XII. Een nieuwe bedeeling.

Want dat zal Mij zijn als de wateren Noachs, toen Ik zwoer, dat de wateren Noachs niet meer over de aarde zouden gaan; alzoo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal. Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen, maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer.

Jesaja 54 : 9, 10. a


Thans zijn we in staat, de slotsom uit het dusver besprokene op te maken. En dan komt het resultaat, in het gemeen genomen, hierop neer, dat na den Zondvloed een gewijzigde orde van zaken voor en op onzen aardbol is ingetreden, en dat het deze gewijzigde orde van zaken is, waaronder wij thans nog leven. Vůůr den Zondvloed was de toestand van de aarde zelve en van de menschheid die haar bewoonde, een andere. Door den Zondvloed onderging de aarde zelve een aanmerke ke gedaantewisseling. |82| En na den Zondvloed vertoont het leven op die aarde een ander karakter.

Die gewijzigde orde van zaken was uitvloeisel van ’s Heeren hoog bestel. Ook in wat toen plaats greep, ontrolde zich het plan van Gods raad. En in de keten der gebeurtenissen die het verloren Paradijs met het straks te herwinnen Paradijs verbindt, vormt ook de Zondvloed, en de wijziging die deze vloed in ons bestaan teweegbracht, een zeer belangrijken schalm.

Er openbaarde zich in den Zondvloed een heilige verbolgenheid des Heeren, maar het ontzettend oordeel, dat in dien vloed voltrokken werd, doelde niettemin op zijn genade. Het water van den Zondvloed was naar luid der uitspraak van den heiligen apostel Petrus, „een tegenbeeld van den Doop, die ons behoudt, en zulks door de opstanding van Jezus Christus” (1 Petr. 3 : 20, 21). Intusschen droeg de „genade” die in den Zondvloed betoond werd, geen bijzonder, maar een algemeen karakter. De arke behield niet ten eeuwigen leven, maar voor het tijdelijke leven op aarde. Vandaar dat in de arke niet alleen de „kerke Gods” gered werd, maar ook de verworpeling Cham, en ook de dieren. Verschil van gevoelen hierover is uit dien hoofde onmogelijk. De genade die hier bewezen wordt, is niet particulier, tot de uitverkorenen beperkt en leidende ten eeuwigen leven, maar algemeen, tot al wat adem heeft zich uitstrekkende, en leidende tot een menschelijk bestaan op deze aarde, onder deze bedeeling. Juist hierdoor is het Noachietisch Verbond voor ons van zoo overwegend belang, overmits het doelt op den toestand, die nu nog voortduurt en waarin wij zelven leven, en die ook voor onze kinderen en kindskinderen nog voort zal duren tot aan de Wederkomst des Heeren. De voorstelling, alsof wij alleen met het Nieuwe Testament hebben te maken, en met het Oude alleen voor zoover de schaduwe der nieuwe bedoeling reeds over IsraŽl gespreid lag, en alsof daarachter dan nog een Noachietisch Verbond lag, dat ons ganschelijk niet meer aanging, moet deswege ten krachtigste weÍrstaan. Het is juist omgekeerd. De IsraŽlietische toestanden zijn voorbijgegaan, en hebben voor ons geen andere dan principiŽele en profetische beteekenis; maar wat achter IsraŽl in de Noachietische bedoeling lag, is niet voorbijgegaan, maar bestond vůůr IsraŽl, onder IsraŽl, na IsraŽl, en bestaat nu nog. Het is de orde van zaken, te midden waarvan wij zelven leven, die destijds, onder Noach, is ingegaan.

*

Uit dien hoofde zijn we de bespreking van de algemeene genade begonnen met onze positie te nemen in het Noachietisch Verbond. Van daar zullen we dan op het Paradijs teruggaan, om voorts den loop der historie tot op onzen tijd te vervolgen, opdat tenslotte het gansche tafereel van de algemeene genade of de gemeene gratie onzes Gods in duidelijke trekken |83| voor ons sta, en de beteekenis van die gemeene gratie voor onze Gereformeerde belijdenis en de Gereformeerde practijk duidelijk in het licht zij gesteld. Met het oog hierop zagen we ons genoodzaakt, het Noachietisch Verbond breedvoerig te bespreken. Velen die niet inzagen, op welk doel we afgingen, vonden dit zelfs te breedvoerig, een enkele mompelde zelfs van breedsprakigheid. Toch zou een beknopter behandeling hier misplaatst zijn geweest.

Geheel de Noachietische geschiedenis is de laatste anderhalve eeuw derwijs verwaarloosd, op de catechisatie vluchtig afgehandeld, en uit de predikatie bijna geheel verdwenen, dat we geen vasten grond onder den voet konden krijgen, tenzij vooraf Gen. 8 en 9 nauwkeurig waren uitgelegd en toegelicht. Vooral de quaestie van de doodstraf had het juiste inzicht, in deze hoofdstukken op zoo bedenkelijke wijze verward, dat hier zonder deugdelijke en uitvoerige uitlegging niet verder was te komen. Het mocht niet een gevoelen tegenover een gevoelen blijven, maar op zekere wijze moest worden aangetoond, waarom de vage opvatting van deze kapittels geen steek houdt.

De verwaarloozing van deze Noachietische geschiedenis dagteekent van de beŽindiging der Coccejaansche en Voetiaansche geschillen. In dien strijd speelde deze geschiedenis een hoofdrol, maar om ongelukkigerwijze slechts als ťťn der vele verbondshistoriŽn in de langere of kortere reeks te worden opgenomen. Hierdoor werd de geheel eigenaardige en principiŽele beteekenis van het Noachietisch Verbond almeer uit het oog verloren. Dat het hier de „gemeene gratie”, en niet de „particuliere genade” gold, voelde men niet meer. En toen nu ten leste de moÍgestreden strijders het zwaard opstaken, was het Noachietisch Verbond voor het besef der gemeente niets anders geworden, dan een oordeel over de zonde, een waarschuwing tegen een brooddronken leven, en een zeer weinig beduidende voorbereiding voor het Verbond, dat straks met Abraham zou worden opgericht. Wie dan ook vergelijkt, wat zorge Petrus van Maestricht nog aan den tijd van Noach besteedde, met de vluchtige bespreking, die later aan het toen gebeurde ten deel viel, zal ons toestemmen, dat hier metterdaad over verwaarloozing en onderschatting te klagen valt; en met het oog hierop onze poging billijken, om door eenigszins breeder opvatting de beteekenis der Noachietische historie weer te doen opleven.

*

Vatten we nu het verkregen resultaat sa‚m, dan zij het ons vergund, dit aan te geven onder de hier volgende hoofdpunten.

In de eerste plaats, wat uit den Zondvloed gered wordt, is het menschelijk geslacht; niet maar enkele personen, maar het geslacht zelf, dat God in Adam als hoofd der menschheid schiep. Want wel werden er duizenden |84| en tienduizenden in den vloed verzwolgen, en daarentegen slechts acht menschenkinderen gered, maar die acht stonden in onderling verband. Het waren niet acht mannen, noch acht vrouwen; niet acht jongen of acht ouden, en ook niet acht personen van heinde en ver saamgeraapt; maar deze acht personen stonden met elkander in organisch verband. Ze vormden een huisgezin, ze vormden een geslacht. Ze waren mannen en vrouwen, ze waren ouden en jongen, ze waren vaders en moeders, er waren kinderen en die kinderen waren gehuwd. Hoe vreeselijk dan ook de Zondvloed tegen den stam der menschheid gewoed had, zoodat schier alle takken van dien stam waren afgerukt, en die stam zelf bijna tot op den bodem was afgeslagen, toch leefde de boom zelf nog in den wortel en in den afgehouwen stam; en straks is met verbazende snelheid die stam weer uitgeschoten, heeft weer takken naar alle zijden doen uitloopen, en aan die takken een rijken bladerendos aan de twijgen doen uitschieten. Wat thans op aarde leeft is dus ons menschelijk geslacht, en dat geslacht is uit de arke gekomen, en is, als door de arke gered, datzelfde menschelijk geslacht, dat eens in Adam geschapen werd.

*

In de tweede plaats is de aarde, waarop wij leven, nog altoos dezelfde aarde die voor den Zondvloed bestond, maar door de catastrophe van den Zondvloed op belangrijke wijze in haar geaardheid veranderd. De voorstelling toch, alsof er destijds niets zou geschied zijn, dan dat de wateren een tijdlang rezen en den aardbodem bedekten, om, straks weggevloeid, weer dezelfde gedaante des aardrijks te voorschijn te laten komen, blijkt op misverstand te rusten. In Jesaja 54 : 9, 10 spreekt God zelf van de wateren van Noach, en van den eed zijns Verbonds om geen vloed meer op de aarde te brengen, en laat er dan aanstonds op volgen: „Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar mijne goedertierenheid zal niet wijken, en het Verbond mijns vredes, zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer.” Lezen we nu in Gen. 7 : 11, dat de fonteinen des grooten afgronds werden „opgebroken”, en leert ons de aardkorst, dat er geweldige scheuringen en verzettingen en inzakkingen en opbarstingen hebben plaats gehad, dan schijnt in dat „wijken van de bergen”, en in „dat wankelen van de heuvelen” nog iets na te klinken van wat tijdens den Zondvloed is geschied. Het is dan ook opmerkelijk, dat in Psalm 46 : 3 en elders van „een verzetten van de bergen in het hart van de zeeŽn” gesproken wordt, en dat Jezus in zijn onderwijzing over het geloof nogmaals op dat geworpen worden in de zee van gansche bergen zinspeelt. Ook het feit dat Gen. 8 : 4 den berg Ararat als den hoogsten berg noemt, terwijl het een feit is, dat er thans veel, veel hooger bergen gevonden en beklommen zijn, spreekt ons van een geweldige verandering die in de aardkorst moet hebben plaats |85| gegrepen. Onze aarde moet derhalve na den Zondvloed een andere gestalte, een andere gedaante vertoond hebben dan vůůr den Zondvloed, en het „opbreken van de fonteinen des grooten afgronds” mag niet als dichterlijke uitdrukking, maar moet in letterlijken zin worden opgevat.

*

HiermeÍ is in de derde plaats tevens de waarschijnlijkheid gegeven, dat ook de verhouding van den dampkring tot onze aarde destijds wijziging onderging. Er staat dat „de sluizen des hemels werden geopend”, wat volstrekt niet hetzelfde is, als dat de wolken zich ontlastten. Brengt men dit nu in verband met Gen. 2 : 5, waar staat: „God de Heere had nog niet doen regenen op de aarde, maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde den ganschen aardbodem”; alsook met het opmerkelijke feit dat de regenboog tot teeken des Verbonds gesteld wordt, dan liggen hierin aanwijzigen te over, om ook voor wat den dampkring aangaat, aan zekere veranderingen te denken, die destijds intraden. In hoeverre deze dampkringsverandering nu weer samenhing met eenige gebeurtenis in de starrenwereld, blijve hierbij buiten bespreking, al verdient het de aandacht, dat alle profeten, en zoo ook de apocalypse van Johannes op Pathmos, bij de laatste catastrophe die nog komen zal, opzettelijk ook van gewichtige veranderingen gewagen, die in den stand van zon, maan en sterren zullen voorkomen. Voor ons doel is het genoeg, indien we maar op tweeŽrlei letten: 1º. dat de Zondvloed niet een eenvoudige wolkbreuk of sterke plasregen, maar een geheel exceptioneele verschijning in den dampkring is geweest; en 2º. dat de toen neergestorte wateren niet vernietigd zijn, maar op andere wijze dan voorheen, ’tzij aan Noord- en Zuidpool, ’tzij in de korst der aarde zijn verdeeld. Vast staat dat vůůr den Zondvloed de toestand van den dampkring zůů was, dat de Zondvloed er uit voortkwam, en dat hij nu zůů is, dat we tegen den terugkeer van zulk een zondvloed waarborg bezitten. Wat te komen staat met Christus’ wederkomst, is geen catastrophe door water, maar een catastrophe door vuur. Zie het maar in 2 Petr. 3 : 12: „De elementen zullen brandende versmelten.” Indien nu thans door vuur te wachten staat, wat destijds door water kwam, moet de algemeene gesteldheid, en in het bijzonder de verhouding van de aarde tot den danipkring wel wijziging hebben ondergaan.

*

In de vierde plaats treedt de zegen van den nieuwen toestand niet alleen voor de kerke Gods, maar voor al wat mensch is, ja zelfs voor de dierenwereld in. Het is niet de kerk die behouden wordt, om al wat binten de kerk is, aan het gemeen verderf prijs te geven, maar de genade hier bewezen, strekt zich uit over heel het menschelijk leven. Ook zeer |86| zeker, opdat de kerke Gods een plaats vond voor het hol van haar voet. En ook opdat straks de kerk des Nieuwen Verbonds uit alle volken en natiŽn haar geloovigen zou bijeenvergaderen. Maar toch ook wel terdege, opdat God de Heere zijn werk ook in dat breede menschelijke leven zou voortzetten, wel niet ter zaliging der zielen, maar dan toch tot prijs en verheerlijking van zijn grooten Naam. Als Hiram straks Salomo’s tempel bouwt, is die Hiram een zwerveling buiten Gods kerk. Hij heeft geen deel aan de particuliere genade van IsraŽl. Maar niettemin is de gave die in hem werkt, een gave door God hem verleend, en die gave wordt in den bouw van Jeruzalems tempel besteed tot verheerlijking van den Naam des Heeren.

*

In de vijfde plaats wordt de verhouding van de menschenwereld tot de dierenwereld geregeld, en eerst nu gebracht in dien toestand, waarin wij die verhouding kennen. De heerschappij over de dieren, die in Gen. 1 : 26 aan den nog onzondigen mensch was gegeven, en die zoo heerlijk blijkens Gen. 2 : 19, 20 door Adam vůůr zijn val was uitgeoefend, had uiteraard door den val schade geleden. Was ze in het Paradijs organisch, d.i. vanzelf werkende, door de zonde was ze in worsteling met het dier veranderd, en thans na den Zondvloed neemt ze het karakter aan „van een verschrikking en vreeze”, (Gen. 9 : 2), die bij de ontmoeting met den mensch over het dier uitging. In verband hiermede wordt „al het gedierte thans in de hand des menschen overgegeven.” Ja, sterker nog, de mensch ontvangt het recht, om het dier te dooden en tot spijze te nemen. Alleen van het lauwe bloed zal hij verre blijven, opdat het eten van het vleesch hem niet verdierlijke. En voorts treedt de gerechtigheid Gods op, om het leven des menschen tegenover het wild gedierte te beschermen. God zal het bloed, de ziel des menschen eischen „van de hand van alle gedierte.” Tusschen den mensch en het dier staat alzoo Gods genade in, om den mensch te beschermen. Een genade die zich uitspreekt in het beslag dat God op het dier tegenover den mensch legt, in het Nimrods-heroÔsme, waarmee Hij den mensch tegenover het dier bezielt, en in de wrake der vernietiging en der uitroeiing die allengs over alle roofgedierte gaat, waar het menschelijk leven zich volmaakte.

*

In de zesde plaats greep er een opmerkelijke, verandering in het leven van den mensch zelven plaats. Kennelijk nam zijn kracht af, en werd zijn ontwikkeling vervroegd. Zijn menschelijke kracht neemt af, want terwijl Noach een leeftijd van tien eeuwen bereikt, daalt die leeftijd bij Sem reeds op zes eeuwen, bij Heber op vier, bij Serug op twee, en bij Abraham reeds |87| op een levenbduur, die van den onze niet zoo veel verschilt. En ook werd de menschelijke ontwikkeling vervroegd, want terwijl vůůr den Zondvloed Methusalem eerst op een leeftijd van 187 jaren zijn zoon Lamech genereerde, wordt aan Sem zijn zoon Arphachsad reeds geboren toen hij 100 jaar oud was, en kreeg Arphachsad zijn zoon Selah reeds op 35-jarigen leeftijd. Bij Abraham is de orde der dingen reeds dermate gewijzigd, dat de geboorte van Isašk bij hem een wonder heette op een leeftijd, toen Methusalem nog bijna een eeuw leven moest, eer hij zijn kind kreeg. Dit te willen verklaren uit een langzame verachtering van ons geslacht is ongerijmd. In de 2000 jaren vůůr den Zondvloed blijft de levensduur zich over eeuwen uitstrekken. Adam leefde 930 jaren, en Noach, die twintig eeuwen later leefde, haalde de 950 jaren, en leefde dus nog 20 jaren langer. Van langzame verachtering vůůr den Zondvloed dus geen spoor. De daling in levensduur na den Zondvloed is plotseling, en gaat telkens met twee eeuwen tegelijk. Hier is dus een ingrijping Gods, die de levenskracht van den mensch opzettelijk verminderde, en die tegelijk hiermede zijn ontwikkeling vervroegde. Arphachsad staat op 35-jarigen leeftijd gelijk met Methusalem, toen hij pas 187 jaren oud was. Abraham was als man reeds verstorven op een leeftijd, toen voor de oudvaders het krijgen van kinderen pas begon.

Ongetwijfeid had dit lange leven van eertijds sterk bijgedragen tot de ontwikkeling van boosheid en ongerechtigheid. Nu nog zijn oude zondaars altoos het gevaarlijkst. En wat moet dan niet de uitbreking van ongerechtigheid geweest zijn, toen zulke „oude zondaars” acht en meer eeuwen voor den boeg hadden, om hun boosheid te voleinden. De verklaring „dat al het gedichtsel der menschheid te allen dage alleenlijk boos was geworden”, hangt dan ook stellig met dit lange leven der goddelooze en ongerechtige lieden sa‚m. Dit af te snijden was een stuiting van de ongerechtigheid. De kortere levensduur is genade. Genade ook voor de kinderen Gods, want hoe bang moet niet het heimwee naar den hemel zijn geweest voor een kind van God, dat acht en meer eeuwen op deze aarde leven moest.

*

En in de zevende plaats stelt God de Heere een orde voor het menschelijk leven in, die geschikt was, om de uitbreking van ongerechtigheid te stuiten. De vroeger alleen bestaande orde van de vaderlijke macht, en van de patriarchale invloeden, was daartoe ontoereikend gebleken. Daarom wordt nu de Overheid ingesteld, ten einde door die Overheid een ordelijke, menschelijke samenleving mogelijk te maken. En die Overheid wordt met majesteit bekleed, omdat het recht over leven en dood haar wordt toevertrouwd, opdat niet de tirannie van mensch over mensch, maar de heerschappij van God over zijn schepsel in haar zou vertoond worden. De moord, vůůr den Zondvloed zeker algemeen, kon voortaan door de doodstraf |88| beteugeld worden, en zoo zou eerst de vervulling van gansch de aarde door ons menschelijk geslacht mogelijk worden. „Weest vruchtbaar”, zoo spreekt de Heere, „en vermenigvuldigt, teelt overvloediglijk voort op aarde, en vermenigvuldigt op haar”, nadat reeds vooraf gezegd was: „Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde”. En juist aan dien zegen wordt nu de instelling van de doodstraf toegevoegd, opdat de onderlinge uitmoording, die bij KaÔn begonnen was, zou gestuit en hierdoor het bewonen van gansch de aarde mogelijk zou worden.

*

Op die wijze trad die geregelde en vaste orde van zaken in, waardoor eerst de historie van ons geslacht een aanvang kan nemen. Dit duidt de Heilige Schrift op tweeŽrlei wijze aan. Vooreerst wordt de vastheid der nieuwe orde van zaken aangegeven door de belofte: Voortaan zullen al de dagen der aarde zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht niet ophouden. En dat eerst nu de eigenlijke historie van ons menschelijk geslacht een aanvang neemt, ligt uitgesproken in de profetie, die de Geest aan Noach op de lippen legde, en die hem in zijn volle zegenspreuk over Sem, en zijn gedeeltelijke zegenspreuk over Japheth en in zijn vloek over Cham de lijnen deed trekken, waarlangs de historie der wereld zich ontwikkelen zou. In die profetie ligt metterdaad het kort program van heel de wereldhistorie, en de teleurstellende ondervinding met het negerras opgedaan, de duurzame beteekenis van de Joden en Mahoniedanen, als Sems nakomelingen, en de hooge beteekenis waartoe Japheth thans gekomen is, geven ons nůg den sleutel in handen voor de verklaring van de wereldgeschiedenis.

Zoo openbaart zich metterdaad in de veranderde orde van zaken, die na den Zondvloed intrad, een alles omvattende, heel de historie beheerschende, de voor onze toestand beslissende, en tot in de verste toekomst zich uitstrekkende daad van algemeene genade of van gemeene gratie, die dankbaar moet worden aanvaard, waarmeÍ bij onze belijdenis te rekenen, en waaruit onze beschouwing van het leven en van heel den toestand der wereld op te maken is. Wie deze machtige genadedaad Gods, en hiermeÍ zijn gemeene gratie voorbijziet of onderschat, vervalscht zijn blik op het leven, komt uit bij een valsch dualisme, en loopt zeer licht gevaar, om zijn Christelijke religie te laten afwijken van het Gereformeerde, d.i. van het zuivere spoor.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie’ XII.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000