XIV. Het paradijs-verhaal historie.

En God zal al wat Hij gemaakt had.

Genesis 1 : 31a. a


Dat we de eerste hoofdstukken van Genesis als historie verstaan, moest opzettelijk herinnerd worden. Alleen toch als het Paradijsverhaal historie is, hebben we het recht, uit de gebeurtenissen, die ons in die hoofdstukken vermeld worden, gevolgtrekkingen te maken, en af te gaan op wat ons medegedeeld wordt, als door God of mensch of Satan gesproken. Wel plegen ook zij, die ontkennen, dat hier historie voor ons ligt, zich op het dusgenaamd Paradijs-evangelie, dat het vrouwezaad der slang den kop vermorzelen zou, of ook op de ordinantie, dat een zondaar brood zal eten in het zweet zijns aanschijns, met zeker vertoon te beroepen; maar dit is op hun standpunt eenvoudig ongeoorloofd. Wie niet gelooft, dat God alzoo feitelijk in het Paradijs sprak, heeft geen recht, om zich op zulke uitdrukkingen, als waren ze met Goddelijke autoriteit bekleed, te beroepen. Beroep op zulke uitspraken, gaat alleen dan door, als ge van heeler harte erkent, dat in deze eerste hoofdstukken, een verhaal voor ons ligt van gebeurtenissen, die zich alzoo werkelijk hebben toegedragen, en waarin |97| metterdaad diezelfde woorden gesproken zijn, die ons als gesproken worden bericht. Niet alleen dus, dat hetgeen verhaald wordt werkelijke historie moet zijn, maar ook het bericht, dat er ons van toekwam, moet z zijn, dat we er op aan kunnen. Hetgeen in deze eerste hoofdstukken van Genesis verhaald wordt is zoo uiterst gewichtig, en beheerscht derwijs geheel onzen blik op de wereld, dat het letterlijk op elk woord, ja, op elke letter aankomt. Ge hebt er dus niets aan, of men u al zegt, dat er wel ongeveer zoo iets zal gebeurd zijn. Neen, gij moet het nauwkeurig en zeker weten. Dan alleen kunt ge er op afgaan, er gevolgtrekkingen uit afleiden en er uw wereldbeschouwing op bouwen. De vraag of de woorden, die wij als toentertijd gesproken, lezen, ook metterdaad in die volgorde en met diezelfde uitdrukkingen geuit zijn, die thans voor ons liggen, behoeft ons daarbij niet op te houden, zoo de Heilige Geest ons slechts waarborg biedt, dat de zin en de beteekenis dier woorden, ook al mogen ze dan anders uitgedrukt zijn, geheel dezelfde is, en alzoo elke onzekerheid voor ons zij uitgesloten. Ook als er staat wat de slang sprak, moet ge zekerheid bezitten, dat metterdaad deze en geen andere gedachte uit Satan den mensch toekwam. En ook als er gedurig gemeld wordt: dat God sprak, mag dit niet verstaan,, alsof God het niet sprak, en de mensch het slechts zoo in zich voelde opkomen. Ook, en vooral dat spreken Gods, moet onbetwijfelbaar door ons verstaan, n wat het feit betreft, dat Hij werkelijk sprak, n wat aangaat den inhoud van het gesprokene.

Dit „spreken Gods” is het groote feit, dat heel de Heilige Schrift door, rusteloos met klem en nadruk op den voorgrond wordt gesteld. Het is datgene wat de Schrift tot Schrift maakt. Niet op wat de mensch zon of peinsde, maar juist op hetgeen God sprak komt het in de Schrift aan. Thans spreekt God tot ons niet meer. Hij heeft gesproken, oudtijds en op velerlei wijze door de profeten, en na de voleinding der profetie door zijnen Zoon. Maar thans hield dat spreken van God op; en juist daarom heeft dat vroegere spreken voor ons zoo alles beslissende waarde. Wie daar het oor voor toestopt, heeft het zich zelven te wijten, zoo hij zonder openbaringslicht in de duisternis naar den wand tast. Wie er naar luistert, die wandelt in het licht, en voor dien is wat zijn God sprak een lamp voor zijn voet op het pad des levens. Want wel kan men zeggen, dat er ook nu nog een sprake Gods is in de natuur, een stemme Gods in den donder en in het weerlicht, in het loeien van den orkaan en in het suizen der zachte koelte, en zoo ook een stemme Gods in de drijving van den Geest in het hart en de taal der conscintie, maar dat alles is overdrachtelijk. Het is geen spreken in eigenlijken zin. Door alle deze stemmen wordt wel een stemming van eerbied en aanbidding in ons teweeggebracht, of ok een aandrift in ons geprikkeld, of onze voet teruggehouden van het verkeerde pad; maar al zulk spreken openbaart ons niets, deelt ons niets |98| mede, en doet ons Gods wil niet kennen. Spreken in eigenlijken zin grijpt alleen dan plaats als uit het bewustzijn van den spreker bewuste gedachten overgaan in het bewustzijn van hem die hoort. In dien zin moet dan ook het spreken Gods in het Paradijs en na den zondeval worden opgevat. Wie dit niet doet, speelt met woorden, zoo hij nog voortgaat, uit zulke gezegden zijn voorstellingen af te leiden. Zoo b.v. als er staat, dat God sprak: „Laat ons menschen maken naar ons beeld en naar onze gelijkenis”, en ge gelooft niet, dat dit alzoo gesproken is, dan mist ge ook elk recht, om uw stelsel aangaande den mensch te bouwen op de schepping van den mensch naar den beelde Gods. En toch juist dt is het wat men tegenwoordig doet. Aan zoo schoone gedachte als de schepping van den mensch naar den beelde Gods klemt men zich vast, daar bouwt men stelsels en theorien op, maar als men vraagt: „Gelooft ge metterdaad dat Gen. 1 : 26, 27 letterlijk zoo is op te vatten?” dan haalt men de schouders op over uw naiveteit. Natuurlijk gelooft men dat niet. Maar even natuurlijk heeft dan ook al hetgeen men op dat standpunt nu verder over de schepping van den mensch naar den beelde Gods redeneert, voor u geen enkelen vasten grondslag waarop het huis zou rusten. Al wat men in dien zin neerschrijft, is nets dan eigen verzinning. Het zijn ideen die men uitspreekt, schoone gedachten waardoor men zich trekken laat. Maar dat er waarheid, dat er werkelijkheid in liggen zou, is een bewering zonder bewijs. Grond, vasten grond voor al zulk zeggen heeft men niet.

*

Op dat „spreken Gods” dient daarom meer dan vroeger nadruk te worden gelegd. Het is volkomen waar, dat God een geest is, en dus geen lichaam, en dientengevolge ook geen mond noch spraakvermogen bezit. Doch hetzelfde geldt ook van het oog. Een geest heeft geen lichaam en dus ook geen oog. En toch aarzelt niemand te erkennen dat God ook zonder oog nochtans ziet, ja, alles ziet, en het veel beter ziet dan wij met ons oog. Juist zooals het met het oor staat. God heeft, wijl Hij geen lichaam heeft, ook geen oor. Dat spreekt vanzelf. En toch stemt ieder toe, dat God ook zonder oor, alles zeer wel hoort, en hoort met een fijnheid, die al uw hooren zeer verre te boven gaat. Als ge bidt, toont ge zelf het te gelooven. Waarom zoudt ge anders bidden, als ge niet vaststondt in de overtuiging, dat uw God u hoort. U hoort zelfs als ge bijna onhoorbaar fluistert. — Dat is het dan ook wat de Psalmist zingt: „Zoude Hij, die het oor plant, niet hooren? Zoude Hij die het oog formeert, niet aanschouwen?” (Ps. 94 : 9). Het verschil tusschen God en de afgoden is juist, dat de afgoden een oor en oog hebben, maar noch hooren noch zien, en dat God daarentegen zonder oog en oor, alles ziet en hoort. En dit moet wel, want immers, eer God het oog en het oor schiep, dacht Hij het |99| oog en het oor bij zichzelven. Het moet eerst in zijn gedachte geweest zijn, eer het ontstond. De daad van zien en hooren moet dus voor God bestaan hebben, eer Hij den mensch en het dier oor en oog inschiep, en geheel de werking van het zien en hooren moet Gode bekend zijn geweest, opdat Hij oor en oog er op scheppen zou, in verband ook met de trillingen der luchtgolven en aethergolven, en de werkingen op onze zenuwen, en de werking van de zenuwen op de ziel. En wijl alzoo het zien en hooren voor God was, eer Hij oor en oog tot aanzijn riep, zoo moet voor God het zien en hooren wel onafhankelijk zijn van deze instrumenten, die voor ons onmisbaar zijn. — En evenzoo staat het nu met het spreken Gods. Van de afgoden staat uitdrukkelijk: „Ze hebben een mond maar spreken niet”. Niet spreken is alzoo het merk van een afgod, en daartegenover staat juist het veel en deugdelijk spreken, als het merkteeken van den levenden God. Ook hier geldt de vraag: „Zou Hij die den mond geformeerd en den mensch de sprake gegeven heeft, niet spreken?” Was dan de mond er eerst, en heeft God toen naar dat die mond was, den mensch de sprake gegeven? Of wel is die mond door God geschapen juist zooals die zijn moest om de sprake te kunnen voortbrengen? En indien het laatste, moet dan niet de sprake in God geweest zijn, eer Hij het bestek, het plan voor den mond en allerlei spraakorganen maakte? En zijn die spraakorganen iets anders dan een hulpmiddel, een instrument, dat voor ons creaturen onmisbaar is, om tot het spreken te komen, maar dat God, die niet is als iets behoevende, niet noodig heeft? — Als de levende God op uw oor wil werken, en op uw gehoorzenuwen klanken wil laten spelen, wat zou Hem hierin verhinderen! Of zelfs waar Hij ook uw gehoor wil overspringen, en rechtstreeks in uw ziel dezelfde gewaarwordingen wil wekken, die een mensch in u wekt door het spreken, wat zou Hem hierin beletten? Zijn niet alle talen zijns? Door Hem aan de volken gegeven? Zou er een enkele taal zijn, Gode onbekend? En wat, ja, wat zou er alzoo aan den Heere onzen God in den weg staan, om zijn gedachten door een voor ons duidelijke en nauwkeurig verstaanbare taal in ons helder en klaar bewustzijn over te leiden? Laat ons daarom dat spreken Gods toch in onverzwakten, vollen zin, laten gelden. Adam, Eva, Kan, Noach, Abraham, ze hebben allen duidelijk en klaar hetzelfde gehoord, wat wij ontwaren als een mensch tot ons spreekt. Niet nevelachtige beseffen zijn in hen opgedoemd, maar taal is naar hen uitgegaan, woorden zijn door hen opgevangen, gezegden, uitdrukkingen, bewijzen, verklaringen, beloften zijn tot hen doorgedrongen, die ze letterlijk konden nazeggen. Het waren niet zwevende aandoeningen in de ziel gewerkt, die zij zelven vertolkten, maar klare, vaste, wel uitgedrukte gedachten, die ze opvingen in hun bewustzijn.

*

|100| Achte niemand het overbodig, dat we de werkelijkheid van dit „spreken Gods” hier iets breeder aandrongen. Vooral in beschaafder kringen is het besliste geloof aan zulk wezenlijk spreken Gods door een doolgeraakte theologie derwijs verzwakt, dat ge alleen door een opzettelijk betoog de slappe knie weer stevigen kunt, en den twijfel weer voor dat geloof kunt doen wijken. Want men zegt wel dat men gelooft, maar men doet het niet. Nu, ja, zoo ongeveer, zoo eenigszins, mits niet beslist en in alles, . . . en de overweldigende indruk van wat het is, als God gesproken heeft, gaat op die wijs geheel te loor. Men buigt niet voor het Woord, omdat men niet aan het Woord als een wezenlijk woord van God zich kan vastklemmen. Staat ge er nu zoo aan toe, dan geeft de lezing en herlezing van Gen. 1-5 u niets, want ja, dan is het wel schoon en lieflijk, zooals het daar voorgesteld wordt, maar of het zoo alles was en of de waarheid er van nog geldt, daar haalt men de schouders voor op. We moesten daarom, ter inleiding van hetgeen nu volgen gaat, de werkelijkheid van het „spreken Gods”, wel met eenige klem aandringen. Alleen diegenen onder onze lezers toch, die met ons zulk een wezenlijk „spreken Gods” van harte gelooven, kunnen door hetgeen we verder ontvouwen gaan, overtuigd worden. De anderen mogen er met zekere goedwilligheid kennis van nemen, maar het geeft hun geen grond onder de voeten, geen standpunt van waaruit ze het leven van de wereld hebben te bezien. En toch juist daarom is het ons in deze artikelenreeks over de „gemeene gratie” te doen. Uit de zwevende ideen moeten we terug naar de vastheid van overtuiging. We moeten als belijders des Heeren weer een onwrikbaar standpunt innemen. We moeten weten waar we aan toe gin, en om dat te kunnen weten, eerst weten waar we staan.

*

Immers hoe men ook poge, de alles beheerschende levensvragen van zich te zetten, toch keeren ze altoos terug. De vraag vanwaar we zijn, hoe dit heelal en deze wereld er kwam, en hoe wij op die wereld tot aanzijn kwamen, laat zich eenvoudig niet onderdrukken, en de ongeloovige die in zijn verlegenheid, om toch maar aan het geloof niets toe te geven, zich zelven ten slotte het nadenken over deze vragen verbiedt, stompt daardoor zijn eigen geest af en verdonkert zijn bewustzijn. Evenmin als de vraag te onderdrukken is, waar we in ons sterven heengaan, en waar eens heel deze wereld op zal uitloopen, en wat het doel van heel deze schepping is, evenmin kunt ge de vraag afsnijden over den oorsprong der dingen. En op die vraag naar den oorsprong der dingen, daarop juist geeft het rijke boek van Genesis u een volkomen bevredigend antwoord. Zelfs verstaat ge dit boek niet, zoolang ge niet inziet, dat het u juist gegeven is met het opzettelijk doel, om u omtrent die oorsprongen der dingen in |101| te lichten. Het heet Genesis, en Genesis wil zeggen: geboorte. Vandaar dat ge in Gen. 2 : 4 leest: „Dit zijn de geboorten” des hemels en der aarde. En diezelfde zegswijs: „Dit nu zijn de geboorten” vindt ge herhaald in Gen. 6 : 9; 10 : 1; 11 : 10; 25 : 12; 25 : 19; 36 : 1 en 36 : 9. En overmits nu „geboorte” in de overzetting der Zeventigen vertaald werd door Genesis, daarom is die naam van Genesis aan heel het boek gegeven. De Joden noemden het niet Genesis, maar Breschith, d.w.z. „in den beginne,” naar de aanvangswoorden van het eerste vers van Genesis n. Toch lag ook reeds in dat: „in den beginne” gelijke vingerwijzing. Ook die naam toch duidde op den oorsprong der dingen, op hun geboorte, op hun aanvang, op hun uitkomen. En metterdaad geeft dat boek van Genesis u dan ook den oorsprong van alle dingen te kennen. Den oorsprong van het heelal. Den oorsprong van de engelen. Den oorsprong van alle creaturen. Den oorsprong van den mensch. Den oorsprong van het huwelijk. Den oorsprong van de zonde. Den oorsprong van de genade. Den oorsprong van het lijden. Den oorsprong van de tegenwoordige gesteldheid der aarde. Der verstoring van de orde der samenleving onder menschen. Den oorsprong van alle recht en alle heerschappij. Van alles wat u thans nog belang inboezemt, en in uw eigen persoonlijk leven omringt, en in uw hart omgaat, liggen de oorsprongen in dit boek van Genesis voor u ontvouwd. Daarom is dat boek van Genesis ook zoo uiterst gewichtig voor de kerk, voor de volken, voor de Overheid, voor uw samenleving in huis en maatschappij, en niet minder voor heel de wereld van uw denken. In den rijken schat, die in dit boek voor u ligt, moest ge u altoos weer verdiepen. De kerk moest rusteloos de gemeente in de vastigheden van dit heel ons leven beheerschend boek pogen vast te zetten, en op zondagsschool en catechisatie moest aller streven er op gericht zijn, om die uitgangspunten van heel ons aanzijn, leven en bestaan vast te leggen in het bewustzijn van het opkomend geslacht.

*

Natuurlijk zou het ons veel te ver voeren, indien we er ook maar aan dachten, om geheel den inhoud van dit boek in al zijn bijzonderheden uit te pluizen. We houden voet bij stuk, en bepalen ons deswege tot ons onderwerp, hetwelk is de „gemeene gratie.” Maar juist opdat het leerstuk van de „gemeene gratie,” dat zoo jammerlijk in het vergeetboek raakte, weer ingang vinde en weer zijn invloed op ons denken en leven ga oefenen, is het zoo broodnoodig, dat ook de overige deelen van deze openbaring, die ons in Genesis werd geschonken, weer ingedacht worde. De geest moet er in leven, moet er in thuis zijn, moet er vast in staan. De wereld buiten Christus zoekt naar allerlei levensbeschouwing en wereldbeschouwing. Ze glijdt telkens uit, en hoopt telkens den voet weer vast te zetten, d.i. weer |102| een standpunt te vinden, waarvan ze de dingen bezien kan. En die levens- en wereldbeschouwingen wisselen met den dag. Telkens vervangt weer de ne de andere. En radeloos weet men ten leste niet meer waaraan zich vast te houden, en eindigt dan vaak met den uitroep der moedeloosheid, dat het ons, menschen, niet gegund is, zekerheid te bezitten, en dat we ons in onze onwetendheid hebben terug te trekken. Maar dit nu juist is het groote voorrecht van de gemeente van Christus, dat zij niet te zoeken en niet te vragen heeft, maar dat haar de dingen van Godswege zijn geopenbaard. Een goed onderlegd Christen is steeds met zijn antwoord gereed. Hij twijfelt en hij aarzelt niet meer, maar rust in de hem geschonken openbaring. De wijsgeer zoekt naar een wijsbegeerte, maar een Christen, die Gods Woord kent, heeft zijn wijsbegeerte, heeft zijn philosophie, heeft zijn standpunt, en werpt van dat vaste standpunt op wat achter en om en voor hem ligt een vasten blik. Hier schuilt dan ook het mysterie, waarom eenvoudige Christenmenschen onder landbouwers en werklieden vaak zoo helder zien en zoo rijk ontwikkeld zijn. Zelfs door tegenstanders is vaak de opmerking gemaakt, dat geen boek onzen Bijbel evenaart in geschiktheid om de menschen veelzijdig te ontwikkelen. Wie bij de Schrift is opgevoed heeft zijn wijsbegeerte, kent de wereldhistorie, en heeft op de groote wereldgebeurtenissen een vasten en juisten blik. Er ligt voor hem perspectief in de dingen. Christus en zijn kruis vormen het middenpunt, en alles wat daar achter ligt, loopt op dat middenpunt uit, en alles wat geschiedt wordt door dat kruis verklaard, en al wat hierna te komen staat ligt in dat kruis geprofeteerd. Maar juist daarom is het dan ook zoo hoognoodig dat de Christenen vaststaan in het uitgangspunt der Schrift, en berokkent het aan de gemeente Gods zoo onberekenbare schade, indien men de verhalen van Gen. 1-5 voor niet authentiek verklaart.

*

Zelfs is ook hiermede nog niet genoeg gezegd. Dat toch de Christenen zoo ver in de belijdenis der waarheid uiteenloopen, en met zoo afwijkende voorstellingen tegenover elkander staan, is voor een niet gering deel daaraan toe te schrijven, dat ze deze gewichtige hoofdstukken niet allen op dezelfde wijze verstaan. Ook voor de verschillen die de Christenen verdeeld houden, liggen de geboorten, de oorsprongen in deze eerste hoofdstukken van Genesis. Met name de tegenstelling die tusschen de Roomsche kerk en de Protestantsche kerken opkwam, vindt haar oorsprong in de verschillende wijze, waarop men beiderzijds de schepping van den mensch naar Gods beeld, de verstoring door de zonde in den mensch, en de verhouding tusschen de natuur en de genade opvat. En als straks een nieuwe tegenstelling tusschen het Doopersche en het Calvinistische streven opkomt, |103| ligt nogmaals ook voor die tegenstelling de oorsprong in de verschillende wijze, waarop het verhaal van het Paradijs en den val en de wederoprichting van den zondaar verstaan wordt. Ja, sterker nog, dat het Gereformeerde leven in de dagen onzer vaderen zoo veelszins rijk bloeide, en na 1650 zoo droevig verliep, tot ten leste de stroom geheel verzandde, is voor geen gering deel daaruit te verklaren, dat onze vaderen in deze eerste hoofdstukken vaststonden, en ze helder lazen, en er den inhoud en de beteekenis van doorzagen, en dat men daarentegen later de rijke beteekenis van deze hoofdstukken uit het oog verloor, er niet op lette, en er niet me rekende.

Dit laatste nu geldt met name van de „gemeene genade”, die onze vaderen gevonden, geerd en beleden hebben, en die de latere Gereformeerden geheel veronachtzaamden en verwaarloosden. Zelfs gaat men niet te ver, door te beweren, dat aan de vraag, of dit leerstuk van de „gemeene gratie” weer met de oude kracht zal opleven de toekomst van de Gereformeerde kerken, en de weeropbloeiing van het Calvinisme hangt. Blijft dit leerstuk gelijk dusver verwaarloosd, dan zijn de Gereformeerde kerken gedoemd, om zich op te sluiten in een heilsprediking zonder achtergrond en zonder ondergrond, en kunnen ze den weg niet vinden, om weer te midden van den strijd der geesten en van de woelingen der wereld tot een vast uitgangspunt en vast standpunt te geraken. Ze dobberen dan heen en weder, en missen vaste stuur. Mag het daarentegen gelukken, om dat rijke, schoone leerstuk weer ingang te doen vinden, en het weer de plaats, die het toekomt, in de overtuiging te laten innemen, dan zal het besef weer algemeen worden, dat men weet maar men staat; en zal met vaste hand weer de verhouding kunnen bepaald worden, waarin men zich geplaatst vindt tegenover het leven der wereld. De twaalf geloofsartikelen handelen nu eenmaal niet alleen van den Verlosser en van den Heiligen Geest, maar beginnen met u te bepalen bij God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde; en uw belijdenis van Gods heilige Drievuldigheid mist zelfs haar uitgangspunt, indien ge niet heel uw belijdenis van den Zoon en den Heiligen Geest in God den Vader terugleidt. Heel onze heilsprediking en de prediking der heiligmaking moet daarom in de kerk weer op de prediking van God den Vader, en daarmee op de schepping, en op de herschepping aller dingen teruggaan. Zoo eerst komt er eenheid in uw belijdenis, vastheid in uw standpunt, beslistheid in uw overtuiging. En overmits nu de zonde hier breuke sloeg, en er wederoprichting volgde, en de „gemeene gratie” het leerstuk is, dat u aanwijst welke toestand daaruit geboren is, kunt ge niet anders dan zwak en aarzelend staan, zoolang het leerstuk van de „gemeene gratie” niet weer tot helderheid voor u gebracht is. Hoe ge u toch in uw kerk opsluit, ge kunt daarom niet ontkomen aan de noodzakelijkheid, om k in het midden der |104| wereld te leven. En de verhouding tusschen die beiden, d.i. tusschen kerk en wereld, kunt ge niet helder inzien, zoolang ge in het stuk der „gemeene gratie” niet gefundeerd zijt.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie’ XIV.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000