V. Waarom deze oplossing onbevredigend?

Zij gaan van kracht tot kracht, een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.

Psalm 84 : 8. a


De voorstelling van onze samenleving, als bestond onze maatschappij uit een groote middengroep van brave, fatsoenlijke lieden, met een linker- en rechtervleugel, links het „volk uit de achterbuurt” en rechts „de fijnen”, die vooral sinds de tweede helft der vorige eeuw opkwam, heeft thans uitgediend. Ze hangt nog, en werkt nog na, bij de platte burgerij, maar heeft in de wetenschappelijke kringen afgedaan. In die hoogere kringen is thans uit de scholen der wijsbegeerte een andere wijze van het leven te bezien doorgedrongen, niet echter met eenparig geluid, veeleer met zeer tegenstrijdige refrein, al naar gelang men in die kringen meer optimistisch of pessimistisch gezind is. Optimistisch gezind heet dan een ieder, die goedsmoeds voor de toekomst is, pessimistisch wie de dingen beziet door |33| een donker gekleurden bril. Voor de juiste waardeering nu van „de gemeene gratie” behoort ook het beweren van deze beide scholen onder de oogen te worden gezien.

Naar tijdsorde was de optimistische school het eerst aan het woord. Vergunne men ons daarom, haar zienswijze het eerst te schetsen.

Gelijk de ouderen van jaren zich nog wel herinneren, is, wat men noemen kan het Modernisme, op kerkelijk, godgeleerd, staatkundig en opvoedkuudig gebied opgetreden met een meedoogenlooze critiek op de bestaande toestanden, en niet minder met de stellige verzekering, dat weinig anders dan het stipt volgen van haar recept noodig was, om, zoo al niet in een gouden eeuw, dan toch in een schooner gelukstaat over te gaan. De fout had gelegen in de domheid der menschen. Niet in hun boosheid, maar in hun onkunde, want uit de onkunde was al het kwaad geboren. Wat men gesproken had van „zonde” was althans onnoembaar overdreven. Duidelijk kon men dit zien, als men de lagere met de hoogere standen vergeleek. In die lagere standen was men in kennis en wetenschap achterlijk, en juist uit die standen kwamen de ongelukkigen voort, die bordeel en gevangenis bevolkten. Daarentegen scheen over de hoogere standen het licht der kennis en der wetenschap, en hoe hooge zeldzaamheid was het niet, dat een man of vrouw uit die betere klasse der maatschappij met de politie in aanraking kwam. Kon men er dus in slagen, om datzelfde licht der kennis ook over de lagere standen te doen stralen, dan mocht billijkerwijze worden verwacht, dat ook uit die standen ontucht en ondeugd allengs verdwijnen zouden. Natuurlijk een ongerijmd beweren! Die gevolgtrekking toch zou dan alleen zijn doorgegaan, indien de meerdere of mindere kennis het eenig verschil tusschen die beide standen ware geweest; maar ze was het toppunt van dwaasheid, nu het verschil tusschen beide soort standen bovendien nog in heel andere dingen bestond, in armoede en rijkdom, in enger en ruimer woning, in publieker en meer schuilend leven, in grover en fijner arbeid en zooveel meer. De proef zou uit dien hoofde dan alleen zijn doorgegaan, indien men er kans op had gezien, om aan de lagere standen niet alleen die meerdere kennis, maar ook die meerdere welvaart, die betere woning, dat meer verborgen leven, dien minder ruwen arbeid, en zoo voorts, te verschaffen. Maar te wanen, dat, waar al het overige bleef gelijk het was, alleen wat meerdere kennis, de maatschappelijke positie dezer lagere klasse zou omzetten, was pure zelfmisleiding, gelijk de uitkomst die zoo bitter teleurstelde, dan ook te over bewezen heeft.

*

Voor ruim een halve eeuw was men echter aan dat oor doof. Kennis is macht, werd de leuze; kennis is het probate medicijn, en op alle manier |34| maakte men zich op, om die meerdere kennis te verspreiden. Dit bracht de Moderne school terstond in conflict met de orthodoxie. Niet alsof de orthodoxie tegen het verspreiden van die meerdere kennis partij trok, maar deze school kon niet anders dan de orthodoxie beschuldigen, dat zij opzettelijk de menschen dom hield in geestelijke zakeit. Daar had men zijn kostelijken Bijbel! Wat heerlijk boek niet voor de opvoeding van ons menschelijk geslacht! Maar de orthodoxie belette den lieden het kostelijke van dit boek in te zien. Ze deed gelooven, dat het alles waar was wat er in stond. En dat was ongerijmd. Er waren geen wonderen. Dat alles was mythe of sage. Alleen op het godsdienstig-zedelijke in de Heilige Schrift kwam het aan. En om daar smaak in te krijgen, en daar het verhevene van in te zien, moest men den Bijbel beschouwen, zooals zij, Modernen, het deden. Boek voor boek onecht, al die wonderverhalen verzonnen, en zoo eerst zou men zijn Bijbel liefkrijgen en leeren waardeeren. Zoo klonk de belofte, en rusteloos werd afgegeven op die booze orthodoxie, die stelselmatig dit schoone licht der Heilige Schrift verdonkerde. En wat was nu de vrucht van deze moderne actie, we zeggen niet bij het eerste, maar dan toch bij het tweede geslacht? Geen ander, dan dat heel de Bijbel in den hoek ging, dat zoogoed als niemand er meer in las, en dat men thans reeds in deze kringen ontwikkelde mannen en vrouwen vindt, die aan den inhoud der Heilige Schrift geheel vervreemd zijn.

Intusschen school achter deze Moderne zienswijze een beginsel, dat nog rusteloos doorwerkt, lang nadat het Modernisme zelf reeds als een overwonnen standpunt kan worden beschouwd. Dit beginsel nu bestaat hierin, dat men den mensch beschouwt als een wezen, dat, naar vaste wet, zich van lager naar hooger ontwikkelt. Hoe dit begonnen was, liet men in het eerst onbesproken. Wel loochende men het scheppingsverhaal en het verhaal van den val, maar toch had men aanvankelijk nog geen scherp belijnde voorstelling van den mensch in zijn oorspronkelijken toestand. Men liet dat blauw-blauw, en voelde geen drang, daar dieper in door te dringen. Maar dit werd anders toen de dusgenaamde uitvinding van Darwin macht over de geesten begon te krijgen. Men kent Darwins stelsel, hierop neerkomende, dat er geen soorten geschapen zijn, maar dat alle soorten van wezens zich van lieverlede uit éénzelfde wezen ontwikkeld hebben. Met name werd dit van de dieren beweerd. En toen eenmaal werd aangenomen, dat een slak en een paradijsvogel, een zeekwabbe en een hert in den grond uit één type kwamen, was de sprong niet zoo groot meer, om ook verwantschap aan te nemen tusschen een hoog ontwikkeld dier en een nog zeer laag staand menschelijk wezen. Een Hottentot of Bosjesman en een orang-oetang of chimpansee verschilden toch reeds niet zoo heel veel. Nam men nu bovendien nog aan, dat een Hottentot reeds zeer ontwikkeld was vergeleken bij de veel lagere menschensoorten, die aan hem waren |35| voorafgegaan, dan werd men onwillekeurlg meêgesleept met de gedachte, dat de eerste mensch, in zijn allerlaagsten staat van ontwikkeling zeer wel een bijzonder gelukkig ontwikkelde orang-oetang kon geweest zijn.

Toen nu eenmaal deze voorstelling omtrent de herkomst van den mensch ingang vond, volgde hieruit vanzelf, dat men zich de geheele ontwikkeling van ons menschelijk geslacht voorstelde, als een langzame gestadige opklimming uit zeer ruwen, nog bijna gansch dierlijken toestand tot al hoogeren vorm van leven. Hoe later men in het leven komt, hoe beter men het dus treft, want des te verder is de menschheid in haar ontwikkeling voortgeschreden. Vergeleken bij alle vroegere eeuwen stond alzoo onze eeuw het hoogst. In de middeneeuwen was het nog zeer donker geweest. In de dagen der Reformatie brak slechts aanvankelijk een zwakke schemering door. Op het laatst der vorige eeuw was de zon eindelijk door de wolken gebroken. En nu, in onze schoone eeuw, wandelde men bij het heerlijkst licht. En overmits nu de Roomsche kerk ons naar de Middeneeuwen, en de orthodoxie ons naar de morgenschemering wilde terugleiden, moesten beide weerstaan worden als terugleidende van het licht naar de duisternis. Een volgende zou nog weer staan boven onze eeuw. En zelfs liet zich nu reeds beschrijven, gelijk men het dan ook beschreven heeft, wat wondere gelukstaat alsdan ons menschelijk geslacht te wachten stond.

*

Doch nu ter zake. Bij nauwlettend onderzoek bleek namelijk, dat wel de menschheid zich in haar geheel aldoor voortbeweegt, maar niet elk mensch op zichzelf liep hierin even hard meê. In den één was het dierlijke nog machtiger dan in den ander. Er waren zeer ontwikkelde maar er waren ook zeer achterlijke personen. Bijna geen twee waren gelijk. En uit dat verschil van graad van ontwikkeling ontstond nu wat wij „zonde” noemen. Zelfs de verst ontwikkelde voelde nog wel iets van zondebederf, maar bij hem was dit niets anders dan de drang naar het hoogere, waaruit onvoldaanheid met zijn tegenwoordigen toestand moest opkomen. Maar de wezenlijke zonde, de misdaad, de gruwel vond zijn oorsprong alleen in een lager graad van ontwikkeling. Dat iemand slechte dingen doet, wil alleen zeggen, dat hij nog zoover niet is. Dat moet men dus door opvoeding en politie tegengaan, niet omdat het slecht is, maar om den achterlijken Inensch vooruit te helpen. Dat men nog van „berouw” spreekt, en „schuld” straft, kan geen kwaad, omdat de mensch er door vooruit komt. Mits maar steeds in het oog worde gehouden, dat dit alles slechts manier van spreken is. Eigenlijk toch is er noch zonde noch schuld noch oorzaak voor berouw want al wat den hooger staande ergert en hindert is alleen daaruit te verklaren, dat de andere menschen nog zoo ver niet zijn. |36|

Naar de voorstelling dezer school moet de toestand in onze menschelijke maatschappij dus ongeveer op deze wijze worden opgevat, dat de menschheld in haar geheel in deze eeuw die trap van ontwikkeling bereikt heeft, die bij haar leeftijd past, maar dat er ook in het thans levend geslacht onderscheiden moet worden tusschen de middenmassa, die, zij het dan met verschillende trappen, deze bij onze eeuw passende hoogte bereikt heeft, en tusschen die lager ontwikkelden, die achterlijk zijn, nog te veel van het dier in zich hebben, en deswege een harden strijd zullen hebben, om de menschheid bij te houden in haar loop. Boven de middenklasse daarentegen steekt een andere kleine groep uit, die der hoogst ontwikkelden, die hun eetiw vooruit zijn, en het is deze kleine groep van wijsgeeren en denkers, die de roeping heeft om de menschheid verder te leiden. En waar dan de orthodoxen of de fijnen blijven? Wel, voor hen is in deze wereldbeschouwing eigenlijk gansch geen plaats. Zij staan buiten de wet. Zij zijn de eigenlijke misdadigers, want willens en wetens houden zij het licht in duisternis ten onder. Iets wat dan wel niet geldt voor de misleide massa onder hen, doch zeer zeker voor haar leidslieden, die het zeer wel beter weten, maar uit priesterheerschzucht oneerlijk handelen, en met opzet de menigte die hen volgt op het dwaalspoor houden.

*

En vraagt ge nu ten slotte, wat van deze geheele wereldbeschouwing het diepste uitgangspunt is, dan kan het antwoord niet anders luiden, dan het Pantheïsme. Dit Pantheïsme toch leert een God die zelf niet is die Hij zijn zal, maar die zich evenals de mensch ontwikkelt. Een God die eerst van zichzelf niet af weet; die eerst van lieverlede tot een halfbewust leven opwaakt, en die naar gelang de wereld en in die wereld de menschheid vooruitkomt, allengs zichzelven meer bewust wordt. Zoolang de mensch nog in de dierenwereld sliep, sliep ook God. Eerst sinds de mensch opwaakte, waakte ook God op. Naar gelang de mensch helderder in zijn besef werd, werd ook God voor zichzelf helderder. God heeft geen besef van zichzelven buiten den mensch, maar alleen in den mensch. Vanzelf is God dus veel meer in de hooger ontwikkelde genieën, dan in de gewone lager staande menschen. En als er nu of dan een bijzonder diepzinnig wijsgeer opstaat, die heel wat meer begrijpt dan de meesten zijner tijdgenooten, dan is dat de mensch in wien God zeer bijzonder aanwezig is, bijzonder uitkomt, en op bijzondere wijze zichzelven bewust wordt. Het is dit Pantheïsme, waaruit feitelijk het Darwinisme geboren is, en waaruit evenzoo de geheele theorie van de ontwikkeling van minder tot meer haar oorsprong nam. Zoo hangt alles saam. Het is ééne gedachte, die hemel en aarde, en op de aarde heel het leven beheerscht. Van lager naar hooger |37| is de leuze, die zelfs in het Excelsior nog verre van Christelijk naklinkt. En tevens spreekt het vanzelf, dat deze richting optimistisch moet zijn. Altijd verder, altijd beter! en over al het achterlijke en teleurstellende getroost door de vaste overtuiging, dat ook dit kwaad straks geleden zal zijn.

*

Jammer maar dat al te spoedig zoo schoone droom verging. Buckle trad op grond van historische beschouwingen met het beweren op, dat wel de vorm van het leven veranderde, maar dat er van zedelijken vooruitgang in ons leven geen sprake kan zijn; en dat veeleer noodlottige ons onbekende oorzaken den gang van het leven beheerschten, zoodat met wiskunstige nauwkeurigheid jaar in jaar zich hetzelfde booze herhaalde. Ten langen leste bleek het: elk jaar zooveel moorden, zooveel zelfmoorden, en hierbij zóóveel mannen en zooveel vrouwen, ja tot zelfs in het soort van zelfmoorden was vaste regel. Zóóveel elk jaar door ophanging, zóóveel door verdrinking, zóóveel door schietgeweer, zóóveel door vergif. Van andere zijde kwam Lombroso niet de stelling op, dat alle gruwel en misdaad het noodwendig gevolg is van lichamelijke gesteldheid, en dat deze wederom bepaald was door erfelijkheid en geboorte. Zelfs werden er voorstellen gedaan, om deze jammerlijk voorbeschikte wezens uit te roeien, of althans hun voortteling te verhinderen. En wat nog het ergste was, de schoone verwachting dat ineerder kennis zedelijkheid en braafheid zou kweeken, ging niet in vervulling. Eer kroop de misdaad naar de beschaafde klasse op. De moordenaar, die als fijn gekleed heer binnenkwam, werd geen zeldzaamheid. Bedrog in zaken en zwendelarij namen toe. De zelfmoorden vermeerderden schrikbarend. Evenzoo het aantal der krankzinnigen. En de zedelijkheid in gewonen zin genomen, nam in verband met de prostitutie, proportiën aan, die bang maakten.

Gebleken was derhalve, dat de optimistische voorstelling van een schoon voortschrijdende ontwikkeling, die ons straks het Paradijs zou ontsluiten, afstuitte op de feiten van het leven. Men had de orthodoxie beschuldigd van de schare te misleiden, en zie, thans bleek men zelf zich aan misleiding der schare te hebben schuldig gemaakt. Dit had ten gevolge, dat sommige ernstige denkers tot de eerst verworpen orthodoxie terugkeerden, maar ook dat anderen uit het vroegere optimisme oversloegen in een pessimisme, dat thans loodzwaar op geheel onze samenleving drukken gaat. Want al pleegt men deze nieuw opgekomen levensbeschouwing aan Von Schopenhauers naam te verbinden, toch wane niemand, dat ze uit hem voortkwam. Dit pessimisme was veeleer de noodzakelijke reactie tegen het vroeger luchthartige optimisme der Moderne school. Het sloop in de geesten en het bezwangerde de lucht, tot Von Schopenhauer er theorie |38| en uitdrukking aan gaf. Zoo kwam men tot de belijdenis der wanhoop, dat onze wereld diep ellendig is, eigenlijk de ellendigste wereld die zich denken laat, en wel een wereld in wier ellende zich een oppermachtige wil doet gelden, waartegen kennis op zichzelf niets baat, enldie alleen door den wil van het ik, dat brutaalweg heel de wereld tarten durft en het niet zoekt, te weerstaan is.

Hierdoor werd natuurlijk de blik op de samenstelling der maatschappij een geheel andere. De mensch kwam nu voor als een slachtoffer. De verklaring van de menschelijke ellende, en dus ook de zonde, werd niet meer in den mensch, maar in dien alles drijvenden wil gezocht. In de soort ellende, waarvan men het slachtoffer werd, was verschil van graad, maar ze werd beheerscht door toestanden, waartegen men niets vermocht. Een uitzondering maakte alleen die kleine groep, die den wezenlijken toestand inzag, en nu desnoods door zelfmoord, zich tegen dien alles drijvenden wil verzette. Kruid was er tegen dezen jammer voor de groote menigte niet gewassen. Zij lag verstrikt in allerlei banden, waaruit ze zich toch niet kon vrijmaken, en werd beheerscht door invloeden, waartegen ze toch niets vermocht. Een hopelooze overtuiging, die er ten slotte lust aan kreeg, om met opzet elk vonkje van hoop, dat nog gloorde, uit te blusschen, niet uit spel, maar uit diep besef, dat men eerst dan klaar en helder de schrikkelijkheid van deze ellendigheid in kon zien, indien men iets in zijn wil kon doen opwaken, dat door zelfvernietiging tot verscheuring van die onheil spellende banden bekwaamde.

Vandaar dat ook het oordeel over de orthodoxie wijziging onderging. Ze was wel een obscurantistisch verschijnsel, maar één dier ellendigheden, die meê tot het leven behoorden. Niet beter, en niet slechter dan de andere. Ook was er niets aan te doen. Ook de donkere wolk der orthodoxie moest nu eenmaal over een deel onzer samenleving hangen. Zoo was het altoos geweest. Zoo was het ook nu. Zoo zou het blijven. En bovendien, al feilde de orthodoxie door een schoone hoop voor de toekomst te doen glinsteren, ze had dan toch dit goede, dat ze ook harerzijds wil tegen wil gesteld had, en veeleer in die wilsenergie dan in beschaving en verlichting het middel ter redding en ontkoming had gezocht. Wie zelf orthodox met de leiders dezer geesten in aanraking komt, voelt dan ook terstond, dat bij hen van de oude hatelijkheid der „verlichten” niets meer te bespeuren valt. Ze gaan niet met u mede. Soms halen ze de schouders voor u op. Maar ze begrijpen het, dat ge zijt zooals ge zijt, en denken er niet aan u hard te vallen.

En omgekeerd dient evenzoo erkend, dat vooral de Gereformeerden in menig opzicht door deze nieuwe denkbeelden zich voelden toegesproken. Was praedestinatie eenmaal het wachtwoord, waaraan ge de Gereformeerden onder alle overige orthodoxen herkendet, het „voorbeschikt” was |39| ook bij deze pessimisten schering en inslag. Met een heel ander begrip, het is zoo, maar gemeen aan beide was dan toch de overtuiging, dat het leven geen Pelagiaansch spel van den vrije-wilsmensch is, maar dat er een hooge macht door het leven gaat, die den gang van het leven beheerscht. En waar van den anderen kant de Gereformeerden de meeste ergernis hadden gewekt door hun absolute belijdenis van de verderving onzer natuur door de zonde, en de gevolgen der zonde in erfzonde en ellende steeds op den voorgrond stelden, daar moest het hen wel verrassend aandoen, thans uit geheel anderen hoek, soortgelijke erkentenis van een erfelijke ellendigheid, die heel het leven beheerscht, tegen de mannen der verlichting te hooren bepleiten. We zeggen: soortgelijke, want geen oogenblik wenschen we uit het oog te verliezen, dat de Gereformeerden en de pessimisten met dergelijke termen iets geheel, anders bedoelen. Maar dit blijkt dan toch, dat waar de mannen der verlichting ons als obscuranten hadden gebrandmerkt, omdat we hun opkomende wijze van zien op grond van Gods Woord weigerden over te nemen, thans door hun tegenstanders werd aangetoond, hoe juist onze zienswijze veelmeer dan de hunne met de historie en de feiten in overeenstemming is.

Er is meer.

Al moge ook de levensbeschouwing der pessimisten voortgaan veld te winnen, ja, ook al moge ze een tijd lang heerschend worden, toch is het aan geen twijfel onderhevig, of ze gaat straks weervoorbij. Er wordt nog te veel door het menschelijk hart aan reine vreugde genoten, dan dat zoo zwartgallige zienswijze duurzaam de geesten verontrusten zou. Maar ook al gaat ze dan onder, ze zal dan toch aan de Moderne levensbeschouwing voor altoos een knak hebben toegebracht, waarvan ze zich nooit geheel zal kunnen herstellen. En gaat men nu dit verloop na: eerst de periode van het dusgenaamde „gezond verstand” met de brave-Hendrikstheorie; daarna de periode van de mannen der voortgaande ontwikkeling; en in de derde periode, waar we thans aan toe zijn, ook deze levensbeschouwing gewogen en te licht bevonden door de pessimisten, dan kan de uitkomst toch geen andere zijn, dan om ons te versterken in ons allerheiligst geloof, en de waarde van onze belijdenis in te helderder licht te plaatsen. Zelfs onder ons werd aan het leerstuk der „gemeene gratie” nauwlijks meer gedacht. Het werd de moeite des indenkens niet meer waardig gekeurd. Velen hadden er nimmer van gehoord. En nu blijkt dan toch van achteren, hoe juist die „gemeene gratie”, in verband met onze belijdenis van „zonde en ellende”, niets minder bedoelt, dan om een der grootste raadselen van het leven op te lossen, en het ons te verklaren, hoe in onze saamleving eenerzijds zoo diep bederf woelt en moet woelen, en hoe toch anderzijds in diezelfde saamleving zoo nameloos veel is, dat ons boeit, dat ons het hart verheft, en ons menschelijk geluk smaken doet. Zonder de belijdenis |40| der „gemeene gratie” doet uw betrekkelijk geluk u over de zonde heenwerken, of blinddoekt uw besef van zonde en ellende u voor de vreugde des levens. Met die belijdenis bezit ge den zin en het vermogen om beide te erkennen in haar volle waardij.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Derde reeks’ VI, De Heraut No. 1010 (2 mei 1897).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001