XIII. Van Noach terug op het Paradijs.

En de Heere God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij?

Gen. 3 : 9. a


De beteekenis van het dusgenaamde Noachietische Verbond is thans genoegzaam toegelicht, en daarbij bleek ons op overtuigende wijze, hoe geheel de tegenwoordige orde van zaken feitelijk eerst door en na dit Verbond in het leven trad. De toestand, of wil men, de staat van zaken, waar wij zelven nog in leven, is niet die van het Paradijs vr den val; ook niet die van het Paradijs na den val; en evenmin die van de aarde toen ze pas met den vloek werd beladen; maar dagteekent eerst van na den Zondvloed. De toestand na den Zondvloed is een andere dan de toestand daar vr. De machtige gebeurtenis van den Zondvloed heeft een aanmerkelijke verandering teweeggebracht in ’s menschen leven, en in ’s menschen verhouding zoowel tot de aarde als tot de dierenwereld. En daarom is het niet te sterk gezegd, dat metterdaad met het Noachietisch Verbond een nieuwe bedeeling, een nieuwe staat der dingen, een gewijzigde orde van zaken intrad.

Dit veelzeggende feit nu, dat maar al te veel uit het oog was verloren, oordeelden we bij de bespreking van de „gemeene gratie” met nadruk op den voorgrond te moeten plaatsen. Terugdenkende aan het verleden, springen de geloovigen meestal rechtstreeks uit het heden naar het Paradijs terug, zonder aan het gebeurde met Noach, voor hen zelven of voor onze tegenwoordige wereld eenige beteekenis toe te kennen. Men rekent met den staat der rechtheid en met het Paradijs, en voorts met den val en den vloek, maar van daar stapt men dan meestal rechtstreeks naar Abraham, het volk van Isral en den Christus over, zonder aan de groote en indrukwekkende gebeurtenis van den Zondvloed eenige opzettelijke of eigenaardige beteekenis in die heilsordening toe te kennen. Het feit, dat ’s menschen persoonlijk en maatschappelijk leven, en zoo ook de aarde zelve destijds een algeheele wijziging heeft ondergaan, o, het wordt, als ge er met de stukken op wijst, wel niet ontkend, maar er werd, althans in de negentiende eeuw, niet voldoende mede gerekend. De verschillende deelen van deze historie werden niet genoegzaam in hun samenhang overzien. En gevolg hiervan was, dat geheel het toen gebeurde op den achtergrond raakte, en zich in nevelen verloor. Want wel werd in de Gereformeerde kerken nog bij elke Doopsbediening van de beduidenis van den Zondvloed voor het Genadeverbond gewag gemaakt, maar dikwijls ging dit meer op den klank af, |90| dan dat men de volle, rijke beteekenis hiervan ook voor de kerk van Christus gevoelde.

Ten einde het stuk van de „gemeene gratie” of van de „gemeene genade” in het licht te kunnen stellen, scheen het ons daarom het doeltreffendst, zoo we eerst aan dit grove misverstand een einde maakten, en weer duidelijk lieten uitkomen, wat algeheele verandering de staat dezer wereld destijds ondergaan heeft. Bij de „algemeene genade” komt het er op aan, dat men helder inzie, dat we hier met een daad Gods te doen hebben. Met een daad Gods, niet ten bate van die acht toenmalige personen, maar met een daad Gods, die zich uitstrekt tot heel deze aarde en heel ons menschelijk geslacht; natuurlijk niet in zaligmakenden, maar dan toch in bewarenden zin. En dit feit nu, dat God de Heere zulk een daad van bewarende genade heeft verricht, die zich tot heel ons menschelijk leven uitstrekt, komt op niet n punt duidelijker uit, dan bij het Noachietisch Verbond. Hier gevoelt en doorziet een ieder, dat er een belofte uitgaat, die aan heel de wereld ten goede komt, en men tast aanstonds, dat er in hetgeen beloofd werd, redding en behoudenis, niet voor eeuwig, maar voor dit tijdelijk leven lag.

*

Staat dit nu eenmaal vast, dan gaan we thans terug van Noach op het Paradijs. De „algemeene genade” toch is niet eerst met Noach ingetreden, maar begon reeds vroeger te werken. Ook het menschelijk geslacht vr den Zondvloed deelde in die genade. Haar aanvangspunt ligt dus niet na den Zondvloed, maar na den val. Alleen maar diezelfde algemeene genade die terstond na den val intrad, en die haar aanvang nam, toen God tot Adam riep: Waar zijt gij? — is thans niet dezelfde meer als in de dagen van Henoch en Methusalem. Ze is een andere geworden, doordien ze onder Noach wijziging onderging. Intusschen wat gewijzigd optreedt, duurt onder die wijziging voort, en zoo duurt ook in den gewijzigden vorm, dien de algemeene genade onder Noach aannam, nochtans die ne zelfde „algemeene genade” voort, die reeds in het Paradijs begon. Niet pas bij de Arke, maar in het Paradijs ligt haar oorsprong, en om de algemeene genade in haar eigenlijk karakter en haar ware natuur te verstaan, moeten we deswege thans op het Paradijs teruggaan.

In het Paradijs namelijk doet zich het eenigszins vreemde verschijnsel voor, dat ge eerst iets leest, wat naderhand niet uitkomt. Ge leest van den mensch in den staat der rechtheid, dat hem wordt aangezegd: „Ten dage als gij van dezen boom eet, zult gij den dood sterven.” En nu, de mensch doet het toch, hij eet van dien boom, en hij sterft te dien dage niet. Integendeel, Adam leeft nog wonderbaar lang. Negen lange, men zou zeggen eindelooze eeuwen. Nu zeggen we niet, dat het woord van God |91| niet vervuld is geworden. We komen daar later op terug. Maar dit valt dan toch niet tegen te spreken, dat het niet z uitkwam, als Adam en Eva het wel moesten opvatten, toen het gesproken werd. Op den dag zelven waarop hij zondigde, is Adam niet gestorven. Dit feit staat vast. Adam heeft, als we ons zoo mogen uitdrukken, op zeer in het oog loopende wijze „uitstel van executie” verkregen; niet op zijn eigen bede, maar uit een vrije wilsdaad Gods. En die wilsdaad Gods nu, die teweegbracht, dat Adam dien eigen dag niet stierf, maar leven bleef, en nog eeuwenlang voortleefde, is niets anders, noch iets minder geweest, dan een zeer machtige daad van algemeene genade, die alle menschen, en ook ons persoonlijk aangaat.

Denk u slechts even in, dat metterdaad het sterven op den dag zelven, waarop Adam viel, gevolgd ware, en immers heel de geschiedenis dezer wereld zou afgesneden zijn geworden. Er zou geen menschelijk geslacht ontloken zijn. Vr den val hadden Adam en Eva, naar luid van het Bijbelsch verhaal, nog geen kinderen. Stel dus, dat het woord des Heeren: „Ten dage als ge daarvan eet, zult ge den dood sterven” letterlijk alzoo vervuld ware, zoo zou met hun sterven heel de wortel van ons geslacht zijn weggestorven, en geen onzer zou ooit op aarde geboren zijn geweest. Is het nu de „algemeene genade” waardoor onvoorziens Adams aanzijn op deze aarde verlengd is, dan volgt hieruit, dat ook uw leven, uw geboren zijn, uw bestaan als mensch niet enkel uit de schepping komt, maar een daad is, die ook wortelt in genade. De volstrekte en rechtstreeksche doorwerking van de zonde zou, ware ze niet gestuit, in n doodvonnis heel het menschelijk geslacht vernietigd hebben.

*

Bij het nagaan nu van het opkomen van deze „gemeene gratie” houden we ons aan het verhaal der Heilige Schrift. Tornt men toch aan dit verhaal, op wat wijze ook, dan kunt ge uzelven en anderen al uw verdere beschouwing over het stuk der algemeene genade sparen. Dan toch ontglipt u alle zekerheid, en zinkt u de grond onder uw voeten weg. Toch is zulk een manier van spreken ook onder anders geloovige Christenen thans verre van ongewoon. Met name onder de Ethische godgeleerden heeft men zich er almeer aan gewend, om schijnbaar voor de verhalen van Gen. 1-5 op te komen, terwijl men ze toch feitelijk prijsgaf en ondermijnde. Dat dit oorspronkelijk met goede bedoeling geschiedde, is bij ons aan geen twijfel onderhevig. Op het laatst der achttiende en in het begin der vorige eeuw kreeg almeer een spottende, oppervlakkige geest de overhand, die, niets van de diepte dezer verhalen verstaande, met Adam en Eva, en dien appel en zooveel meer, haar onheilig spel dreef. Zoo geraakte het heilige in verachting. En toen zijn in en na Schleiermacher de Ethische godgeleerden |92| opgestaan, die zich schril en koud door dien spot voelden aangedaan, en zich geroepen achtten, om tegenover dien spot de diepzinnige beteekenis van deze eerste stukken der Heilige Schrift te verdedigen. Dit verlieze men niet uit het oog. Al is het toch, dat het standpunt der Ethischen ons glibberig en gansch ongenoegzaam voorkomt, nooit mag vergeten worden, dat zij het zijn geweest, die, toen een stroom van verachting en verguizing over de Heilige Schrift was uitgegoten, het eerst weer den moed grepen, om voor de Heilige Schrift op te komen. En te minder mogen de Bijbelvaste leeraren van vroeger dit vergeten, omdat juist hun dorre Bijbelbeschouwing en nog dorder Bijbelgebruik zoo veelszins oorzaak was geweest van de minachting waarin de Heilige Schrift allengs geraakt was. Vooral op het laatst der achttiende eeuw maakten de Bijbelvaste godgeleerden van de Heilige Schrift bijna geen ander dan een werktuiglijk gebruik; ze hadden geen oog meer voor haar diepte en haar geestelijke weelde; en juist daardoor hebben zij het toenmalig geslacht op Bijbelverwerping voorbereid. Dit kwaad nu gestuit te hebben, blijft de onvergankelijke verdienste van de school van Schleiermacher, en ook al dwingt plicht ons, ook ten deze tegen haar op te komen, toch wenschen we dit niet te doen, dan na vooraf dien tol der erkentenis en der dankbaarheid aan haar betaald te hebben.

*

De fout, waarin zij vervielen, school hierin dat zij vorm en inhoud vaneen scheidden. Ongetwijfeld, zoo spraken ze, de loop van zaken kan geen ander geweest zijn, dan zooals hij in Gen. 1-5 geteekend wordt. In dien zin is wat daar voor u ligt, metterdaad wezenlijke en heilige historie. Zoo en niet anders heeft zich in den aanvang van ons geslacht alles toegedragen. Alleen maar, zoo machtige dingen als toen gebeurd zijn, laten zich in geen enge woorden besluiten. Wat gebeurd is, is veel rijker en machtiger, dan het verhaal u dit zeggen kan. Ge moet het u dus niet voorstellen, alsof het zich alles letterlijk z, en niet anders toedroeg. Het verhaal is slechts een bijkomstige vorm, om in u een voorstelling, een beeld te wekken, van een gang der dingen die bij zulk een resultaat uitkwam.

Tot deze beschouwing liet men zich verleiden door de erkentenis, dat het verhaal z diepzinnig was, en dat er zveel inzat, dat schier in elk vers zich een wereld van gedachten verdrong. Over die diepe gedachten ging men toen peinzen. Men vond ze zoo schoon en zoo waar. Ze beantwoordden zoo volkomen aan de betrekking waarin men zich zelven tot den oorsprong der dingen gevoelde te staan. Ze verklaarden zoo ten volle den tegenwoordigen toestand der dingen, de heerschende ellende, de ingezonkenheid van het menschelijk hart, en toch ook weer onze hoogere en betere aspiratin. En op dit punt nu dook de misleiding op. Omdat men |93| zich namelijk in de gedachtenwereld van deze verhalen zoo thuis gevoelde, en ten leste waande: „Als ik het zelf had moeten dichten uit de bevindingen van mijn eigen hart, dan zou ik het zoo, en niet anders gedicht hebben”, ging men zich toen ten slotte inbeelden, dat derhalve heel het verhaal zeer wel een voortbrengsel van de verdichting van het menschelijk hart zijn kon. Niet van n mensch, maar van vele menschen. Niet van de oppervlakkigen onder ons geslacht, maar van de beste en diepzinnigste. Deze hadden reeds van oude tijden, gelijke gewaarwordingen moeten ondergaan als men nu zelf onderging. Hieruit had zich allengs zekere gemeenschappelijke voorstelling moeten vormen; en het was het resultaat van deze dichting van het menschelijk hart, die zich allengs in het kleed van dit verhaal had gestoken. Enkele overleveringen, enkele herinneringen mochten daarbij hebben medegewerkt, zoodat er metterdaad ook een historische achtergrond viel te erkennen, maar de zielkundige ontwikkeling die in heel dit verhaal geteekend was, kon geen eigenlijke overlevering, maar moest dichting van het menschelijk hart zijn. Juist z sprak het onszelven het meeste toe. Juist op die wijze verstaan, gaf ook ons hart er zich het gemakkelijkst aan gewonnen. Ja, waarlijk, zoo als het menschelijk hart het ons in vroeger eeuwen had voorgedicht, zoo dichtte het ook ons hart heel het voorgeslacht na. Op die wijze viel elke strijd weg, en gevoelde men zich weer op eenmaal in deze schoone, dichterlijke verhalen thuis. En nu was het wel waar, dat de gemeene man, die alle dichting eenvoudig voor spel aanziet, wanen moest, dat op zulk een wijze de waardij van deze verhalen te loor ging, maar, zoo oordeelde de meer ontwikkelde man niet. Men wist maar al te goed, dat echte pozie uit het hart komt, en daarom wezenlijk is. Juist derhalve door van de doode traditie op de levende dichting van het menschelijk hart terug te gaan, verloor men niet, maar won men. Eerst z werd wat daar geschreven stond, voor ons hooger, heiliger historie.

*

Men gevoelt aanstonds al het verleidelijke van deze voorstelling, en het baart waarlijk geen verwondering, dat zoovele godgeleerden er me medegingen. Het was toch niemand om de dorre opsomming van feiten zonder zin, maar een ieder om den zin en de beduidenis dezer feiten te doen. Welnu, op de wijze als we boven aangaven, kon men immers als dezen diepen zin blijven aannemen, en er met warmte en overtuiging, en zelfs met bezieling over spreken, zonder dat men daarom genoodzaakt was, dit alles letterlijk zoo op te vatten, zooals het daar stond. Alleen maar, deze godgeleerden zagen eenige onbetwistbare feiten, die heel hun voorstelling omver wierpen, zonder het te willen, voorbij. In de eerste plaats het feit, dat het menschelijk hart in Indi, in China, in Babylon, onder de Germanen |94| en waar niet al, tot deze voorstelling van den oorsprong der dingen, van den val, en van de wederoprichting des menschen niet was gekomen. Zelfs de zoo diepdenkende Grieken hadden zich dit alles heel anders gedacht. Uit dit feit bleek derhalve, dat het menschelijk hart, zonder meer, niet tot zulk een voorstelling komt, als Gen. 1-5 aangeeft, maar zich den gang der dingen heel anders voorstelt. — In de tweede plaats zag men voorbij, dat deze godgeleerden, die verklaarden de ervaringen en bevindingen van hun eigen hart, zoo juist in deze verhalen verklaard te vinden, tot deze voorstellingen en beschouwingen gekomen waren, niet buiten deze verhalen om, maar na ze gekend te hebben, en na opgevoed te zijn in een Christelijke kerk, die van den inhoud dezer verhalen doorvoed was. — Voegt men nu deze beide feiten bij elkaar, dan verkrijgt men alzoo het resultaat, dat het menschelijk hart zoo niet dichtte, waar het deze verhalen niet kende, en omgekeerd, dat waar het menschelijk hart waande ze aldus te dichten, deze dichting pas begon, nadat het den inhoud van zijn dicht aan deze verhalen ontleend had.

*

De opmerking, dat ook niet bedoeld was, dat het menschelijk hart uit zich zelf dit alles vinden kon, maar dat zulk een dichting alleen daar opkwam, waar de Heilige Geest op het hart zijn invloed uitoefende, heft dit bezwaar allerminst op. Immers de Heilige Geest, nu genomen als Bewerker van het menschelijk hart, kan ons wel innerlijke toestanden ontdekken, maar geen feiten doen vernemen. En toch juist op de ontkenning, dat we hier met geen feiten te doen hebben komt het aan. In China, in Indi enz. oordeelde men, dat de voorstelling die men zich daar van de eerste dingen vormde, juister paste bij het menschelijk hart. Dat hart gevoelde anders, zon anders, peinsde anders, en was op die wijs tot een geheel andere voorstelling gekomen, maar tot een voorstelling, die niets anders was, dan het spiegelbeeld van wat er omging in het eigen hart. Zoo zou dus het menschelijk hart, al naar gelang het dieper of ondieper leefde, onderscheidene voor stellingen aangaande het Paradijs en den val hebben gedicht, en ook de onze zou geen hooger waarde hebben, dan dat ze juist datgene wergaf, wat strookte met onze innerlijke gewaarwordingen. Zij hadden dus hun voorstellingen, en wij de onze, en zoowel voor hen als voor ons, kwam die voorstelling overeen met het zinnen en peinzen van ons hart, maar zonder dat er eenige zekerheid ontstond, dat deze voorstelling nu ook met de werkelijkheid overeenkwam. Hoogstens zou men zeggen kunnen, dat ons hart dieper zon en peinsde en dat er alzoo vermoeden bestond, dat onze voorstelling der waarheid nader bij kwam.

Iets wat de waarheid naderbij komt, staat intusschen nog volstrekt niet met de waarheid zelve gelijk. De Mahomedaan staat veel nader aan de |95| waarheid dan de dienaar van Bal of Moloch, en toch hoe eindeloos ver stond ook Mahomed niet nog van de waarheid af.

*

Wat we noodig hebben is zekerheid. Zekerheid aangaande de dingen, die bij den oorsprong en bij het opkomen van ons menschelijk leven plaats grepen, en dat leven in heel zijn verdere ontwikkeling beheerscht hebben. Zekerheid bovenal omtrent hetgeen God de Heere toen deed, verordineerde en sprak, alsook omtrent de beloften, die Hij gaf omtrent onze toekomst. En die zekerheid nu ontbreekt bij de voorstelling der Ethische godgeleerden te eenen male. In de logica behoort het tot het abc: Ab posse ad esse non valere conclusionem d.i., dat ge nooit zeggen kunt, omdat iets z kan daarom is het zoo geweest. En het was tegen deze grondwaarheid van alle gezonde logica, dat deze godgeleerden aanstieten. o, Gewisselijk, ze maakten het ons volkomen duidelijk, hoe uit de gewaarwordingen van ons hart en van ons innerlijk leven veel af te leiden is, dat deze dingen alzoo kunnen hebben plaats gegrepen. Indien het geschied ware, gelijk in Gen. 1-5 stond, dan kwam alles uit. Dit alles paste op ons hart, en het hart paste op wat daar verhaald werd. Alzoo konden ze zeggen, dat het zeer wel zoo had kunnen zijn. Maar tusschen dat kunnen zijn, en de zekerheid dat het zoo geweest is, gaapt een klove, die niemand overbrugt, tenzij u rechtstreeksche mededeeling uit dat verleden toekomt. Niet bericht of mededeefing, dat er ongeveer zoo iets, zoo iets van dien aard, iets dat in groote trekken zoo liep, moet hebben plaats gegrepen. Aan de groote trekken hebt ge hier niets. Juist op de kleine, fijne, enkele trekken komt het aan. Eerst als die vaststaan; als ge weet wat uw God schiep, sprak en verordineerde, en wat het hoofd van den stamvader van ons geslacht daarna deed, en welk oordeel toen over ons ging, en welke belofte toen gegeven, en welke genade toen geschonken werd, hebt ge grond onder de voeten, en staat er onder uw gebeiteld beeld een solied voetstuk.

*

Het is op dien grond, dat de Gemeente der geloovigen steeds weigerde, en altoos door weigeren zal, met zulke halve voorstellingen mede te gaan. Alle oorsprongen liggen in het duister. Gelijk iemand zonder de mededeeling van zijn ouders of bloedverwanten, niets uit zich zelven weten kan omtrent, zijn aardschen oorsprong, en zelfs niet weten zou wie zijn moeder is, tenzij die moeder zelve of anderen het hem geopenbaard hadden, zoo ook is het hier. Ook omtrent de oorsprongen van ons geslacht zouden we niets, volstrekt niets weten, zoo God het ons niet medegedeeld en geopenbaard had. Of nu al een kind naderhand zegt: „Dat dit mijn moeder is, voel ik aan mijn hart”, dit is in het minst geen grond van zekerheid. Zoo |96| menig kind, dat vroeg na de geboorte verruild, of aan een vrouw, die niet zijn moeder was, is toevertrouwd, heeft levenslang nochtans die vrouw als zijn moeder geerd, gemind en liefgehad. Maar de conclusie dat ze dus zijn moeder was, zou toch feil zijn gegaan. Feiten zijn nu eenmaal uit beseffen van het hart niet op te maken. Feiten als het hier geldt, vallen voor in het voorwerpelijke, en kunnen uit de voorwerpelijke geschiedenis alleen door mededeeling en door opteekening van die mededeeling tot ons komen. Een waarheid die drom hier iets breeder moest besproken worden, omdat we, eer we tot de Paradijsgeschiedenis overgaan, ons recht moesten handhaven en waarmaken, om de woorden letterlijk zoo te nemen, zoo als in Gen. 1-5 staan; op de feiten die ons in die woorden worden meegedeeld af te gaan; uit die feiten en woorden onze gevolgtrekkingen te maken; en alzoo tot de slotsom te komen, dat, niet maar voor onze verbeelding, en niet slechts in schijn, maar inderdaad en waarheid de oorsprong der dingen zoo lag, en zoo was, als hij ons in deze eerste hoofdstukken van de Heilige Schrift verhaald wordt.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie’ XIII.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000