IX. De instelling van de doodstraf. (Vervolg).

Want wij kennen Hem die gezegd heeft: Mijne is de wrake, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere, en wederom: De Heere zal zijn volk oordeelen.

Hebr. 10 : 30. a


Na hen bestreden, en zoo we vertrouwen, genoegzaam weerlegd te hebben, die in Gen. 9 : 6 geen gebiedende ordinantie vinden, die de Overheid verplicht om den moordenaar aan den lijve te straffen, komen we thans tot de Gereformeerde uitlegging van dit veelzeggende woord. Gelijk reeds uit de Kantteekenaren blijkt, komt die uitlegging hierop neer, dat God in deze uitspraak „de Overheid bevestigt, en de doodstraf verordent, omdat ook na den zondeval iets van Gods beeld in den mensch is overgebleven, en Hij niet toestaat dat dit zijn beeld straffeloos geschonden worde.” Letterlijk schrijven zij: „Hier wordt het ambt der Overheid bevestigd, en het zwaard haar gegeven tot straf der boosdoeners, Rom. 13 : 1 enz.” En bij het slot van het vers teekenen zij aan: „Ofschoon Gods beeld door den val geschonden en vtbroken is, zoo heeft nochtans God eenig overblijfsel daarvan, om verscheidene redenen, in den mensch gelaten; |60| hetwelk Hij niet begeert geschonden te hebben, maar verordent hier straffe van zoodanige schending.”

Deze korte verklaring drukt metterdaad het algemeene gevoelen der Gereformeerden op dit stuk zuiverlijk uit, gelijk, o.a. te zien is in den Commentaar van den hoogleeraar Rivet, van Leiden, die in Tom. 1 p. 236 van zijne Opera omnia breedvoerig het nu weer door Prof. Domela Nieuwenhuis voorgestane gevoelen weerlegt, en duidelijk doet uitkomen, hoe volstrekt onhoudbaar de opvatting is, alsof in Gen. 9 : 6 eenvoudig, bij manier van doellooze voorzegging, voorspeld werd, dat de moordenaar vroeg of laat door bloedwraak als anderszins een gewelddadigen dood zal sterven. Hij zegt dat dit onjuiste gevoelen voorgestaan werd door de Wederdoopers en de Socinianen, en stelt hier tegenover nu als resultaat van zijn eigen onderzoek dit: „Hetgeen hier voor ons ligt is een verordening of instelling Gods, door zijn eigen woord afgekondigd, volgens welke ordinantie het onze plicht is, dat een ieder, die als privaat persoon het schandelijk stuk bestaan heeft, om het bloed van een mensch te vergieten, door een mensch, die daartoe wettelijk aangesteld is, d.i. door de Over'heid, ter dood worde gebracht.” Calvijn spreekt zich in gelijken geest uit, en steeds is dit gevoelen door de Gereformeerden tegenover de Socinianen en anderen verdedigd. Zelfs mag er aan toegevoegd, dat de Gereformeerden hierin volstrekt niet alleen staan, qaar dat ook de Luthersche, en evenzoo onderscheidene oud-Christelijke uitleggers in hoofdzaak met dit gevoelen overeenkomen. Luther legt er zelfs nog meer rechtstreekschen nadruk op, dan in Calvijns Commentaar geschiedt.

Dit laatste heeft een bijzondere oorzaak. Calvijn vestigt er namelijk de aandacht op, dat de moordenaar soms zijn gerechte straf van de zijde der Overheid ontloopt, en om nu den moordenaar alle inbeelding te ontnemen, als ging, wie de Overheidsstraf ontloopt, deswege vrij uit, wijst hij er opzettelijk op, dat er naast de Overheidsstraf nog een „oordeel Gods” loopt, dat soms zelfs reeds hier op aarde den moordenaar aan den lijve straft. Dit geschiedt dan, gelijk hij het uitdrukt, „door een verborgen bestel” Gods, zoodat vroeg of laat de moordenaar toch door menschenhanden omkomt, gelijk dit vaak in den oorlog, zooals hij opmerkt, plaats grijpt. Natuurlijk wil Calvijn niet zeggen, dat een moordenaar altoos, hetzij door het zwaard van de Overheid, hetzij door het zwaard van een privaat mensch, omkomt. Er zijn ook moordenaars die op hun bed sterven. Dit echter heft daarom noch het vonnis noch de straf op, maar verschuift die siephts naar het „laatste oordeel”, en naar de „eeuwige straf.” Vast staat, dat God voor elken moordenaar straf eischt, edoch dit geschiedt op drierlei manier. Waar zijn bevelen en ordinantin gehoorzaamd worden door de Overheid. Zoo dit uitblijft, door particuliere door God daartoe verwekte personen. En in de derde plaats, zoo noch het n noch het ander voorafging, |61| op den jongsten dag. Op het voetspoor van Calvijn heeft ook Rivet hierop de aandacht gevestigd. En dat ook onze Kantteekenaren van dit gevoelen waren, blijkt duidelijk uit hun verwijzing bij Gen. 9 : 6, naar Klaagl. 4 : 13, Matth. 26 : 52 en Openb. 13 : 10, drie uitspraken waarin juist het feit geconstateerd wordt, dat wie met het zwaard slaat door het zwaard vergaan zal, en dat het bloed van den vermoorde, dat in de aarde wegzonk, door God gekend is en door God zal gewroken worden. Ze geven alzoo eerst de verklaring, dat hier de doodstraf verordend was, maar wijzen er, evenals Calvijn, tegelijk op, dat nevens de doodstraf nog een andere wijze van vergelding loopt, die allerminst de verordening van de doodstraf opheft, maar van toepassing wordt, waar de doodstraf uitblijft, hetzij omdat de moordenaar niet ontdekt, zijn schuld niet bewezen, of ook door de ongehoorzaamheid der Overheid aan de ordinantie Gods, bij het leven gespaard werd.

Wat de geschiedenis der uitlegging aangaat, kan men dan ook, zonder vrees voor tegenspraak, zeggen, dat de Christelijke kerk in haar breedere strooming steeds Gen. 9 : 6 verstaan heeft gelijk Rivet dit deed, en dat het alleen de ketters waren, die tegen deze uitlegging in verzet kwamen, hetzij gelijk de Doopers, omdat zij de bedeeling der bijzondere genade als toetssteen op de Overheid en het Burgerlijk bestuur wilden toepassen, hetzij gelijk de Methodisten en anderen, omdat zij in de eerste plaats naar de bekeering van den zondaar, en eerst daarna naar het recht Gods vroegen. Wat Luther bij de verklaring van Gen. 9 : 6 uitsprak, is dan ook in het minst niet overdreven: „Hier, in Gen. 9 : 6, zegt Luther, ligt de bron waaruit alle burgerlijk recht en heel het volkenrecht gevloeid is; want waar God hier aan den mensch de macht verleent om te beschikken over het leven en den dood van den medemensch, sluit dit natdurlijk ook het mindere in, en alzoo de macht om ook in zake van bezit en anderszins te beslissen”.

*

Intusschen, hiermede is de zaak nog niet uitgemaakt; de mogelijkheid is wel zeer klein, maar toch denkbaar, dat de groote exegeten der Christelijke kerk gedwaald hadden, en dat de ware uitlegging van Gen. 9 : 6 te vinden ware bij de Socinianen, de Doopers en andere sectarissen. We hebben daarom de plaats zelve te onderzoeken, en te zien, of inderdaad deze uitlegging strookt en overeenkomt met wat er staat. En dan beginnen we nogmaals met het slotwoord, van dit vers op te nemen, en scherp te letten op de woorden: „Want God heeft den mensch naar zijn beeld gemaakt.” In deze woorden toch zit de sleutel tot het verstand van heel het vers.

Dit slot is namelijk redengevend. Het wordt ingeleid door het reden |62| gevende voegwoord: want. Een eisch is het derhalve, dat hetgeen voorafgaat z verklaard worde, dat de reden er voor te vinden zij in het feit, dat God den mensch naar zijn beeld geschapen heeft. Nu bestaan hier twee mogelijkheden. De eerste is, dat in het feit, dat God den mensch naar zijn beeld schiep, de reden ligt, waarom de mensch den moordenaar moet straffen; en de andere, dat er de reden in ligt waarom de moordenaar van een mensch alzoo moet gestraft worden. In het eerste geval zou de redeneering aldus luiden: Het recht om den moordenaar te straffen komt aan den mensch toe, overmits de mensch, krachtens zijn schepping naar Gods beeld, met majesteit bekleed is. In het tweede geval zal daarentegen het redebeleid aldus komen te staan. Omdat de mensch naar Gods beeld geschapen is, staat het moorden van een mensch gelijk met het aanranden van Gods majesteit, en wegens dezen gruwel moet hij gedood. — Een derde uitlegging is ondenkbaar. Ge kunt niet zeggen, een moordenaar komt gemeenlijk op gewelddadige wijze om en vindt op zijn beurt een mensch die hem vermoordt, want de mensch is naar den beelde Gods geschapen. Zulk een moorden van den moordenaar is toch de vrucht van haat, wraak of nijd, en noch haat noch wraak noch nijd kunnen verklaard worden, als uit het beeld Gods voort te vloeien. Nooit en nimmer kan iemand druit, dat hij als privaat persoon iemand ombrengt, die een moord op zijn geweten heeft, doen blijken dat hij naar den beelde Gods geschapen is. Wel het tegendeel. Immers uit Gen. 1 blijkt, dat in „het geschapen zijn naar den heelde Gods,” op zich zelf nog geen enkele heerschappij besloten lag, zelfs niet over de dieren. Ware dit het geval geweest, zoo zou de heerschappij over de dieren niet als iets opzettelijks er aan zijn toegevoegd. En toch dt juist is het, wat Gen. 1 ons meldt. Nadat de mensch naar den beelde Gods geschapen was, en toen hij nog in zijn oorspronkelijke zuiverheid voor zijn God stond, is hem de heerschappij over de dieren door een afzonderlijke beschikking Gods opgedragen. En wel was deze beschikking een scheppingsordinantie, die volkomen paste op ’s menschen zuivere natuur, en alzoo met zijn schepping naar den beelde Gods overeenkwam, maar toch zou hieruit, zonder zulke opdracht, in het minst geen recht voor den mensch zijn voortgevloeid. Onze Gereformeerde vaderen legden hier nadruk op, om ongeschonden de souvereiniteit Gods te handhaven. Gode komt alle ding toe. Zijns is al het geschapene. Ook het dier. En uit dien hoofde komt de beschikking ook over het leven van het dier alleen aan God toe, en kan alleen door Hem op den mensch worden gelegd. Geldt dit nu reeds van het dier, dan geldt het a fortiori van den mensch, en kan nooit gezegd worden, dat een eenig mensch, wie ook, van nature of krachtens zijne schepping, het recht zou bezitten om aan een zijner medemenschen het leven te ontnemen. Ook over den mensch heeft alleen God te zeggen, en God te beschikken. Hij is het die doodt en |63| levend maakt. En nooit bezit eenig mensch het recht om een ander mensch het leven te benemen, tenzij God zelf hem dat recht geeft of er hem de verplichting toe oplegt. Gesteld ook al, dat iemand, ziende, hoe een moordenaar een weerloos kind wreedaardiglijk vermoordde, in verontwaardiging den moordenaar aanviel en hem doodde, dan zou zelfs in dit gunstigste geval dit neerleggen van den moordenaar nooit uit het beeld Gods zijn af te leiden. Dat een ander moordt, schept in het minst voor u nog geen recht, om hem te vermoorden. In de dusgenaamde bloedwraak kan dit voorkomen, voor zoover aan de burgers een deel van de rechtspleging wordt overgelaten, maar alsdan vloeit ook die bloedwraak uit de ordinantie van de doodstraf voort, en valt hier dus buiten.

Op geenerlei manier is derhalve het zeggen: „Want God heeft den mensch naar zijn beeld geschapen”, tot zijn recht te brengen, zoo men den moordenaar sterven laat onder de uitoefening van opzettelijke wraakzucht of als gevolg van toevalligen moordlust bij derden. Zin, en met name redengevenden zin heeft dit slot van het vers alleen bij de onderstelling, dat hier de reden wordt opgegeven, waarom de moord niet ongestraft mag blijven, maar naar luid van Gods ordinantie en op zijn gezag, gestraft zal moeten worden. Die reden, die oorzaak, waarom de straf niet mag uitblijven, laat zich uitnemend verklaren, uit de waardigheid die in den vermoorde schuilt. De moord op een gezant gepleegd, wordt te zwaarder gestraft, omdat die gezant drager van de autoriteit des konings was, en tot op zekere hoogte zijn beeld vertoonde. En zoo ook laat het zich uitnemend verklaren en verstaan, dat God zegt: „De moordenaar moet met den dood gestraft, om de waardigheid die in den vermoorde als drager van mijn beeld school.” Het is eisch, den moordenaar te straffen, niet omdat hij een schepsel versloeg, dat zou nog het erge niet wezen, maar wel omdat hij de hand sloeg aan een schepsel dat met mij in betrekking stond, oorspronkelijk naar mijn beeld geschapen was, en dus niet kon aangerand worden, zonder dat men in hem tevens mijn Koninklijke majesteit schond en aanrandde. Een zondaar is op zichzelf volstrekt niet altoos zulk een respectabel persoon, en er zijn heel wat schavuiten van wie gezegd mag, dat het een zegen voor ons zou zijn, als we van de aarde verdwenen. Niet in den zondigen mensch als zoodanig schuilt dus op zichzelf de waardigheid, die bij schending de doodstraf eischt. Maar in al wat mensch heet, hebt ge, hoe diep die mensch ook gezonken zij, toch altoos te doen met een creatuurlijk wezen, waarin grondtrekken liggen, die van het beeld Gods zijn genomen, en het is uit dien hoofde, dat ge niet om dien zondaar, maar om mijnent wil, dat leven van den mensch ontzien zult, en zoo ge het niet ontziet, die euveldaad met uw eigen leven te boeten hebt.

*

|64| Op God en op zijn majesteit komt het hier dus aan. Niet gelijk velen het voorstellen op de bescherming van het menschenleven, teneinde moord te voorkomen. Dat is wel het gevolg er van, het is ook wel het doel, waarom God deze ordinantie instelt, maar het is niet de grond waaruit deze ordinantie opkomt. Die grond ligt eeniglijk in Gods souvereiniteit. De menschen zijn zijn menschen. Ze behooren Hem toe. Hij heeft er over te gebieden. En overmits Hij in die menschen iets van zijn eigen Goddelijke eere heeft gelegd, daarom wordt door een moord altoos de eere Gods aangerand. Dat nu mag niet. Daartegen gaat zijn ordinantie in. En juist op dien grond alleen kan voor den moordenaar de doodstraf verordend worden.

Over dit laatste leze men niet heen. Van oudsher toch is tegen deze eenig juiste uitlegging van Gen. 9 : 6 de bedenking opgeworpen, dat alsdan de scherprechter die het bloed van den moordenaar vergoot, ook weer zou moeten gedood worden. Ook hij had menschenbloed vergoten, en ook zijn bloed moest dus vergoten worden. En metterdaad bezit deze opmerking, gelijk ons vorig artikel aantoonde, volle kracht, zoo men Gen. 9 : 6 van de particuliere verdelging van den moordenaar verstaat. Wie zonder last van Godswege een mensch doodt, maakt zich aan het vergieten van zijn bloed schuldig. Ook zijn bloed zou uit dien hoofde weer moeten vergoten worden. Daarna weer het bloed van wie hem doodde. En alzoo zou het rustpunt eerst bereikt zijn, als de laatste mensch overbleef, die dan niet anders kon doen dan zijn eigen bloed vergieten. — Maar geheel deze ongerijmde redeneering valt terstond weg, zoo ge, naar eisch van het Gereformeerde beginsel, rekent met het souvereine recht Gods. Dan toch is Hij het, wiens recht en eere door den moord geschonden worden; dan geschiedt de terdoodbrenging van den moordenaar nooit anders dan door dengene aan wien God daartoe de opdracht geeft; en dan kan er bij de uitvoering van de doodstraf drom nooit van een tweede schending van Gods eere en recht sprake zijn, omdat ze krachtens Gods ordinantie en op zijn gezag voltrokken wordt. Alleen bij de oude, vaststaande uitlegging vervalt dus de absurde consequentie, waartoe elke opvatting, als ware hier sprake van wat privatelijk geschieden zal, vanzelf leidt. Niet des menschen leven, maar de eere Gods in het naar zijn beeld geschapen schepsel is dan het rechtsmotief. Iets dat zelfs uit de keuze der woorden blijkt. Er staat toch, gelijk we reeds in ander verband opmerkten, niet: „Want de mensch is naar Gods beeld geschapen”, maar actief, met den naam des Heeren voorop: „Want God heeft den mensch naar zijn beeld geschapen”, d.i. God heeft den mensch als zijn representant in deze schepping geplaatst, en hem als zijn gezant, en als drager van zijn waardigheid, op deze aarde uitgezonden.

*

|65| Staat hiermee de uitlegging van het slot van het vers vast, dan is daarmee tegelijk ook de beteekenis van de eerste zinsnede van het vers beslist. De woorden: „Wie des menschen bloed vergiet, zijn bloed, zal door den mensch vergoten worden”, kunnen dan geen bloote profetie, noch een overtollige opmerking over wat natuurlijk geschiedt, inhouden, maar moeten ook in de volle kracht van het „zal” verstaan worden. Zullen beteekent hier dan moeten, een beteekenis die in de Hebreeuwsche woorden metterdaad ook alzoo inzit. In Ex. 21 : 12 lezen we: „Wie iemand slaat dat hij sterft, zal zekerlijk gedood worden.” Ook hier staat niet: moet, maar zal, al is het toch volkomen duidelijk, dat zal hier moet beteekent. — Nog een zijdelingsche opmerking zij hieraan toegevoegd. Bij bepalingen die diep in het geheugen moeten geprent worden, bezigt de oorspronkelijke tekst vaak allittereerende uitdrukkingen, die het gemakkelijk maken om zulke uitspraken in het geheugen te behouden. Men verstaat onder allittereerende uitspraken, een zinsnede waarin meerdere woorden met eenzelfde letter of lettergreep beginnen. Als b.v. in Ps. 2 naar onze berijming staat, dat God „zijn stoel op starren sticht”, dan is de herhaling tot driemalen toe van dat st hier een allittereerende wijze van spreken, die kracht bijzet en het geheugen te hulp komt. Zoo nu, we wezen er reeds op, luidt ook de ordinantie in Gen. 9 : 6 in het Hebreeuwsch: Dam ha-Dam ba-Dam Damo, met viervoudige herhaling van den klank dam, die bloed beteekent. En nu trekt het de aandacht, dat in Exod. 21 : 12, waarin eveneens de doodstraf, nu bepaaldelijk voor Isral, wordt ingesteld, weer zulk een alliteratie voorkomt. Er staat toch in het Hebreeuwsch: „Makkee isj wa-Meet Moot joe-Maat.” Alzoo vier woorden die met de letter m beginnen. Deze solemneele wijze van uitdrukking nu versterkt ook in Gen. 9 : 6 het op zichzelf reeds duidelijke gevoelen, dat we ook hier met een ordinantie, met een gebod, met een instelling Gods te doen hebben. De vorm stemt hier met den inhoud overeen.

*

Ons resultaat kan derhalve geen ander zijn, dan dat de Christelijke kerk steeds te recht in deze woorden, niet een profetie, maar een gebod, een ordinantie heeft gelezen, en dat God in dit woord aan den mensch het recht verleent over het leven van den moordenaar, en aan den mensch den plicht oplegt, om den moordenaar aan den lijve te straffen. Dit nu leidt onmiddellijk tot de vraag, aan welken mensch hier deze verplichting wordt opgelegd, en dan toont de zaak overtuigend, dat niet kan bedoeld zijn: een ieder die wil, maar dat de aanwijzing van den hier bedoelden mensch naar vasten regel en orde moet plaats hebben; en in zooverre had Luther volkomen gelijk met te zeggen, dat hier de officieele instelling van de Overheid ligt, en onze Kantteekenaren met op te merken, |66| dat het recht der Overheid hier bevestigd wordt. Al merkt men toch aan, dat ook reeds vr den Zondvloed een enkel geweldenaar zich een soort heerschappij over anderen had aangematigd, of ook dat velen soms, om zich te verweren, een hoofd over zich hadden aangesteld, aan al zulk optreden van een gezaghebbend persoon ontbrak dusver nog alle hoogere sanctie. Menschen kunnen geen gezag scheppen. Dat kan God alleen. En al wilden alle menschen saam zeggen: „Wij stellen een hoofd over ons aan, en dragen hem het recht op, om in geval van moord den moordenaar te dooden”, dit zou niets dan aanmatiging zijn. Alleen God, die aller souverein is, kan den mensch over anderen zetten en met gezag over hen bekleeden, en zoo ook kan God alleen, die ons aller leven schiep, aan den alzoo met gezag bekleeden mensch het recht geven om over anderer leven te beschikken. Welnu, dat staat hier dan ook. Dusver bestond van Godswege op aarde nog niets dan het vaderlijk gezag, en het vaderlijk gezag houdt geen recht in, om het kind te dooden. Uit het vaderlijk gezag kan alzoo bij overdracht hier niets voor de Overheid worden afgeleid. Maar na den Zondvloed heeft nu die opdracht van gezag, in de toekenning van het recht over leven en dood plaats. God zelf spreekt hier. Hij gebiedt en verordent. Hij is het die zulk recht aan menschen toekent, en al wie als mensch dit recht zal uitoefenen, heeft dit te doen in Gods naam, en in gehoorzaamheid aan zijn bevel. Wie hier aan tornt, wrikt derhalve niet alleen het gebod Gods over de doodstraf los, maar haalt tevens een streep door de uitdrukkelijke verklaring van God Almachtig, die, na den Zondvloed, aan het optreden van de Overheid zijn sanctie verleent. Stel dat Cham Sem om het leven had gebracht, dan had Noach Cham met den dood moeten straffen, niet omdat hij Chams vader was, maar als door God over Cham en Sem aangewezen overheid.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie’ IX.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000