VIII. De instelling van de doodstraf.

Toen zeide Jezus tot hem: Keer uw zwaard weder in zijne plaats: want allen, die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.

Matth. 26 : 52. a


We komen thans tot het uiterst gewichtig zesde vers uit Genesis negen; een Schriftuitspraak waarop, om haar buitengemeene beteekenis, de aandacht niet ernstig genoeg kan gevestigd worden. Er staat in dat vers dit: „Wie des menschen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch vergoten worden; want God heeft den mensch naar zijn beeld gemaakt”. Nog zeer onlangs heeft de hoogleeraar, die het Strafrecht aan de Rijks-universiteit te Groningen onderwijst, de hooggeleerde heer Mr. J. Domela Nieuwenhuis, in het weekblad de N. Sprokkelaar (No. van 21 Juni 1895), deze uitspraak der Heilige Schrift opnieuw in het geding over de Doodstraf ter sprake gebracht, maar op een wijze, die, gelijk ons blijken zal, te eenen male onhoudbaar is. Ziehier ’s hoogleeraars betoog:

Genesis 9 : 6 doelt blijkbaar op de privaatbloedwraak, die in de oude tijden bij schier alle bekende volken werd toegepast. Er wordt niets |52| anders gezegd dan dat hij, die menschenbloed vergiet, deswege van menschen zal ontvangen eene overeenkomstig den toenmaligen stand der beschaving geschikte vergelding. De Heer staat hier toe, wat Hij in vers 5 zegt zijn recht te zijn. Hij toch zeide aldaar: „Ik zal wreken”, dat wil zeggen: „Mij komt de wraak toe.” Daaruit volgt echter in geenen deele eene voor alle volken en alle tijden der overheid opgelegde verplichting tot toepassing der doodstraf. En leest men die daaruit, men zij consequent en onderscheide niet tusschen moord en opzettelijken, noch zelfs onwilligen doodslag. Er staat toch: „Wie menschenbloed vergiet, diens bloed zal ook door menschen vergoten worden.” De overige door u aangehaalde plaatsen uit het Oude Testament bevatten geen tot Noach gerichte woorden, maar houden bepalingen in van de Mozaďsche wetgeving, die voor het Israëlietische volk hebben gegolden. Daaromtrent wensch ik u alleen te vragen, of gij in ernst meent dat de Israëlietische wetgeving eene voor ons volk en onzen tijd bindende kracht heeft? Mijns inziens leeft de Christen onder de nieuwe en niet onder de oude bedeeling. En nu is het u toch zeker bekend, dat onze Heiland en Heer herhaaldelijk heeft gesproken: „tot de ouden is gezegd, maar Ik zeg u.” Die woorden golden o.a. het „oog om oog, tand om tand.”

Het tweeledig slot van dit betoog kan kort weerlegd. De bewering, dat de wetgeving die van Godswege aan Israël was opgelegd, in al haar omvang nog heden ten dage zou zijn toe te passen, is noch door de N. Sprokkelaar noch door eenig ander orgaan onzerzijds uitgesproken. Tegen die bewering verschiete daarom de hoogleeraar niet noodeloos zijn pijlen. Maar wel is van Gereformeerde zijde steeds staande gehouden, en wordt nňg gemainteneerd, dat in deze wetgeving te onderscheiden is tusschen de zedenwet, de ceremonieele en de politieke wetten, en dat, voor wat deze laatste aangaat, onderscheid moet worden gemaakt tusschen de algemeene beginselen, die aan zulk een wettelijke bepaling ten grondslag liggen, en den vorm waarin deze beginselen, met toepassing op tijden en toestanden, zijn uitgewerkt. Die vorm nu verviel, maar die beginselen bleven, en alleen aan die beginselen, als van Godswege vastgezet, blijven we gebonden. Reeds bij den hoogleeraar Junius, een der eerste Gereformeerde godgeleerden, die hier te lande hooger onderwijs gaven, kan de hoogleeraar Domela Nieuwenhuis dit standpunt vinden toegelicht. (Zie Fr. Junii, Opuscula Theol. Selecta, ed. A. Kuyper, Amst. en Leipzig, Frederik Muller en Brockhaus, p. 329, de Politiae Moysis observatione). — Even kort kan de tweede opmerking afgedaan, die uitgaat van de voorstelling alsof onze Heiland, toen hij te velde trok tegen hetgeen „van de ouden” gezegd was, hiermede bedoeld zou hebben de wetgeving van Mozes. Niet alleen toch door anderen, maar ook in ons blad, is met duidelijk en breedvoerig bewijs aangetoond, dat deze voorstelling te eenen male in strijd is met hetgeen er staat. „De ouden” zijn niet Mozes en Aäron, maar de |53| Joodsche Schriftgeleerden na de ballingschap, die de bepalingen der Mozaďsche wet van haar geestelijken wortel afsneden en formalistisch beperkten en vervalschten. „Oog om oog” was in de Mozaďsche wetgeving een bepaling van strafrechtelijken aard. Ze bedoelde in het minst niet, dat de particuliere burger daarnaar handelen zou, maar alleen dat de Overheid bij haar strafrecht, zich op het standpunt der vergelding zou plaatsen. De „ouden” daarentegen, dat zijn de Schriftgeleerden, vervalschten deze bepaling, door er recht tot persoonlijke wraakzucht aan te ontleenen, en er een regel van gedraging voor het particuliere leven in te zien. En met het oog daarop nu zegt Jezus m.a.w.: De valsche Schriftgeleerden hebben u ingeprent, dat het onder u „oog om oog” en „tand om tand” zal zijn, doch ik zeg u, niet als iets nieuws, maar iets dat reeds in het Oude Verbond geleerd was: Hebt uwe vijanden lief, en doet wel dengenen die u haten. Juist zooals er in Spreuken 25 : 21 staat: Indien dengene die u haat hongert, geef hem brood te eten; en zoo hij dorstig is, geef hem water te drinken.

Eenvoudige inzage van de Kantteekeningen op den Staten-Bijbel, had den hoogleeraar voor vergissing op dit punt kunnen vrijwaren. Bij Matth. 5 : 21 wordt daar toch opgemerkt, dat hier „de uitleggingen der Schriftgeleerden” door Jezus weerlegd worden; dat de hier voorkomende leeringen niet bij Mozes, maar alleen bij hen worden gevonden; en dus hetgeen Jezus hier tegenover stelt, niet nieuw is, maar reeds in het Oude Testament aldus voorkomt. En nu stond het den hoogleeraar natuurlijk wél vrij, om tegen die verklaring in verzet te komen, zoo hij kans ziet ze omver te werpen; maar wat hij niet mocht doen was, zich aan te stellen, alsof er geen andere dan zijne opvatting van deze rede van Jezus bestond. Intusschen kan, wat verzuimd werd, nog ingehaald worden, en is er ernstig tegenbetoog te leveren, dan zal de hoogleeraar hiermede wel uitkomen.

*

Hoofdzaak echter blijft de vraag of het waar is, dat in Gen. 9 : 6 niet anders bedoeld wordt dan de particuliere bloedwraak, en of alzoo deze uitspraak met de doodstraf niets uitstaande heeft. Dit gevoelen van den hoogleeraar achtten we te moeten bestrijden, en we willen van die bestrijding rekenschap geven.

En dan beginnen we met op te merken, dat het zesde vers niet als iets nieuws bij het vijfde bijkomt, maar strekt om het slot van vers 5 nader te bepalen. In vers 5 was gezegd, dat God Almachtig „de ziel des menschen van de hand eens iegelijken zijns broeders zou eischen”; en hier in vers 6 wordt nu de wijze waarop dit geschieden zal, ingesteld, t.w. dat God den moordenaar rechten zal door een mensch. Dat dit en dit alleen de juiste en klemmende uitlegging is, blijkt uit het ontbreken bij het zesde vers van elk voegwoord. Stond er: „En, of En voorts een iegelijk die ’s menschen |54| bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch vergoten worden”, dan zou dat voegwoord en of en voorts te verstaan kunnen geven, dat het vorige nu afgedaan was, en hier een nieuwe zaak begon. Maar nu elk voegwoord ontbreekt, en vers 6 zonder eenig verbindingslid, nog wel in den vorm van het deelwoord 1), aan vers 6 wordt toegevoegd, eischt gezonde uitlegging, dat vers 6 verstaan worde, als de nadere uitlegging van hetgeen in het slot van vers 5 geleerd was. Een tegenstelling toch kan er op geen manier in liggen. Zulk een tegenstelling immers had dan in de taal moeten zijn uitgedrukt. Nu er niets staat, mag men vers 6, noch als een nieuw onderwerp behandelend, noch als tegenstelling opvatten, maar moet het in uitleggenden zin verstaan d.i. als nader bepalende op wat wijs en door welk middel God zelf de vergieting van ’s menschen bloed wreken zal. Zelfs de keuze der Hebreeuwsche woorden is er door allitteratie 2) op aangelegd, om dezen rechts, regel diep in het hart en vast in het geheugen te prenten. „Dam haäDam baäDam Damo” getuigt van opzettelijke woordenkeus en woordschikking.

De eerste onzekerheid die hier nu moet weggenomen, betreft de vraag, of we in vs. 6 te doen hebben met een verklaring, dat het zoo zal geschieden, of wel met een instelling dat het zoo moet geschieden. Als Jezus tot Petrus zegt: „Wie met het zwaard slaan, zullen door het zwaard vergaan,” wordt er niets geboden, niets bepaald, niets ingezet, niets ingesteld, maar eenvoudig gewezen op het feit, dat wie het zwaard trekt, zich zelven bloot geeft. Evenzoo nu zou men ook Gen. 9 : 6 willen opvatten, alsof de woorden: „Wie ’s menschen bloed vergiet, diens bloed zal door des menschen hand vergoten worden”, niets anders beduidden, dan dat dit de gewone loop der dingen zoo is, deels doordat de vermoorde allicht wrekers vindt, om diens bloed op zijn moordenaar te verhalen, df ook omdat zekere mystieke gerechtigheid er vaak toe leidt, dat wie een ander moordde, vroeg of laat op zijn beurt door een ander vermoord wordt. Ware dit nu de bedoeling van deze woorden, dan natuurlijk zou hier niets omtrent de doodstraf staan, en zou uit dit vers nooit de instelling van de doodstraf mogen worden afgeleid. Op dit punt komt dus alles aan. Is de voorstelling alsof hier eenvoudig gezegd zou worden: „Gewoonlijk wordt de moordenaar op zijn beurt vermoord”, de juiste, dan moet ons gevoelen prijsgegeven. Blijkt daarenteg4n dat deze voorstelling te eenen male onhoudbaar is, en dat omgekeerd vers 6 te verstaan is als een gebod en instelling, dan is hiermeę het standpunt van den hoogleeraar onhoudbaar bevonden, en is de weg voor de vaststelling van onze opvatting gebaand. |55|

Dat nu metterdaad het laatste het geval is, blijkt op volkomen zekere wijze uit het slot van het vers, waar staat: Want God heeft den mensch geschapen naar zijn beeld. Hier valt nu natuurlijk alle nadruk op het voegwoordeke: want. Dit voegwoord is er niet in de vertaling bijgevoegd, maar het staat er zoo in het Hebreeuwsch. Want beteekent in het Hebreeuwsch kie, en dit kie gaat in het oorspronkelijke aan dit laatste deel van den zin metterdaad vooraf. Er valt dus niet aan te tornen, in het feit dat de mensch naar Gods beeld geschapen is, moet de reden, de beweegreden, het motief te vinden zijn, waarom wie ’s menschen bloed vergiet, door den mensch zal worden om het leven gebracht. En mits men dit nu maar scherp in het oog vatte, is hiermee de geheele voorstelling alsof er van particuliere bloedwraak hier gehandeld zou worden, reeds volkomen weerlegd. Dit voelt ge terstond, zoo ge, naar die opvatting, vers 6 aldus omschrijft: „Wie een mensch doodt, zal ondervinden, dat een vriend of bloedverwant van den vermoorde hem naar het leven zal staan; die zucht tot bloedwraak toch, zit daarom in den mensch in, omdat de mensch naar den beelde Gods geschapen is.” Maar dat is ongerijmd, zegt ge, de bloedwreker doodt den moordenaar, niet wijl hij naar Gods beeld geschapen, maar omdat hij een zondaar is, als zondaar in ’s Heeren recht treedt, en den teugel viert aan den hartstocht van wraak die hem drijft. En dat is ook zoo. Het is ongerijmd; maar juist die volslagen ongerijmdheid toont dan ook op onwederlegbare wijze de volstrekte onhoudbaarheid van heel deze voorstelling. De leeuwin, die merkt dat ge haar welpen gedood hebt, valt u terstond aan, ook al heeft ze geen honger, enkel uit wraakzucht over hetgeen ge aan haar welpen misdeedt. Voorzoover nu de mensch zich door gelijke drift leiden laat, openbaart hij niet een hooger besef noch edeler afkomst, maar werkt er een dierlijke trek in hem. Dat de mensch naar den beelde Gods geschapen is, zou derhalve juist het tegenovergestelde gevolg moeten hebben, niet om tot bloedwraak aan te sporen, maar omgekeerd om de aandrift tot bloedwraak in te binden. We ontkennen daarom niet, dat, gelijk nog op Corsica en in andere streken zekere vendetta kan heerschen; maar deze is heel iets anders. De vendetta staat in dit opzicht op één lijn met het lynchrecht van Amerika, en strekt om recht te doen. Ook wie in het allerminst niet door den hartstocht der bloedwraak geleid werd, is nochtans tot het uitoefenen van de vendetta gehouden. Zelfs al was de vermoorde bloedverwant zijn persoonlijke vijand, zoodat zijn dood hem eer een verlossing was, zoo is de aangewezen persoon nochtans tot het uitoefenen van dit strafgericht gehouden. Of ook, al was de moordenaar zijn vriend, dan nog blijft de verplichting tot vendetta of bloedwraak op hem rusten. Dit houdt alzoo niets anders in, dan dat, bij ontstentenis van genoegzame of genoegzaam strenge rechtsbedeeling, de handhaving van het recht voor een deel aan het volk zelf is opgelegd. |56| Dat zich hierin nu zeer dikwijls, misschien zelfs in den regel booze hartstocht mengt, wordt gaarne door ons toegegeven, maar dit neemt niet weg, dat, zoodra de bloedwraak plaats grijpt uit het besef, dat men aangewezen is, om in het gegeven geval het recht te handhaven, de bloedwraak zelve een deel der lijfstraffelijke rechtspleging is, uit dien hoofde onder de termen dezer rechtspleging valt, en dan eerst geoorloofd en gerechtvaardigd is, zoo de doodstraf door het recht Gods in de rechtspleging is ingevoerd. Daarmeę echter staat men dan juist op het door ons gekozen standpunt, dat de doodstraf door God is ingezet.

*

Ook kan men niet zeggen, dat toch in het geschapen zijn naar den beelde Gods de drang naar recht zou schuilen, en dat men derhalve dit zevende vers alzoo zou kunnen verstaan: „Omdat de mensch naar Gods beeld geschapen is, en er dientengevolge sterke, drang naar recht in den mensch schuilt, zal de bloedverwant of vriend van den vermoorde den vermoorde wreken.” En wel om vier redenen niet. Vooreerst niet, omdat na den val nooit op die wijs uit het geschapen zijn naar Gods beeld kan of mag geredeneerd worden. In Gen. 6 : 5 wordt uitdrukkelijk geconstateerd, dat, hoewel de mensch naar den beelde Gods geschapen is, thans zijn hart zoo verdorven is, dat het gedichtsel van dat hart ganschelijk boos is geworden. De redeneering, dat de mensch naar Gods beeld geschapen is, en dat uit dien hoofde zekere goede dingen in hem gevonden worden, gaat op in het Paradijs, maar vervalt zoodra de mensch uit het Paradijs verjaagd is. Gesteld ook al dat oorspronkelijk in den mensch zulk een zuivere rechtsdrang school, na den val is die niet meer alzoo zuiver in hem aanwezig, en kan derhalve niet uit zulk een rechtsdrang geargumenteerd worden. Het blijkt dan ook wel, hoe in onze tegenwoordige maatschappij deze rechtsdrang zoo weinig leeft, dat veeleer ontwikkelde mannen als de hoogleeraar Domela Nieuwenhuis dien rechtsdrang, om den moordenaar te dooden, in het minst niet gevoelen, alhoewel ook zij toch naar den beelde Gods geschapen zijn. Maar ook in de tweede plaats gaat deze uitlegging niet op, omdat er dan staan moest: Want de mensch is naar den beelde Gods geschapen. Dit staat er echter niet. Er staat actief: Want God heeft den mensch naar zijn beeld geschapen. De nadruk wordt dus niet dáárop gelegd, dat de mensch in dezen bepaalden toestand verkeert, en dientengevolge dezen bepaalden drang in zich moet gevoelen, maar omgekeerd, op het feit dat God het alzoo deed, dat ’s menschen zonde dit feit niet ongedaan kan maken, en dat derhalve het recht besteld moet niet naar wat de mensch zich zelven maakte, maar naar Gods oorspronkelijk bestel.

Bij deze twee redenen komen nu nog deze twee andere bij. Vooreerst dat uit het geschapen zijn van den mensch naar Gods beeld juist |57| omgekeerd voort zou vloeien, dat hij niet zichzelf wreekte, maar de wrake aan God overliet. In oorspronkelijke reinheid kent en eert de mensch het recht van zijn God, en matigt zichzelven niet aan wat Godes is. Leert ons nu de Schrift duidelijk, dat God, naar zijn oorspronkelijk bevel, de wrake niet in den mensch gelegd, maar aan zichzelven voorbehouden heeft, dan is elke bloedwraak uit hartstocht of wraakzucht een schending van het beeld Gods, en kan nooit een eeren daarvan zijn. — En in de tweede plaats kan men ook niet zeggen, dat de bloedwreker zijn wraakzucht dáárom koelt, omdat de moordenaar zoo boosaardig was, een „mensch, die naar Gods beeld geschapen was”, te vermoorden. Immers daar denkt de bloedwreker ganschelijk niet aan, Een man wiens vrouw vermoord werd, zet den moordenaar na, niet omdat zijn vrouw naar den beelde Gods geschapen was, maar omdat ze zijn vrouw was. Ge vindt dien hartstocht zelfs het sterkst bij gansch goddelooze menschen, die aan God noch zijn gebod denken, en juist het minst bij hen, die waarlijk in den mensch een naar Gods beeld geschapen wezen eeren. Dit kan ook niet anders. Immers het zou ongerijmd zijn, te zeggen, dat zulk een man den moordenaar van zijn vrouw doodde, wijl hij een naar Gods beeld geschapen wezen aanrandde, overmits die moordenaar zelf ook zulk een wezen is, en de beroofde man juist deswege den moordenaar niet naar het leven zou mogen staan.

Van welke zij men de zaak ook beziet, het blijkt alzoo telkens meer onmogelijk, om de woorden: Want God heeft den mensch naar zijn beeld geschapen, tot hun recht te laten komen, zoolang men in vers 6 niets anders leest, dan zekere profetie, dat het alzoo geschieden zal, en weigert er een inzetting, een instelling in te lezen. Geheel die voorstelling is met dit slot van het vers in onverzoenlijken strijd, en ook aan den hoogleeraar Domela Nieuwenhuis zal het nimmer gelukken aan deze woorden, in zijn voorstelling, een verklaring te geven, die het redeverband tot zijn recht doet komen, en niet met geheel het feit van de schepping naar Gods beeld, met het feit van de ontreddering van dat beeld door de zonde, en evenzoo met de practische feiten van de bloedwraak in lijnrechte tegenspraak komt. Het is dan ook opmerkelijk, dat de hoogleeraar veiligheidshalve deze, geheel het pleit beheerschende woorden, eenvoudig weglaat, ze uit het vers wegsneed, en er geen woord over zegt. Onwillekeurig toch ontvangt men hierdoor den indruk, dat de hoogleeraar, die deze woorden natuurlijk ook in zijn Bijbel las, er geen weg meę wist, en, voelende dat ze tegen zijn voorstelling ingingen, ze liever ongerept liet.

Meer nog, uit hetgeen de hoogleeraar schrijft, blijkt ten duidelijkste, dat hij zelf toch gevoeld heeft, hoe de bloote profetie, dat het zoo loopen zou, hier geen steek kon houden. Hij geeft daarom toe, dat er ook werkelijk iets meer in ligt, en dat meerdere zoekt hij daarin, dat de Heere hier toestaat, wat Hij in vers 5 zich als zijn recht had voorbehouden. Natuurlijk |58| klopt dit niet, maar sluit elkaar uit. Eerst zegt hij: „Er wordt niets anders gezegd, dan dat hij, die ’s menschen bloed vergiet, deswege van menschen zal ontvangen eene overeenkomstig den toenmaligen toestand en beschaving geschikte vergelding.” Vlak daarop echter zegt hij, dat er toch wel iets anders in ligt, en wel het afstand doen door God van een alleen Hem toekomend recht, aan den mensch. Dat dit niet hetzelfde, maar heel iets anders is, behoeft geen betoog. Doch ook dit andere behelst een voorstelling, die in de Heilige Schrift niet kan worden toegelaten. Er zou dan nu van geen instelling der Overheid, noch ook van een instelling van de doodstraf als straf sprake zijn, maar alleen hiervan, dat de aanverwant van den vermoorde die dusver den moordenaar had doodgestoken, wel wetende dat hij hiermeę tegen God zondigde, nu voortaan zou zeggen: „Nu mag ik vrijelijk den moordenaar doodsteken. God zelf geeft er mij zijn hoog verlof toe.” Zoo echter is Gods bestel nooit en nimmer. Om der zwakheid des mehscheii wille wordt wel op meer dan één punt de rechtsorde met den toestand in overeenstemming gebracht, maar dan als rechtsorde, en nooit als vrijbrief aan den zondigen mensch om zijn hartstocht bot te vieren. En antwoordt de hoogleeraar hierop, dat hij dit zoo niet bedoeld heeft, maar juist zeggen wilde, dat „de bloedwraak door den naasten bloedverwant” hier als rechtsinstituut wordt ingesteld, goed, maar dan komt hij ook op ons standpunt over, en erkent met ons, dat hier niet een feit vermeld of geprofeteerd, maar een inzetting, een instelling gegeven wordt, die hierin bestaat, dat de doodstraf wordt verordend, uit te oefenen door den naasten bloedverwant. Dan geeft hij dus zijn standpunt prijs, komt op het onze over, en zal dan ook met ons de consequentie moeten aanvaarden, dat in vers 6 wel terdege de instelling van de Overheid gesanctionneerd wordt. Genomen toch buiten een geďnstitueerde rechtsorde, zou de regel dat wie een mensch doodde, omdat die mensch naar Gods beeld geschapen was, nu ook zelf gedood moest worden, tot niets anders dan tot een algeheele uitmoording van ons geslacht leiden. Immers die moordenaar is ook naar Gods beeld geschapen, en ook het vergieten van zijn bloed zou dan gelijke gevolgen na zich moeten sleepen. Gelijk ons in een volgend artikel blijken zal, is dit gewichtige zesde vers dan ook niet tot gezonde uitlegging te brengen, tenzij men er in leze de instelling der Overheid en het bevel aan die Overheid, om zelve of door anderen den moordenaar met den dood te straffen 3).




1. In het oorspronkelijk.

2. Onder allitteratie verstaat men, dat opzettelijk woorden gekozen worden met gelijke beginletter of van gelijksoortigen klank.

3. Een geacht inzender oppert bedenking tegen onze voorstelling, dat allicht niet heel onze aardbol met den Zondvloed overdekt is geweest, en dat in verband hiermee misschien de roofdieren elders in stand bleven. Zij aanstonds gezegd, dat we aan dit geschil weinig |59| waarde hechten. ons was het er alleen om te doen, om de beteekenis van de bescherming van den mensch tegen het roofdier te doen uitkomen. Voor het overige merken we op, dat de Schrift zelve zegt, dat de Zondvloed „alle hooge bergen, die onder den ganschen hemel zijn bedekte” en dan noemt ze als den hoogsten berg den berg Ararat. Toch is het duidelijk, dat er heel wat bergtoppen zijn, die ver boven den Ararat uitgaan. In de tweede plaats, dat niet alle dieren vernietigd zijn, blijkt reeds uit de visschen, die, omdat het een vloed van water was, er niet door konden gedood worden, maar veeleer een zeldzaam rijken buit in de lijken van mensch en dier ontvingen. Ten derde dat er in de diepte der aarde heel wat fossielen zijn gevonden van dieren, die niet tot deze bedeeling behooren. En ten vierde dat het wel waar is, dat in Gen. 8 : 11 staat, dat alle dier uit de ark moest uitgaan, maar dat we hiermee, bij letterlijke opvatting, voor moeilijkheden komen te staan, die we niet kunnen oplossen. Stel u voor, er zijn acht menschen, met een klein aantal paarden, runderen, kameelen, schapen, geiten enz., en nu laat ge los twee leeuwen, twee tijgers, twee hyena’s, twee slangen, twee wolven, twee beren en zooveel meer. Hoe nu zou men zich daartegen verdedigd hebben? Waar leefden die dieren van? Zou niet in korten tijd heel de kleine veestapel uit zijn gemoord? En zegt ge, dat Noach en zijn zonen dierentemmers kunnen geweest zijn, of dat God toen op het roofdier een klem gelegd kan hebben, zoodat het den mensch niet aanviel, zoo geven we de mogelijkheid hiervan zeer zeker toe, maar juist dan komt Gen. 9 : 5 niet tot zijn recht. In elk geval staan we hier voor moeilijkheden, voortvloeiende uit de kortheid der mededeeling. Nu kan de een het zich zóó, de ander zus voorstellen, en die meeningen moeten vrij blijven. Doch niet om dáárover geschil te hebben, is Gen. 8 en 9 ons geopenbaard. Hoofdzaak zijn hier Gods ordinantiën aan de nieuwe menschheid.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie’ VIII.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000