V. De zegeningen van het Noachietisch Verbond.

Die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte, in de dagen van Noach, als de arke toebereid werd; waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water.

1 Petr. 3 : 20. a


De overtuiging is dan nu weer vastgezet, dat de wereld na den Zondvloed anders gesteld was, dan de wereld voor den Zondvloed, en dat met het Noachietisch Verbond een gewijzigde orde van zaken is ingetreden, die nog voortduurt, en die ook in de toekomst zal stand houden totdat Christus wederkomt op de wolken. Een feit waaruit rechtstreeks volgt, dat niemand zeggen kan: „Nu, ja, al deze bijzonderheden golden voor Noach en zijn zonen, doch gaan ons niet meer aan”; maar dat een ieder, op elk terrein des levens, juist den toen ontstanen toestand als uitgangspunt heeft te nemen; van daar moet af rekenen; en zichzelven en anderen wel heeft in te prenten, dat ook hij, en alle mensch met hem, ja, tot zelfs zijn huis- en landdieren, ook nu nog altijd precies zoo in het Noachietisch Verbond staan, als Sem er in stond na het uitgaan uit de arke. En dat juist voelde men al minder. Het scheen of ook het Noachietisch Verbond behoorde tot de Bedeeling der schaduwen, alsof dus in Christus vervuld was, hetgeen in dit Noachietisch Verbond slechts was geprofeteerd, en alsof derhalve, na de verschijning van Christus, heel dat Noachietisch Verbond evenzoo was komen te vervallen, als de Besnijdenis en de Ongezuurde brooden van het Pascha. Ja, zver ging de vervreemding van wat Noach geschonken werd, dat men, zonder het nu zoo uit te spreken, toch eigenlijk dit Noachietisch Verbond beschouwde als reeds in het Verbond van Abraham of in het Verbond van den Sina opgelost. Met Noach was het meer het eerste begin, de eerste proeve van zulk een verbond geweest. Dat viel dus weg toen het zooveel heiliger Verbond met Abraham kwam. Dat Verbond met Abraham ging straks weer op in het Verbond met Isral. Tot eindelijk al die oude, vroegere verbonden door Christus zijn te niet gedaan, toen hij op Golgotha het Nieuwe Verbond stichtte in zijn bloed. Alzoo heeft men zich gewend, de reeks verbonden zich voor te stellen. Voorop het Nieuwe Testament, als het eenige, waaraan wij ons te houden hadden, en daarachter, maar nu verouderd en doelloos geworden, die Verbonden Met Abram en Isral. En dan nog weer heel verre achter die twee verouderde verbonden, nog een derde Verbond, dat in lang vervlogen en vergeten tijden met Noach en zijn zonen moet gemaakt zijn, doch juist |30| daarom voor ons geen andere waarde bezit, dan die van de geschiedkundige herinnering. Hiertoe kwam men door van geen ander verbond te willen weten, dan hetwelk de „zaliging der ziel” bedoelde. Want natuurlijk, toen men ook het Noachietisch Verbond geestelijk ging boeken, bleek hier zoo weinig „zaligmakends” in te zitten, dat men het aanstonds glippen liet. Had men ingezien, dat dit Noachietisch verbond niet zaligmakend is, maar op het leven van alle kinderen der menschen, ja, zelfs van de dieren, doelt, zoo zou men de fout niet hebben begaan, om het met de overige Verbonden op n lijn te stellen, maar het apart hebben genomen, als een verbond van heel andere soort; en zoo eerst zou men beseft hebben, dat het niet kon vervallen toen die andere vervielen, maar dat het krachtens zijn aard, en niet minder blijkens zijn duidelijke bewoordingen, voortduurt en van kracht bliijft tot op dezen dag. Hierop moest deswege te dezer plaatse zeer sterke nadruk worden gelegd. Wie hierover heenleest, is buiten staat de strekking van deze artikelenreeks in te zien en er de waarheid van te beoordeelen. Het is een verkeerde averechtsche voorstelling, die hier verworpen, en de Schriftuurlijke voorstelling, die hier voorgedragen wordt. En in heel onze verdere beschouwing gaan we uit van de voor ons onomstootelijke waarheid, dat het Verbond door God met Noach en zijn zonen gesloten, gesloten is ook met u en mij, en met al wat adem heeft dat nu nog leeft, en dat derhalve de toen ingetreden toestand ook nu nog ons leven beheerscht.

*

Heeft de sluiting van dit Verbond afgehangen van de bewilliging des menschen? Is er over dit Verbond onderhandeld? Zijn er bedingen voorgeslagen en afgewezen, en straks op de oude wijze beklonken? M.a.w. mag de oprichting van dit Verbond met de verbondssluiting onder menschen op n lijn worden gesteld? Stellig niet, en de minnaars van de Verbondstheologie zullen wel doen, zoo ze er wat meer op letten, dat van zulke verbonden veelal, en zoo ook hier, gezegd wordt, dat God ze opricht. Dit nu is de uitdrukking, die ook in Gen. 9 gebezigd wordt. In vs. 9: „Zie, Ik richt mijn Verbond op.” In vs. 11: „En Ik richt mijn Verbond op.” En evenzoo in vs. 17: „Dit is het teeken des Verbonds, dat Ik opgericht heb.” Slechts nmaal (in vs. 12) wordt een andere, nog sterker uitdrukking gebezigd: „Het Verbond dat Ik geef,” tenzij men dit „geven” van den regenboog wil verstaan. Maar nergens is sprake van een overeenkomst, nergens van eenig goedvinden of van eenige daad des menschen. Het is God die handelend optreedt. Hij doet het. En niet door een mensch en God saam, maar alleen door de daad Gods komt dit Verbond tot stand. Het wordt niet gesloten, maar opgericht; een uitdrukking die zeggen wil, dat het als gevolg van die daad, nu niet meer ligt, maar overeind en vast |31| staat. Ten deele staat het dus gelijk met een ordinantie Gods. God vraagt niet, of de mensch het alzoo goedkeurt, maar Hij zet het zoo in, en nu blijft het zoo, ook al mocht de mensch er de verzenen tegen inslaan. — Het best gevoelt ge dit, zoo ge het vergelijkt met den loop van de hemellichamen. Ook die bewegen zich en hebben hun stand naar Gods ordinantin; maar niettemin zegt de Heere bij Jeremia, dat Hij met zou en maan een verbond heeft. We lezen toch in Jeremia 33 : 20: „Alzoo zegt de Heere: Indien gijlieden mijn verbond van den dag en mijn verbond van den nacht kunt vernietigen, zoodat dag en nacht niet zijn op hunnen tijd, zoo zal ook kunnen vernietigd worden mijn Verbond met mijn knecht David.” Een door God gegeven ordinantie, een door Hem vastgestelde verordening, een orde der dingen, zooals Hij die in Goddelijke machtsvolheid bepaald en vastgesteld heeft, kan derhalve den naam van Verbond ontvangen, indien ze een voorwerp gelden, dat een eigen middelpunt van beweging heeft. Vandaar dat deze naam van Verbond reeds gebezigd wordt, waar het zon, maan en sterren geldt, maar nog veel krachtiger toepassing vindt, waar sprake is van den mensch. Daarom nu, en daarom alleen, heet de ordinantie Gods, die de tegenwoordige gesteldheid der dingen, na den Zondvloed, regelt en beheerscht: een Verbond; edoch een Verbond, dat geheel eenzijdig is, en in het minst niet van het nakomen van zekere bedingen van ’s menschen zijde afhangt. Het is niet: De zondvloed komt niet terug, zoo gij in mijn Verbond blijft, maar als gij mijn Verbond breekt, zal nogmaals de zondvloed de aarde verderven. Neen, de belofte is volstrekt, van alle beding onafhankelijk. Er komt geen zondvloed meer, en geen naleving van eenig beding heeft hier op de uitkomst ook maar eenigen invloed. God verbindt in dat Verbond alleen zichzelven; en de ordinantin waarme Hij zijn Verbond verzelt, zijn geen bedingen of voorwaarden, maar bevelen en verordeningen, die Hij als God in zijn machtsvolkomenheid instelt en aan den mensch, als zijn schepsel en zijn onderdaan oplegt. Eeuw aan eeuw is onder alle volk en natie in strijd gehandeld met n of meer van de bepalingen, waarvan dit Verbond verzeld ging, maar nooit n oogenblik is er sprake van geweest, dat daarom de zondvloed terug zou keeren. Gods Verbond bleef en blijft nog, en evenzoo houden zijn ordinantin tot op dezen oogenblik stand, geheel afgezien van de vraag of de mensch er naar handelt. En dat nu desniettemin niet de vorm van een bloote belofte of toezegging, maar de vorm van een verbond wordt gekozen, is overmits geheel de openbaring Gods strekt, om het religieus besef in den mensch op te wekken, en in alle religie een band, een verbinding, een verbond tusschen twee personen intreedt, t.w. tusschen Hem, dien we aanbidden zullen, en tusschen ons, van wie die aanbidding naar den Eeuwige zal uitgaan. De verbondsvorm is niet anders dan de vorm der Religie. Waar het niet verder dan tot ordinantin komt, hebt ge een |32| wettische, hoogstens een ethische verhouding; maar van Gods verborgen omgang, van religieuse vroomheid, van een zielsbetrekking tot den Eeuwige komt de openbaring eerst met het Verbond.

*

Let er daarom wel op, dat de verordeningen die het Noachietisch Verbond verzellen, niet in het verbond zelf zijn opgenomen. Ze staan er wel bij, maar ze gaan er aan vooraf, en eerst als ze afgehandeld, geheel afgehandeld en ten einde gebracht zijn, volgt er in vs. 8 een nieuw, op zichzelf staand stuk, dat aanvangt met de woorden: „Verder zeide God tot Noach en tot zijn zonen met hem, zeggende: Maar Ik, ziet, Ik richt mijn verbond op met u en met uwen zade na u.” Natuurlijk mag hieruit niet afgeleid, dat de verordeningen die voorafgaan, niets met het verbond te maken hebben, of er niet me in verband staan; dat toont heel het hoofdstuk wel anders; maar niettemin blijft het een feit, dat deze verordeningen en bevelen formeel niet in het verbond zijn ingelascht, maar er buiten staan. Drie stukken moet ge hier dus wel onderscheiden. Eerst wordt ons het voornemen Gods meegedeeld, in Gen. 8 : 21, 22. Daar toch heet het: „De Heere zeide in zijn hart.” Dat is het eerste stuk. Op dat eerste volgt dan het tweede in Gen. 9 : 1-8, waarin ons de toespraak van God aan de geredde menschheid wordt voorgelegd. En daarna pas komt in vs. 9-17 het derde stuk: De oprichting van het Noachietisch Verbond, niet anders inhoudende, dan dat God zich plechtiglijk tegenover al wat adem heeft verbindt, om tot aan de wederkomst van Christus, geen algemeene verwoesting meer over deze aarde te brengen, en deze belofte bezegelt in het teeken van den regenboog.

Laat ons daarom thans het Noachietisch Verbond voor een oogenblik laten rusten, en nu het tweede stuk: Die toespraak van God Almachtig aan de geredde menschheid van naderbij bezien. Die toespraak vol majesteit, niet van den Heere tot zijn eigen volk maar van den Schepper des hemels en der aarde tot alle menschenkind, luidt aldus:

En God zegende Noach en zijne zonen, en Hij zeide tot hen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde.

En uwe vreeze, en uwe verschrikking zij over al het gedierte der aarde, en over al het gevogelte des hemels; in al wat zich op den aardbodem roert, en in alle visschen der zee; zij zijn in uwe hand overgegeven.

Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid.

Doch het vleesch met zijne ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten.

En voorwaar, Ik zal uw bloed, het bloed uwer zielen eischen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eischen; ook van de hand des |33| menschen, van de hand eens iegelijken zijns broeders zal Ik de ziel des menschen eischen.

Wie des menschen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mensch vergoten worden; want God heeft den mensch naar zijn beeld gemaakt.

Maar gijlieden, weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt; teelt overvloediglijk voort op de aarde, en vermenigvuldigt daarop.

Deze Goddelijke toespraak begint en eindigt met „zegen te spreken”, en sluit al het overige in dit kader van zegeningen in. Er staat niet: „En God sprak tot Noach”, maar uitdrukkelijk: „En God zegende Noach en zijne zonen.” Men doet uit dien hoofde aan de beteekenis van het gezegd verhaal te kort, zoo men dit karakter van zegenende genade alleen in vs. 1 en vs. 7 zoekt, en het uitsluit van wat daar tusschenin ligt. Slechts zooveel mag toegegeven, dat in vs. 1 en 7 dit zegenende karakter meer regelrecht uitkomt. Daar toch heet het: „Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde”, en dan nogmaals in vs. 7: „Maar gijlieden; weest vruchtbaar en vermenigvuldigt; teelt overvloediglijk voort op de aarde, en vermenigvuldigt op haar.” Wat nu tusschen deze beide rechtstreeksche zegenspreuken ingesloten ligt betreft: 1º. de zedelijke overmacht die aan den mensch over al het gedierte wordt gegeven; 2º. het verlof om zich met het vleesch der dieren te voeden; 3º. het verbod van het eten van rauw vleesch met zijn bloed; 4º. de instelling van de Overheid en het gebod van de doodstraf. Vier stukken die als uitingen van genade zijn op te vatten, en eerst alzoo recht kunnen verstaan worden.

Acht personen stonden daar om het altaar, en die stonden er als n, of wilt ge als vier gezinnen, met de vraag in het hart: Is nu de menschheid in een enkele familie ondergegaan, of is het menschelijk geslacht gered, en zal het menschelijk geslacht weer in menigte uitbreken? En het antwoord was: In menigte, heel de aarde zou vervuld worden. En God de Almachtige was het, die alleen die menschen scheppen kou, die herstelde menschheid uit de lendenen van die vier mannen kon doen voortkomen, en alzoo het voortbestaan van ons menschelijk geslacht verzekeren. Maar ook bekroop dit kleine hoopske menschen vreeze voor de dierenwereld. In die dierenwereld staat een wilde, ruwe, vernielende macht tegen den mensch over, en het blijft een der verrassendste uitkomsten, dat die machtige dierenwereld er niet in geslaagd is, de toen zoo kleine menschheid uit te roeien. Wat waren vier mannen tegenover die menigte van dieren, waarvan n enkele leeuw of tijger genoeg was, om den nog zoo slecht gewapenden mensch te overvallen en te vernielen! Thans denken we in Europa aan die vreeze nauwelijks meer, en moet men naar Azi of Afrika trekken, waar nog elk jaar duizenden en tienduizenden van menschen door tijgers en slangen vooral, vermoord worden, om de vreeze te verstaan, waarmee in vroeger tijden de dierenwereld den mensch |34| benauwd heeft. Ook in Europa huizen nog wel beren, en bij strenge vorst worden ze in bergstreken nog wel overmoedig, en dalen naar de vlakte af, maar dan staat aanstonds geheel een schare van goede jagers, met uitmuntende geweren gewapend, tegen zulk een dier over, en velt het, en de wolven die vooral het oosten van Europa nog onveilig maken, schiet men dood van uit zijn sle. Maar zoo was het eertijds niet, zoo was het vooral niet in Noachs dagen. Het vraagstuk, om zich als menschenwereld tegenover de dierenwereld te beveiligen en staande te houden, was toen het machtige probleem, dat van zelf op den voorgrond trad, en het is nu met het oog op de benauwdheid en de vreeze, die deswege ’s menschen hart deed ineenkrimpen, dat God na den Zondvloed allereerst te dien opzichte ons menschelijk geslacht geruststelt. Niet de dierenwereld zal ons menschelijk geslacht overmogen, maar des menschen hand zal hooger dan de dierenwereld zijn. En dat dit zoo is, ligt niet aan den mensch, maar komt den mensch toe van God, en dat wel langs tweerlei weg. Vooreerst hierdoor, dat God den mensch begaaft met beleid en overleg, en hem vindingrijkheid schenkt, om den leeuw te verschalken, en zich met juist treffend wapentuig tegen hem te sterken. Maar ook ten tweede, doordien het God belieft om aan de dierenwereld vreeze voor den mensch in te storten. In ruwe, vernielende kracht gaat vooral het wilde dier den mensch zoover te boven, dat er voor den mensch aan geen weerstand te denken zou zijn. Maar wat ge in het sterke paard het duidelijkst ziet, t.w. dat het zich naar den mensch schikt, voor den mensch zwicht, voor den mensch uit den weg gaat, en zich ten slotte zoo met zijn meester vereenzelvigt, dat het niets dan een verlengstuk van den mensch schijnt geworden te zijn, is een algemeen verschijnsel, dat zich, zij het ook op minder duidelijke wijze, toch merkbaar bij allerlei soort dieren openbaart. De leeuw uit het woud zal op den buffel aanstonds toespringen, maar voor den mensch aarzelen. Waar de mensch een wilde landstreek binnentrekt, geeft het wild gedierte het al spoedig op, en trekt zich terug naar verder afgelegen oorden. Hier hebben we dus te doen met een indruk, dien het dier van den mensch ontvangt, en welke die indruk zijn zou, hing af van de verhouding waarin mensch en dier door den Schepper, die beiden op aarde saambracht, tusschen mensch en dier verordende. Zoo was het dus een genade, een goede gunste onzes Gods, dat Hij „de vreeze en de verschrikking des menschen” op de dierenwereld legde. Niet de mensch had ze in zijn hand, maar „ze zijn door God in de hand der menschen overgegeven”.

*

Dat hierin nu genade spreekt, is niet alleen in dien zin te verstaan, dat het een voor den mensch gunstige beschikking was, maar ook zoo, dat God door deze daad van genade de kwade gevolgen stuitte, die de mensch |35| door de zonde over zich gebracht had. In het paradijs is van vreeze van den mensch voor de dierenwereld geen sprake. De dieren komen tot Adam in stille gedweeheid, en hij aanschouwt ze en doorziet ze, en noemt hun naam. Toen het plantenrijk nog geen doornen en distelen voortbracht, dreigde er voor den mensch ook nog geen gevaar van de zijde van de dieren. Maar toen door de zonde de vloek uitbrak en de Goddelijke harmonie van het paradijs verbroken werd, toen ja, sproten de doornen en distelen uit, en voer ook in het wilde dier de moordzucht om den mensch te vernielen. Had dus God de Heere deze moordzucht onbeteugeld laten werken, en ware de menschheid, op die wijze uitgemoord, zoo zou ons hierin slechts de gerechte straf over onzen afval van God overkomen zijn. En dat nu God de Heere, in stede van ons aan de natuurlijke gevolgen van ons eigen kwaad ter prooi te laten, in zijn ontfermingen tot ons geslacht komt, en in deze worsteling tusschen menschenwereld en dierenwereld, zich aan onze zijde tegenover de dieren stelt, en de dieren met schrik en ontzetting voor den mensch vervult, om omgekeerd aan dien mensch gevatheid en wakkerheid tegenover het dier te schenken, dat is meer dan goedgunstige beschikking, dat is genade, omdat het, in weerwil van onze zonde, de gerechte straf der zonde van ons afweert. Zelfs dat ook de vogelen des hemels en de visschen der zee hierbij worden genoemd, is allerminst overbodig. Nu nog heeft men overblijfselen ontdekt van vroegere vogelsoorten, die als schrikkelijke monsters van reusachtige afmetingen schrik en ontzetting om zich moeten verspreid hebben, waar ze ook neerstreken; dieren waarvan men nog de afgrijselijke afbeeldingen gereconstrueerd heeft, en wier skelet ons nog huiveren doet. Daarom was het voor Noach en zijn zonen, die van deze monsters zeker de traditie nog kenden, noodig, dat ook de vogelen des hemels genoemd zouden worden, terwijl ook de dieren uit de wateren moesten genoemd worden, opdat noch haai noch krokodil noch ook eenig ander rivier- of zeemonster den mensch met doodelijken angst voor zee en stroom zou vervullen.

*

Toch is hiermee de ordinantie Gods over de dierenwereld nog niet voleind. Niet alleen toch, dat het Gode belieft, den schrik die den mensch voor het dier beving, op het dier zelf over te brengen; maar Hij geeft ook het dier aan den mensch tot spijze. „Al wat zich roert, zij u tot spijze; heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid.” Deze verordening is in het Noachietisch Verbond nieuw. In het paradijs was hier oorspronkelijk geen sprake van. Toen bestond de voeding der menschen in wat het plantenrijk aan edele vruchten bood, maar van vleeschvoeding ontdekt ge geen spoor. Of men nu daarom recht heeft tot de bewering, dat de |36| mensch vr den Zondvloed geen vleesch zou genuttigd hebben, wagen we te betwijfelen.

Reeds is het op zichzelf niet te gelooven, dat bij zoo verwilderden toestand, als waarop de ontwikkeling van ons geslacht vr den Zondvloed was uitgeloopen, alleen moeskruid en boomvrucht ’s menschen voeding zou gebleven zijn. Doch wat meer zegt, ook de indeeling van rein en onrein gedierte was reeds vr den Zondvloed in zwang gekomen, en bij de ordinantie over het vee dat in de arke moest opgenomen worden, schikt God zelf zich naar die indeeling. Ook mag niet vergeten, gelijk reeds onze vaderen opmerkten, dat Adam en Eva in, het paradijs, na den val, van Gods wege met schaapsvellen bekleed zijn, iets wat het slachten van deze dieren onderstelt. En bij dit alles komt nu nog, dat na den Zondvloed het eten van rauw, bloedig vleesch verboden wordt, een verbod dat alleen zin heeft, zoo deze ruwe, barbaarsche wijze van doen vr den Zondvloed veelvuldig voorkwam. De voorstelling, zelfs nu nog door sommige geloovigen voorgestaan, alsof vr den Zondvloed alle menschen vegetarirs zouden geweest zijn, wijzen we daarom af. Doch ook al was vroeger het eten van vleesch gangbaar, toch was de oorspronkelijke scheppingsordinantie, die den mensch het plantenrijk voor zijn voeding aanwees, nog nimmer in dien zin aangevuld en uitgebreid. En dit is het nu wat na den Zondvloed gebeurt. Het is God zelf die na den Zondvloed het gebruik van vleesch voor den mensch instelt. Er staat toch niet: „Desnoods moogt ge het eten, maar beter is het, dat ge er van aflaat”, maar zoo algemeen mogelijk: „Het zij u tot spijze, Ik heb het u al gegeven gelijk het groene kruid”, een zeggen, dat natuurlijk op het paradijs terugsloeg. Want al ligt in deze verordening stellig niet opgesloten, dat men vleesch eten moet, zoodat zondigen zou, wie het niet deed, toch is niet tegen te spreken, dat vleesch hier in n adem met het groene kruid als gewone voeding voor den mensch wordt aangewezen, zoodat wie hiertegenover een anderen regel gaat stellen, en de vleeschvoeding als ongeoorloofd veroordeelt, wijzer dan God wil zijn, en aan zijn Goddelijk recht, om te bepalen hoe het zijn zal, te kort doet.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie’ V, De Heraut No. 927 (29 september 1895).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000