II. Het op te lossen vraagstuk.

Hij stelt de rivieren tot eene woestijn, en watertochten tot een dorstig land. Het vruchtbare land tot zouten grond, om de boosheid dergenen, die daarin wonen. Hij stelt de woestijn tot eenen waterpoel, en het dorre land tot watertochten.

Psalm 107 : 33-35. a


Den strijd, in ons vorig artikel, uit veler levensbevinding, naar dat leven zelf geteekend, tusschen onze voorstelling en de werkelijkheid, zou men kortweg aldus kunnen formuleeren, dat de wereld meê- en de kerk tegenvalt. Opgevoed in een belijdenis, die, gelijk ze veelal verstaan wordt, van de wereld niets weet dan „dat ze in het booze ligt,” en van de kerk weinig anders, dan dat ze is „de vergadering der geloovigen,” is men er op voorbereid, om in de wereld op zonde na zonde te stuiten, en in de kerk zich aangetrokken te gevoelen door een ideaal heilig liefdesleven. En wie nu, met een voorgevoel van het zóó te zullen vinden, op volwassen leeftijd de wereld ingaat, en het geluk heeft in nobeler wereldsche kringen te mogen verkeeren, na in eigen kerkelijken kring, van veel censuur en kerkelijke ergernis te hebben gehoord, die moet wel aan het twijfelen omtrent de juistheid zijner belijdenis raken, en in dat zeggen: „De wereld viel meê en de kerk tegen,” de uitdrukking vinden van zijn eigen gewaarwording.

We laten nu voorshands met opzet het even notoire feit rusten, dat in heel wat andere kringen het leven der wereld, ook na de somberste voorstelling die men er zich van gedroomd had, nog erger blijkt dan we dachten en soms een blik in de diepten des satans gunt; alsook dat omgekeerd in breeden kerkelijken kring stille heilige krachten werken, die niet maar bij zout vergeleken worden, maar feitelijk bederf weren. Onze bedoeling is voorshands alleen, om het begrijpelijk te maken, hoe zich in de veelszins oppervlakkige publieke opinie én vroeger én nu de overtuiging nestelde, dat de wereld beter en de kerk slechter was, dan men van de zijde der Christenen in theorie wilde doen gelooven. Het is toch in de wereld die publieke opinie, die sinds de drukpers haar eens zoo verspreide deelen saambond, de macht is geworden, waaruit de vraagstukken van het leven naar boven komen, die dan daarna in de toongevende levensbeschouwing hun beantwoording zoeken. Daarom dingen we voorshands niets op de aangewezen tegenstelling af. Zelfs nemen we haar met opzet in zoo krassen, schrillen vorm. Want wel is er veel tegen te zeggen, maar voor een deel stuit toch ook elk onzer gedurig op gelijke tegenstelling in |10| zijn eigen leven en tot in zijn eigen hart; en wat we thans voelbaar en verstaanbaar wilden maken is, hoe een leerstuk als dat van de gemeene gratie niet een uitspinsel van boekengeleerdheid is, maar de poging van Christus’ kerk weergeeft, om, bij het licht van Gods Woord, een antwoord te geven op een uiterst belangrijk, maar niet minder diepzinnig en ingewikkeld vraagstuk, waarvoor een iegelijk die meeleeft en nadenkt, elk oogenblik zelf in de wereld, in zijn kerk, in zijn omgeving en in zijn eigen hart te staan komt. Telkens en altoos weer eenerzijds de niet van ons af te zetten indruk van een doodelijke zonde die rondwaart, maar zoo, dat de algemeene toestand ons toch nog meevalt, en van den anderen kant de indruk van een reddende Goddelijke genade, maar zoo, dat haar vrucht en uitwerking ons teleurstelt.

Voor dat probleem, voor dat vraagstuk staan we nu eenmaal, en men ruimt het niet uit den weg door de iets maar niet veel, althans in het minst niet genoeg zeggende opmerking, dat de wereld wel slecht, en de kerk wel goed is, maar dat de personen, die ge ontmoet soms beter dan hun omgeving of slechter dan hun leer zijn. Dit is wel zoo, maar het geeft geen oplossing, want ook die personen zijn óf kinderen der wereld óf zonen der kerk, en door hen persoonlijk van die wereld of die kerk te isoleeren, snijdt ge den band tusschen mensch en mensch, tusschen geslacht en geslacht door, en wordt tot het geven van elke levensbeschouwing onbekwaam; of het moest dan die alles verstuivende levensbeschouwing zijn, die er op neerkomt, dat het alles enkel aan de personen hangt, en in den persoon aan zijn vrijen wil, d.w.z. dat ge eigenlijk geen levensbeschouwing hebt, maar alleen het bestaan van eindeloos uiteenloopende personen, of beter gezegd, individuën bij u zelven vaststeldet. Met die ten deele ware tegenwerping vordert ge dus hier geen stroobreed. De feiten in het leven veranderen er niet door. En zoolang ge een belijdenis vasthoudt, die door de telkens wederkeerende feiten in het leven regelrecht weersproken wordt, moet wel van tweeën één gebeuren: óf dat ge het geloof aan uw belijdenis verliest, óf ook dat ge, aan uw belijdenis vasthoudende, opzettelijk voor de werkelijkheid een sluier hangt, om haar niet te zien. En wie nu, met ons, noch het één noch het ander wil, maar en aan zijn belijdenis kleeft, en tegelijk erkent, dat Gods voorzienig bestel in de werkelijkheid uitkomt, weigert daarom in die tegenstelling te berusten, en voelt zich gedrongen, met die feiten der werkelijkheid voor oogen, zijn belijdenis dieper in te denken en haar te onderzoeken, om te zien, op wat wijs ze zich tegenover die feiten handhaaft. Dit nu leidt ons rechtstreeks tot het leerstuk der gemeene gratie, overmits het juist dit vergeten en verwaarloosd hoofdstuk onzer belijdenis is, waarin voor dit punt zich de oplossing aanbiedt.

*

|11| Uit de Formulieren van eenigheid der Gereformeerde kerken komen hier in aanmerking de navolgende uitspraken:

1º. In Art. 14 der Belijdenis: „In alle zijne wegen goddeloos, verkeerd en verdorven geworden zijnde, heeft de mensch de uitnemende gaven, die hij van God ontvangen had, verloren, en heeft niet anders overgehouden dan kleine overblijfselen derzelve.”

2º. In Art. 15: „Zij is ook zelfs (de erfzonde) door den Doop niet ganschelijk te niete gedaan, noch geheel uitgeroeid, aangezien de zonde daaruit altijd als opwellend water uitspringt gelijk uit een onzalige fontein.”

3º. Leerregels. Hoofdst. 3, 4, § 4: „Dat er na den val in den mensch eenig licht der nature nog overgebleven is, waardoor hij behoudt eenige kennisse van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tusschen hetgeen eerlijk en oneerlijk is, en ook betoont eenige betrachting tot de deugd en uiterlijke tucht.” Zoo echter „dat de mensch door dit licht der natuur zoo weinig tot de zaligmakende kennisse van God komen, en zich tot Hem bekeeren kan, dat hij ook in natuurlijke en burgerlijke zaken dit licht niet recht gebruikt.”

4º. Catech. Vr. 114: „Kunnen degenen die tot God bekeerd zijn deze geboden volkomenlijk houden? Antwoord: Neen zij, maar ook de allerheiligsten, zoolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid.”

En 5º. Leerregels. Hoofdstuk V § 4-8:

„En hoewel die macht Gods, waardoor Hij de ware geloovigen in de genade bevestigt en bewaart, meerder is dan dat zij van het vleesch zoude kunnen overwonnen worden, zoo worden nochtans de bekeerden niet altijd alzoo van God geleid en bewogen, dat zij in sommige bijzondere daden door hunne eigene schuld van de leiding der genade niet zouden kunnen afwijken, en van de begeerlijkheden des vleesches verleid worden en die volgen. Daarom moeten zij gestadiglijk waken en bidden, dat zij niet in verzoeking geleid worden, hetwelk zoo zij niet doen, zoo kunnen zij niet alleen van het vleesch, de wereld en den satan tot zware en ook gruwelijke zonden weggerukt worden, maar worden ook inderdaad, door Gods rechtvaardige toelating, tot dezelve somwijlen weggerukt; gelijk de droevige vallen van David, Petrus en andere heiligen, die ons in de Schriftuur beschreven zijn, bewijzen.

„Met zoodanige grove zonden vertoornen zij God zeer, vervallen in schuld des doods, bedroeven den Heiligen Geest, verbreken voor eenen tijd de oefeninge des geloofs, verwonden zwaarlijk hun consciëntie, en verliezen somwijlen voor eenen tijd het gevoel der genade, totdat hun, wanneer zij door ernstige boetvaardigheid op den weg wederkeeren, het vaderlijk aanschijn Godes opnieuw verschijnt.

„Want God, die rijk is in barmhartigheid, neemt, naar het onveranderlijk |12| voornemen der verkiezing, den Heiligen Geest van de zijnen, ook zelfs in droevige vallen, niet geheel weg, noch laat hen zoo ver niet vervallen, dat zij van de genade der aanneming en van den staat der rechtvaardigmaking uitvallen, of dat zij zondigen ter dood of tegen den Heiligen Geest, en, van Hem geheel verlaten zijnde, zichzelven in het eeuwige verderf storten.

„Want, eerstelijk, in zulke vallen bewaart Hij nog in hen dit zijn onverderfelijk zaad, waaruit zij wedergeboren zijn, opdat het niet verga noch uitgeworpen worde. Ten anderen, vernieuwt Hij hen zeker en krachtig door zijn Woord en zijnen Geest tot bekeering, opdat zij over de bedreven zonden van harte en naar God bedroefd zijn, vergevinge in het bloed des Middelaars door het geloof met een verbroken hart begeeren en verkrijgen, de genade Gods, die nu met hen verzoend is, wederom gevoelen, zijne ontfermingen en trouw aanbidden, en voortaan hunne zaligheid met vreezen en beven des te naarstiger werken.

„Alzoo bekomen zij dan dit, niet door hunne verdiensten of krachten, maar uit de genadige barmhartigheid Gods, dat zij noch ganschelijk van het geloof en de genade uitvallen noch tot den einde toe in den val blijven of verloren gaan. Hetwelk, zooveel hen aangaat, niet alleen lichtelijk zou kunnen geschieden, maar ook ongetwijfeld geschieden zou; doch, ten aanzien van God, kan het ganschelijk niet geschieden, dewijl dat noch zijn raad veranderd, noch zijne belofte gebroken, noch de roeping naar zijn voornemen wederroepen, noch de verdienste, voorbidding en bewaringe van Christus krachteloos gqmaakt, noch de verzegeling des Heiligen Geestes verijdeld of vernietigd kan worden.”

*

Uit deze uittreksels uit onze drie Formulieren blijkt duidelijk, dat onze Belijdenis tweeërlei erkent: 1º. Eenerzijds dat er in den zondaar, d.i. in den gevallen mensch, nog zekere overblijfselen van de oorspronkelijke heerlijkheid, nog zeker licht der natuur overig is; en 2º. anderzijds dat ook in de geloovigen tot aan hun dood de zonde blijft inwerken, en dat zij ten gevolge hiervan zelfs in zware zonden vervallen kunnen.

Er is dus in onze Belijdenis niet uitsluitend sprake van de volstrekte tegenstelling tusschen geloof en ongeloof, zonde en heiligheid, maar uitdrukkelijk wordt in onze belijdenis, zoowel aan de zijde des zondaars als aan de zijde des geloovigen, zekere oorzaak aangegeven, waardoor het komt, dat er in den gevallen mensch nog zeker goed overbleef, en in den geloovige nog zeker kwaad nawerkt. En staat dit eenmaal vast, dan springt het in het oog, hoe men niet losweg zeggen kan, dat de Belijdenis onzer kerken botst tegen de werkelijkheid van het leven, maar hoe omgekeerd gezegd moet worden, dat belijdenis en werkelijkheid volkomen op |13| elkander passen, mits men uit de Belijdenis niet enkele stukken op zichzelf, maar die Belijdenis in haar geheel neme.

Dat de wereld meêvalt is te danken aan het licht der natuur, dat God nog in den gevallen zondaar brandende houdt; en evenzoo dat de kerk tegenvalt, is gevolg van het beleden feit, dat de zonde in den geloovige nog nawerkt, zoodat zelfs de allerheiligsten in dit leven nooit anders dan een klein beginsel van het ware goed openbaren. En dit nu beleed de kerk, behalve op grond van de deugden der Heidenen, die in de Heilige Schrift erkend, en van de diepgaande zonden der geloovigen, zooals van een David en Petrus, die klaarlijk in de Heilige Schrift betuigd worden, met name krachtens Rom. 2 : 14 en 15 waar we lezen: „De Heidenen doen van nature de dingen die der wet zijn, en zijn dus, als de wet (van Sinaï) niet hebbende zichzelven een wet, want ze toonen hoe de wet in hun hart geschreven is, naardien hun consciëntie in hen medegetuigt, en de gedachte onder elkander (d.i. de publieke opinie) hen beschuldigt of ook onschuldig verklaart.”

In deze veelzeggende uitspraak toch zit in, ten eerste: dat een Heiden, d.i. hier de gevallen mensch, ook zoolang nog van hooger genade verstoken is, toch in zijn inwendigen mensch nog zeker besef van het goede heeft. Paulus stelt toch te dezer plaatse de Joden en de Heidenen tegenover elkander, niet in hun nationaal bestaan, maar in geestelijken zin. De Joden zijn hem de zondaren die hooger genade ontvingen, de Heidenen zijn de gevallen zondaren die deze hooge genade missen. En waar nu de Joden waanden, dat zij zich boven de Heidenen verheffen konden, werpt Paulus hen terneder door hen op hun ontrouw, afval en zondig bestaan te wijzen; en heft de Heidenen omhoog, niet om wat zij zelven zijn, maar met beroep op de gemeene genade Gods die in hen werkt. En die gemeene genade komt allereerst daarin uit, dat zij in hun hart nog iets geschreven hebben. Niet alsof de Joden dit niet hadden; zij hadden dit oorspronkelijk evenzeer, want Joden en Heidenen zijn beiden gevallen zondaars, en zooals het in den gevallen zondaar is, zoo is het in elk van hen. Maar overmits de Joden laatdunkend op de Heidenen neerzagen, trekt Paulus dezen nu op den voorgrond, en zegt, dat de Heidenen wel gevallen zondaars zijn, maar dat God zijn oorspronkelijk geestelijk werk in den mensch uit den gevallen zondaar niet geheel heeft weggenomen, maar nog altoos eenig Goddelijk handschrift in hun hart heeft overgelaten.

*

Om dit wel te verstaan moet ge u herinneren, hoe de oorspronkelijke gerechtigheid mede hierin bestond, dat de mensch de wet Gods klaarlijk en volkomenlijk in zijn eigen zielsbesef bezat. Adam noch Eva had ooit van de Tien Geboden gehoord. Ze hadden nooit eenig onderwijs in de |14| zedenleer ontvangen. Niemand had hun de wet voorgeschreven, en het eenig gebod dat ze uitwendig ontvingen, was het verbod om niet te eten van den Boom der kennisse. Maar daarom waren ze geen zedelijk onkundigen. Integendeel ze verstonden Gods wil en wet volkomenlijk, omdat God zijn heiligen wil in hun ziel had ingeprent en geschreven op de tafelen hunner harten. Juist zooals een gezonde adem haalt volkomenlijk naar de wet der ademhaling, zonder ooit iets van die wet gehoord te hebben, en eerst de borstkranke er last van krijgt, en nu de geleerde kennis van den arts te hulp roept, zoo ook was het hier. Adam had nooit leeren loopen, maar liep vanzelf, en evenzoo had Adam nooit een zedenwet geleerd, maar bezat die zedenwet als in zijn eigen zielsbesef gegeven. Eerst de zonde heeft hierin stoornis gebracht. Door de zonde werd dat zielsbesef onzuiver. Alzoo ging dit Goddelijk handschrift door de zonde uit het hart weg. En in verband daarmee werd aan Israël de profetie gegeven, dat eens weer de dag zou komen, dat de mensch de wet niet meer van buiten zou leeren, maar dat God hem de wet weer in zijn hart schrijven zou.

Dit sloeg klaarblijkelijk terug op het verbond van Sinaï. Bij dat verbond toch had God zijn wet die op de tafelen van ’s menschen hart niet meer klaarlijk te lezen stond, uitwendig op steenen tafelen gegeven, zoodat hij die van Godswege leeren moest. Uitwendig, van buiten af hem toekomend in plaats van inwendig uit hem zelve opkomend. En met terugslag daarop heette het dan ook in Jeremia 31 : 33, 34: „Dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis van Israël maken zal, spreekt de Heere: Ik zal mijne wet in hun binnenste geven, en zal die in hun hart schrijven; en ik zal hun tot eenen God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En zij zullen niet meer, een iegelijk zijnen naaste, en een iegelijk zijnen broeder leeren, zeggende: Kent den Heere; want zij zullen Mij allen kennen, van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe, spreekt de Heere; want Ik zal hunne ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.”

*

Wist men nu niet meer, dan zou men hieruit kunnen afleiden, dat door de zonde alle spoor van het Goddelijk handschrift in ’s menschen ziel teloor was gegaan, en dat er niets van in den gevallen zondaar was overgebleven. Doch juist hiertegen nu komt Paulus op, en zegt dat dit volstrekt niet zoo is. Hij verklaart toch met zoovele woorden, dat de Heidenen wel terdege ook nog in zijn dagen, d.i. veertig eeuwen na den val in het Paradijs, nog een overblijfsel van dat Goddelijk handschrift in hun ziel bezitten, „als die betoonen het werk der wet geschreven in hun harten.” Let wel, er staat niet, dat ze de wet zelve nog in hun hart geschreven hebben, maar „het werk der wet”, als om te doelen meer op een practische aandrift dan op |15| een klare, zuivere kennisse. Maar wat men hierop ook afdinge, er staat duidelijk, dat er in het hart van den gevallen zondaar nog altoos iets van het oorspronkelijk Goddelijk handschrift over is. Grootendeels uitgewischt, in zijn fijnheid onleesbaar geworden, is dit Goddelijk handschrift toch ook in den gevallen zondaar nog in zooverre over, dat men zien kan dat het er gestaan heeft, en nog iets kan opmaken van wat er oorspronkelijk stond.

Dat dit nu in tegenstelling met de zielsgesteldheid van den Jood gezegd wordt, heeft zijn zeer begrijpelijke oorzaak. Een flink man in een kleine nering, weet uit zijn hoofd, hoeveel van elk artikel hij in zijn winkel heeft, en waar elk artikel ligt. Wie daarentegen een groote zaak drijft en magazijnen en pakhuizen heeft, ziet geen kans meer, alles in zijn hoofd te houden, en houdt daarom boek. Dat boek wijst hem dan uit, in welk magazijn deze en in welk magazijn die kaveling ligt, en tevens hoeveel van elk artikel hij nog in voorraad heeft. Dat went er hem dan aan op zijn boek meer dan op zijn geheugen te drijven, en ten slotte is zijn boek zijn een en al. Iets dergelijks nu moest ook bij Israël plaats grijpen, hoe meer het op de uitwendige wet werd gewezen. Oorspronkelijk, vóór den Sinaï, dreef ook Israël uitsluitend op zijn zedelijk besef, d.i. op de kennisse van Gods wet, die nog onvolkomenlijk in zijn hart was overgebleven. Maar toen het de wet uitwendig had ontvangen, en dus een boek der wet bezat, moest dit wel ten gevolge hebben dat het voor zijn zedelijk besef meer aan die uitwendig aangeleerde wet ging hechten, dan aan het zwakke schijnsel dier wet in zijn eigen binnenste. Het standpunt zelf van den Jood bracht alzoo mede, dat hij van de inwendige meer tot de uitwendige kennisse der wet was overgegaan. Bij den geloovige nu deerde dit niet, omdat de Geest Gods hem die uitwendige wet geestelijk duidde en aan de ziel bond; maar voor het gros der Joden, dat buiten den Geest leefde, bewerkte dit metterdaad, dat ze in menig opzicht beneden de uitnemendsten der Heidenen daalden. En dit nu is de reden, waarom Paulus, in zeker opzicht de besten der Heidenen boven het gros der Joden verheffende, speciaal van de Heidenen met zooveel nadruk zegt, dat zij het werk der wet nog in hun harten geschreven hebben.

*

In de tweede plaats volgt uit Rom. 2 : 13, 14, dat dit overblijfsel van de wet in het hart van den gevallen zondaar, door de Goddelijke genade nog tot op zekere hoogte levendig in hen wordt gehouden. Immers er volgt, dat „de consciëntie in hen medegetuigt”, d.i. aan dit overblijfsel van de wet in hun hart getuigenis geeft en er nog een Amen op zegt. De consciëntie en de wet Gods worden alzoo onderscheiden. De consciëntie is niet, gelijk velen zeggen, hetzelfde als de wet Gods. Integendeel de consciëntie getuigt met de wet mede. |16|

Dit toont ons dat de consciëntie en des wet twee zijn. Of is het niet zoo, dat medegetuigen onderstelt dat er eerst een is die getuigt, en dat daarop een ander medegetuigt met dien eerste? De wet is alzoo het getuigenis Gods in de ziel, en de consciëntie is het bewustzijn van den mensch, dat medegetuigt met het getuigenis Gods. Daarom kon er in Adam geen consciëntie zijn, overmits de wet Gods in Adam nog niet van zijn eigen bewustijn onderscheiden was, maar moest de consciëntie in Adam terstond na zijn val opkomen, zoodra namelijk Gods wet en zijn eigen zielsbewustzijn uiteengingen; gelijk evenzoo in den staat der heerlijkheid de consciëntie weer verstommen zal, zoodra elke strijd tusschen de wet Gods en het eigen zielsbewustzijn zal zijn weggenomen. Reden waarom we ook bij Jezus nooit van een consciëntie lezen, en men ook thans nog veel meer in de ongeloovige wereld dan in de kerk van de consciëntie hoort verhandelen. Opmerkelijk is het dan ook, dat Paulus te dezer plaatse van de consciëntie alleen in verband met de Heidenen handelt, niet met opzicht tot de Joden. Van die consciëntie nu zegt hij, dat ze tegenover het overblijfsel van de wet Gods niet tegenstrevend noch zwijgend, maar medegetuigend is. En overmits dit nu uit de zonde zelve niet komen kan, zoo volgt hieruit, dat God in den gevallen mensch niet alleen een overblijfsel van zijn wet in het hart liet, maar ook op zijn bewustzijn inwerkt, en in zijn bewustzijn hem dwingt, om op die wet Amen te zeggen.

*

In de derde plaats volgt uit Romeinen 2 : 13, 14, dat deze werking der gemeene genade zich niet bepaalt tot den gevallen zondaar als individu of op zichzelf staand wezen, maar ook inwerkt op den mensch in zijn saamleving. Hij zegt toch, dat hun gedachten onder elkander hen beschuldigen of ook ontschuldigen, d.i. onschuldig verklaren. Dit nu ziet op tweeërlei. Ten eerste op de opinie die ze zich onderling van elkander vormen, en ten tweede op de publieke rechtspraak. Korter kan men zeggen op de private en de publieke velling van vonnis over elkander. Dat vellen van particulier of privaat vonnis toch ging steeds in de wereld door gelijk het nog doorgaat. Ge vormt u een opinie over allerlei personen in uw omgeving. Ge spreekt met anderen over derden, en komt tot een goedkeurende of afkeurende conclusie. Op breeder schaal mengt ook het groote publiek zich hierin, en zoo vormen zich meeningen en denkbeelden over personen, om den een te prijzen en den ander te laken. En naast deze private velling van vonnis staat dan de rechter die publiek vonnis velt over beschuldigden die voor hem worden gebracht. Zoowel die private nu als die publieke beoordeeling onderstelt dat er een maatstaf zij waarnaar men oordeelt. Dit doet de rechter naar den maatstaf van goed en kwaad, die in de strafwet is aangegeven, en dit doet de particuliere en de publieke opinie naar zeker |17| besef van goed en kwaad, dat gemeenschappelijk in aller hart spreekt. Dit nu kon niet alzoo zijn, indien God niet door zijn gemeene gratie zekere algemeene denkbeelden over recht en onrecht, over goed en kwaad ook in de saamleving der menschen in stand hield. En in dien zin nu wijst de apostel er op, hoe ook uit dien privaten en publieken aandrang om vonnis te vellen, blijkt, dat God de Heidenen niet geheel verlaten heeft, maar ook onder hen nog met genade werken blijft.

*

En eindelijk in de vierde plaats volgt uit Rom. 2 : 13, 14, dat deze gemeene genade in den gevallen zondaar niet alleen nog een besef van wat eerbaar en oneerbaar, recht en onrecht, goed en kwaad is overliet, in stand hield en werken laat, maar ook dat deze gemeene genade den gevallen zondaar nog kracht leent, om het goede te doen. Hij zegt toch: „Indien de Heidenen die de wet (van Sinaï) niet hebben, van nature de dingen doen, die der wet zijn.” Zij kennen ze dus niet alleen, maar zij doen ze ook, en juist daaruit dat zij ze doen, trekt Paulus de conclusie, dat ze er kennis van hebben. Dat doen is dus zelfs het uitgangspunt voor het apostologisch betoog. Staat het nu vast, dat zelfs een kind van God betuigt „onbekwaam te zijn, om eenig goed als uit zichzelven te denken, veel minder te doen”, dan volgt hieruit noodwendig, dat ook de Heidenen dit goede doen, niet uit zichzelven of uit eigen kracht, maar alleen doordat de gemeene genade hen hiertoe aandrijft en hiertoe bekwaamt.

De Gereformeerde kerken hebben alzoo in haar Formulieren van eenigheid van dat licht der natuur niet gezegd, wat ze niet met de Heilige Schrift in de hand verantwoorden kunnen. Metterdaad is het zoo, dat Paulus, staande voor gelijk verschijnsel, als waarop wij stuiten, t.w. dat de Heidenen zoo vaak meêvielen, en dat de Joden zoo dikwijls tegenvielen, ons de oplossing van dit raadsel des levens daarin gegeven heeft, dat hij ons wees op de gemeene gratie of op het licht der natuur; niets minder inhoudende, dan dat God 1º. in den gevallen zondaar nog een overblijfsel van het Goddelijk handschrift der wet overliet, 2º. zijn zielsbewustzijn uitdrijft om aan dat overblijfsel der wet getuigenis te geven, 3º. in de saamleving dringt tot oordeelvelling met dat overblijfsel als maatstaf, en 4º. veelszins krachten in hen werkt om hen het goede te doen volbrengen.

Dit verklaart alzoo, hoe destijds de Heidenen konden meêvallen, gelijk nu zoo dikwijls de lieden der wereld ons meêvallen. En als ge dan vraagt hoe destijds Israël, gelijk nu de Kerk zoo dikwijls kon tegenvallen, lees en herlees dan Rom. 7, en herinner u slechts dien éénen smeekenden uitroep: „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods”, om ook die keerzijde van het raadsel u opgelost te zien.

En mocht nu iemand de vraag opwerpen, of Paulus hier de Heidenen |18| dan toch niet te gunstig beoordeelt, zij het dan genoeg, kortweg naar Rom. 1 te verwijzen, waar de schrikkelijke zonde van het Heidensche leven in al haar schrilheid geteekend staat, om u te overtuigen, dat Paulus zijn uitspraak van de gemeene gratie waarlijk niet van het Heidensche leven als zoodanig, maar van het licht dat nog in dit zondig leven uitstraalt, bedoeld heeft.

Doch hierover in een volgend artikel.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Derde reeks’ II, De Heraut No. 1006 (4 april 1897).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001