelaten, in den zin, dat God er niet tegenin is gegaan, maar dat het geschieden kon, was alleen doordien God er de krachten voor in stand hield.

*

|62| Hoe ontzettend het dan ook zij om in te denken, toch is het zoo, dat er nooit eenige zonde is volvoerd dan met krachten, die door God geschapen en in stand gehouden werden, ook op het eigen oogenblik dat de zonde gepleegd werd. Want wel komt in de Heilige Schrift ook hier en daar een voorstelling voor, alsof God in enkele gevallen opzettelijk tot zonde aanport en prikkelt, en het derhalve dualistisch ons voorkomt, als werkte de zonde zelfstandig en uit eigen hoofde en uit eigen krachten, en als ware het God, die den zelfstandigen bezitter van deze zondige krachten eerst door prikkeling er toe brengen moest, om ze tot zonde te gebruiken. Maar in zulke verhalen vinden we dan ook geen leerontwikkeling, geen waarheidsopenbaring, maar alleen een mededeeling in menschelijken vorm, en de analogia fidei eischt dat we al zulke voorstellingen uitleggen naar de opzettelijk gegeven openbaring. Als er staat, dat „Gode iets berouwt”, dan eischt de analogia fidei, dat we dit uitleggen naar den opzettelijken openbaringsregel: „God is geen mensch dat Hem iets berouwen zou. Bij Hem is geen verandering noch schaduwe van omkeering”. Die methode is de eenig ware. Verhalen, berichten en mededeelingen worden door de Heilige Schrift gemeenlijk in het kader van onze menschelijke voorstellingen gezet, maar altoos moeten die voorstellingen, zult ge tot den waren achtergrond doordringen, vertolkt worden naar die absolute voorstelling, die ons in de bepaalde waarheidsopenbaring gegeven wordt. Zoo dus ook, als er staat: „Waarom doet Gij ons van onze wegen dwalen”, of ook dat God David aanporde om het volk te tellen, dan is die voorstelling als menschelijk te waardeeren, maar moet ze vertolkt naar den regel, dat alle krachten Godes zijn, en dat de omgekeerde werking van Goddelijke krachten in de zonden der menschen, door Hem kan worden vrijgelaten of ingetoomd.

Scherp genomen kan men dan ook niet zeggen, dat de gemeene gratie „bovennatuurlijk” is. Ze is zeer zeker alzoo te noemen, in zooverre ze van God naar ons menschelijk geslacht uitgaat. De gevallen natuur aan zichzelve overgelaten, d.w.z. werkende met niets anders dan de door God in haar gelegde krachten, en ook, die krachten geen andere heerschappij uitoefenende dan die van den gevallen mensch uitgaat, zou pijlsnel in den afgrond des verderfs wegglijden. Er is dus metterdaad een tusschenbeide tredende daad Gods, die, in haar motief, niet middellijk maar onmiddellijk werkt. Middellijk zou de werking zijn, indien het motief, d.i. de bewegende wilskracht van het ik van den mensch uitging, maar ze is hier onmiddellijk, in zooverre God de werking der krachten niet aan het impuls, niet aan de aandrift, niet aan de heerschappij van het zondig ik en aan de neiging der zondige natuur overlaat, maar de zondige doorwerking door opzettelijke kracht tegenhoudt en stuit. Zooals de voerman op steile bergwegen weet, dat het wiel van zijn wagen, eenmaal aan het rollen, met steeds versnellende |63| kracht den wagen naar beneden zal doen vliegen, tot de wagen alle stuur verliest en in den afgrond wegslaat, en deswege een ijzeren sleuf niet ketting om het wiel slaat, zoodat de gang vertraagd wordt, en de wagen langzaam naar beneden glijdt, zoo ook doet God het in zijn gemeene gratie. Hij weet hoe het rad des zondigen levens, door niets anders dan door de spil van het zondig ik in den mensch beheerscht, steeds sneller wentelen zal, en in die steeds snellere wenteling heel den mensch verderven en in den afgrond moet doen terecht komen, en nu remt God dat levensrad door er de sleuf van zijn gemeene gratie om heen te slaan, en die vast te zetten met de ijzeren keten van zijn Goddelijken wil. In zooverre geven we dus toe, dat er ook in de gemeene gratie een bovennatuurlijke, onmiddellijke daad Gods is, een ingrijpen in den loop van het rad des zondigen levens, een handelen buiten het ik des menschen om, het doen werken van zijn Goddelijken wil, niet alleen niet door den wil des menschen, maar zelfs tegen zijn wil in.

*

Maar al is dit onbetwistbaar, wat den eersten aanstoot betreft, is haar werking als zoodanig in de gemeene gratie niet bovennatuurlijk. Zelfs in het beeld van het genoemde wiel is dat duidelijk. De voerman op de bergen houdt de ijzeren keten van den wielschoen niet in zijn hand, maar haakt die aan den wagen zelven vast, en het is de wagen zelf, die het rad belet sneller te draaien. En zoo ook is het hier. Alle werking der gemeene gratie geschiedt door in de natuur des menschen aanwezige krachten. Oppervlakkig beschouwd schijnt dit anders. Immers als God in den een de booze krachten verder laat doorglippen dan in een ander, dan maakt dat op ons den indruk, alsof God op den één, als we zoo zeggen mogen, sterker pressie uitoefende dan op den ander. Doch dit is schijn. Een schijn alleen daaruit ontstaande, dat wij den mensch ons altoos voorstellen als werkende zonder en buiten Goddelijke kracht. Doorziet men daarentegen helder en klaar, dat alle in den mensch werkende krachten, onverschillig of ze ten goede, dan wel of ze ten kwade werken, van oogenblik tot oogenblik door God gedragen en in stand gehouden worden, en terstond vernietigd zouden zijn, als God ook maar één oogenblik ophield ze te ondersteunen en te doen werken, dan wordt het duidelijk, dat de werking geheel binnen de sfeer van het creatuurlijke, natuurlijke en zondige leven blijft, indien God de Heere in den een deze krachten sterker, in den ander zwakker laat doorwerken.

De waarheid hiervan gevoelt men het klaarst, als men let op het verschil van gevoel, waaronder God deze kracht laat werken, ook daar waar van zonde als zoodanig geen sprake is. Stel er zijn twee menschen met dichterlijken aanleg. Neem Bilderdijk en Da Costa. Nu heeft noch in den |64| een, noch in den ander de kracht van hun dichterlijken aanleg ooit anders gewerkt, dan door Goddelijke aandrift. En toch, welk verschil niet tusschen de honderd vijftig dichtbundels die Bilderdijk ons naliet, en de betrekkelijk zeer kleine dichterlijke nalatenschap van Da Costa. Des éénen kracht is alzoo veel sterker door God aangedreven dan des anderen. Een verschijnsel dat zich op allerlei terrein herhaalt.

Denkt u nu zulke menschelijke krachten op het kwade gericht, dan is het duidelijk, hoe in een vorst als Willem III en in een vorst als Napoleon gelijke aanleg kon bestaan, om te heerschen, de wereld te veroveren, en door wapengekletter zijn wil door te zetten, en hoe toch die gelijksoortige kracht in een Napoleon zoo toomeloos kon worden losgelaten, dat hij veelszins een geesel der menschheid werd, terwijl ze in Willem III ingetoomd en geleid, tot een zegen voor Europa kon worden.

Hoogmoed is de in zonde omgekeerde kracht der zelfbeheersching. God schiep in onzen geest de kracht, die er op gericht moet zijn, om ons karakter, onze persoonlijkheid, de eigenaardigheid van ons wezen te handhaven, en het licht, dat uit ons kan stralen, zoover mogelijk, Hem ter eer, te doen branden. Bij den zondaar daarentegen slaat deze menschelijke kracht in haar tegendeel om, en wordt trots, hoogmoed, hoovaardij. Ook in deze zonde werkt alzoo niets anders dan een heilige kracht, die God ons inschiep, en die tot ons menschelijk wezen behoort, maar die nu door den zondigen mensch averechts gericht en in haar tegenovergestelde werking wordt aangewend. Zoo leeft dan de zonde en de hartstocht van den hoogmoed in ons op. Maar evenals er nu buiten zonde verschil in graad denkbaar is van de intensiteit, waarmeê deze kracht ten goede zou doorwerken, evenzoo is er verschil van graad denkbaar in de intensiteit, waarmede deze zelfde kracht ten kwade doorgaat. In Pharao is deze graad van intensiteit op het hoogste en tot op het uiterste doorgegaan, heel anders b.v. dan bij Rezin, den koning van Damaskus. Doet God nu deze intensiteit sterk doorgaan, dan breekt de zonde schrikkelijk uit; maar ook, bindt Hij deze intensiteit in, dan blijft de zonde matiger in haar werkingen. Naar gelang nu die intensiteit onder zijn Goddelijk bestel daalt of klimt, klimt of daalt ook de werking der gemeene gratie. Als de ketting in de hangklok breekt, snort opeens het uurwerk met een ratelend geluid af; maar zoolang er een tegenhoudende werking is, gaat de loop van het uurwerk langzaam, en komt eerst in het eind, indien het niet opnieuw wordt opgewonden, op het doode punt.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Derde reeks’ IX, De Heraut No. 1013 (23 mei 1897).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001