XVI. De oorspronkelijke levensduur.

Zalig zijn zij, die zijne geboden doen, opdat hunne macht zij aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.

Openb. 22 : 14. a


Wij, ingezonken zondaren, kunnen Adam in zijn oorspronkelijke gaafheid en volheid van kracht, eenvoudig niet met onszelven vergelijken. Wij dragen het herfstgewaad der vaalheid en vervallenheid, terwijl Adam bloeide in den lenteglans eener nog door niets gedeerde kracht. Dit weten we uit wat ons omtrent den leeftijd der oud-patriarchen wordt medegedeeld. Het bericht toch, dat de oudste patriarchen tot bijna duizend jaren oud werden, moet op geenerlei wijze worden verzwakt. Over den omvang en den duur van een jaar kan zeer zeker verschil van zienswijze ontstaan, en dat zulk verschil langen tijd metterdaad bestaan heeft, leert ons de historie. De wijze van den tijd te berekenen kon zich eerst van |112| lieverlede tot die juistheid en nauwkeurigheid ontwikkelen, waarmeê dit thans geschiedt. Oudtijds moest men zich veelszins met gebrekkige gegevens behelpen. Daardoor ontstond dan zeker verschil tusschen de uitkomsten van zijn tijdrekening en de wisseling van tijden in den loop der natuur. Die verschillen poogde men toen te vereffenen. Dit deed het eene volk grover, het andere met meer tact. En hierdoor zijn metterdaad afwijkende tijdrekeningen ontstaan, vooral naar het onderscheid tusschen het dusgenaamde Zonnejaar, dat naar den loop der zon genomen werd en het Maandjaar, dat met twaalf maanden, elk van vier weken rekende, en dus slechts 336 dagen had. Toch is het ongerijmd om zich op dit verschil van tijdrekening ter verklaring van den hoogen leeftijd der oud-patriarchen te beroepen. Immers de natuur zelve duidt door het verloop der jaargetijden, zonder feil, den omloop van een jaar aan. Het leven in de natuur, op den akker en in den boomgaard kent een begin van weeropleven, een voortgaan tot bloei en een rijpen tot vollen oogst, daarna een afnemen, en eindelijk een winterslaap, en eerst na dien winterslaap ontwaakt het weder. Die omloop nu vormt het jaar, en in het afpalen van het perk van dien omloop beeft geen volk zich op eenigszins beduidende wijze kunnen vergissen. Dat mag het ééne jaar eens een weinig afwijken van het andere. Maar, hoe ver die afwijking ook ga, er komt geen jaar tusschen in, en er kan geen jaar uitvallen. Zelfs in landen waar twee oogsten geoogst worden, weet de landbouwer zeer wel tusschen den naoogst van het vorige en den vooroogst van het nieuwe jaar te onderscheiden. Waar in de eerste hoofdstukken van Genesis van jaren gesproken wordt, moet dus aan natuurlijke jaren gedacht worden, waarin de natuur den omloop van haar leven volbrengt, en wat men wel gezegd heeft, dat die jaren als maanden konden genomen worden, is ongerijmd. Mahalalel gewon Jered toen hij vijf en zestig jaren was. Neemt ge dit nu voor maanden, dan zou hij dezen zoon gewonnen hebben op vijfjarigen leeftijd. En bovendien, indien dit zoo ware, zou de overgang van het gebruik van dit woord moeten zijn aangewezen. Hiervan vinden we echter niets. Geleidelijk daalt de levensduur, en reeds bij Abraham vinden we een levensduur, die met den levensduur die nu nog in Rusland en andere landen bereikt wordt, tamelijk wel overeenkomt 1). Alle poging om de oud-patriarchen in levensduur aan ons gelijk te maken, moet deswege worden opgegeven. Ons wordt bericht dat ze tienmaal zoo lang leefden als wij, en dit bericht hebben wij te aanvaarden. Tienmaal zoo lang als wij, is de duidelijke aanwijzing die ons in deze jaargetijden gegeven is. Adam 930, Seth 912, Enos 905 enz., cijfers die door |113| tien gedeeld den nog altoos zeer respectabelen leeftijd van 93, 91 en 90 jaren zouden geven. Lijdt het nu geen tegenspraak, dat iemands levenskracht met zijn levensduur, en omgekeerd, in verband staat, dan ligt voor ons in die jaarcijfers de maatstaf aangegeven, dat de oud-patriarchen ons in natuurlijke levenskracht negenmaal overtroffen. En dit geldt ook van de oud-patriarchen na den val, toen hun kracht reeds ten deele gebroken was, en alleen door genade opgehouden bleef. De toen in hen levende kracht was dus reeds niet meer wat die kracht onmiddellijk na de Schepping moet geweest zijn. En al ontbreekt ons elke maatstaf, en elk gegeven, om het verschil in lichaamskracht en levensduur onmiddellijk vóór en na den val te berekenen, toch ligt het in den aard der zaak, dat die levenskracht vóór den val nòg grooter moet geweest zijn. Ook bij de Vleesch. wording des Woords komt dit in aanmerking. Als we hooren, dat de Zone Gods niet de menschelijke natuur in haar oorspronkelijkheid, maar in haar verzwakking heeft aangenomen, verstaan we dit veelal niet te best, omdat Jezus toch noch mismaakt noch krank was, en ongetwijfeld een verblindend edelen indruk heeft gemaakt door heel zijn verschijning. Dit nu wekt dan zoo licht de gedachte: Wat ontbrak er dan aan Jezus nog? Houdt men daarentegen rekening met het verschil tusschen ons en de oud-patriarchen, weet men dat deze een tienmaal sterkere levenskracht bezaten dan wij, en houdt men in het oog, dat Adam vóór zijn val in nog edeler licht moet geblonken hebben, dan wordt „de aanneming onzer vernederde natuur” door den Zone Gods ons duidelijk. Als hij niet onze „vernederde” natuur had aangenomen, maar de oorspronkelijke, dan had hij, wat het lichaam aangaat, als Adam moeten zijn.


*

Reeds dit verschil in levensduur nu is voor geheel de positie van den oorspronkelijken mensch van beteekenis. Ge moogt toch niet zeggen: „Na den val bereikte Adam den leeftijd van 930 jaren, zonder val ware hij allicht duizend jaren geworden”, want hoeveel waars hierin moge liggen, geheel de voorstelling deugt niet. Ze onderstelt toch, dat dan zonder zonde Adams levenskracht toch uitgeput zou zijn geraakt, en dat hij eindelijk tóch zou zijn gestorven. En dit nu juist is geheel verkeerd gedacht. Buiten zonde neemt de levenskracht ganschelijk niet af. Alle vermindering van levenskracht is een gevolg van den val. Het menschelijk leven was er niet op aangelegd, om af te nemen, te slinken, en eindelijk in den dood te versmelten. Het leven dat God aan eenen mensch inschiep was er op ingericht om te leven, te leven eeuwiglijk. De dood behoort niet tot de schepping Gods. De dood is in de schepping Gods ingekomen', door en tengevolge van de zonde. En als de zonde niet in den mensch gekomen ware, zou ook de dood hem nimmer overkomen zijn. Het langzame |114| afloopen en opraken van den levensduur verschijnt daarom in het licht van een langzaam vemietigingswerk. De overmacht van het leven over den dood was in den aanvang nog zoo groot. Nu werd dit leven des menschen, toen gelijk nu, gedragen door twee factoren, ten eerste door de kracht die in het geslacht school, en ten tweede door de kracht die meer bijzonderlijk school in den persoon. Zoo is het nu nog. In de eene familie ziet ge de lieden veelal 80, 90 -jaar worden, in de andere familie sterven ze gewoonlijk tusschen de 60 en 70 weg. Dat hangt dan af van de kracht die in het geslacht zit. Maar in die familiën zelve is toch weer onderscheid. In een familie die gemeenlijk oud wordt, zal de een 95, 96 worden, en de ander reeds op 86-, 87-jarigen leeftijd sterven. Dat hangt dan af van de kracht van den persoon. En zoo nu ook was het in den eersten tijd, toen de dood pas begon met het breken van onze levenskracht. Ook toen moest die vernielende invloed op beide factoren werken. Eerst moest de kracht van het geslacht gebroken worden en daarna de persoonlijke kracht van den enkele. Dat breken nu van de kracht van het geslacht, ziet ge plaats grijpen in het dalen van den levensduur, van over de 900 tot op onder de 100, en dat breken van de persoonlijke kracht, ziet ge terstond intreden, waar het van 930 bij Adam reeds bij Seth op 912 daalt.


*

In Adam en Eva vóór den val daarentegen, was én de kracht van het geslacht én de kracht van het persoonlijk leven, volkomen gaaf en ongedeerd, en van een vermindering of een afneming van die levenskracht was geen sprake. Zonder zonde zouden ze niet hebben kunnen sterven. Duidelijk onderwijst de Schrift ons, dat door de zonde de dood in de wereld gekomen is (Rom. 5 : 12). Daarover kan onder Christenen dan ook geen twijfel bestaan. Dat is voor ons zoo, en daar mag voor ons besef niet aan getornd worden. Het leven in het Paradijs was een leven zonder de schaduw zelfs des doods. Verstaat men dit nu in iets meer dan oppervlakkigen zin, dan ligt hierin nog heel iets anders uitgesproken, dan dat Adam zonder zonde niet zou gestorven zijn. Dat ook wel, maar veel meer. Het sterven toch is volstrekt niet enkel een afbreken van onzen levensdraad, maar ook de uitkomst van een langdurig proces, dat in ons plaats grijpt. Men zegt wel eens, dat een kindeke reeds bij de geboorte de kiem van zijn dood met zich ter wereld brengt. En al komt dit voor ons alleen uit bij erfelijke ziekten van kanker als anderszins, toch is het voor elk kind in beginsel waar. Niet eerst later worden we sterfelijk, maar we worden sterfelijk geboren. De dood komt dus niet eerst in het oogenblik dat we den laatsten snik geven, maar werkt in ons heel ons leven. De weeën van den dood gaan aan den dood vooraf. Deels in ziekte en krankheid, maar ook reeds zonder krankheid in de afneming van onze kracht, in het |115| verdorren van ons gelaat, in het dof worden van ons oog, in het vergrijzen van ons haar. Ja zelfs zien we deze teekenen van verval zichtbaar worden in allerlei pijn en ongemak, in allerlei vatbaarheid en aandoening, in overspanning en moeheid. Als ge u dus een mensch in de schepping wilt voorstellen, moet ge u uit dien hoofde niet alleen den dood, maar ook alle krankheid, alle verouding, alle pijn, alle inzinking, alle matheid en overspanning geheel wegdenken. Het moet nu een leven geweest zijn in volmaakt ongebroken kracht, in innige harmonie, en in bestendig evenwicht zich voortbewegende. Zelfs de angst of de bangheid van iets te kunnen deren was aan hun gelukstaat geheel vreemd.


*

Op de vraag, wat, zoo geen zonde ware ingetreden, de uitkomst, het verloop, het einde van ’s menschen aanzijn op aarde zou geweest zijn, geeft de Heilige Schrift ons geen rechtstreeksch antwoord. Wel wordt ons ontkennenderwijs (negatief) geleerd, dat de mensch dan niet gestorven zou zijn, maar er wordt niet stellenderwijs (positief) bijgevoegd, wat dan wel met den mensch zou geschied zijn. Toch laat deze vraag zich niet onderdrukken, en alle eeuwen door heeft men van geloovige zijde zich gerechtigd geacht tot de voorstelling, dat de eerste mensch, buiten zonde, na Gods raad op aarde voleind te hebben, zonder sterven, in heerlijkheid zou zijn opgenomen. Die voorstelling steunde men dan vooral door wat de apostel ons leert dat plaats zal grijpen met die belijders des Heeren, die op aarde zullen leven als hij wederkomt op de wolken. Van dezulken toch betuigt bij, dat ze, zonder te sterven, „veranderd” zullen worden, d.w.z. in een heerlijker gestalte en gedaante zullen overgaan, om alzoo eeuwig met den Heiland te wezen.

Tot die verwijzing heeft men dan ook recht, in zooverre er uit blijkt, dat er ook zonder sterven een overgang uit toestand in toestand, uit gestalte in gestalte, en uit vorm in vorm mogelijk is. Ook de verheerlijking op Thabor kan uit dien hoofde hierbij in aanmerking komen, overmits ook het gebeurde op Thabor ons van zulk een overgang spreekt, nog eer dat de dood tusschen beide kwam. Aan deze mogelijkheid valt uit dien hoofde niet te twijfelen, en in zooverre is er niets tegen, om ook bij Adam in het Paradijs aan zulk een overgang uit lageren in hoogeren toestand, vorm en gestalte, te denken, zonder dat er van sterven bij hem sprake kon zijn.


*

Hierbij dient intusschen opgemerkt, dat noch hetgeen Paulus ons profeteert noch hetgeen ons omtrent Thabor bericht wordt, hier van rechtstreeksche toepassing is. De kinderen Gods, die op den dag van Jezus’ wederkomst, niet zullen sterven, maar „veranderd” worden, zullen in zonde |116| ontvangen en geboren zijn, en daarom allerhande ellende, en dus ook aan de vernedering van hun natuur onderworpen. Zij zullen als Jezus wederkomt, hier op aarde in het verzwakte en ingezonken lichaam staan, en hetgeen Jezus aan hen doen zal, is, dat hij hun vernederd lichaam alsdan gelijkvormig zal maken aan zijn verheerlijkt lichaam, door de inwerking waarmede hij ook alle dingen aan zichzelven kan onderwerpen. En ook op Thabor droeg Jezus nog diezelfde „vernederde natuur”, die hij uit Maria om onzentwil had aangenomen. In die beide gevallen is er alzoo sprake van een menschelijke natuur die vernederd was, en nu overgaat in een staat van heerlijkheid. Maar juist dit zou, gelijk van zelf spreekt, op Adam niet van toepassing zijn geweest. In Adam was de menschelijke natuur niet vernederd, en zonder zonde zou ze in hem niet vernederd zijn geworden. Bij zondelooze ontwikkeling zou zijn uitgang uit dit aanzijn diensvolgens noch op één lijn gestaan hebben met de „verandering”, waarvan de heilige apostel Paulus spreekt, noch ook met de verheerlijking op Thabor, ja zelfs niet met de verheerlijking van den Christus in zijn opstanding en hemelvaart.

Ja, zelfs hiermede is het onderscheid nog niet volledig aangegeven. Voor ons, die leven op een aarde die onder den vloek kwam, is geen eindelijke ontkoming denkbaar, zonder dat die aarde in haar tegenwoordige gedaante verga, en de nieuwe aarde onder den nieuwen hemel uit de hand van Gods almacht verschijne. De gezaligden gaan dan eerst van de aarde weg naar den hemel, en eerst als door de wederkomst des Heeren, door den ondergang dezer aarde, en door de verschijning der nieuwe aarde, de tegenstelling tusschen „hemel en aarde” zal zijn weggegaan, zullen de kihderen des Koninkrijks het aardrijk beërven, en leven in glorie met hunnen Heere. Maar, zoo ge u een zondelooze ontwikkeling van den mensch denkt, zou dit niet aldus geweest zijn. Zonder zonde in den mensch zou er geen vloek over de aarde gekomen zijn, en bij een aarde zonder vloek is geen ondergang denkbaar. Tot op zekere hoogte zou men zelfs kunnen zeggen: de heerlijkheid zou niet hebben behoeven te komen, want de heerlijkheid was er. Heel het Paradijs was met de heerlijkheid des Heeren als overdropen.


*

Hieruit zou echter ten onrechte worden afgeleid, dat, ware alle zonde uitgebleven, en had Satan geen inbreuk in ons menschelijk leven gemaakt, de Paradijstoestand eenvoudig zou gebleven zijn, wat hij oorspronkelijk was. Onze vaderen drukten dit zóó uit, dat als loon in het werkverbond het eeuwige leven was toegezegd, en onze Catechismus geeft evenzoo als einddoel van den dienst van God „het met Hem leven in de eeuwige zaligheid” aan. Het duldt dan ook geen tegenspraak, dat er metterdaad tusschen den Paradijstoestand en het rijk der heerlijkheid dat komt, een |117| zeer scherp geteekend onderscheid bestaat. Leerstellig wordt dit uitgedrukt door te zeggen, dat Adam nog vallen kon, terwijl in het rijk der heerlijkheid alle zonde volstrekt ondenkbaar zou wezen. In het Paradijs was geen zonde, maar er kon zonde inkomen. In het rijk der heerlijkheid daarentegen is niet alleen geen zonde, maar elk inkomen van zonde is in het rijk der heerlijkheid volstrekt, ondenkbaar. Dit geestelijk verschil nu hangt natuurlijk ook saam met een verschil in het uitwendige. Het Paradijs kon vergaan gelijk het vergaan is, en voor het Paradijs kon de vloek in de plaats komen; terwijl omgekeerd in het rijk der heerlijkheid elke gedachte van vergankelijkheid ongerijmd is. En ditzelfde nu geldt evenzoo van ’s menschen uitwendig bestaan. In het Paradijs bestond Adam zóó, dat hij in levenskracht onverzwakt bleef, maar hij kon ze verliezen, hij kon in zijn natuur vernederd worden, hij was nog geen sterveling, maar hij kon aan den dood onderworpen worden. En juist dit nu zal in het rijk der heerlijk heid niet meer zoo zijn. Op de nieuwe aarde onder den nieuwen hemel, zal de dood niet meer over hem heerschen. De dood zal teniet zijn gedaan. De verheerlijkte natuur zal niet meer vernederd kunnen worden. De levenskracht zal er zijn een onverliesbaar goed.


*

Hierin en hierin alleen ligt dus de overgang, dien Adam, ook buiten zonde, toch zou hebben moeten maken, zou hij geraken tot zijn blijvenden, duurzamen toestand. Over zijn geestelijken staat en stand spreken we eerst later. We volstaan daarom thans met te zeggen, dat hij ten eerste verwerven moest geestelijke onbesmetbaarheid; ten tweede dat de wereld vloekvast moest worden, als we ons zoo mogen uitdrukken; en ten derde dat zijn menschelijke natuur onvatbaar moest worden voor vernedering. Wat door het vuur niet kan worden aangetast, noemen we in onze taal vuurvast. Vuurvast is al datgene waar het vuur geen vat op heeft. En zoo zou men het dus kortweg alzoo kunnen uitdrukken, dat Adam krachtens zijn schepping, vatbaar was voor zonde, dood en vloek, en dat hij moest overgaan in een toestand die zondevast, doodvast en vloekvast was. Volharding der heiligen was niet genoeg. De volharding der heiligen sluit de zonde en zelfs den tijdelijken afval niet uit. Wat hier bedoeld wordt, is dat noch zonde noch dood noch vloek meer in zijn wezen en zijn wereld kunnen indringen. Dien toestand nu noemt de Schrift: het eeuwige leven, en onze Catechismus: de eeuwige zaligheid. In dien toestand verkeerde Adam krachtens zijn schepping nog volstrekt niet. In dien toestand moest hij overgaan. En het is die overgang uit den éénen in den anderen toestand, die aan zijn eerste bestaan een einde zou gemaakt hebben. |118|


*

Die overgang nu was in het Paradijs zelf op Sacramenteele wijze aangeduid door den Boom des levens. Deze Boom des levens, zoo lezen we in Gen. 2 : 9, stond in het midden van het Paradijs. Hij vormde er het middenpunt van. Deze uitdrukking van Boom des levens keert terug in Spreuken 3 : 18, waar staat, „dat de Wijsheid een boom des levens is dengenen die haar aangrijpen”, wat dan nader aldus wordt verklaard: „Allen die ze vasthouden, worden welgelukzalig.” Ook hier dus is deze „boom des levens” iets waardoor men in de zaligheid overgaat. In Spreuken 11 : 30 wordt hetzelfde gezegd van de „rechtvaardigheid”, in Spreuken 13 : 12 van „de begeerte die komt”, d.i. van het bereiken van ons ideaal; en in Spreuken 15 : 4 van de woorden van liefde, deernis en vertroosting, die ons als het „medicijn der tong” toekomen. En nadat dan in de overige boeken der Heilige Schrift over dezen Boom des levens gezwegen is, keert hij nogmaals terug in het Boek der Openbaringen, waar Christus tot de kerk van Epheze zegt: „Wie overwint, ik zal hem geven te eten van den Boom des levens, die in het midden van het Paradijs Gods is”, terwijl in de teekening van het rijk der heerlijkheid in Openb. 22, die „Boom des levens” ons getoond wordt, nu niet als één boom, maar als een rij van boomen, die aan beide zijden van de kristallen rivier bloeien, twaalf vruchten in één jaar voortbrengen, door hun blad de genezing der heidenen teweegbrengen, en van wier vrucht eten mogen, zij die „macht aan den Boom des levens hebben”. Dat zijn diegenen die zalig zijn, omdat ze de geboden doen van Hem die de Alpha en Omega is (vs. 14). In al deze uitspraken is dus de „Boom des levens” een plante Gods, welker vrucht het leven schenkt of in stand houdt, en welker blad zelfs genezing teweegbrengt. Hetzelfde wordt ons bevestigd door wat we lezen in Gen. 3 : 22, waar God de vreeze uitspreekt, dat de gevallen mensch in zijn vermetelheid zou kunnen „eten van den Boom des levens, en leven in eeuwigheid,” en deswege besluit den mensch uit het Paradijs te verdrijven. Toen zeide de Heere God: „Zie, de mensch is geworden als onzer één, kennende het goed en het kwaad. Nu dan, dat hij zijne hand niet uitsteke, en neme ook van den Boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid”.

Tweeërlei uitlegging is hier van oudsher gangbaar geweest. De ééne hield staande, dat er in dezen Boom des levens een Goddelijke kracht school, zoodat wie at van dezen boom, door dat eten, als zoodanig, aan zijn leven Goddelijke, eeuwige kracht toebracht. De andere daarentegen, zulk een voorstelling verwerpende, zag in den Boom des levens niets dan een teeken. Het eten van dien boom was naar die opvatting niets dan een daad van gehoorzaamheid, van gehoorzaamheid des geloofs, en hij die deze geloofsgehoorzaamheid betoonde, ontving van God een hemelsche kracht. Liefst vergeleek men dit dan met het Sacrament. Bij het heilig Avondmaal gebruiken wij brood en wijn. Dit brood en wijn bezitten op zich zelf |119| geen genadekracht, maar wie in geloofsgehoorzaamheid deze Sacramenteele teekenen neemt, eet en drinkt, die ontvangt van Christus uit den hemel door den Heiligen Geest de beloofde en door het Sacrament bezegelde genade. Zoo nu ook, zegt men dan, zou deze Boom des levens daar geplaatst zijn geweest, als een Sacramenteel teeken, waarvan de meusch de vrucht, die een eenvoudige boomvrucht was, eten moest, en aan dit eten was de belofte van hooger genade verbonden. Niet alsof de genade uit de vrucht van dien boom kwam, maar zoo dat de geloofsgehoorzaamheid ook hier door het schenken van hooger genade achtervolgd werd. Anderen eindelijk willen zelfs zoo ver niet gaan, en oordeelen, dat de eerste mensch de vrucht van dezen Boom ganschelijk niet eten mocht maar ze eenvoudig moest aanzien, evenals de Joden in de woestijn de koperen slang moesten aanzien, en dat deze Sacramenteele daad van het aanzien van dit teeken de belofte had van hoogere genade. De Sacramentsstrijd van onze vaderen tegen de Roomschen en Lutherschen gevoerd is ongetwijfeld niet zonder invloed op hun keuze bij de uitlegging van dit mysterie gebleven. Evenals ze nog tegenover Rome en Luther de waarheid poogden te handhaven, dat het water in den Doop gewoon water was en bleef, en zoo ook het brood en de wijn bij het Avondmaal niet,dan gewoon brood en gewone wijn waren, hielden ze ook hier veelal staande, dat deze Boom des levens niets dan een gewone boom was, en dat alleen de belofte de bron der invloeiende genade was.




1. Nog niet lang geleden kwam het bericht van een grijsaard van 137 jaar, die den weg van Moskou naar Petersburg grootendeels te voet had afgelegd; en van een getrouwd paar dat zijn honderd-jarige bruiloft vierde.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie’ XVI.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004