XV. De staat der rechtheid.

Ook had de Heere God eenen hof geplant in Eden, tegen het oosten; en Hij stelde aldaar den mensch, dien Hij geformeerd had.

Gen. 2 : 8. a


Uitgangspunt voor het recht verstand van wat de zonde wrocht, ligt in de juiste kennisse van den staat der rechtheid. Dit is van oude tijden af door al wie over de heilige dingen nadacht ingezien. Er moest gelet op drieërlei staat: 1º. den staat der rechtheid; 2º. den staat der zonde; en 3º. den staat van genade; of, gelijk het ook wel werd uitgedrukt, op den mensch gelijk hij geschapen, gevallen en hersteld was. Slechts hierin ging men eenzijdig te werk, dat men te uitsluitend naar den geestelijken staat vroeg, en te weinig lette op den uitwendigen toestand, die met deze drie staten verband hield. De Heidelbergsche Catechismus meed deze eenzijdigheid, door niet enkel van kennisse der zonde, maar ook van kennisse van ellende te spreken; want is zonde het gif, ellende duidt op de gevolgen, die uit de verwoesting van dit gif voortkomen. In dien gedachtengang zullen we daarom ook te dezer plaatse staat en stand bij elkander nemen, en beide in onderling verband beschouwen. Bij elken staat hoort een stand of toestand. Bij den mensch in den staat der rechtheid hoort een paradijs als in den hof van Eden. Bij den gevallen mensch hoort een aarde waarop de vloek rust. Bij den voor eeuwig vervallen mensch hoort de hel. Bij den verloste die volmaakt rechtvaardig werd, hoort een heerlijkheid als van den hemel. — Iets wat evenzoo van het lichaam doorgaat. Bij den mensch in den staat zonder zonde hoort een lichaam zonder pijn of krankheid. Bij den mensch die viel hoort een lichaam dat aan pijn en smarte onderworpen is. Bij den mensch die verviel hoort een lichaam der rampzaligheid. En bij den mensch in den staat der voltooide heiligheid hoort een verheerlijkt lichaam. Deze lijst nu kan men aldus voortzetten in toepassing op onze zintuigen, op onze vermogens van kennis en van wil, en zooveel meer. Voorshands echter kan dit achterwege blijven, mits maar helder worde ingezien, dat er naar de ordinantie Gods volkomene overeenstemming en |105| zuivere harmonie moet bestaan in alle ding. Het een moet bij het ander passen. Wat niet bij elkaar past, vloekt, en is niet uit de ordinantie der schpping.


*

Vragen we nu op dit standpunt, hoe we ons den toestand des menschen vóór de zonde hebben voor te stellen, dan lette men er op, dat de naam van het „Paradijs,” niet in de oudste oorkonde van de Heilige Schrift voorkomt. Ge vindt het woord driemalen in het Nieuwe Testament. t.w. in Luk. 23 : 43: „Heden zult gij met mij in het paradijs zijn,” in 2 Cor. 12 : 4, waar Paulus verhaalt, hoe hij in een verrukking van zinnen, in het paradijs was opgetrokken, en in Openb. 2 : 7, waar Christus aan de kerk van Epheze schrijft, dat wie overwint bloeien zal in het midden van het paradijs Gods. Daarentegen gebruikt het Oude Testament dit woord alleen van Salomo’s lusthof in Hooglied 4 : 13. In zwang kwam dit woord in den thans gebruikelijken zin door de vertaling van het Oude Testament der Zeventigen. Deze schreven in Gen. 2 : 8: „God plantte een paradijs in Eden,” overmits paradijs toen gangbaar was voor: lusthof. Uit die vertaling der Zeventigen kwam dit woord tot de Grieksch sprekende Joden in Jezus’ dagen, en aldus sloop het in het Nieuwe Testament in. En daar nu de Roomsche Vulgata in Gen. 2 : 8 las: „Plantaverat Dominus Paradisum voluptatis,” d.i. „God had een paradijs of lusthof der weelde geplant,” is dat woord paradijs allengs bij de geheele Christelijke kerk als het vaste, staande woord in gebruik gekomen, zoodat thans de hof van Eden, dat precies hetzelfde is, een geheel anderen indruk maakt. Paradijs is nu eenmaal het schoonklinkende woord geworden voor de uitdrukking van den idealen gelukstand, die eens bestond, daarna wegging en eens, in nog rijker heerlijkheid, wordt teruggewacht.

Al aanstonds zij hier echter opgemerkt, dat niet heel de aarde het Paradijs was. Scherp en duidelijk wordt de „hof van Eden” onderscheiden van het overige der wereld. En zulks wel op tweeërlei manier. Vooreerst doordien er staat: „En God de Heere plantte (t.w. op de aarde) den hof Eden tegen het Oosten.” Die bijvoeging toch „tegen het Oosten” toont aan, dat die hof zich slechts naar één kant uitstrekte. Niet naar het Zuiden of Noorden of Westen, maar alleen naar het Oosten. En ten tweede volgt dit uit het feit, dat Adam en Eva na den val uit het Paxadijs, naar een ander deel der aarde konden verdreven worden. We hebben het ons dus niet voor te stellen, alsof na de schepping heel het aardrijk één paradijs was. Wel was heel de aarde goed, zoodat ze in bloei en heerlijkheid verre te boven ging, wat thans nog aan natuurschoon te aanschouwen valt, maar toch het Paradijs was nog iets anders. Het was een hof, een lustoord, een opzettelijk ingerichte plek. Niet een tuin of hof in den zin, waarin wij |106| hiervan spreken, en veel minder nog een soort boomgaard. Reeds de bijvoeging dat de bronnen van vier groote, machtige rivieren door dit Paradijs haar wateren deden ruischen, bewijst dat we met een lustoord of hof van onmetelijke uitgestrektheid te doen hebben. Maar toch, hoe uitgestrekt ook, het was een hof, d.w.z. een uitgestrektheid gronds, die ingericht was met een zeker doel, die op dit doel was aangelegd, en terstond den indruk maakte, dat men niet maar met een vallei of een onmetelijk woud, maar met een aangelegd oord te doen had. Zoo dikwijls nu nog een mensch doordringt in wilde streken, is het eerste wat hij doet, die streek aanleggen, zoodat ze voor hem geschikt wordt. Waar aanleg is, is een middenpunt, zijn wegen en paden, die de deelen met dat middenpunt vereenigen, en bestaat een toeleg om door schikking van heuvels en beemden en plantsoenen aan het geheel zekere eenheid te geven. Voor wilde dieren is geen aanleg noodig. Wel reeds voor runderen en paarden. Maar nog veel meer voor de plek, waar de mensch wonen zal. De mensch heeft eigenaardige behoeften, en ’s menschen leven stelt bepaalde eischen; en als we nu lezen, dat God een hof of paradijs in Eden plantte, kan dit derhalve niet anders beteekenen, dan dat God de Heere zekere plek op aarde zóó inrichtte, dat de mensch er wonen kon, er zich thuis kon gevoelen, en den indruk kreeg, dat die hof bij zijn toestand paste. Dit vermoeden wordt dan ook geheel bevestigd door de mededeeling, dat deze hof zeker middenpunt had, want er wordt gesproken van „het midden des hofs”. En voorts door het feit, dat er twee bijzondere boomen gesteld waren, de boom des levens en de boom der consciëntie, als we ons zoo kortweg mogen uitdrukken. Ook moet deze hof of dit paradijs zekere aanwijsbare grens bezeten hebben, want er staat, dat Adam de opdracht kreeg, om dien te bebouwen en te bewaren.


*

Geheel deze hof of dat Paradijs was alzoo een schepping van Gods alles voorzienende liefde voor den mensch. Niets wat op eenigerlei wijs den mensch kon hinderen of benauwen, is met de gedachte aan dat Paradijs vereenigbaar. Geen koude noch hitte was er. Het regende er niet, want er staat in Gen. 2: 5, 6 „dat God de Heere niet had doen regenen op aarde, maar dat er een damp opging die de aarde bevochtigde.” Schadelijke overgangen van dampkringstoestanden waren alzoo geheel uitgesloten. Van onweder of bliksem was geen sprake. Niets uit heel de buitenwereld, die Adam omringde, deed hem onaangenaam aan. Eer integendeel onderging hij van heel zijn omgeving een weelderige, verkwikkende, sterkende gewaarwording. Heel de plantenwereld lachte hem tegen en bood hem overrijk en edel voedsel. Er schrijnde geen doorn en geen distel. Er wies geen onkruid. Er was geen vreeze voor giftige vrucht. Geen worm kon de edele |107| vrucht die zuiverlijk was uitgewassen, steken. En zooals wij nu nog soms op een vruchtententoonstelling enkele wonderschoone exemplaren van fijner ooft onderscheiden, zóó en nog veel schooner en rijker was de weelde van het plantenrijk, waarmede God zijn menschenkind omringd had. Bloemen zoo verrukkelijk schoon als wij ze niet meer kennen. Loof dat door vorm en tintschakeering het oog bekoorde. Boomgewas, den ceder en palmboom nog zeer verre in pracht te bovengaande. Één onuitsprekelijke heerlijkheid. En bij dat alles kwam dan nog de dierenwereld. Het Paradijs was niet doodsch en stil, maar heel die hof van Eden tintelde van leven, niet alleen door den wind des daags die de takken bewoog, en door het water dat van alle zijden klaterde, maar ook door de zangvogels in de twijgen en de edele rasdieren, die als pas door God geschapen, in ongeschonden volkomenheid het paradijs bevolkten. En ook in die dierenwereld heerschte vrede. Geen plagend insect, en geen tijger die loerend den klauw ophief. Natuurlijk was het alles nog veel schooner en heerlijker dan deze onze woorden het schetsen kunnen. Het Paradijs is weg, en alleen de verbeelding kan het nog eenigermate voor ons terugtooveren. Maar een vollen diepen indruk ontvangen van wat dat hemelsch Paradijs voor Adam moet geweest zijn, kan geen onzer die in zonde ontvangen en geboren is. Eerst als we zullen opstaan uit de dooden, zal voor zoo onuitsprekelijke schoonheid en heerlijkheid de ontvankelijke zin in ons zijn.

Genoeg, zoo maar het Paradijs ophoudt een holle klank voor ons te zijn, en zoo we er maar weer inleven, dat de heerlijkheid van het Paradijs een opzettelijke door Gods liefde aldus voor den mensch bestelde kostelijkheid was, die teweegbracht, dat de pas geschapen mensch in geen enkel opzicht, ook maar eenig leed ondervond of aan eenig leed bloot stond, maar daarentegen heel zijn wezen van volzalig geluk trillen voelde. Er was in het Paradijs niet maar absentie van alle leed en ellende, en vervulling van alle nooddruft, maar bovendien een overweldigende pracht van weelde en heerlijkheid, gelijk de naam zelf van „Eden”, d.i. alzijdige geneugte, dit klaarlijk uitdrukt. Het was voor onzen God niet genoeg dat den mensch niets deerde en niets ontbrak, uit den gouden hoorn zijner overvloedige mogendheid goot Hij over den mensch ook de weelde zijner Goddelijke liefde uit. De Fontein van alle goeden vloeide, door niets gestoord noch belemmerd.


*

Dit moet duidelijk op den voorgrond gesteld, zal de ware veerkracht des geloofs niet in ons gebroken worden. Wij in onzen huidigen staat zijn aan smart en leed gewend. Er is een kruis, dat elken dag moet getorst worden. Te leven in een toestand, dat het leed voor een tijd ons spaart, en geen ding ons ontbreekt, en zekere vreugde ons het hart verkwikt, is |108| dientengevolge al meê het hoogste dat we ons kunnen voorstellen. Wie het zóó mag genieten, dien zijn de snoeren in lieflijke plaatsen gevallen. Naar hooger ideaal gaat het hart schier nimmer uit. En toch dat moest het hart wel. We mogen den toestand onzer hoogste begeerte niet lager stellen, dan God dien voor ons verordend heeft. Wie dat doet, verlaagt zijn leven en geeft prijs wat God voor hem bestemd had, en door genade nogmaals besteld heeft. Zulk een genoegen nemen met het mindere stompt af. Ge mist dan veel minder omdat ge minder begeert. Ge maakt u zelven ongevoeliger, en hebt daardoor minder pijn. Maar die onaandoenlijkheid brengt u dan ook in een valschen toestand, vervalscht den maatstaf waarmeê ge de dingen meet, en maakt uw blik op het verleden en op de toekomst onjuist. En wat ge ook niet vergeten moogt, uw schuldbesef lijdt hier onder, want wie niet helder inziet uit wat hoogen gelukstand van hemelsche weelde wij uitgevallen zijn, kan de diepte niet peilen waarin de zonde ons neerwierp. Het is daarom geen onverschillige bijkomstigheid, dat ge u helder zult voorstellen, in welken gelukstand God oorspronkelijk den mensch geplaatst had. Alleen hij, die zich van dezen gelukstaat het juiste denkbeeld vormt, verstaat wat er verzondigd en verloren is, en ook, wat het ideaal is, waarnaar we in Christus weer grijpen.


*

In dat Paradijs nu gevoelde de eerste mensch slechts één leemte en leegte. Hij gevoelde zich alleen. Niet in het minst op de manier waarop wij ons alleen zouden voelen, zoo we moederziel eenig op heel de wereld stonden. Wij missen in de eenzaamheid het bijzijn van anderen, omdat we levenslang aan hun bijzijn gewend zijn. Ook maakt de zonde de eenzaamheid zooveel schrikkelijker. Wie heilig is verdraagt de eenzaamheid zooveel gemakkelijker. Voorts was de gemeenschap waarin de pas geschapen mensch met zijn God stond een volkomene, en was in zoover het „eenzaam ben ik niet alleen” in nog veel hooger zin dan bij ons op hem toepasselijk. Staat er van Henoch en van Noach opgeteekend dat ze wandelden met God, dan was dit wandelen met God een herinnering aan den Paradijstoestand. Adam na zijn schepping wandelde niet alleen met God, maar was geen oogenblik zonder Godes gemeenschap. Evenals het leven van het kind in de eerste levensdagen één met het leven van moeder is, zoo ook was, terstond na de schepping, het leven van den eersten mensch één met het leven van zijn God. Hij was uit Gods hand pas voortgekomen, en leefde nog van oogenblik tot oogenblik uit en door die hand die hem scheppend losliet en toch voorzienend nog hield. Maar het alleen-zijn had toch iets in zich, dat drukken moest zoodra het gevoeld werd, en dat ten slotte toch moest gevoeld worden, omdat de tweeheid der geslachten en de saamhoorigheid van mensch en mensch in de ordinantiën van Gods schepping begrepen lag. |109|

Er staat dan ook dat het gezellige leven der dieren dit gevoel van gemis in Adam opwekte. Niet alsof de mensch zich uit het dier ontwikkeld had. Juist het tegendeel blijkt uit dit verhaal. Bij de dieren bestond het gezellige leven reeds. Ware dus de mensch uit het dier ontwikkeld, en onder de dieren de hoogst ontwikkelde soort geweest, zoo zou de gezelligheid juist in vrij hooge mate bij den mensch zijn uitgekomen. Maar zoo is het niet. De dieren zijn paarsgewijze geschapen, maar de mensch in zijn eenheid. Voor hem zou het vrouwelijke wezen uit hem zelven genomen worden, teneinde hierdoor die hoogste eenheid uit te drukken, die eerst dan ontstaat, als niet de één bij den ander gevoegd wordt maar indien beiden in den wortel van hun wezen één zijn.

De vrouw moest niet iets zijn, dat van buiten tot den man kwam, maar iets dat uit hem was genomen. Niet zijn maaksel, ook de vrouw moest Gods creatuur zijn, maar dan toch genomen uit hem, om aldus in die wondere schepping de hoogste, innigste, meest volkomen eenheid uit te drukken.


*

De mensch is dan ook niet uit de dieren, maar de dierenwereld is op den mensch aangelegd, en met het oog op den mensch geschapen. Toen God de dieren schiep, kende Hij reeds bij zich zelven den mensch dien Hij scheppen zou, en dat wel dien mensch naar ziel en lichaam. En opdat nu die dierenwereld bij den mensch passen zou, en den mensch niet te vreemd zou zijn, maar als ware het een stuk van zijn eigen leven, daarom schiep nu God de dierenwereld zoo, dat er in het lichaam van het dier, in klimmende mate, een duidelijke voorafschaduwing lag, van het lichaam dat Hij voor den mensch beschikt en bestemd had. Iets wat men kortweg ook alzoo kan uitdrukken, dat God de dieren geschapen heeft naar het beeld en de geliijkenis des menschen. Wie het zoo inziet, verstaat terstond de zonderlinge verwantschap, die tusschen mensch en dier bestaat; vindt niets vreemds in al de ontdekkingen, die sinds Darwin zoo sterke overeenkomst tusschen mensch en dier naar het lichaam aan den dag brachten; en voelt onmiddellijk, waarom de slotsom die velen in onze dagen uit Darwins ontdekking trokken, als zou de mensch uit het dier zijn voortgekomen, alle klem mist. Omdat de mensch naar Gods beeld geschapen is, zal toch niemand zeggen, dat God uit den mensch voortgekomen is. En zoo nu ook mist ge elk recht, om uit het onloochenbare feit, dat God het dier naar het beeld des menschen schiep, af te leiden, dat dus de mensch uit het dier zou ontstaan zijn. Eenheid, gelijkheid, verwantschap is er. Dat feit moet ge nooit loochenen. Alleen maar die eenheid, gelijkheid, overeenkomst en verwantschap, vindt zijn oorsprong in de gedachte Gods. In de gedachte Gods was de mensch eerst en daarna het dier; |110| maar uit die gedachte Gods is eerst het dier, en daarna de mensch voortgekomen. Wie dit helder doorziet, staat tegenover den Darwinist geen oogenblik verlegen.


*

Als er dan ook staat, dat het gezellige leven der dieren in Adam zeker gevoel van gemis opwekte, mag hier geen oogenblik gedacht aan zekeren dierlijken trek, die in Adam opkwam. Een dierlijken trek in den mensch buiten zonde zich te denken, is eenvoudig ongerijmd. De zaak lag heel anders. In de gedachte van Gods verordineering was de mensch verordineerd niet eenzaam, maar in gezelschap met menschen. Omdat zóó de mensch verordineerd was, schaduwt God dien trek der gezelligheid nu ook in het leven der dieren af. En toen alzoo dat gezellige leven der dieren Adams opmerkzaamheid trok, waakte er niet iets van het dier in hem op, maar werd in hem wakker die van God verordineerde levenstrek, die bij den mensch hoorde, en die in het leven der dieren slechts was afgeschaduwd. De opwekking van dat gevoel nu ging aan de schepping van Eva vooraf. En nu kwam de vrouw. Ze vond den man, uit wie ze genomen was, en Adam zag in haar nauwelijks een tweede, maar meer een deel van zich zelf. Isja zou haar naam zijn, of gelijk het bij ons vertaald heet, ze zou manninne heeten. Nog niet Eva, dien naam ontving ze eerst na den val. „Wederhelft” is een te sterk woord. „Ander ik” is een te wijsgeerige uitdrukking. Maar dat ze niet bij den man bij kwam, maar een deel van zijn leven was, dat in haar eerst volmaakt werd, dat ligt dan toch èn in haar wondere schepping èn in haar eerste naamgeving uitgesproken. Huwelijkssluiting in onzen zin was toen dan ook ondenkbaar. Onze huwelijkssluiting is een saambrengen van wat elkaar vreemd was en eerst gescheiden leefde, en alzoo eerst na en ten gevolge van de zonde denkbaar. Het is een zwakke poging om te herstellen en goed te maken wat door de zonde teloor ging. In het Paradijs was geen huwelijkssluiting, maar een schepping in huwelijk. Een saam één zijn door den oorsprong zelf van het leven.

Over de ribbe van Adam waaruit de vrouw genomen was, heeft men daarbij echt Byzantijnsch geredeneerd, en zelfs uitgerekend of Adam na die ure met één rib minder geleefd heeft. De tekst verbiedt zulke ijdele geleerdheid. Als Adam zijn vrouw ziet, zegt hij niet: „Deze is van één mijner ribben”, maar heel anders: „Deze is ditmaal been van mijn been, en vleesch van mijn vleesch.” Die nadere uitlegging, onmiddellijk daarop, door Adam zelf gegeven, mag men niet voorbijzien. Toegegeven derhalve dat er staat: „één van zijne ribben”, zoo mag dit toch niet opgevat, alsof dit heel de zaak uitdrukte. De volle zin ligt hierin, dat het been en het vleesch van Eva, d.w.z. geheel haar lichamelijke verschijning, niet uit het stof der aarde genomen was, maar genomen was uit zijn been en vleesch |111| en door scheppingskracht alleen tot een volkomen lichaam opgebouwd. — Van kinderen, hun vóór den val geboren, lezen we niets. Maar wel blijkt uit Gen. 2 : 24, dat de voortteling volstrekt niet een gevolg van de zonde was, alsof, zonder zonde, elk nieuw mensch afzonderlijk zou zijn geschapen geweest. Dit heeft men wel zoo voorgesteld, maar ten onrechte. Er staat toch, nadat de schepping van Eva verhaald is, uitdrukkelijk bij: „Daarom zal de mensch zijn vader en zijn moeder verlaten; en zal zijn vrouw aankleven, en zij zullen tot één vleesch zijn.” De benamingen van vader en moeder, die zonder de voortteling ondenkbaar zijn, worden hier dus reeds vóór den val besproken, en rechtstreeks met de scheppingsordinantie Gods in verband gebracht. Ook blijkt dit uit de praeformatie van het dier naar het beeld des menschen. Ook in de dierenwereld toch bestaat voortteling, en ook die trek in het leven der dieren was een voorafschaduwing van wat in den mensch eerst op volkomen wijze zou geopenbaard worden. — In die hooge, heilige eenheid stond dus man en vrouw in het met Goddelijke weelde overgoten Paradijs. Het was een kunststuk Gods. Dat kunststuk, waarop heel de schepping moest uitloopen. Heel de wereld was er om dat Paradijs, en dat Paradijs was er om die van God g eroepen en van God gezegende menschheid. De mensch was in die schepping het middelpunt, en van heel Gods schepping de kroon.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie’ XV.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2004