De Gemeene Gratie

door Dr. A. Kuyper

Tweede Deel. Het leerstellig gedeelte

Amsterdam (Höveker & Wormser) 1903



Van de Gemeene Gratie

Tweede deel

Het leerstellig gedeelte.


I. Doel van het leerstellig onderzoek.

Wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des menschen, dat Gij hem bezoekt?

Psalm 8 : 5. a


Onze eerste reeks bespiedde het opkomen der gemeene gratie, en vervolgde haar loop aan de hand der Heilige Schrift tot op Bethlehem. Van de eerste tot aan de tweede komst van Christus die te wachten staat, zocht daarna onze tweede reeks de beteekenis vast te stellen, die de gemeene gratie thans reeds verwierf, en, naar luid van de apocalypse des Nieuwen Testaments, voor het einde zelf, en voor wat na het einde komt, bezitten zal. Beide reeksen saam vormden alzoo een overzicht in vogelvlucht van het verloop der gemeene gratie in de geschiedenis van ons geslacht en van onze wereld, van af den val tot aan de wederherstelling, of wil men van Paradijs tot Parousie. Een proces dat eeuwen doorloopt, en in dien loop vanzelf door de eerste komst van den Christus in tweeën wordt gedeeld.

Thans rust op ons de taak om de gemeene gratie leerstellig na te gaan, opdat zij zelve te beter als mysterie doorzien, en in haar verband met de overige leerstukken of dogmata verstaan moge worden.

Om onze lezers hierbij te oriënteeren zij er aanstonds op gewezen, dat het dogma niet alleen een zijde heeft, die naar het hemelsche, maar ook een zijde die naar het aardsche gekeerd is. Elk dogma of leerstuk komt uit den wortel der religie op, zoo zelfs dat hetgeen, in welk dogma ook, door u niet meer als rakende uw religie gevoeld wordt, verdort voor uw |2| besef en uit uw geloof wegsterft. Zie het maar aan het verloop, dat het leerstuk over de engelen nam. Oorspronkelijk was ook dit leerstuk in aller religieus bewustzijn ingeweven, omdat een ieder besefte, dat hij ook zelf in zijn eigen religie, en voor het leven zijner eigen ziel, met de engelen te rekenen had. Sinds echter de ongelenwereld voor veler besef geheel van hun eigen godsdienstig bestaan werd afgescheiden, en geen andere beteekenis overhield, dan van een stuk hemelsch leven, in poëzie zich voor ons oplossend, hield dit leerstuk op tot den inhoud van hun geloof te behooren. Zoo sterk zelfs heeft het leerstuk of dogma altoos een naar boven en naar beneden gekeerde zijde, dat onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis niet schroomt, in Art. IX omtrent het dogma der Heilige Drieeenheid te verklaren: „Dat alles weten wij, zoo uit de getuigenissen der heilige Schrifture, als ook uit hun werkingen, en voornamelijk uit degene, die wij in ons gevoelen.” Hier wordt dus onomwonden uitgesproken, dat ook het leerstuk der heilige Drieëenheid eene naar ons toegekeerde zijde heeft, en een stuk van ons eigen zielsleven verklaart. En raadpleegt men den Heidelbergschen Catechismus, dan sluit zich de belijdenis van Vader, Zoon en Heiligen Geest, zelfs in nog engeren zin, aan drie momenten in ons persoonlijk bestaan aan, t.w. de belijdenis van God den Vader aan onze Schepping, de belijdenis van God den Zoon aan onze Verlossing, en die van God den Heiligen Geest aan Onze Heiligmaking; terwijl dan voorts in de 33 eerste Zondagsafdeelingen heel het stuk van het Geloof onder deze drieledige indeeling ter sprake komt, om eerst daarna op het Geloof te laten volgen het Gebod en het Gebed.

*

Dat dit zóó zijn moet, en niet anders zijn kan, ligt aan het wezen der religie, daarin bestaande, dat er twee zijn: God en de mensch, en dat de rechte gemeenschap van dien mensch met zijn God de religie is. De vraag, welke onderscheidene verhoudingen om God te kennen, God te vertrouwen, zich aan God te onderwerpen, Hem te vreezen, lief te hebben en te eeren, en in dat alles zijn kind te zijn, bij de religie ter sprake komen, laten we nu rusten. Voor het thans door ons beoogde doel is het voldoende, zoo gevoeld wordt, dat buiten het dogma valt al wat niet de religie raakt, en dat, overmits de religie altoos van de ééne zijde op God en van de andere zijde op den mensch doelt, ook elk leerstuk steeds van die twee kanten te bezien is.

Voor wat nu dien kant aangaat, die naar de zijde des menschen gekeerd is, hebben we in de verschijning en het leven des menschen te doen eensdeels met hetgeen onder onze waarneming valt, en deswege zonder hulp van het dogma kan worden vastgesteld, maar ook anderdeels met een verborgen zijde van den mensch en het menschelijk leven, waartegenover |3| we slechts drieërlei positie kunnen innemen: 1º. die van het agnosticisme, 2º. die van de hypothese, en 3º. die van de Openbaring. Het agnosticisme d.i. het stelsel der onwetendheid, erkent wel dat er raadselen in den mensch zijn, en dat de mensch in raadselen wandelt, maar ziet af van de poging, om in die raadselen licht te doen stralen. De agnosticist erkent dat er een mysterie is, maar laat het mysterie, en beschouwt als doelloos en hopeloos elke poging, om het te ontsluieren.

Anders oordeelt de man van de hypothese. Ook hij begint wel met vast te stellen, dat we in den mensch en in zijn leven met een mysterie te doen hebben, maar beweert tevens dat ons zeer wel middelen ten dienste staan, om in die verborgenheid in te dringen. Er is uiting van ’s menschen zijn en leven in het zichtbare. Die uitingen gaat hij na. Die zijn voor hem de bekende. En uit deze bekende gegevens poogt hij nu tot de oplossing van het onbekende te geraken. Dat doet hij dan door onderstellingen of hypothesen aan te nemen, en alsnu na te gaan, of hij, indien waar ware wat hij stelt, in staat zou zijn, om het onbekende te verklaren. Gelukt dit niet, dan verwerpt hij die onderstelling, en neemt zijn toevlucht tot een andere hypothese. Acht hij daarentegen dat zijn onderstelling wel in staat is, om het onbekende te verklaren, dan verklaart hij den sleutel tot het mysterie gevonden te hebben, en verkondigt zijn hypothese als resultaat van wetenschap. Op die wijze vond een tijdlang het stelsel van het materialisme ingang, en werd met veel ophef als de wetenschap rondgevent, terwijl men thans zelfs in ongeloovige kringen weer vrijwel algemeen tot de overtuiging is gekomen, dat de hypothese van het materialisme ongerijmd was.

De derde weg eindelijk, die van het dogma of leerstuk, wordt betreden door hen, die niet alleen met de beide vorige soort lieden, het bestaan van het mysterie in den mensch en in het menschelijk leven erkennen, maar tevens belijden, dat licht in dit mysterie dan aljoen kan vallen, indien God het er in vallen laat, en dat we uit dien hoofde, nu God ons zijn openbaring schonk, zondigen door met den agnosticist te stellen, dat er geen licht is, overmits dit een miskennen en ondankbaar loochenen van de liefde Gods ware, die ons te hulpe komt, maar ook dat ge evenzeer zondigt, indien ge, gelijk de man der hypothese doet, voor dit van God ons geschonken licht moedwillig het oog sluitende, bij eigen kunstlicht zit te turen op wat ge toch niet begrijpt, en het zonlicht dat God door uw vensters wil doen stralen, door een dichtdoen der luiken, buitensluit. Recht loopt naar die belijdenis alleen hij, die, dankbaar het van God ons gegeven licht aanvaardende, als dogma of leerstuk aanvaardt, wat God ons in zijn Woord omtrent dit menschelijk mysterie geopenbaard heeft.

*

|4|Vraagt ge nu op welk mysterie in den mensch en in het menschelijk leven het dogma der gemeene gratie het zoo onmisbare licht doet vallen, dan kan het niet moeilijk zijn, dit klaar en duidelijk in te zien. Twee machten nemen we in den mensch en in zijn leven waar: eenerzijds de macht der zonde, en anderzijds de macht van wat goed en lieflijk is. Vervolgt ge nu de lijn der zonde in uw eigen hart en in het leven der wereld, dan is alles donker en somber, grauw en doodsch en op den dood in zijne velerlei vormen uitloopende, en kan er in uw voorstelling geen plaats voor iets dat goed en lieflijk in den mensch en in het menschelijke zijn zou, overblijven. Laat ge daarentegen voor een oogenblik de zonde buiten beschouwing, en let ge op allerlei verkwikkelijks dat u in den mensch en in het menschelijke leven boeit, dan biedt ons menschelijk leven nog, o, zooveel bekoorlijks, zooveel dat u boeit en u weldadig aandoet, dat ge u bijna zoudt afvragen, of heel het denkbeeld van een verderf onzer natuur door de zonde, niet op legende en inbeelding rust.

Ge stuit hier op tegenstrijdige verschijnselen. De ééne maal wordt ge pessimist, en ziet de wereld als in duivelsche gestalte voor u treden, dat er niets goeds aan haar is. En toch weer een ander maal wordt ge optimist, en voelt u gestreeld door zooveel uiting van nobelen zin, kloeke veerkracht en ernstig bedoelen, als ge in het leven om u heen waarneemt. Die tegenstrijdigheid verzwakt u. Ge waart er bijna toe gekomen de zonde te haten, en met het ex profundis der klagende menschheid in te stemmen. Maar dan weer boeit en bekoort het leven u derwijs, dat ge de zonde als een bijna overwonnen macht gaat beschouwen, en met den lofzang van het humanisme instemmend, wierook voor den mensch zoudt ontsteken. Geslingerd tusschen beide voorstellingen en zielsgezindheden, ontwaart ge dan almeer, dat ge voor een raadsel staat. Loopt ge de ééne lijn af, dan loopt ge dood op de feiten van het goede en lieflijke in den mensch en in des menschen historie. Maar ook, gaat ge van dat betrekkelijk goede uit, en poogt ge van daar uit uw lijn af te loopen, dan loopt ge eveneens dood en stuit op de schriklijke openbaring der zonde. Noch met de ééne noch met de andere leidende gedachte komt ge dus uit. Ge tast, ge voelt dat er een derde iets moet zijn, waardoor ge beide malen mis uitkomt. De aanwezigheid van dat derde iets constateert ge, maar ge ziet het niet, en kent het niet. En zoo wordt dat derde iets voor u het hier schuilend mysterie.

*

Zelfs wordt dit mysterie voor u nog donkerder en raadselachtiger, zoo ge rekenen gaat met de genade, die tegen de zonde indringt. Van die genade toch belijdt ge, dat ze niet uit den mensch, maar uit God is. Ge erkent dat die genade alleen door het geloof werkt, en dat er zoodoende |5| een scheiding in het leven komt, tusschen hen die dit geloof willen, en hen die tegen dat geloof ingaan. Onder dit gezichtspunt staan geloovigen en ongeloovigen nu eenmaal tegenover elkander in de wereld. De preciezer onderscheiding laten we hierbij nu voor het oogenblik glippen. We nemen nu geloof en ongeloof in den algemeensten zin. Er zijn er die in Christus gelooven, en er zijn er die niet in Christus gelooven, op geenerlei manier. Hierdoor vormt zich in het leven tweeërlei strooming. Zij die gelooven willen iets anders, bedoelen iets anders, streven naar iets anders; en wat welwillende zin u ook jegens uw medemenschen beziele, zoo ge zijt van hen die gelooven, komt ge onwillekeurig, en zonder het te zoeken, telkens in botsing met die anderen. In botsing op huiselijk, op maatschappelijk, op staatkundig, en sterker nog op kerkelijk terrein. Doch natuurlijk, boven het geschil met de ongeloovigen ligt ook voor uw besef een hooger rechtspraak. Uw geloof maakt de pretentie van onmisbaar te zijn, om de zonde te boven te komen en een leven in eere mogelijk te maken. En ook nu komt de ongeloovige man, en toont u met de stukken aan, hoe juist in uw kring nog allerlei zonde nawerkt, en hoe omgekeerd in den kring der ongeloovigen allerlei goede en aantrekkelijke verschijnselen van edeler levenszin vallen waar te nemen. Dit maakt dat de ongeloovige de onmisbaarheid en doeltreffendheid van uw geloof niet inziet, en dat gij op uw beurt aan de werkelijkheid van het onderscheid tusschen geloof en ongeloof begint te twijfelen. Indien, er in uw kring met geloof nog over zooveel te klagen, en in zijn kring zonder geloof nog over zooveel te roemen valt, waar blijft dan de geldigheid van uw heel het leven deelende onderscheiding? Persoordijk zelfs gaat dit door, zoo dikwijls ge u zelven, niettegenstaande uw geloof, op zonde betrapt, en omgekeerd bij den man zonder geloof zoo vaak door hoogen, edelen zin beschaamd wordt.

Ook hier dus weer is een onbekende macht in het spel. Dat in het geloof een wereldoverwinnende macht schuilt, staat uit de historie en uit uw eigen zielservaring voor u vast. Toch beantwoordt de verhouding tusschen geloovigen en ongeloovigen in het leven niet aan de conclusiën die ge uit deze macht des geloofs trekken zoudt. Anderzijds weet ge uit historie en zelfkennis beide, wat booze macht in de zonde, ook in de zonde van het ongeloof schuilt. En toch beantwoordt ook ten deze de uitkomst zoo telkens niet aan de conclusie die ge trekken moest. Er moet dus een derde iets zijn, dat hier storend inwerkt. Maar dat derde iets kunt ge wel constateeren, maar niet uitleggen. En zoo stuit ge ook van die zijde op een mysterie, om welks ontsluiering ge roepen blijft.

*

Nog sterker saamgetrokken treedt datzelfde mysterie voor u op in de tegenstelling tusschen het rijk der genade, gelijk dit in Christus’ kerk |6| belichaamd is, en het rijk der natuur gelijk dit uitkomt in het leven der wereld. Ook nu weer nemen we de begrippen van kerk en wereld in haar algemeensten zin. Maar onder wat vorm ge die onderscheiding en tegenstelling ook neemt, zoo zou uit uw belijdenis volgen, dat van uw kerk het licht uitstraalde, en dat over de wereld de nevel der duisternis hing. Wat rein, heilig, lieflijk is en wel luidt zou in uw kerk op in het oog loopende wijze moeten schitteren, en daarentegen over de wereld zou het floers moeten hangen van het onzuivere, zondige en min edele. Toch zijn de feiten ook hiermede niet in overeenstemming. Reeds in de dagen der apostelen komen in de kerk van Christus gevallen van schriklijke zonde voor, eeuw aan eeuw heeft het kerkelijk leven iets gehad, waardoor het rechtmatige oorzake tot klachte gaf; en daarentegen ontwikkelde zich in het leven der wereld zooveel interessants, zooveel schoons en zooveel beminnelijks, dat ge soms strijd in u voeldet opkomen, om u van de kerk af te wenden en in het leven der wereld uw plaatse te zoeken. De scherpe grenslijn die uw belijdenis tusschen kerk en wereld trok, bleek alzoo op de proef niet houdbaar. En nu zaagt ge hoe de één, om aan deze teleurstelling te ontkomen, eenvoudig zich in zijn kerk terugtrok en van de wereld niet hooren wilde, en ten slotte om er niet door gehinderd te worden, optrad als spiritualist, terwijl de ander om elk denkbeeld van bekrompenheid van zich af te werpen, eigenlijk een kind der wereld werd, en òf zijn kerk varen liet, òf wel zijn kerk wereldsch maakte.

Ook hier dus weer dezelfde strijd. Eenerzijds het feit der historie en de belijdenis van het eigen hart dat de kerk de redding der wereld is, en anderzijds de feiten voor oogen, dat de kerk zooveel onder haar waardschatting blijft, terwijl het leven der wereld zooveel meer blijkt te geven, dan van haar scheen verwacht te kunnen worden. Ook hier moet dus een derde iets zijn, waardoor deze schijnbare tegenstrijdigheid verklaard kan worden. Een mysterie waarop ge stuit, zonder dat het zich aanstonds voor u ontsluiert.

*

Bij het richten van uw eigen leven en het besturen van uw eigen levenstaak komt ge voor dezelfde onzekerheid te staan. Is onze menschelijke natuur alzoo verdorven, en de wereld derwijs onder den vloek weggezonken, dat er uit die wereld, en in die wereld uit onze natuur, toch niets komt, dat in de weegschaal van het heilige afgewogen bestaan kan, en is daarentegen het Evangelie het eenig zout dat bederf weert, en de kerk van Christus de schepping Gods die alleen het merk van eeuwige duurzaamheid draagt, is het dan niet redelijk dat ge uw talent, uw levenskracht, uw tijd, uw inspanning, aan die wereld onttrekt, en geheel richt op de kerk en het Evangelie? Toch kan dit niet. Een enkele moge op die |7| wijze een levensexistentie kunnen vinden, als prediker hier te lande, of als gezonden dienaar onder Heidenen en Mahomedanen. Of ook een ander, die geld bezit om van te leven, moge geheel zijn levenskracht kunnen richten op philanthropischen arbeid. Maar wat in geen geval kan is dat alle leden der kerk hun aardsche bestaan er aan zouden geven om zich geheel aan geestelijke dingen te wijden. Reeds elke moeder in huis heeft eene andere roeping. Er moet gewoond, er moet spijze bereid, er moet voor kleeding en ontspanning, en voor opvoeding ook voor de burgermaatschappij gezorgd worden. En voorts, waar zouden die duizenden, die geen geld bezitten, maar hun brood en het brood voor hun gezin verdienen moeten, dat brood vinden, indien ze heel hun leven lang niet anders doen zouden, dan rechtstreeks bezig zijn in Jezus’ Koninkrijk? Paulus zelf trad ’s avonds als apostel op, na des morgens en des middags met het zeildoek op zijn schoot te hebben zitten werken in den zeilmakerswinkel. Dit nu maakt dat voor de overgroote meerderheid der belijders en belijderessen van Jezus verreweg het grooter deel van hun kracht en van hun tijd weggaat aan arbeid, niet in het Koninkrijk, maar in de wereld, en dat ze voornamelijk alleen den Zondag, en voorts in het morgen- en avonduur zich vermeien kunnen in bezigheid van heiliger karakter.

Ook dit nu komt met de tegengestelde waardschatting van het leven in Christus’ kerk en het leven in de wereld niet overeen. Vloeit het leven der wereld ten verderve af in het niet, en bezit alleen het leven van Christus’ kerk merk en waarborg van eeuwige duurzaamheid, hoe kan het dan aan een kind van God voldoening schenken en in harmonie met zijn levensovertujging bestaan, dat hij feitelijk negen tienden van zijn leven wijdt aan wat voorbijgaat en geen doel heeft, en hoogstens één tiende overhoudt voor wat waardij bezit voor zijn hart? Naar zijn belijdenis moest het anders zijn, naar den eisch des levens kan het niet anders. Ook hier moet dus een derde iets in het spel zijn, dat de consequentie van zijn belijdenis breekt. En dat derde iets voelt en merkt hij wel, maar hij kan het niet in het licht doen treden. Het is en blijft hem een mysterie.

*

Zoo nu zouden we kunnen doorgaan met schier op elk punt des levens dezelfde tegenstrijdigheid aan te wijzen tusschen de consequentie van wat we eenerzijds belijden, en anderzijds in het werkelijke teven voor ons vinden. Die feiten kunnen we niet loochenen, en toch ook die belijdenis kunnen we niet prijsgeven, en nochtans kloppen beide niet op elkander. Zeker, als ge de beteekenis der zonde verzwakt, het onderscheid tusschen natuur en genade verflauwt, kerk en wereld in elkaâr laat vloeien, en uw arbeid in de wereld en in het heilige als van eenzelfde soort beschouwt, |8| dan stuit ge niet. Maar wat beduidt dit anders dan dat ge uw belijdenis varen liet, overgingt in het kamp der Modernen, en aldus den maatstaf der wereld voor den maatstaf aanneemt? Of ook kunt ge, voor de diepte der dingen het oog sluitend, half onnadenkend in de oppervlakte voortdrijven, en zeggen, dat ge om deze tegenstrijdigheden u niet bekommert, ja ze niet voelt, en er niet door gehinderd wordt. Maar wat beduidt dit anders dan dat ge insliept en de oogen sloot, en door niet waarlijk te leven aan de raadselen des levens ontkwaamt? Zegt ge daarentegen: Ik houd aan mijn belijdenis vast, de tegenstelling tusschen genade en natuur bestaat, de zonde is een macht in het leven, en voor den strijd, hieruit in ons menschelijk leven geboren, sluit ik de oogen niet, maar sta ik met een opmerkend, onderzoekend en vragend oog, en zoek naar oplossing van het zich op mij werpend mysterie, — dan kan het niet anders, of op elk der besproken punten moet ook gij persoonlijk die hinderlijke tegenstrijdigheid ontwaard hebben.

Ja, we gaan nog verder. Toen de Modernen ook hier te lande een tijdlang waanden, dat ze door hun uitwisschen van de grenslijn zich aan deze raadselen ontworsteld hadden, droomden ze weinig anders dan een schoonen droom, waaruit ze maar al te spoedig bitterlijk teleurgesteld ontwaakten. Al hadden zij toch de tegenstelling tusschen natuur en genade prijsgegeven, nochtans hielden ook zij nog vast aan de tegenstelling tusschen het heilige en onheilige, tusschen hetgeen edel en onedel is. En zie, ook in dien verzwakten vorm plaatste die herleefde tegenstelling toch ook hen aanstonds weer voor gelijksoortige raadselen, die in hun eigen kring tot zeer uiteenloopende oplossingen hebben geleid, en nog steeds voortgaan de geesten onder hen te verdeelen. Dit nu bewerkt de zonde. Die vreeslijke macht, waartegen ook zij het hun eere achten strijd te voeren. Maar juist die strijd is niet denkbaar, of telkens en telkens weer schijnen de rangen en de slagorden van wie vriend en vijand is dooreengemengd te worden. Eerst ging al hun strijd tegen ons. Nu zijn ze reeds zoover dat ze inzien hoe hun vijand elders is te zoeken, en hoe ze veeleer om dien vijand overhoop te werpen, terug hebben te komen op veel wat wij hielden, en wat door hen in ons bestreden werd.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie. Derde reeks’ I, De Heraut No. 1005 (28 maart 1897).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001