IV. Oplossing van ongeloovige zijde.

Dewijl wij de overleggingen ternederwerpen, en alle hoogte die zich verheft tegen de kennisse Gods, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus.

2 Corinthe 10 : 5. a


Tweeërlei sta alzoo bij het verder onderzoek naar het leerstuk der gemeene gratie duidelijk voor den geest.

Ten eerste het notoire feit, dat, getoetst aan het leerstuk van onze verdorvenheid door de zonde, de onbekeerde wereld meêvalt, en de kerk, getoetst aan het leerstuk der wedergeboorte, tegenvalt.

En ten andere, dat de Gereformeerde belijdenis, conform de Heilige Schrift, het eerste verschijnsel daaruit verklaart, dat de gemeene gratie de zonde in haar uitwerking intoomt en tempert, en het tweede verschijnsel daaruit, dat het leven der wedergeboorte tot aan den dood toe belemmerd blijft in zijn uitkomen door de nawerking onzer zondige natuur.

Uit de Formulieren van eenigheid, zoowel als uit de Heilige Schrift, zijn de stukken, die dit uitwijzen, dan ook door ons overgenomen, en mits men zoowel op deze tempering van de zonde door de gemeene gratie, als op deze belemmering van het vernieuwde leven door de nawerking der zonde, scherp het oog gevestigd houde, wordt, gelijk ons nog nader blijken zal, zoowel het meêvallen van de ongeloovigen, als het tegenvallen van de geloovigen, gereedelijk verklaard.

Intusschen dient er vooraf op gewezen, dat anderen, voor ditzelfde vraagstuk staande, het op geheel andere, en zulks wel op zeer uiteenloopende wijze, poogden op te lossen. Dogma’s toch zijn geen vrucht van spitsvondigheden, maar leerstukken die een verklaring geven omtrent die machtige vraagstukken, die zich voor een ieder die nadenkt en doordenkt, en weigert de oogen voor de werkelijkheid te sluiten, in het fundamentwerk van onze |26| menschelijke existentie onweerstaanbaar aan ons opdringen; ze geven op de aldus rijzende vragen het antwoord, dat niet menschelijke vindingrijkheid vond, maar Goddelijke openbaring ons in de Heilige Schrift gaf. Juist daarom echter spreekt het vanzelf, dat volstrekt niet alleen de eigenlijke dogma’s zich met soortgelijke vraagstukken bezighouden, maar dat ook allerlei menschelijke overlegging, geheel of ten deele buiten de Heilige Schrift om, telkens en telkens weer een oplossing van deze vraagstukken beproefd heeft, en dat de oplossingen uit deze overleggingen geboren, in den kring, waarin ze aanvaard worden, schier gelijk gezag uitoefenen als het echte dogma in den kring der geloovigen. Zulke oplossingen hebben in zulk een kring dan de kracht en de beteekenis van pseudo-dogmata. Het zijn onderstellingen die men als axioma’s aanneemt, waarvan men bij elke beschouwing uitgaat, en waarvoor men alle nader bewijs overtollig acht. Het is derhalve niet zóó, dat wel de kerk van zulke dogmata zou uitgaan, en de wereld niet. Integendeel, zoowel in de kerk als in de wereld, gaat men van zulke algemeene grondstellingen uit, en het verschil tusschen de echte en de pseudo-dogmata is alleen, dat de dogmata der kerk rusten op Goddelijke openbaring, terwijl de pseudo-dogmata der wereld gefundeerd zijn in die menschelijke overleggingen, waarvan de heilige apostel Paulus zegt, dat hij „de overleggingen ternederwerpt, en alle hoogte die zich verheft tegen de kennisse Gods, en alle gedachten gevangen leidt tot gehoorzaamheid van Christus.”

*

De oplossing onder de lieden der wereld aan het thans behandelde probleem gegeven, verschilt naar gelang van den kring waarvoor die oplossing gelden moet. Men kan onder de lieden der wereld onderscheid maken tusschen de lieden der practijk en de lieden van de school. De eersten zijn tevreden met een grove, globale oplossing, die, geleid door het dusgenaamde gezond verstand, volstaat voor het practische leven. De anderen daarentegen dringen dieper in het fundament des levens in, en rusten niet eer zij gekomen zijn tot een wijsgeerige beantwoording der voorgestelde vraagstukken. Staan we kortelijk bij de oplossing in beide kringen gegeven, voor zooveel de aard van het onderzoek het vordert, stil.

Onder de practische lieden, die op het dusgenaamde „gezond verstand” drijven, geldt ter oplossing van het onderhavig probleem, de indeeling van de kinderen der menschen in drie hoofddeelen. In het midden staan voor hun aanschouwing de gewone, de normale, de fatsoenlijke menschen; de soort menschen zooals zij zelven zijn, terwijl rechts en links van die groote middengroep twee abnormale klassen van menschen worden aangetroffen, rechts „de fijnen” en links „de deugnieten” van allerlei gading.

In die klasse rechts d.i. van „de fijnen” worden dan alle personen |27| geplaatst, die het zich aanmatigen om als geloovigen zich te onderscheiden van de niet-geloovigen, en die deze onderscheidingslijn in het leven durven doortrekken. Volstrekt niet alle orthodoxen. O neen. Personen van wie het gerucht zegt, dat ze zichzelven als orthodox beschouwen, en ook wel kerken, maar die er overigens niets van merken laten, en als gewone menschen met de lieden der wereld in gezelschappen, in de maatschappij, schoolgebied, in zake van wetenschap en kunst meêdoen, wekken bij niemand wrevel op, en geven niemand aanstoot. Hen rekent men dan onder „de fijnen” niet. Maar wel rekent de wereld onder „de fijnen” hen, die met hun belijdenis voor den dag komen, die zich met die belijdenis tegenover de wereld stellen, die op grond van die belijdenis hun leven anders inrichten, en als gevolg hiervan op alle gebied des levens een eigen streven openbaren. Dezulken noemt men „de dwepers”, „de nachtschool”, „de fijnen”, „het vrome volkje”, een soort gansch onhebbelijke en ongenietelijke lieden.

En gelijk op die wijze rechts de klasse of de groep der fijnen apart wordt gezet, evenzoo rangschikt men links een aparte soort lieden onder „de deugnieten”. Daaronder hooren dan de moordenaars, de dieven, niet de mannen, maar de vrouwen die zich overgeven aan hoererij, de publieke dronkaards, die langs straten en grachten zwieren, vechtersbazen die er opslaan of het mes trekken, flesschentrekkers, woekeraars, oplichters, lieden die valsch spelen, bedrijvers van onnatuurlijke zonden, lieden van lage, ruwe en gemeene vormen, meisjes met onechte kinderen, en zooveel meer. Kortom, al het boos gespuis, waarop men neerziet met de laatdunkendheid der verachting, die in zichzelve roemt: Ik dank U, dat ik niet ben als deze zondaren en tollenaren.

Middenin daartegen komt te staan al wie, om met Haverschmidt te spreken, zichzelven eert als een „braaf en fatsoenlijk man”, en aan weerszijden van die „brave en fatsoenlijke lieden”, staan eenerzijds de ongenietelijke „fijnen” en anderzijds het „boos gespuis.” Op den breeden akker der wereld goed zaad dat opkomt uit het brave hart, en naast die goede tarwe allerlei ontuig en onkruid, het ontuig der „gemeene lieden” en het onkruid der „fijnen.” Ontuig en onkruid; want wel erkent men, dat „een fijne” heel iets anders is dan een dief of moordenaar, dan een hoer of valsche speler, maar toch vonnist men ook den „fijne” als een schuldig mensch. Zijn „fijnheid” is hoogmoed, uit zelfinbeelding en onnatuur geboren. Ten deele is „de fijne” het slachtoffer van bekrompen opvoeding en obscurantisme, maar toch spreekt in zijn fijnheid niet minder de geestelijke pedanterie. En dat zijn dan nog de besten, terwijl de groote hoop van die „dwepers” nog veel erger, eigenlijk er niets van meent, en zich maar zoo vroom houdt. In den grond der zaak zijn de meesten bedriegers, die door een vromen schijn vertrouwen pogen in te boezemen, en dan van dien |28| vromen schijn misbruik maken, om te liegen en te bedriegen, en in het verborgen zich aan alle sluwheid over te geven. Het ontuig van het boos gespuis, en het onkruid van „de fijnen” is dan ook in den grond der zaak één, en in hoofdzaak ligt het verschil tusschen beiden alleen daarin, dat het „boos gespuis” zich meer werpt op wat de zinnen in het stoffelijke begeeren, terwijl de „fijnen” zich te goed doen aan allerlei aberratie in het geestelijke. Zinlijkheid en hoogmoed zijn de twee voortkankerende zonden, waarvan de ééne meer uit het lichaam, de andere meer uit de ziel voortkomt, en naar deze eenvoudige onderscheiding kan gezegd dat de gewone lieden van de wereld meer de zinlijke aandrift van het lichaam, de „fijnen” meer de geestelijke aandrift van de ziel volgen. Maar beiden vallen ze onder eenzelfde oordeel. Ze zijn verbasterd van de gewone menschsoort, en zijn daarom een hinder voor de gewone, brave, verdienstelijke burgers.

*

Deze voorstelling nu rust op het pseudo-dogma, dat (naar den gewonen regel dat de mensch zichzelf ten maatstaf is), de soort menschen, waartoe men zelf behoort, is, zooals ze zijn moet; en dat wie aan de gewone kenteekenen van deze soort niet beantwoordt, hetzij links of rechts, niet deugt. Zelf deugt men, en wie niet is gelijk men zelf is, deugt niet. De belijdenis van de verdorvenheid onzer menschelijke natuur wordt op dit standpunt ten eenenmale geloochend. Erfzonde is er niet. De mensch beheerscht zijn eigen lot en toestand door zijn vrijen wil, en die vrije wil is als vermogen gereed, en pleegt in den regel goed te werken. Niet dat men daarom altoos en in alle omstandigheden precies zou zijn, zooals men zijn moet. O neen, ieder heeft zoo zijn gebreken, zijn tekortkomingen, zijn eigenaardigheden. Er hapert wel eens iets aan. Maar dat zijn splinters, die noch de achtbaarheid van den persoon noch de eerbaarheid van zijn karakter deren. Ook met al die kleine foutjes is en blijft men een goed, een braaf, een deugdzaam, een achtbaar, een fatsoenlijk mensch. Elk mensch heeft nu eenmaal zijn zwakke zijde. Dat hoort zoo bij ons menschelijk wezen. Dat draagt men in anderen en wil dus dat anderen het in ons dragen. Maar schuldgevoel, berouw, erkentenis dat men zijn weg voor God verdorven heeft, komt niet te pas. Een enkel maal, als men een „gemeen stuk” heeft uitgevoerd, spreekt wel de consciëntie, doch om dra weer gestild te worden. Maar op de knieën voor God te vallen en te erkennen dat men in zichzelf een verloren zondaar is, komt voor zoo’n braaf en fatsoenlijk man niet aan de orde. Dat is goed voor de lieden die in de gevangenis zitten, voor hoeren en tollenaars, maar bij de brave soort menschen kan daar geen sprake van zijn. Schuldgevoel kennen ze eenvoudig niet, en daarom klinkt het als pure dwaasheid in hun ooren, dat ze hun toevlucht |29| zullen nemen tot een Verlosser. Op hen is eigenlijk niets aan te merken. Hun gedrag is onberispelijk. Hun hart is, o, zoo goed. Aan milddadigheid en liefde ontbreekt het hun niet. Waartoe zou hun al dat spreken van zonde dan dienen? Jezus is gekomen om te roepen niet rechtvaardigen, maar zondaren tot bekeering, en zij hooren onder die zondaren niet. Waarom zouden ze zich dan bekeeren?

Op deze wijze nu geven deze lieden van „het gezond verstand” zich rekenschap van het menschelijk leven. Dat de wereld zoo meevalt is natuurlijk, want de goede, brave lieden geven den toon aan, vormen de meerderheid, en treden overal op den voorgrond. Dat er nog zooveel gespuis onder de goeden doorloopt, is niets dan de slechtheid der slechten, waarvoor de brave lieden niet aansprakelijk zijn, en dat er telkens weer „dwepers” en „fijnen” opkomen is een soort krankzinnigheid, die evenmin tegen de deugdelijkheid van ons menschelijk geslacht getuigt. Alleen is het volkomen natuurlijk, dat de kerk, zoodra die „fijnen” er de overhand in verkrijgen, wel moet tegenvallen. Of wat wordt zulk een kerk anders dan een soort krankzinnigenhuis van makke gekken?

*

Aan het gezegde moet intusschen nog iets toegevoegd. Ook onder deze lieden der wereld toch zijn niet allen één van zin en gelijk van levenstoon. Ook onder hen zijn soorten. Ons bestek verbiedt al deze onderscheiden groepen hier tot in bijzonderheden te teekenen. Genoeg zij het daarom er op te wijzen, hoe de brave landbouwer, de stille burger rentenier, de adellijke jeunesse dorée, de kamergeleerde, de artiste, de jager en koffiehuisklant, de werkman en de kaailooper, de vrouw en de man, de jongeling en het meisje, ten deze verschillen. Schier elk van deze maatschappelijke groepen teert daarom op een eigen soort zedelijkheidsbegrippen. In wat de één erg slecht, ruw gemeen of hoogst onfatsoenlijk zou keuren, vindt de ander niets in. Op de handelsbeurs heeft men een heel andere consciëntie dan op de boerenhoeve. In een jong meisje zou men erg onzedelijk vinden, wat men in een jong man noemt het „leven genieten.” Tot zelfs in den vorm des levens, in de taal die men gebruikt, en in den toon van het gesprek verschilt schier elk dier groepen. Vloeken en tieren acht de een natuurlijk, terwijl in menig deftig gezin nooit een onvertogen woord over de lippen komt. En zoo loopt op elk punt de fijnheid van het zedelijk gevoel onder alle deze groepen, en in die groepen onder de gezinnen, en in die gezinnen onder de personen, zeer in het oogloopend uiteen. Maar al dit verschil is slechts een verschil in graad, geen verschil van levensopvatting. De een ziet meer, de ander minder door de vingers. Bij den één kan er meer, bij den ander weer minder door. Maar de hoofdzaak is en blijft, dat men in alle deze groepen, zichzelven en zijns gelijken rekent |30| tot de normale, goede, brave, fatsoenlijke lieden, en dat men hetgeen daar beneden staat, of daarvan afwijkt, beschouwt als een mindere soort menschen, een lager gezonken soort wezens, of als menschen die er zonderlingheden op na houden. Doch zoomin dat zinken van velen onder en beneden het normale peil, als dat zich verloopen van anderen in zonderlingheden, kan ook maar iets veranderen aan de grondbeschouwing die men over den mensch als mensch heeft. Die mensch is een goed en braaf wezen, met kleine foutjes en onbeduidende tekortkomingen, en het menschenhart als zoodanig is van nature goed. Gevolg waarvan dan ook is, dat de wijsheid van al deze soort lieden er in bestaat, om die lagere soort menschen tot hun peil op te heffen, of ook om die zonderlinge menschen hun zonderlingheden af te leeren. Liefst zelfs moet dit door dwang gaan. Allen op hun school, om, als zij, gevormd te worden, en die zonderlingen buiten de wet gesteld, om ze op die wijs vanzelf tot afstand doen van hun zonderlingheden te noodzaken. Dat die andere menschen niet zoo braaf en niet zoo fatsoenlijk zijn als zij, is enkel gevolg van onwil of van verkeerde opvoeding. Breek dan dien onwil en herzie door dwang die opvoeding, en welhaast worden alle menschen goed, fatsoenlijk en braaf.

Zoo en niet anders was ook hier te lande metterdaad gedurende het grootste gedeelte van de vorige eeuw de bovendrijvende en heerschende opinie. Uit dat pseudo-dogma van de braafheid der menschelijke natuur leefde al het volk van het „gezond verstand” in hooge en lage kringen. Zelfs in den aanvang der vorige eeuw, toen het „kerken” nog meer algemeene gewoonte was, en men nog aan tafel bad, en zelfs het „lezen” aan het ontbijt nog in zwang was, en de deftige heeren, ook buiten de predikanten, nog een witte das droegen, was dit feitelijk het dogma waarvan men als axioma uitging. Het menschelijk hart in den grond goed, de meeste menschen braaf, en links en rechts de candidaten voor de cel en de ongenietelijke obscuranten onder de fijnen. „Och, waren alle menschen braaf!” was de uit het geloof aan dat valsche dogma telkens weer opkomende verzuchting. Dit braaf maken van de menschen begon met den braven Hendrik van het Nut, en moest straks door de neutrale school onder het aanleeren van „Christelijke en maatschappelijke deugden” worden voortgezet. Dan zou vanzelf het geslacht der deugnieten worden uitgeroeid, en de gevangenis voor afbraak, naar Opzoomers zeggen, kunnen verkocht worden. En wat „de fijnen” aangaat, op hen zond men eerst zijn dragonders af, en toen dat niet hielp kwam het uitsluitingssysteem. Geen fijne mocht in de wereld worden vooruitgeholpen. Het sprak vanzelf, dat geen fijne voor ambt of winstgevende betrekking of post der eere in aanmerking kwam. Wie tarwe in zijn schuur inbrengt, sleept geen bussel mee naar boven van ontuig dat hij afsneed, of van onkruid dat werd uitgewied.

*

|31| Aldus stond dan het pseudo-dogma tegen het dogma van Christus’ kerk over, althans zoolang men in algemeene beschouwingen en theorieën bleef hangen. Eenigszins anders daarentegen werd het als men onder elkander over niet tegenwoordige personen handelde, of ook in gezin of in zaken met de „levende haaf” in aanraking kwam. Hadden A en B het over C, die hen hinderde, of op wien ze naijverig waren, dan raakte voor A en B plotseling het pseudo-dogma van de „brave natuur des menschen” ganschelijk uit het geding. Die C was dan een onuitstaanbaar mensch, aan wien ten leste geen haar goed overbleef. Hij ging over de tong, en die tong werd daarbij almeer een hekel. Goede intentie mocht niet bij hem worden aangenomen. Alles moest op het zwartst en gemeenst uitgelegd. Lustig lasterde men er op toe, en ten slotte had men er een genot in op dien boozen C het oude dogma der kerk van ’s menschen verdorven natuur in zijn zwartste opvatting toe te passen, zonder hem ook maar één oogenblik het beneficium te gunnen van het leerstuk der gemeene gratie. Zoo ging het achter den rug in gesprek of in brief. Men liet zijn pseudo-dogma in den steek, viel uit zijn rol, en behandelde den armen C alsof het kerkelijk dogma van de boosheid van ons menschelijk hart nog in volle fleur stond.

En niet anders ging het toe, als men in levenden lijve tegenover een hinderlijk persoon in gezin of zaken stond. Hoe menigmaal vergat dan de man tegenover zijn „lieve vrouw” heel zijn dogma van de prijslijke deugdelijkheid onzer menschelijke natuur, of ook vergat de vrouw tegenover haar man wat ze anders van menschelijke braafheid gebazeld had. Wat werd er in menig gezin niet afgegeven op „die kinderen, waarmee geen huis viel te houden,” en tot wat vaderlijke en moederlijke scheldpartijen kwam het niet vaak, als ze bij manier van opvoeding hun kinderen uitmaakten voor deugnieten, apen, rakkers en wat dies meer zij. Hoe lief ging het soms toe tusschen de „mevrouwen”, o, zoo fatsoenlijk, en haar „braaf” gedroomde dienstboden. Naar eisch van het pseudo-dogma zoudt ge u die mevrouwen gedacht hebben, als onder malkander, steeds éénen lof en prijs over de braafheid en deugdelijkheid der menschelijke natuur, gelijk die in haar keukenprincessen, en naaisters, en strijksters, en werksters uitkwam. Maar in de werkelijkheid kwam het wel anders uit. Bijna nooit een uiting van ingenomenheid, en bijna altoos klacht na klacht over de lippen glippend, om als in echo door wederklacht beantwoord te worden.

Een gelijke protestatie tegen het pseudo-dogma van ’s menschen brave onverdorven natuur kunt ge evenzoo telkens beluisteren op straat en voor de stoep in onze achterbuurten, in alle twistgesprek en ruzie tusschen belanghebbenden, ’t zij op kantoor of beurs, in winkel of op werkplaats, in de kazerne tusschen korporaal en soldaten, op het schip van oorlog tusschen wie te bevelen en te gehoorzamen heeft, bij een erfenis onder de erfgenamen, bij een vendutie over misleidenden verkoop, of op de markt |32| als het den verkoop van een paard geldt. Waar ge ook menschen met tegenstrijdige belangen tegenover elkander vindt staan, en het woord of de daad des éénen het voor- of nadeel van den anderen beslist, vallen telkens harde woorden, zoo niet slagen er bij. En als het dan onder die „brave menschen” met hun „onverdorven hart” op een razen en schelden, op een schimpen en lasteren gaat, of in „fatsoenlijker” kringen met vinnigheden wordt uitgevochten, dan wordt het den aandachtigen toeschouwer toch wonderbaar te moede, als hij uit diezelfde wereld eerst de krasse weerspraak tegen de dwaasheid van het kerkelijk dogma hoort opgaan, en hij ziet vlak daarop diezelfde wereld zich letterlijk uitputten om het feitelijk bewijs voor de waarheid van dat dogma te leveren.

Dit scherpe contrast is dan ook allengs derwijs in het oog gesprongen, dat de fraaie theorie van het „gezond verstand”, alsof het brave menschenhart voor „onbedorven” te stempelen ware, sinds de laatste twintig jaren almeer in discrediet geraakte. Ze heerscht nog wel in den breedsten kring. Maar de reactie er tegen komt toch van allen kant op, en thans vangt het zelfs aan mode te worden, om, met een overslaan in het andere uiterste, van den „braven Hendrik” over te loopen naar den pessimistischen ellendige, die niet beter heeft te doen, dan hoe eer hoe beter van het wereldtooneel te verdwijnen.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Derde reeks’ IV, De Heraut No. 1009 (25 april 1897).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001