III. Het vraagstuk nader toegelicht.

Maar ik zie eene andere wet in mijne leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijne leden is.

Romeinen 7 : 23. a


In aansluiting aan onze Belijdenis, kan men ter oplossing van het vraagstuk, waarom de lieden der wereld zoo telkens mee- en de belijders van Christus zoo telkens tegenvallen, verwijzen naar vier uitspraken der Heilige Schrift.

De twee die u het meêvallen van de lieden der wereld toelichten zijn: van den éénen kant Rom. 3 : 12: „Te zamen zijn zij onnut geworden; er is niemand die goed doet, er is ook niet tot één toe;” en van den anderen kant Rom. 2 : 14: „De heidenen doen van nature de dingen die der wet zijn.” En daar tegenover staan dan de twee andere uitspraken, die u de tegenstelling tusschen ideaal en werkelijkheid bij de belijders des Heeren doen verstaan: eenerzijds de hooge toon in Rom. 8 : 1: „Wij die niet meer naar het vleesch wandelen, maar naar den Geest;” en anderzijds Rom. 7 : 23: „Ik zie eene andere wet in mijne leden, die mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijne leden is.” Vier uitspraken met opzet alle vier uit den éénen brief aan de kerk van Rome genomen, om zekerheid te bezitten, dat ze niet toevallig alzoo tegenover elkander staan ten gevolge van een verschillend redebeleid of afwijkend uitgangspunt. In eenzelfden brief toch kan van uiteenloopende wijze van voorstelling geen sprake wezen. En bovendien, in dien brief aan de Romeinen volgen de uitspraken, waarop we wezen, paarsgewijze nog wel vlak op elkander. Het ééne paar is uit Romeinen twee en drie, het andere paar uit Romeinen zeven en acht; de laatste twee slechts door drie verzen vaneen gescheiden.

Nu heeft zeer zeker alleen het aangehaalde uit Romeinen twee en drie |19| rechtstreeks met de „gemeene gratie” van doen; maar toch dient er bij de leerstellige uiteenzetting van meet af op gelet, dat beide verschijnselen, én het ingetoomd zijn van den zondaar dat hij niet zoo schriklijk uitbreke én het nog in het vleesch ingebolsterd zijn van den geloovige, tot op zekere hoogte evenwijdig loopen. Er werkt tweeërlei beginsel: het beginsel der zonde tegen God, en het beginsel der genade tegen de zonde in. Er is tweeërlei leven: een leven uit de zonde en een leven uit de genade, of wil ge uit het natuurlijke eenerzijds en uit het bovennatuurlijke anderzijds. In het één werkt het zaad des verderfs, in het ander het zaad Gods. Er zijn, zegt de apostel Johannes, „kinderen des duivels” en „kinderen van God”, juist zooals Jezus het uitsprak: „Gij wilt de begeerte uws vaders doen, die was een menschenmoorder van den beginne.” Dat zijn dus de kinderen des duivels. Jezus zegt het zoo kras mogelijk: Gij zijt uit den vader den duivel.

Maar terwijl nu die tegenstelling zoo volstrekt mogelijk moet worden vastgehouden, komt ze in de werkelijkheid daarom niet zoo scherp uit, omdat beide levensprincipiën in hun openbaring belemmerd worden. In den zondaar komt de zonde niet zoo sterk uit, omdat de gemeene gratie haar stuit; maar ook in het kind van God komt het leven der genade niet zoo sterk uit, omdat het nog in zijn ontwikkeling belemmerd wordt door het lichaam des doods. Principiëel staan ze volstrekt als zwart en wit tegenover elkander, maar in de werkelijkheid mengt zich onder het zwart zooveel wit en woelt door het wit nog zooveel zwart, dat het soms zelfs den schijn heeft, alsof ze beide in grauw-grijzen tint ineen zouden vloeien. Natuurlijk is dit niet zoo, want hoezeer er bij den mond der rivier ook een zekere massa water is, dat noch brak noch zoet proeft, maar uit zout en zoet gemengd is, zoo behoeft men toch slechts even tot beider oorsprong terug te gaan, om in den stroom die van de bergen vloeide het water dat den dorst der tong verslaat, en in het water dat uit den oceaan aangolfde, het water dat den dorst der tong verscherpt en verergert te onderscheiden. En zoo nu ook is het hier. Hoezeer ook een gestempeld kind der wereld en een nog ombolsterd kind van God u soms in verwarring brengen en u een oogenblik het onderscheid bijster doen worden, toch behoeft ge langs den stengel van beider leven slechts op elks wortel terug te gaan, om terstond te ontwaren, dat beider wortel geheel uiteenloopt: de wortel van het kind van God opkomende in de genade en de wortel van het kind der wereld nog uit zijn eigen ik.

*

De ombolstering van het zaad Gods nu latende liggen; en ons voorshands alleen tot de „tempering der zonde door de gemeene gratie” bepalende, dient er thans nadruk op te worden gelegd, dat verkeerd doet en mis |20| gaat, wie waant, dat deze tempering der zonde gelijkmatig bij allen zou toegaan. Integendeel, gelijk er een eindelooze verscheidenheid in graad is op het terrein der particuliere genade, zoo ook is er een onmetelijk verschil in de werking der gemeene gratie. De koningin van Scheba die naar Jeruzalem trekt, om de wijsheid van Salomo te hooren, en Rabsake die op Sions muren den God Israëls komt hoonen, doen dit verschil duidelijk uitkomen. En ook in het heden ergert ons van den éénen kant dierlijke zinnelijkheid, brutale trots, misdadige gemeenheid, en trekt anderzijds onder de kinderen der wereld edele zin en hoog bedoelen ons, vaak tot beschamens toe, aan. Dat de Heilige Schrift deze gemeene gratie zóó en niet anders bedoelt, toont de vergelijking van Rom. 1 en 3 met 2 duidelijk. In Rom. 1 heet het van de Heidenen, dat God ze overgegeven heeft in een verkeerden zin, en dat ze op het diepst tot in onnatuurlijke en tegennatuurlijke zonden verzonken zijn, en in Rom. 3, dat „ze allen de heerlijkheid Gods derven, zoodat er niet één is die goed doet”; terwijl daarentegen Rom. 2 spreekt van de Heidenen die doen wat de wet Gods, die in hun hart geprent staat, wil.

Die uiteenloopende werking der gemeene gratie moet uit dien hoofde kortelijk verklaard worden. Nooit is er, gelijk vanzelf spreekt, bij de gemeene gratie sprake van de werking van een zuiver, volkomen of zaligmakend goed. Zulk goed moet opspruiten uit echt geloof, volkomen conform de geestelijke strekking van Gods wet zijn, en niets dan Gods eer bedoelen, en hiervan is uiteraard bij een zondaar, buiten wedergeboorte, geen sprake. Tot de zaligheid leidende is er in den gevallen mensch, ook onder de sterkste inwerking der gemeene gratie, eenvoudig niets. In dien zin zijn alle zondaren saam „onnut geworden”, is er niemand die goed doet, ook niet tot één toe. Dit sta, ter voorkoming van misvatting, duidelijk op den voorgrond. Nooit heeft de gemeene gratie een andere uitwerking, dan dat ze de zelfvernieling door de zonde tijdelijk tempert en tegenhoudt.

Maar onder dit voorbehoud staat dan toch vast, dat die tempering niet bij allen gelijk is, noch ook bij een iegelijk gelijk in elk oogenblik. Allerwegen bespeurt ge hoe, onder de lieden der wereld de één matig, ingetogen, rechtschapen, en daarentegen de ander brooddronken, verdraaid van hart en laag in zijn handelingen is. Bij soorten verschillen ze, want er zijn niet enkel edelen en rechtschapenen, die tegen de lage en gemeene naturen overstaan, maar tusschen die beide uitersten vindt ge een reeks van eindeloos ongemerkte overgangen.

Hierbij is er nu op te letten, dat ook in den zondigen toestand en onder de gemeene gratie de oorspronkelijke scheppingsordinantie doorgaat. De scheppingsordinantie toch leert klaarlijk, dat de kinderen der menschen niet eenvormig door God voorbeschikt waren. Wel is aller natuur, in zooverre ze mensch zijn, één, maar voor het overige zijn er zoomin twee gelijke |21| menschen als er twee volmaakt gelijke bladeren zijn aan een boom. Alles vertoont schakeering, tintverschil, verschil in aanleg en inborst, talent en gaven. Het sterkst loopt man en vrouw uiteen, maar ook in elke sekse zijn de variatiën nameloos, zelfs afgezien nog van de verschillen in leeftijd, de onderscheidingen in aller beroep en bedrijf. Bij den één meer wil, den ander meer denkkracht. De één meer begaafd voor de kunst, de er voor het practische leven. Sanguïnisch van temperament de een, meer phlegmatisch of cholerisch de ander. En daarbij komt dan nog het machtig verschil in grond en aanleg. Men spreekt wel eens van eerste, tweede en derde klasse-menschen, en in het algemeen gaat dit ook door, maar om het juist te nemen, zoudt ge van den man, die keien stukklopt aan den weg, tot geesten zoo uitnemend als Plato of Calvijn, een geheele schaal van klassen onderscheiden moeten.

Deze variatie nu wordt door de gemeene gratie niet geschapen, noch ook te niet gedaan, maar ze werkt zeer onderscheidenlijk, al naar gelang ze zich openbaart in een mensch van zeer kleinen of op een mensch van zeer grootschen aanleg. Wat uit de schepping komt gaat door de zonde niet te niet, maar heeft invloed op den vorm dien de zonde aanneemt. Een man en vrouw, als zondaar en zondaresse genomen, zijn niet eender. Een zondaresse is een schakeering van den zondaar. En zoo nu ook zal, krachtens verschil in aanleg en schepping, de zonde een anderen vorm aannemen en een ander verloop hebben in den man van één dan in den man van drie of vijf talenten; anders zich openbaren in den sanguïnischen dan in den cholerischen en phlegmatieken mensch; anders uitkomen in den man van wilskracht dan in den man van denkkracht; kortom, in al de verschillen van menseh met mensch ingaande, zich krachtens die verschillen in telkens gewijzigden vorm voordoen.

*

De harp waarop de gemeene gratie speelt, is alzoo niet een harp met snaren van gelijke dikte en lengte, maar alle snaren er op verschillen. Dat is het eerste onderscheid. Maar door dit eerste onderscheid kruist zich een tweede onderscheid, er van afhangende, of de snaren sterker of zwakker worden aangegrepen, korter of langer worden vastgehouden. Zoo kunnen er wee menschen zijn, die krachtens scheppingsordinantie beide den hoogsten aanleg en rijk genie bezitten; en dat toch de gemeene gratie op elk van hen zoo geheel verschillend werkt, dat de een juist krachtens zijn groot talent een aartsdeugniet, een gevleesde duivel wordt, terwijl de ander door den adel van zijn woord en de hoogheid van zijn streven een zegen voor ons geslacht kan worden. Of om het op kleiner schaal te nemen er kunnen in eenzelfde groote stad twee mannen zijn, beiden begaafd me moed en vindingrijkheid, maar zoo dat de een beide aanwendt, om door |22| stoute inbraak de stad te verontrusten, en dat de ander, die zijn evenknie is, ditzelfde talent aanwendt, om den inbreker op het spoor te komen en te vatten. Een kundig politiecommissaris en een berucht inbreker zullen steeds sterke verwantschap in aanleg vertoonen.

De vrijmacht Gods is alzoo ook in de gemeene gratie onmiskenbaar. Als de een door deze gemeene gratie gedragen een verschijning als die van Plato of Cicero mag wezen, terwijl de ander als een Kaïn of Judas uitkomt, is dit niet uit de meerdere uitnemendheid des eersten te verklaren, maar alleen uit Gods bestel. Hij, onze God, is het, die vrijmachtig wel op allen zijn gemeene gratie doet werken (zonder die gemeene gratie toch zou een zondaar terstond verdaan worden), maar die naar zijn ook ten deze ondoorgrondelijk bestel, de scheppingsgaven in den één edele vrucht doet dragen, en diezelfde scheppingsgaven in den ander laat verkeeren in instrumenten der boosheid. Het is op die wijze dat eenerzijds de uitnemendheid dier scheppingsgave, Gode tot eere en der menschheid tot zegen, uitkomt, en dat anderzijds het schrikkelijk karakter der zonde in levenden lijve gepredikt wordt.

*

Op gelijke manier verschilt de gemeene gratie niet alleen in haar werking op persoon en persoon, maar ook in haar uiteenloopende werking op volk en volk. Stellig staat ook dit in verband met de scheppingsgaven die aan het ééne volk zus, aan het andere zoo, aan het ééne meer en aan het andere minder geschonken zijn. De aanleg van de Babyloniërs stond hoog boven dien der Elamieten. De Grieken wonnen het van de Syriërs. De Romeinen van die van Carthago. En ook nu, welk onmetelijk verschil niet tusschen de Vereenigde Staten en Peru, tusschen Engeland en Portugal, tusschen de Franschen en de Duitschers. Geheel natuurlijk dus dat dit verschil in scheppingsaanleg ook in de zonde uitkomt, en even natuurlijk, dat de gemeene gratie, in verband met dit oorspronkelijk verschil tusschen natie en natie, zeer onderscheidenlijk in de verschillende volken werkt. Ongetwijfeld werkt er, tot zelfs onder de woeste Negerhorden, nog gemeene gratie, maar toch hoe zwak niet, als men hun leven vergelijkt met de werking der gemeene gratie onder de Europeesche volken. In hoever dit met diepe volkszonden in het verleden samenhing, laten we nu rusten. We stellen slechts vast, dat de gemeene gratie niet alleen op de enkele personen, maar ook op de volken werkt, en dat haar werking op de enkele personen door haar werking op heel het volk wordt beheerscht.

Ditzelfde gaat ook door bij die kleine verbonden, die we stammen, geslachten, familiën en gezinnen noemen. Geen twijfel toch of de stam van Juda ontving sterker werking van de gemeene gratie dan de stam van Dan, een geslacht als dat van Oranje meer dan van menig ander vorstenhuis, |23| en zoo weet elk lid de familie in zijn omgeving wel te noemen, waar, ook afgezien van feitelijke bekeering, een hooger, nobeler levens. toon heerscht, scherp afstekend tegen een andere familie, die schier geen werking noch invloed ten goede van zich doet uitgaan. En zoo ook, wie veel gezinnen kent, weet zeer wel, dat er in elk gezin zekere geest heerscht, en dat die geest in het eene gezin u aantrekt, in het andere koud laat, en in het derde u afstoot. En ook deze verschillen nu hangen zeker evenzoo samen met verschil in de scheppingsordinantie over zulke gezinnen, maar toch niet minder met het verschil in werking van de gemeene gratie. Ook buiten alle geloofsleven wordt in het burgerlijke en natuurlijke de ééne familie door een hoogere kracht gedragen dan de andere.

Van het verschil in tijden moet hetzelfde gezegd. Men spreekt van den geest eener eeuw, en wie den geest van de eeuw der Reformatie met dien van de eeuw der Fransche revolutie, of ook den geest van de achttiende eeuw met dien van de negentiende eeuw vergelijkt, voelt terstond dat dit verschil tusschen eeuw en eeuw metterdaad wezenlijk is. Tot op zekere hoogte is een ieder kind van zijn tijd, d.w.z. dat de geest der eeuw op onzen geest invloed oefent. Wat ons thans hoofd en hart vervult, zou in de eeuw der Reformatie niet zoo bij ons zijn opgekomen, en wat toen de geesten dreef laat thans de menschheid koud. Die tijdgeest, die geest der eeuw, heeft alzoo wel terdege invloed, zoowel op den geest der volken, geslachten en familiën, als op den geest van de enkele personen. En ook dit verschil in geest nu tusschen eeuw en eeuw staat weer in rechtstreeksch verband met de verschillende werking der gemeene gratie, naar gelang het Gode belieft, de ééne neiging van onz natie of wel de andere, meer of minder, aan de doodelijke werking der zonde over te laten, of wel ze krachtig daaraan te onttrekken.

*

Toch worde dit weer niet zoo verstaan, alsof de Goddelijke vrijmacht ten deze met willekeur gelijkluidend zou zijn. Het is niet alzoo, dat God in zijn gemeene gratie een spel met de menschheid drijft, gelijk de knaap met den vogel op de kruk het gebonden dier, louter nar gril, nu eens laat uitvliegen en dan weer inhaalt. Dit ware rekenen buiten de Voorzienigheid Gods. Dit voorzienig bestel toch vloeit uit het raadsbesluit, en dit raadsbesluit is over „de wereld met de inwoners die er in zijn,” niet voorgenomen als een weerhaan die eindeloos om zijn stang schommelt, maar als een plant die een bepaald proces van ontwikkeling moet doorloopen, of wilt ge als een reiziger die langs een aangewezen pad afgaat op een aangewezen doel. Er is plan in de historie van ons menschelijk geslacht. Er wordt in die historie naar vast bestek een monumentaal |24| gebouw opgetrokken. Al die deelen passen en sluiten ineen. Het is niet een eindelooze herhaling van hetzelfde maar een gestadige voortgang. Er loopt door alles één gouden draad, waaraan steeds wordt voortgesponnen. Het is één schitterend borduurwerk, oogenschijnlijk slechts uit losse dooreengewoelde steken bestaande, maar als ge het omkeert ziet ge aan de keerzij de figuur, de teekening, die door deze ontelbare steken allengs voltooid wordt.

Alzoo is de gang der gemeene gratie aan het Voorzienig bestel, dat uit het raadsbesluit voortvloeit, gebonden, en er door bepaald. Het is niet een spel met penseel en palet, om nu eens aan te dikken, en dan weer te verflauwen, maar wat het penseel van het palet neemt, en de wijze waarop het schildert op het doek, wordt beheerscht door een leidende gedachte. Er is in dit alles stuur en richting, beleid en voortgang. De gemeene gratie gaat uit, om waar de zonde de ontwikkeling van ons menschelijk geslacht en zijn loop in de historie zou hebben tegengehouden en vernietigd, die ontwikkeling toch, satan te spijt, door te zetten. In weerwil van de wijzigingen die door de zonde inkwamen, gaat toch het groote plan Gods door. Zijn menschheid komt; die menschheid krijgt haar historie; in die historie doorloopt ze een proces; dat proces moet ontplooien wat scheppingsordinantie in den knop verborg; en de gemeene gratie is het heilig instrument waardoor God dit proces, in weerwil van de zonde, aldus voleindt.

En dit nu is het aanbiddelijke in dit werk Gods door de gemeene gratie, dat haar werking op de enkele personen, in hun verschillende leeftijden, en de werking dier zelfde gemeene gratie, op volk, geslacht en gezin, en evenzoo haar werking op den geest van eeuw na eeuw, altegader zoo ineen worden gestrengeld en dooreengeweven, dat altoos de eene werking op de andere past, en dat uit het geheel dier werkingen de historie der menschheid voortkomt.

Zonder die gemeene gratie in haar alzijdige vertakkingen en graadverschillen zou er geen historie zijn. De zonde ontbindt, maakt los, loopt uit op het chaotische en put haar kracht ten slotte uit in den dood. Alleen door stuiting van die fatale drijfkracht der zond blijft er verband bestaan; kan de inwerking van het een op het ander blijven doorgaan; wordt er zekere orde gehandhaafd, en blijft er leven vlak naast den afgrond des doods tieren. En zoo nu verklaart het zich, dat de natuur in den mensch wel geheel verdorven is, dat uit die verdorven natuur niets dan onkruid zou kunnen opkomen, dat er niemand is die uit eigen aandrift goed doet, ook niet tot één toe, en dat nochtans het leven der menschheid en de historie der menschheid, en onze bevinding onder die menschheid zooveel rijks en heerlijks vertoont, waardoor we tot aanbidding worden uitgedreven. Immers wat er opwerkt in ons geslacht zijn nooit anders dan |25| Goddelijke scheppingsgaven, niet door ons gewrocht, maar ons vrijmachtig gegeven. Wat wij, buiten wedergeboorte, uit ons zelven drijven, is nooit anders dan de zin en de toeleg om die gave Gode te ontrooven of te vernielen. En dat er uit deze scheppingsgave nochtans zooveel op kan werken, en metterdaad opwerkt, is aan niet anders te danken dan aan de gemeene gratie Gods, die ons zondig woelen stuit.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Derde reeks’ III, De Heraut No. 1007 (11 april 1897).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001