VII. De bescherming van ’s menschen leven.

Indien iemand in de gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal dooden, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen.

Openb. 13 : 10. a


Dat het aan Noach gegeven gebod niet alleen in de eerste plaats, maar zoo goed als uitsluitend den moord wraakt, is in overeenstemming met ’s menschen aard en historie. Die historie toch verhaalde hoe het bij Kaïn en Abel bijna onverwijld tot moord gekomen was, en die aard des menschen maakt, dat in de bescherming tegen moord tegelijk de bescherming van heel ons menschelijk bestaan gegeven is. Het gevaar, om uitgemoord te worden, was toentertijd voor ons menschelijk geslacht zelfs zeer groot. Aan vier manspersonen hing na den Zondvloed heel onze toekomst, en hoe licht kon dan niet een aanval van het wild gedierte, moord na broedertwist, of ook dood door ziekte dat viertal hebben weggenomen. Een angst die hen te eer bekruipen moest, nu ze zoo pas het ontzettend schouwspel hadden aangestaard, hoe op acht zielen na, heel het menschelijk geslacht in den vloed verdronken was. Hoe gemakkelijk ware bij die duizenden en tienduizenden huisgezinnen ook dat ééne huisgezin van Noach niet meê bedolven onder de wateren, en dan ware ons menschelijk geslacht weg geweest. Na een schipbreuk waarbij zoo goed als allen verdronken, gevoelt de ééne man die er het leven afbracht, althans den eersten tijd, het leven als zulk een precair en angstig bezit. Zelfs na een geweldige epidemie blijft die angst voor het bedreigde leven maanden lang in het hart der overblijvenden zitten. De spanning die op een grooten oorlog volgt, is alsmede uit gelijksoortigen angst te verklaren. En wat moet het dan wel niet in die, ééne familie van Noach geweest zijn, die heel de wereld hadden zien verdrinken, en nu alleen, en eenzaam en verlaten op een half verbrijzelde wereld stonden, en straks van het snel aangroeiend wild gedierte weer het ergste te vreezen hadden. Een ordinantie Gods, gelijk hier uitging, die als een schild het leven der menschen dekken komt, zoo tegen het wild gedierte als tegen menschelijke moordzucht, was derhalve geheel actueel, d.i. paste volkomen op den toestand, en moest voor alle dingen een bemoedigende en vertroostende uitwerking hebben. Er blijkt genoegzaam uit, hoe ook vóór den Zondvloed het leven der menschen dikwijls, door een aanval van het roofdier of door moord werd afgesneden, en hoe het noodzakelijk was, dat de belofte van geen |45| algemeenen dood door een zondvloed meer over de aarde te zullen brengen, aangevuld werd door een ordinantie Gods, die ook het omkomen door het roofdier en door moord temperde. Dusver waren drie factoren werkzaam geweest, om de menschen van den aardbodem te doen verdwijnen: het roofdier, moord, en de zondvloed. Voor die drie factoren zat er de schrik in, en het is nu tegen die drie factoren dat God het geslonken menschelijk geslacht in veiligheid stelt. Tegen den Zondvloed door zijn belofte, tegen het roofdier door zijn ordinantie en tegen moord door zijn gebod.

*

„Van de hand van alle gedierte zal Ik het bloed des menschen eischen”, is de ordinantie Gods, die zelfs nog aan het gebod tegen den moord voorafgaat. Van veel gewicht is hierbij natuurlijk de vraag, of we ons den Zondvloed hebben voor te stellen als over heel den aardbol of alleen als over het bewoonde gedeelte er van uitgestrekt. Natuurlijk is uit hetgeen we in Gen. 7 : 23 lezen: „Alzoo werd verdelgd al wat bestond, dat op den aardbodem was, van den mensch aan tot het vee”, niets af te leiden. Als we in Joh. 12 : 19 de klacht der Joodsche hiërarchie vernemen, „dat heel de wereld Jezus nagaat,” komt het niemand in den zin dit op te vatten, als bedoelden de Sanhedrinisten hiermeê te zeggen, dat de inwoners van den ganschen aardbodem Jezus nagingen. Als er in Joh. 21 : 25 staat, dat de wereld de geschreven boeken niet zou kunnen bevatten, vat niemand dit letterlijk op. Het zeggen van Klaagl. 4 : 12: „Al de inwoners der wereld zouden niet geloofd hebben, dat de tegenpartijder tot de poort van Jeruzalem zou ingaan,” beduidt volstrekt niet, dat, hoofd voor hoofd, alle levende ziel aan alle oorden der wereld, één opinie over de sterkte van Jeruzalems vesting had; maar alleen, dat wie er omheen woonden, en er in gewoond hadden, in de meening verkeerden, dat Jeruzalem onneembaar was. Reeds uit deze enkele voorbeelden ziet men derhalve, dat zulke zegswijzen in de Heilige Schrift volstrekt niet noodzakelijkerwijze in den ruimsten zin behooren verstaan te worden, maar zeer dikwijls in den engsten zin moeten worden genomen. „Heel de wereld gaat hem na” beteekent: Heel de wereld voor zoover ze met hem in aanraking komt. Dat „heel de wereld de geschreven boeken niet zou kunnen bevatten” wil zeggen, dat er op de toenmalige boekenmarkt geen plaats voor zou geweest zijn; en met „al die inwoners der aarde, die Jeruzalem voor een onneembare vesting hielden”, zijn alleen zij bedoeld, die het gerucht van Jeruzalems sterkte hadden opgevangen. Het kan dus zeer wel zijn, dat ook in het verhaal van den Zondvloed met zulke algemeene uitdrukkingen alleen dat deel der wereld bedoeld is, dat voor Noach meerekende, of ook waar menschen woonden. Hoogstwaarschijnlijk was destijds nog alleen het |46| midden van Azië bewoond, en is die bewoonde streek geheel onder de wateren bedolven geworden, maar zonder dat hieruit volgt, dat ook de andere kant van onzen aardbol, dien we nu Amerika noemen, onder den vloed is ondergegaan. Het kan wel zoo geweest zijn, maar het volgt er niet uit. En dit nu zoo zijnde, doet de ordinantie Gods tegen het roofdier eer vermoeden, dat er geen algeheele uitdelging had plaats gegrepen. Indien toch op dat oogenblik alle wilde dieren waren uitgestorven, op die eenige paren na, die in de arke gered waren, zoo is niet wel in te zien, welk gevaar den mensch van de zijde der wilde dieren zou bedreigd hebben. Dan toch zouden ze volkomen in de macht van Noach en zijn zonen geweest zijn. Ze hadden ze in kooien of stallen opgesloten, en niets dwong hen ze los te laten, terwijl ze met de geworpen welpen naar goedvinden hadden kunnen handelen. Bij de onderstelling alzoo, dat alle overig wild gedierte, behalve de enkele exemplaren die in de arke waren, door den vloed zouden zijn weggestorven, laat zich niet wel verklaren, hoe zich zeker angstgevoel voor het roofdier van den mensch zou hebben meester gemaakt. Zooals wij in onze dierentuinen deze dieren aanzien zonder angst te kennen, zoo zouden ook Noach en zijn zonen op de opgesloten leeuwen en tijgers hebben gezien, en de arke met haar stevigen bouw zou als bewaarplaats van het roofgedierte hebben kunnen dienst doen. Niets toch gebood ze los te laten, en daardoor levensgevaar voor vrouw en kroost te doen ontstaan. Verklaarbaar wordt de ordinantie tegen het roofdier dus alleen dan, als men aanneemt, dat de uitdelging alleen sloeg op die gedeelten der aarde, waar de mensch reeds woonde, en niet op de overige deelen van den aardbodem. Daar was het roofdier dan blijven voortbestaan, en van daar uit kon het, na het afvloeien der wateren, weer in de streek die Noach bewoonde zijn inval doen.

*

Hoe nu die woorden: „Van de hand van alle gedierte zal Ik het bloed des menschen eischen” te verstaan zij, is niet zoo gemakkelijk uit te maken. Slechts zooveel kan gezegd, dat het niet stuk voor stuk bedoeld is, alsof elk bepaald roofdier, dat een mensch te lijf ging, bij manier van straf voor die daad gedood zou worden. Tegen zulk een uitlegging verzet de tekst zelf zich. Van den mensch toch staat er uitdrukkelijk bij: „Van de hand eens iegelijken zijns broeders”, en aldus hoofd voor hoofd; maar bij het roofdier staat niet: „Van de hand eens iegelijken diers”, als ware het stuk voor stuk bedoeld; maar in het algemeen: van alle gedierte. Dit laat derhalve ook de andere uitlegging toe, dat elke diersoort, die zich aan den mensch zou vergrijpen, zich hieraan haar eigen dood zou eten. Door het voorzienig bestel Gods zou de loop der dingen zoo geregeld worden, dat de diersoorten, die den mensch ontzagen en dienden allengs |47| zouden toenemen en winnen in beteekenis, en dat omgekeerd de diersoorten, die des menschen bloed vergoten, zouden uitgeroeid worden. Feitelijk is dan ook zoo de loop der historie geweest, en nu reeds is alle roofdier uit geheel de bewoonde wereld, in enger zin, teruggedrongen; en houdt zich nog enkel in bergachtige streken en in de wouden staande.

En dit doel nu is bereikt, doordien God tweeërlei deed: ten eerste den mensch wapenen met heldenmoed, vernuft en wapentuig, om het roofdier te kunnen overmeesteren; en ten andere door aan het roofdier een schrik in te boezemen, zoodat het zich bij de nadering van den mensch terug. trekt. Vooral bij den dierentemmer komt dit sterk uit. Deze feiten nu erkent ook de historieschrijver, die buiten God rekent. Het roofdier is teruggedrongen, en ondergang is zijn toekomst. Doch waar op die wijs enkel de feiten worden erkend, geeft de Schrift ons meer. Zij toch ontdekt ons, hoe er ook achter en in deze feiten een Goddelijke rechtsbedeeling werkt, die het vergoten bloed des menschen op het roofgedierte wreekt. Zij die door tijger of beer aangevallen, in bange vertwijfeling bezweken en in hun klauwen omgebracht zijn, hebben stervende, toen er niemand was die hielp, nog naar God geroepen, als om wrake over den gruwel die hen ten onder bracht. En terwijl nu de gewone historie er niets van gevoelt wat er op zulk een oogenblik in het slachtoffer omging, en alleen het feit van zijn dood constateert, toont de Schrift ook het mysterie te kennen, dat achter den sluier van het zichtbare werkt, en zegt ons deswege, dat ook de snoodheid van het roofdier door God Almachtig aan dat roofgedierte vergolden wordt.

*

Niet dus aan het roofdier zal het gelukken, om den mensch te doen verdwijnen, maar de mensch zal, als wrake voor het vergoten bloed, het roofgedierte voor zich uitdrijven. Maar hiermee is het leven des menschen nog niet gered en gedekt. Niet minder ernstig toch is het tweede gevaar, dat de menschheid in onderlingen moord zich zelve verniele. Nog tot voor korten tijd was het in Afrika’s binnenland regel, dat de ééne stam in het najaar den anderen overviel, en de stam die overwon moordde dan gemeenlijk den overwonnen stam uit, of verkocht de gevangenen als slaven. Zoo werden keer op keer geheele stammen uitgemoord, en hadden er slachtingen plaats op een schaal, die u ijzen doet, als ge er van leest. Zelfs in het verslinden van zijn slachtoffer deed men voor het roofdier niet onder.

Vandaar dat nu op de ordinantie over het roofdier, in de tweede plaats het gebod tegen den moord komt, en dat wel in deze bewoordingen: dat God eischen zal de ziel des menschen van de hand eens iegelijken zijns broeders. Van het roofdier stond er, dat God het bloed des menschen |48| eischen zou van de diersoort; maar hier dat Hij de ziel des menschen eischen zal van de hand eens iegelijken zijns broeders. Op beide verschillen dient gelet. Al geven we toch toe, dat de samenhang tusschen de ziel en het bloed zeer nauw is, en dat het ééne woord vaak in de plaats van het andere gebezigd wordt, toch neemt dit niet weg, dat wel terdege op het onderscheid dient gelet te worden, waar beide in eenzelfde vers op onderscheiden manier voorkomen. En nu is het opmerkelijk, dat bij het roofdier alleen van bloed, maar bij den moordenaar van de ziel gesproken wordt. Het bloed is de drager van de ziel, de ziel is het leven dat in het bloed schuilt. Waar enkel van het bloed gesproken wordt, doelt dit dus meer op het uitwendige, gelijk dan ook het roofdier vaak het bloed opzuigt. Bij den mensch die moordt, wordt de zaak daarentegen dieper genomen. Hij maakt zich willens en wetens niet alleen schuldig aan het vergieten van bloed, maar, soms zelfs zonder het vergieten van bloed, aan moord der ziel, d.i. aan uitdooving van het leven des menschen, gelijk dit door vergiftiging, worging en anderszins gedurig plaats grijpt. Het roofdier moordt om spijs te hebben, en aast dus op het bloed; maar de mensch is veel slechter, en hem is het vaak te doen, om het genot, dat hij zijn slachtoffer zie lijden en sterven, ten einde hem weg te doen uit het land der levenden, of alleen uit haat en wraakzucht om hem te vermoorden. Even eigenaardig als het dus was om bij het roofdier van het bloed te spreken, even natuurlijk is het dat bij den mensch niet het bloed, maar de ziel des menschen genoemd wordt. Het dier weet van geen ziel af, en dorst alleen naar het bloed; voor den mensch daarentegen is dat bloed slechts het middel, om den mensch aan zijn ziel, d.i. aan zijn leven te komen. De wortel van den doodslag ligt niet in een jagen op aas, maar in haat en nijd. Die zijn broeder haat is een doodslager.

En even opmerkelijk is de tweede bepaling: van de hand eens iegelijken zijns broeders, d.w.z. van de hand van een iegelijk moordenaar, hoofd voor hoofd, afzonderlijk, omdat hij de broeder van den vermoorde is, en dus de vermoorder zijns broeders. Kennelijk slaat dit op Kaïn en Abel terug. Daar waren het twee broeders, waarvan de één den ander vermoordde, en juist het feit dat het een broedermoord was, verhoogt den gruwel er van voor ons menschelijk besef. Doch nu zegt de Heere, dat ditzelfde booze karakter aan alle moord kleeft, want dat al wat mensch heet door één gemeenschappelijken broederband verbonden is. Kaïn vraagt: „Ben ik mijns broeders hoeder?”, maar God stelt daartegenover de ordinantie, dat een iegelijk mensch over het leven van zijn medemensch, omdat hij zijn broeder is, waken zal. Een mensch die een medemensch vermoordt, is dus een omnensch, die waar hij hoeden moest verdelgt, en waar hij beschermen moest verdoet. En overmits uit dien hoofde elke moord in het somber licht van den broedermoord komt te staan, daarom zegt de Heere |49| tot Noach en tot zijn zonen: „Ik zal de ziel des menschen eischen van de hand van een iegelijken zijns broeders.”

*

Hierin nu ligt op zichzelf het gebod van de doodstraf nog niet. In deze woorden toch is uitsluitend sprake van hetgeen God zegt, dat Hij doen zal. De parallel met hetgeen over het roofdier gezegd is, mag daarom niet uit het oog worden verloren. God zal het bloed van den vermoorde van het roofgedierte, en de ziel van den vermoorde van een iegelijken moordenaar afeischen. Is nu bij het roofgedierte hier geen sprake van een rechterlijke thuiszoeking door den mensch, maar van een wrake die God volvoert in zijn voorzienig bestel, dan eischt de saamhang, dat men hetzelfde ook toepasse op hetgeen van den moordenaar gezegd wordt. Ook van hem wordt hier alleen verklaard wat God doen zal. God zal de ziel van zijn slachtoffer van hem afeischen; en zal dit doen door zijn voorzienig bestel. Verder gaat dit vers niet, en Calvijn had volkomen gelijk, toen hij hier sprak van de verborgen „daad Gods.” Ook onze Kantteekenaren spreken van de doodstraf, die de Overheid voltrekt, eerst bij het volgende vers. Wat hier staat van het „afeischen van de ziel van den vermoorde van de hand des moordenaars” moet dus op zichzelf verklaard, en slaat terug op wat ons vermeld staat, dat „de stemme des bloeds van Abel riep van uit den aardbodem”, en ziet evenzoo op wat we elders lezen van het bloed der martelaren dat roept van uit de puinhoopen der van God gevloekte steden (Openb. 6 : 10, en elders). Niet één enkel mensch is ooit vermoord of God wreekte zijn bloed, of zal het wreken. Dit nu geschiedt op onderscheidene manier. Vaak al aanstonds door den doodelijken angst die den moordenaar in de ziel wordt geworpen, en die hem van die ure af de rust en den vrede en de vreugde zijns levens rooft. Meer dan één moordenaar gaf ten slotte zichzelf aan, omdat hij de wroeging zijner consciëntie niet kon uithouden, en letterlijk dorstte naar straf, om den vrede van zijn gemoed te herwinnen. Wat moordenaars, die hiertoe niet kwamen, en die evenmin ontdekt werden, levenslang door die gewetenswroeging geleden hebben, is op meer dan één sterfbed openbaar geworden. Ze zijn gepijnigd en gemarteld voor hun misdaad, soms veertig en meer jaren lang, bij dagen en bij nachten. De moord dien ze pleegden, werd aan hen gestraft met een zedelijken dood, bij levenden lijve jaren lang gedragen. — In de tweede plaats straft God zeer dikwijls den moordenaar, die verborgen bleef, door hem in zijn voorzienig bestel zeer geweldige straffe te doen overkomen, soms straffe aan zijn misdaad gelijk. Wie eens anderen kind niet ontzien had, werd soms in den moord van zijn eigen kind gestraft, nog schrikkelijker dan dat hij zelf vermoord ware. — En dan komt hier in de derde plaats nog bij de eeuwige straf. Gods gerechtigheid heeft |50| hier op aarde wel een voorspel, maar de eigenlijke bedeeling van zijn Goddelijk recht komt eerst in het laatste oordeel. Als God dus zegt, dat Hij de ziel des vermoorden van de hand van den moordenaar zal eischen, en ge hebt te doen met een booswicht wiens consciëntie is toegeschroeid, en wiens leven zonder buitengewone straffe verliep, dan doet dat nog in het minste niet aan de volkomen waarheid van deze uitspraak te kort. God zal de ziel van zijn slachtoffer ook van hem afeischen; en dat Hij het dusver nog niet deed, duidt slechts aan, dat Hij het ten jongsten dage te schrikkelijker zal doen. Dit geldt van al Gods oordeelen. Reeds hier zijn straffe te ondergaan, is welbezien genade. En het vreeselijkste is, als God ons hier spaart, en zijn wrake ophoopt tegen den dag van zijn onherroepelijk oordeel.

*

Schijnbaar bestaat hier slechts ééne uitzondering op. Er zijn er [niet] velen, maar ze komen toch voor, die na hun hand aan het leven van een mensch vergrepen te hebben, tot aanklacht van zich zelven, en door Gods genade tot waarachtige bekeering komen. Dit is bekend van enkelen, wier moord aan het licht kwam, maar ook door hun openbaring op het sterfbed bekend van enkelen, wier manslag voor den wereldlijken rechter verborgen bleef. Dezulken zijn nu ontslapen, hetzij op het schavot, hetzij op hun sterfbed, in de volle verzekerdheid, dat hun schrikkelijke zonde hun vergeven was, en dat de ziel van hun slachtoffer niet meer van hen afgeëischt zou worden. Alleen zoo stierven ze in vrede. Maar neemt dit nu de waarheid van Gods ordinantie weg? Natuurlijk in het minste niet. Immers elk kind van God belijdt, dat de straf, die hem den vrede aanbrengt, op het Lam Gods rustte, en zoo heeft ook zulk een bekeerde moordenaar eerst toen vrede voor zijn ziel gevonden, toen hij het geloovig beleed, dat zijn Heiland ook deze zijn moordschuld gedragen had, en de schuld van het vergoten bloed in het vergieten van zijn eigen hartebloed had verzoend. Er moet dus op de volkomen geldigheid en volle strekking van deze uitspraak des Heeren niets, volstrekt niets worden afgedongen. Zoowel nu nog, evenals in de dagen van Noach, gaat stiptelijk en strikt de vaste regel door, dat God afgeëischt heeft, afeischt of afeischen zal, de ziel van alle verslagenen van de hand van wie hen verslagen heeft.

Tot dusver echter bleef het motief voor dit nimmer uitblijvend oordeel Gods alleen hierin bestaan, dat God de menschen als broeders uit éénen bloede schiep, en dat deswege en uit dien hoofde het uitblusschen van het leven eens menschen verkrachting is van het diepst besef dat God in ’s menschen hart inprentte, en schending van den band, waarmeê Hij, als onze God, mensch aan mensch verbonden heeft. Wie moord pleegt, werkt uit den wortel van den haat, van den nijd, van de zonde in haar scheidenden |51| en alle saamleving opheffenden vorm. Het is het egoïsme, de zelfzucht, die den broeder verdoet om geen concurrent meer voor zijn egoïsme te vinden. In den moord openbaart de zonde, als vlak tegen den broederband der liefde ingaande, haar principiëel duivelsch karakter. De onverlaat, die dit bestaat, randt alzoo de grondordinantie Gods voor alle menschelijke samenleving aan. Hij verkracht het hem ingeschapen menschelijk besef. En het is uit dien hoofde, dat God, die den mensch onder de ordinantie der broederlijke saamhoorigheid schiep, deze brutale aanranding van zijn Goddelijk bestel moet wreken. Alleen op die wijs kan zijn ordinantie gehandhaafd blijven. Het niet wreken zou hier een loslaten van zijn raad en bestel, een prijsgeven van zijn ordinantie zijn, een overgeven van heel ons menschelijk leven aan het wilde woelen van zonde en hartstocht.

Maar toch, hiermeê is nog niet genoeg gezegd. Er staat bij den mensch nog meer dan Gods ordinantie, nog meer dan de broederband op het spel. De mensch is ook naar den beelde Gods geschapen. Dit nu maakt, dat wie den mensch het leven uitbluscht, niet alleen Gods ordinantie, maar God zelven in zijn beelddrager aanrandt, en vandaar dat straks in vs. 6 nog van een heel andere wrake sprake is, en hiermede komen we op de doodstraf.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie’ VII.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000