XVII. De Boom des Levens.

Toen zeide de Heere God: Zie, de mensch is geworden als onzer één, kennende het goed en het kwaad. Nu dan, dat hij zijne hand niet uitsteke, en neme ook van den Boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid.

Gen. 3 : 22. a


Gelijk we in ons vorig artikel aanstipten, is met de thans onder ons meest gangbare verklaring, als ware de Boom des levens niets dan een sacramenteel teeken in het Werkverbond, niet genoeg gezegd. Deze duiding der zaak bevredigt niet. Men gevoelt wel, dat er iets van dien aard in schuilen kan, maar de voorstelling alsof deze wondere Paradijsboom uitsluitend dáárvoor gediend had, lost de moeilijkheid, waarvoor we staan, niet op. Of hoe? Die boom zou niets dan een gewone boom zijn geweest. Dien gewonen boom zou Adam nu en dan hebben moeten aanzien. En bij |120| dat aanzien van dien boom zou hij een sacramenteele werking op zijn geloof hebben ondergaan, die zijn innerlijk leven sterkte. Wat nu ware dit anders dan een genademiddel uit het Genadeverbond terugdragen naar de bedeeling van het Werkverbond? Zeer zeker, onder het Genadeverbond gebiedt de Heere ons, gewoon water, en evenzoo gewoon „brood met wijn” te nemen, en in deze gewone elementen een „teeken” te zien, dat als zegel zijn gelofte bevestigt; en verleent Hij, onze God, genadiglijk onder het sacramenteel gebruik van deze teekenen een geestelijke genade, die hetzij het ingeplante geloofsvermogen, hetzij het uitgebotte geloof sterkt. Maar geheel deze opvatting van het Sacrament is dan ook berekend op den gevallen mensch, niet op den mensch in den „staat der rechtheid”. In den gevallen mensch is het oorspronkelijk geloof gebroken en ontwricht, en ten deele zelfs in ongeloof omgeslagen. In hem kan daarom het geloof niet hersteld worden dan door een geestelijke wonderdaad Gods in het hart, en niet anders dan in den vorm van „geloof in Christus”. Dat herstelde geloof wordt dan in Gods kind op allerlei wijs bestreden. Daarom moet het gesterkt worden. En voor die sterking van het zaligmakend geloof, bij zijn gestadige slingeringen, dient het Sacrament. Bij dat Sacrament wordt dus in den zondaar niet anders vereischt noch ondersteld, dan dat het herstelde geloof in hem aanwezig zij (hetzij dan nog slechts als vermogen, hetzij reeds in de uitbotting), dat ten tweede dit geloof bedreigd worde, en ten derde dat sterking van dit bedreigde geloof bij God en niet bij den mensch gezocht worde. Al het overige komt dan van God den Heere, krachtens het Woord der belofte, door de mystieke inwerking van den Heiligen Geest. Juist daarom moesten de teekenen dan ook zoo gansch gewoon zijn, water, brood en wijn; is het genoeg dat deze eenvoudige, gansch gewone teekenen, symbolisch op de zaak wijzen, het water op de reiniging, het brood op de onderhouding en de wijn op de verheuging en verhooging des levens; dat de actie in het Sacrament gelijkerwijs zinnebeeldige duiding hebbe; en dat alles niet door den mensch verzonnen of uitgedacht, maar door God verordend zij.

Maar kan dit nu evenzoo gelden bij het Werkverbond? Stellig niet. Immers bij het Werkverbond komt het niet op het Gelooven, maar op het Doen aan. De grondregel van dat Verbond is niet: „Geloof en gij zult leven”, maar heel anders: „Al wie deze dingen doet, zal leven in eeuwigheid.” Hier ter plaatse kunnen we op deze tegenstelling niet ingaan. Slechts zóóveel zij gezegd, dat alle Doen geloof onderstelt; maar dat het „geloof” dat Adam in het Paradijs bezat, niet het geloof in den Middelaar en Borg, maar het geloof in God was. Juist zooals ook Christus zelf natuurlijk niet het „geloof in den Heere Jezus Christus” heeft bezeten; maar wel, en uitsluitend, het algemeen geloof in God. Dat algemeen geloof beduidt nu niet, gelijk het vaak wordt verstaan, zeker grif en gul toegeven, |121| dat er een voorzienig God leeft, in wiens hand onze adem is. „Geloof”, gelijk Adam het in den staat der rechtheid, en gelijk de Christus het naar zijn menschelijke natuur bezat, heeft met dat rationalistisch geteem niets uitstaande, maar is de onmiddellijke aansluiting, zonder eenige stoornis of hindernis, van het bewuste leven der ziele aan den levenden God. Dit geloof nu wordt in alle Werkverbond ondersteld. Wie niet alzoo in oorspronkelijke of herstelde bewuste gemeenschap met den levenden God leeft, buigt niet voor zijn Wet, heeft zijn Wet niet in zijn hart geschreven, kent de aandrift tot Wetsvolbrenging niet, en grijpt niet door Wetsvolbrenging naar het eeuwige leven. De Wetsvolbrenging heeft dit algemeen geloof, gelijk Adam het in den staat der rechtheid bezat, altoos tot grondslag en onderstelling. Het is er onafscheidbaar van. En zoodra dit geloof ook maar een schilfer laat afsplijten, is het geschonden, is zijn kracht gebroken, omgeslagen in ongeloof, en kan het tot geen Wetsvolbrenging meer leiden. Sterking van dit geloof is uit dien hoofde ondenkbaar. Zoolang het gaaf is, behoeft het die niet; en zoodra het ongaaf wordt, zou het er niet door gebaat worden. Een van geloof in ongeloof overgeslagen mensch, is niet door sterking van het gebroken geloof te redden, hem moet het geloofsvermogen hersteld en tot andere gedaante vernieuwd worden. Bij hem is wedergeboorte noodig, en eerst na die wedergeboorte komt die sacramenteele sterking van het nieuw ingeplante geloof, nu een geloof in Jezus Christus, aan de orde. Uit dien hoofde en op dien grond, was het niet doorgedacht, en niet tot op den wortel bezien, toen men van geloofssterking vóór den val sprak. Het was een niet genoegzaam onderscheiden van de zeer onderscheiden natuur der twee Verbonden. Een Sacrament in dien zin van een genademiddel, gelijk wij dit ontvangen en genieten, is deswege de Boom des levens stellig niet geweest.


*

Ten einde nu tot een juister inzicht in de beteekenis van den Boom des levens te geraken, gaat men veiligst, door uit te gaan van het bekende en van hetgeen vaststaat, om van daar uit tot het onbekende op te klimmen. Die vaste gegevens nu bezitten we in Genesis 2 : 9 en in Genesis 3 : 22. Van de instelling van een Sacrament leest ge niets; niet één woord; maar wel wordt u gemeld, dat er in het Paradijs plantsoen was, en dat er onder dit weelderige plantsoen twee boomen waren, die een afzonderlijke beteekenis hadden. Niet in dien zin, alsof de overige boomen onooglijk en van mindere soort, en alleen die twee prachtboomen waren. Integendeel, er staat, dat alle boom èn prachtig was voor het oog èn edel van vrucht. Aldus toch lezen we: „En de Heere God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht en goed ter spijze.” Twee boomen intusschen worden van al de overige uitgezonderd, en van die |122| twee wordt gezegd, dat de ééne iets met ons zijn, de andere iets met ons bewustzijn te maken heeft. De ééne toch heet: De Boom des levens, d.i. van het zijn, de andere is de Boom der zedelijke kennisse, d.i. van het bewustzijn. Nu springt het hierbij reeds aanstonds in het oog, dat hier het tweetal heerscht. Niet één boom, niet drie boomen, maar twee, en die twee boomen worden in rapport gebracht met den mensch, gelijk deze zelf als een tweeheid, naar ziel en lichaam, geschapen is. De mensch, voor wien die twee boomen bestemd zijn, voor wien ze geplant zijn, en voor wien ze daar staan, heeft twee zijden in zijn bestaan; en in overeenstemming nu met die twee deelen, kanten of stukken van zijn bestaan, ziet hij zich twee boomen aangewezen, en van die twee boomen wordt hem gezegd, dat de ééne boom iets te maken heeft met zijn verstandelijke bewustzijn, met zijn zedelijke kennisse, d.i. derhalve met zijn innerlijk, geestelijk bestaan, met de existentie zijner ziel. Van den anderen boom daarentegen wordt, in tegenstelling hiermee, gezegd, dat deze boom iets uitstaande heeft, niet met zijn zedelijk inzicht, maar met zijn leven in het gemeen. Vat men dit nu op, gelijk het er in deze tegenstelling staat, dan ligt het vermoeden voor de hand, dat die Boom des levens meer doelt op het natuurlijk leven, en die tweede Boom meer in verband stond met onze geestelijke existentie. Niemand toch zal kunnen staande houden, dat de zedelijke kennisse van goed en kwaad buiten ons geestelijk leven ligt. Slechts versta men de uitdrukking van „natuurlijk leven” hier niet verkeerd. Thans toch vormt „natuurlijk leven” een tegenstelling met de bovennatuurlijke kracht, die Christus in ons werkt; oorspronkelijk daarentegen was „natuurlijk leven” het leven zelf, het leven gelijk het bestemd was, om in de eeuwige existentie over te gaan, kortweg, wat wij nu noemen: ons aanzijn. En tegenover dat aanzijn staat dan de geestelijke bewustheid, die uit onze zedelijke kennisse opkomt, en gelijk nu die „Boom der kennisse” in verband stond met ons bewustzijn, zoo ook stond de „Boom des levens” in verband met ons aanzijn als zoodanig. Of, om het (hoewel het niet geheel juist is) eenvoudiger uit te drukken: die Boom des levens stond in verband met ons lichaam, die Boom der kennisse met onze ziel.


*

Hierop sluit en past nu volkomen, wat we in Genesis 3 : 22 lezen. De mensch is gevallen en staat nog onbekeerd in zijn zonde, te midden van het Paradijs. Onder zijn bereik staan nog die beide boomen. Van de vrucht van dien éénen boom heeft hij gegeten, en het was zijn val. En nu zegt de Heere: Er moet gewaakt, dat de (gevallen) mensch niet zijn hand uitsteke, en neme ook van den Boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid. Deze woorden heeft men onder ons meestal ironisch verklaard, alsof |123| God de Heere spottenderwijze zeide: „Daar staat nu die mensch, met zijn inbeelding, alsof hij als onzer één ware geworden, en alsof hij door van den Boom des levens te eten, nu ook zijn leven en zijn aanzijn vereeuwigen kon.” Zelfs Calvijn slaat ter verklaring van dit vers dezen zelfden ironischen weg in. Hiermede kunnen we ons echter niet vereenigen. En dat wel om deze reden, dat ironie nooit tot het nemen van een ernstigen maatregel kan nopen. En toch hier wordt een zeer ernstige maatregel bedoeld. De gevallen mensch wordt uit het Paradijs verdreven. Een hemelwacht van Cherubijnen wordt ter bewaring van den hof aan zijn ingang gesteld. En de mensch doolt, met de heugenis van het verloren Paradijs in zijn hart, naar de met vloek beladen aarde af. Heeft het nu zin, dat God de Heere zeggen zoude: „Die dwaze mensch beeldt zich in, dat hij door het eten van den Boom des levens zichzelf vereeuwigen kon, en daarom zal Ik dezen geheelen ommekeer in de bestaande orde van zaken teweegbrengen. Wat hij zich inbeeldt, is wel niet zoo. Alleen maar omdat hij het zich in zijn hoogmoed inbeeldt, ga Ik het Paradijs wegnemen, en alleen de gevloekte aarde hem overlaten.” Wie gevoelt niet, dat deze uitlegging niet bevredigt?

Geheel anders komt daarentegen de zaak te staan, zoo men, blijkens de uitlegging, die we in Genesis 2 : 9 vonden, den Boom des levens beschouwt als een boom, welks vrucht alleen met ons lichamelijk aanzijn te maken had, en niet met onze geestelijke existentie. Het beweren van Calvijn toch, en van alle theologen vóór en na hem, die tot de ironie in Genesis 3 : 22 de toevlucht namen, school hierin, dat ze bij den Boom des levens aan geestelijk leven dachten, en nu uiteraard niet konden toegeven, dat de gevallen mensch geestelijk leven door het eten van dien boom kon hebben verworven. Dit sprak dan ook vanzelf, en zoolang men bij dien Boom des levens aan geestelijk leven blijft denken, is Genesis 3 : 22 dan ook eenvoudig onverstaanbaar en ongerijmd. Ziet ge daarentegen van deze onbewezen stelling af, hecht ge de geestelijke beteekenis alleen aan den Boom der kennisse, maar aan den Boom des levens een lichamelijke beteekenis, als doelende alleen op het natuurlijk leven, dan komt de zaak u uiteraard geheel anders voor. Dan toch liet het zich zeer wel denken, dat de gevallen mensch, die tot het grijpen van het geestelijk leven gansch machteloos was, desniettemin greep naar wat zijn natuurlijk leven sterken kon. Nu nog grijpt de weelderige zondaar naar al wat de natuur hem aanbiedt, om zijn door zonden verzwakt lichaam te sterken, opdat hij te vrijer aan dien zondenlust kunne botvieren. De drang hiertoe komt vanzelf op. De zonde geeft een gevoel van zwakheid ook naar het lichaam. En het eerste wat nu de zondaar doet, is niet, heul voor zijn gebroken ziel, maar krachtsvernieuwing voor zijn verzwakt lichaam zoeken. En wat was dan natuurlijker, dan dat de gevallen mensch den toorn Gods in zich gevoelende, en |124| bedreigd in zijn existentie, in de eerste plaats er op bedacht was, om te nemen van den Boom des levens, en in zijn vrucht zich levenssterking te zoeken.


*

Om de beteekenis hiervan in te zien behoeft men zich slechts de onloochenbare waarheid te herinneren, dat ons lichamelijk leven niet uit zich zelf in stand blijft, maar alleen in stand blijft door het gestadig in ons opnemen van spijze. Ons lichaam verteert aldoor, en dat verlies moet door gestadige opneming van nieuwe spijs hersteld worden. Zoo is het niet nu pas ter oorzake van de zonde; maar zoo is het eveneens in het Paradijs geweest. „Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten.” En zoo zal het ook eens zijn op de nieuwe aarde onder den nieuwen hemel. De hemelsche Bruidegom wacht ons op aan een bruiloftsmaal vol vet en mergs, en langs de rivier des levens staan als heerlijke vruchtboomen diezelfde Boomen des levens, waarvan macht krijgt te eten, al wie in Christus ontslapen is.

Men vergist zich dus, indien men waant, dat in het Paradijs de instandhouding van het lichaam bijzaak was. Integendeel, dat lichaam moest ook in het Paradijs gevoed. Voeg hierbij nu in de tweede plaats, dat dit lichaam in het Paradijs nog slechts in een voorloopigen toestand verkeerde. Had Adam Gods wet volbracht, dan zou hij ook lichamelijk uit den toestand der sterfelijkheid in een toestand van onsterfelijkheid zonder sterven zijn overgegaan, gelijk hij van het kunnen vallen tot het niet meer kunnen vallen, zou zijn voortgeschreden. Dit nu stelt èn geestelijk èn lichamelijk een overgang. De ziel, die niet meer vallen kan, is anders gesteld dan de ziel die nog kan vallen. En zoo ook, het lichaam, dat nog sterven kan, is anders gesteld dan het lichaam, dat niet meer kan sterven. En nu wagen we de vraag te doen, of het zoo onwaarschijnlijk is, dat de Boom des levens juist die vrucht droeg, die de mensch eten moest, om deze gewichtige verandering in zijn lichamelijke gesteldheid tot stand te brengen. Al het overige geboomte in den hof had de strekking, om zijn lichamelijk leven te onderhouden in den staat waarin het geschapen was, maar deze ééne Boom strekte, om zijn lichamelijk aanzijn in den staat van heerlijkheid over te leiden. Immers de Boom des levens is in het Paradijs eene uitzondering, maar is op de nieuwe aarde de gewone vruchtboom.


*

Men herinnere zich hierbij wel, dat ook de gevloekte aarde nog wel den Boom des levens draagt, maar in zijn tegendeel verkeerd, of gewijzigd in zijn bestemming. Het tegendeel van den Boom des levens is natuurlijk de Boom des doods, en wat is dat anders dan de Giftboom, wiens vrucht den mensch den dood aanbrengt, hetzij langzaam, hetzij plotseling. De |125| Belladonna, de Upasboom op Java, de Strychnine, en zooveel meer zijn altegader planten, die in het Paradijs ondenkbaar waren, maar uit de gevloekte aarde opschoten. En daarentegen verwant aan den Boom des levens zijn de Kinaboom en zoovele andere, die heulsappen of geneeskundige vruchten aanbieden, die het leven niet dooden, maar redden als het krank is. Uit deze feiten blijkt derhalve, dat God de Heere in zijn plantenrijk thans stoffen heeft, die het natuurlijke leven van den mensch bedreigen of redden, en die dit met zulk een intensiteit doen kunnen, dat een enkele druppel van eenig gif genoeg is, om het leven te vernietigen, en dat een duizendste en tienduizendste deel van Belladonna of andere plant, het leven van een wissen dood kunnen redden. Gif en leven hangen hier dus op het nauwst saam. Of heeft niet de Homoeopathie deze onbetwistbare verdienste, dat ze ontdekt heeft, hoe dezelfde plantaardige stoffen, die gewoonlijk den dood aanbrengen, bij zeer kleine dosis genomen juist het leven behouden? Aan den giftboom en den levensboom ligt derhalve één beginsel ten grondslag, en uit dien hoofde hebben we alle recht om te beweren, dat de giftboomen en medicinale boomen, die wij thans op de gevloekte aarde vinden, ons rechtstreeks terugbrengen op den Boom des levens die in het Paradijs stond, en die eens bloeien zal met zelfs in het Paradijs ongekenden luister op de nieuwe aarde die in het rijk der heerlijkheid komt. Al deze boomen nu dragen een geheel ander karakter dan de gewone voedingsboomen. Hun aard en karakter-toch is, dat ze niet het leven voeden, maar rechtstreeks den wortel in ons leven aantasten, hetzij om dien wortel te vernietigen, hetzij om dien wortel des levens in ons te verhoogen in kracht. tn dit nu stemt geheel overeen met deze instelling, dat de Boom des levens in het Paradijs de bestemmin had, niet om, gelijk de gewone vruchtboom, het menschelijk leven te voeden en te onderhouden, maar om het over te leiden tot een staat van hoogere kracht.


*

Denk u nu dat Adam, na zijn val, dit „levenselixer”, gelijk de Theosophie het wil genoemd hebben, tot zich had genomen, wat zou dan het gevolg zijn geweest? Dit immers, dat zijn natuurlijk leven, dat thans de zonde diende, zich tot hooger kracht ontwikkeld had, en dat hij lichamelijk zich gesterkt had tegen den lichamelijken dood; hetgeen dan in Genesis 3 : 22 genoemd wordt, „opdat hij niet ete en leve in eeuwigheid”. Dan zou men dus hetzelfde effect gekregen hebben, als wat men op kleine schaal bij den booswicht ziet, die om te genieten en te machtiger bij zijn misdaad te verkeeren, eerst door drank zijn levensgeest verhoogt, of gelijk men bij oproer zoo dikwijls der lage volksklasse sterken drank schenkt, om het volk te verhitten en roekeloozer te maken. En zoo loopt dan alles geleidelijk, en vervalt alle moeilijkheid. Men verstaat dan, waarom er naast den Boom |126| der kennisse, die op het zieleleven doelde, nog een andere Boom des levens stond, die doelde op het lichamelijk of natuurlijk leven. Men verstaat waarom die Boom des levens op de nieuwe aarde regel zal zijn, als het geestelijk heil eens voleind zal wezen. Men verstaat waarom Adam er na zijn val op bedacht moest zijn, om juist van dien Boom des levens te eten, en zich alzoo tegen den dood te sterken. Men begrijpt den samenhang tusschen den Boom des levens en den giftboom op de gevloekte aarde. Men vat den diepzinnigen samenhang, dien ons de Homoeopathie ontdekte tusschen de dooddreigende en de levenreddende macht van giftplanten als de Belladonna. En eindelijk men verstaat het waarom Adams toeleg moest worden afgesneden, en de Cherub moest nederdalen, om zulk Godonteerend misbruik van den Boom des levens af te weren.

Hoofdzaak is ons derhalve het feit, dat de Boom des levens op de nieuwe aarde de regel zal zijn, en alzoo in het Paradijs eene exceptie vormde, strekkende om lichamelijk den overgang in den staat van volkomen heerlijkheid voor te bereiden. Eene uitlegging, die we hiermede aan onze mede-theologen ter indenking en ter beoordeeling aanbieden, niet zonder de stille hoop, dat het recht verstand van dezen mysterieusen boom door onze opmerking althans iets zal mogen gewonnen hebben. Slechts tweeërlei voegen we er nog aan toe. Het eerste is, dat het eten van den Boom des levens desniettemin in het Paradijs welterdege sacramenteel was, mits men sacramenteel nu maar niet beperkte tot de geheel eenige beteekenis van Doop en Avondmaal, maar versta in den zin, waarin ook de regenboog in het Noachietisch Verbond een sacramenteel karakter draagt. Bij ons zijn voeding van het lichaam en voeding van den geest twee daden die voor ons besef niets met elkander gemeen hebben. Dat we ons hierin vergissen blijkt genoegzaam uit het feit, hoe dikwijls te weelderige spijs en drank oorzaak is van allerlei zondige en overdadige gevolgen. Maar dit staat in elk geval vast, dat het eten van den Boom des levens samenhing met Adams geloof aan de hem toegezegde zaligheid, juist zooals het nu in het Sacrament des Avondmaals bij ons samenhangt met onze hope des eeuwigen levens. En in zooverre was deze Boom des levens, gelijk onze Kantteekenaren zeggen, dus welterdege een Teeken. Hij stond daar in het midden van het Paradijs ten teeken, dat het Paradijsleven niet het hoogste was, maar dat Adams streven en begeerte moest zijn, om uit den voorloopigen Paradijstoestand uit te willen gaan, en te grijpen naar het eeuwige leven en naar de volkomen gelukzaligheid, in de heerlijkheid Gods.

Onze tweede opmerking betreft den anderen boom, den Boom der kennisse. Van den Boom des levens mocht gegeten worden, van den Boom der kennisse mocht de mensch niet eten. Een vlak tegenovergestelde ordinantie alzoo, doch in dit verband juist volkomen natuurlijk. Immers |127| lichaam en geest zijn in ons juist zóó onderscheiden, dat men voor ons lichamelijk leven van de natuur en haar spijze afhankelijk moet willen zijn. Dat niet te willen, is Gods ordinantie weerstaan. Maar omgekeerd geldt voor het leven des geestes juist die andere wet, dat dit hoogere leven in ons boven de natuur verheven moet zijn, en zijn sterking niet van de natuur mag, maar van God moet verwachten. Zedelijke kennisse en rijping van ons geestelijk leven te willen verwachten van het eten van een boomvrucht, ware de algeheele ommekeering van de van God gestelde orde. In die van God gestelde orde gold bij den Boom des levens voor het lichaamlijk leven het gebod: Eet; maar bij den Boom der kennisse voor het geestelijk leven: Eet niet. Bij den Boom des levens: Gij moet eten; maar bij den Boom der kennisse: Gij moogt niet eten. En dat hij dat laatste toch deed, dát was Adams val.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie’ XVII.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004