IV. De geestelijke en de zakelijke beteekenis van het Noachietisch Verbond.

Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen, die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, de arke toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke arke hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid, die naar het geloof is.

Hebr. 11 : 7. a


Ongetwijfeld heeft alzoo het Noachietisch Verbond k geestelijke betekenis, neemt het een plaats in het verloop der Heilsopenbaring in, en mag het allerminst naar een min heilig terrein worden verwezen; mits ge |22| maar streng hierbij onderscheidt tusschen den inhoud en het doel van dit Verbond. Die inhoud er van toch ligt geheel binnen den kring van het natuurlijke leven, ziet op de tijdelijke en niet op de eeuwige goederen, en geldt voor ongeloovigen evengoed als voor wie God vreezen, voor den mensch niet alleen, maar ook voor het dier. De inhoud van dit Verbond is sober en eeniglijk dit: Dat tot aan het einde der wereld, de oppervlakte van onzen aardbol niet meer staat verstoord te worden, maar blijven zal gelijk die nu is. Dien inhoud geestelijk te willen duiden en zaligmakend te willen verklaren, is daarom ongerijmd. Dat is even onmogelijk als dat ge de schepping zelve zaligmakend zoudt willen duiden. Als God het licht schept, en de zeen afpaalt, en het kruid doet opkomen, en het aardrijk van gedierte wemelen laat, geldt dit alles natuurlijke dingen, die wel met iets geestelijks in verband kunnen treden, maar op zich zelve niet geestelijk zijn. Calvijn merkt dan ook zeer juist op, dat de eigenlijke belofte van het Noachietisch Verbond niet verder strekt, dan om het resultaat der eerste Schepping nogmaals vast te zetten, en „den gewonen loop der natuur” te verzekeren.

Aan de geestelijke beteekenis van het Noachietisch Verbond komt ge dan eerst toe, als ge afziet van zijn inhoud, afziet van de speciale belofte, en afziet van de voorwerpen (mensch en dier) naar wie die belofte zich uitstrekt, en alsnu heel anders vraagt, met welk doel dit Verbond werd opgericht. Dan toch spreekt het vanzelf, dat het doel van deze genadedaad Gods niet in de verlorenen kan, maar in de verkorenen moet liggen, en alzoo te zoeken is in Christus, in zijn volk en zijn toekomst, en, door den Christus, in de verheerlijking van ’s Heeren Besluit en Naam. Slechts versta men dit niet in dien gedwongen zin, alsof dit Verbond uitsluitend bedoelde, zeker terrein van geordend menschelijk leven open te houden, waar de formatie van plaatselijke kerken mogelijk zou zijn. Dit toch ware een werktuiglijke opvatting, die in een door menschen verzonnen tragedie denkbaar, volstrekt ondenkbaar is in het organisch geheel der door God geleide Historie. Er bestaat verband, levensverband, organisch levensverband tusschen de verkorenen en ons menschelijk geslacht, tusschen ziel en lichaam, tusschen ons en den Christus, tusschen den Christus en zijn Koninkrijk. Alle zaligmakend werk gaat tot in de schepping, en achter de schepping in het Besluit terug. En ook hier hebben we ons te houden aan de volle en ongekreukte belijdenis van de heilige Drieenheid in het Goddelijk Wezen. Het werk van den Heiligen Geest komt uit het werk van den Zoon, en beider werk mag nimmer losgedacht van het werk des Vaders in de schepping. Ook de Christus staat deswege in verband met het leven der volkeren en met ons natuurlijk leven; en ge verstaat den proloog van Johannes niet, zoo ge het Eeuwige Woord in de schepping buiten verband stelt met den Middelaar in het Verlossingswerk. |23|

Wel terdege bestaat er dus samenhang tusschen het Genadeverbond dat met de uitverkorenen, en tusschen het Noachietisch Verbond dat met „al wat adem heeft” gesloten is. Die samenhang is ons gewaarborgd door de nheid van Gods raadsbesluit en de nheid van het werk des Middelaars. Gewaarborgd door het onloochenbare feit, dat de kerke Gods in Noachs arke behouden werd, en door de profetische roeping die aan Noach wordt toegekend. Gewaarborgd door de voorafschaduwing die in den Zondvloed van het oordeel lag, en die in de wateren van den Zondvloed doelde op den heiligen Doop. Maar gewaarborgd bovenal door de allesbeslissende omstandigheid, dat alleen in den kring der geloovigen de vrucht van het Noachietisch Verbond als Verbond kon, en nog kan genoten worden. Natuurlijk het feit zelf, dat het natuurlijk leven op aarde niet meer gewelddadig verstoord wordt, komt ook aan de ongeloovigen en de dieren ten goede; maar de gerustheid, de zekerheid, de vertroosting die er in ligt, dat God ons beloofd, bezegeld en bezworen heeft: „Er komt geen zondvloed meer,” is alleen het deel der geloovigen. Het dier weet er niet van, dat God ook met de dieren zijn Verbond sloot, en de ongeloovige, ook al hoorde hij er van, gelooft het niet, neemt het niet aan, en eindigt met heel de historie van Noach f te vergeten, f tot het mikpunt van onheilige spotternij te stellen. Voor alle volken geldt dit Verbond, en als de negerstammen in het hart van Afrika en de Mongoolsche volken op Azi’s oostkust het maar inzagen, zouden ook zij de genieting smaken, dat God, de Almachtige, de Heere des hemels en der aarde, ook met hen in een bestendig Verbond is getreden. — Maar ook al leeft bij deze volken nog zekere heugenis van den Vloed, van een Verbond Gods is alle heugenis onder hen teloor gegaan. Ze kennen Gods Verbond niet meer, en ook al komt ge er hun van spreken, ze verstaan het niet meer en ze gelooven het niet. Alleen onder die volken, waaronder de banier des Kruises is rondgedragen, leeft de heugenis van het Noachietisch Verbond nog altijd voort. Waar de kerk van Christus verscheen, daar was zij het, die de afgedoolde volken weer met dit Noachietisch Verbond bekend maakte, en het weer inlaschte in de geloofsovertuiging. Feitelijk kan men dus zeggen, dat het Noachietisch Verbond, hoezeer ook voor alle volken geldende, toch alleen dr nog in het menschelijk bewustzijn leeft, waar de kerk des Heeren openbaar werd. Dit Verbond is alzoo gelijk aan de belofte van een erfenis, die aan alle de kinderen van eenzelfde gezin wer gegeven, maar die feitelijk alleen door die kinderen genoten en gewaardeerd kan worden, die tot jaren van onderscheid zijn gekomen. Voor de andere geldt de belofte wel, en ze ontvingen er het voordeel wel van, maar voor hun bewustzijn bestaat die belofte niet. Ze weten er niet van.

*

|24| Zoo ziet ge dus wel, dat de geestelijke beteekenis van het Noachietisch Verbond allerminst miskend wordt, ook waar men streng volhoudt, dat het Verbond zelf alleen tijdelijke strekking heeft, niets dan een natuurlijk goed belooft, en aan al wat adem heeft gemeen is. Juist daarom echter mag hier de opmerking niet achterwege blijven, dat de kerk van Christus in later eeuwen wel wat vluchtig over dat Noachietisch Verbond heeft heengelezen, en kwalijk kan gezegd worden, de heugenis, waardij en beteekenis er van te hebben gemaintineerd. Want wel leert elk kind onder ons nog van Noach en den Zondvloed, en dat er nu geen zondvloed meer komt; maar in de geloofsovertuiging der kerk is het toenmalige werk Gods schier nimmer tot zijn recht gekomen, en het is opmerkelijk hoe weinig in de handboeken der leerstellige godgeleerdheid op het Noachietisch Verbond is gelet. Calvijn — dit is voor ieder, die zijn Commentaar op Genesis leest, volkomen duidelijk — heeft de volle beteekenis van dit Verbond zeer wel gegrepen en er nadruk op gelegd, maar na hem is er ternauwernood aandacht aan geschonken. Misschien ware dit voorkomen, indien Calvijn ook in zijn Institutie dit stuk ter sprake had gebracht. Dan zou het als vanzelf uit dit stamboek onzer Gereformeerde Dogmatiek in de latere handboeken zijn overgegaan. Nu echter Calvijns Institutie dagteekent uit zijn jongere jaren, toen het geheel nog minder volledig voor zijn geest was getreden, en hij om begrijpelijke reden de oorspronkelijke uitgave niet te sterk wijzigen wilde, heeft hij er zich toe bepaald dit stuk in zijn Commentaar, maar dan ook grondig te behandelen, en zoo bleef het uit schier alle latere handboeken weg. Eerst toen Coccejus later de ne Openbaring Gods in de veelheid van de achtereenvolgende Verbonden brak, is ook het Noachietisch Verbond weer ter sprake gekomen en zoo heeft met name Petrus van Maestricht de toen ingetreden Openbaring weer uitvoeriger besproken. Reeds toen echter was het Verlossingswerk in de leer der Verbonden zoo eenzijdig op den voorgrond getreden, dat men niet beter wist te doen, dan ook dit Verbond enkel van zijn geestelijke zijde bezien; en hieruit is het te verklaren, dat er ook nu schier nimmer over dit Verbond wordt gepredikt, wordt gecatechiseerd of verhandeld. Veilig kan men zeggen, dat schier geheel dit tijdperk uit de openbaring Gods, niet alleen bij de Lutherschen en Methodisten, maar ook bij ons, Gereformeerden, slaapt. En hiertegen nu moeten we opkomen. Wie niet ongeloovig is, maar waarlijk aanneemt en belijdt, dat God Almachtig na den Zondvloed aldus tot Noach en zijn zonen gesproken heeft, en een Verbond heeft opgericht met alle volken en alle personen door alle geslachten tot aan het einde der wereld, dus ook met ons geslacht, met ons huis en met ons persoonlijk, ja met de dieren des velds die ons omringen, die komt in eerbiedenis en dank voor zijn God te kort, indien hij dit Goddelijk Verbond niet in zijn gedachtenwereld opneemt, er niet me rekent, en het niet telt. |25|

Vooral bij het verschijnen van den regenboog komt deze ongeloovigheid uit. Met zoovele woorden heeft God tot Noach en zijn zonen gesproken: „Dit is het teeken des Verbonds, dat Ik geef tusschen Mij en tusschen ulieden en tusschen alle levende ziel, die met u is, tot eeuwige geslachte; mijnen boog heb Ik gegeven in de wolken, die zal zijn tot een teeken des Verbonds tusschen Mij en tusschen de aarde. En het zal geschieden, als over de aarde breng, dat deze boog zal gezien worden in de wolken. Dan zal Ik gedenken aan mijn Verbond, hetwelk is tusschen Mij en tusschen u. Als deze boog in de wolken zal zijn, zoo zal Ik hem aanzien, om te gedenken aan het eeuwig Verbond tusschen Mij en tusschen alle levende ziel, van alle vleesch, dat op de aarde is.” Aldus luidt het Getuigenis. — De vraag of toen voor het eerst de regenboog verscheen, of wel dat de reeds bekende regenboog toen slechts tot teeken gesteld werd, is voor ons niet uit te maken. Onder de Lutherschen is meer het eerste, onder ons Gereformeerden meer het laatste denkbeeld gangbaar. Calvijn had eenmaal gezegd: „Te wanen dat de regenboog toen pas verscheen, is uiterst gewaagd”, en daarom liet men onder ons dit denkbeeld varen. Zelfs nu echter zijn er nog zeer kundige geleerden, die het tegendeel vaststellen, en die staan in de overtuiging dat de regenboog toen voor het eerst verscheen. Ze beroepen zich voor dit gevoelen vooral op wat we in Gen. 2 : 5 en 6 lezen, waar staat: „De Heere God had nog niet doen regenen op de aarde, maar een damp was opgegaan uit de aarde en bevochtigde den ganschen aardbodem.” Ze erkennen dus ten volle, dat de regenboog er ook vroeger moet geweest zijn, bijaldien de atmosferische verhoudingen toen dezelfde waren als nu; en ook ontkennen ze niet, dat de kleurenboog zich ook buiten regen op den waterval kan afteekenen, als een kring om het kunstlicht in den nevel kan verschijnen, en dat de kleuren van den regenboog zich zelfs buiten nevel prismatisch, of bij het wrijven op ons oogvlies, vertoonen: maar ze nemen aan, dat metterdaad eerst door het losmaken van de sluizen des hemels tijdens den Zondvloed de dampkring zijn tegenwoordige verhoudingen heeft aangenomen, dat het zwerk zich eerst van dien tijd af in zijn tegenwoordige gestalte heeft vertoond, en dat alzoo eerst van die ure af, toen voor het eerst de wateren zich in de wolken samtrokken, en op die wolken de zon kon spelen, de heel den gezichteinder overspannende regenboog gezien is. Wel de straalbreking in kleuren zou dan vroeger gezien zijn, en ook de tinteling van die kleuren bij nevel en waterval, maar die machtige boog in de wolken, die heel den hemel omspande, zou toen voor het eerst zijn waargenomen. Tot zekerheid intusschen zullen we hierin wel nooit komen. De meteorologen kunnen ons geen uitkomst geven, want zij kunnen alleen uitgaan van de onderstelling, dat de dampkring ook vr den Zondvloed werkte, gelijk hij ook nu werkt; en dan geeft natuurlijk een ieder toe, dat ook de |26| regenboog reeds vr den Zondvloed moet gezien zijn. Maar juist of dat zoo is, kan niemand met zekerheid uitmaken, en het bericht uit Gen. 2 : 5 en 6 is in dat opzicht hoogst opmerkelijk.

Op geloofsgebied intusschen blijft steeds de hoofdzaak waaraan ook wij ons te houden hebben, dat de regenboog, daargelaten nu de vraag of hij toen pas, of ook reeds vroeger verscheen, eerst van die ure af zijn Goddelijk merkteeken ontving. Eerst van die ure af werd hij het teeken van het Verbond. Te kort doet dus aan de eere Gods elk Christen, die, als de regenboog in de wolken verschijnt, de trouwe zijns Gods niet gedenkt, er het teeken des Verbonds niet in opmerkt, en er, evenals de heidenen en de ongeloovigen, niets anders in ziet dan een noodzakelijk natuurverschijnsel en een prachtig schouwspel. Nadrukkelijk heeft onze God ons betuigd, dat zoo dikwijls Hij den boog in de wolken zou brengen, Hij, onze God, „dien boog zou aanzien en zou gedenken aan zijn Verbond;” en dit nu legt ons, kinderen der menschen, de verplichting op, om in zulke oogenblikken te doen wat God doet, en ook onzerzijds den boog aan te zien, om te gedenken aan de trouwe van zijn Verbond. Bij onze vaderen was dat dan ook zoo. Zij deden dit en leerden het hun kinderen doen. En nog ontbreken de vromen niet onder ons, die desgelijks doen. Maar hun aantal neemt af. Een jonger geslacht waant wijzer te zijn, pleegt minder innig met zijn God te verkeeren, en de kerk van Christus, die bijna nimmer van deze dingen rept, heeft aan dat afnemen der vroomheid mede schuld. — Het was daarom eisch van het onderwerp, dat we iets breeder dit Noachietisch Verbond ter sprake brachten, en ook op den boog in de wolken weer de aandacht vestigden. Eerst in zijn samenhang toch wordt het hoog belang en de rijke beteekenis van zulk een deel der Openbaring gevoeld. De Methodist zal hier nimmer het rechte oog op verkrijgen, maar de man van Gereformeerde belijdenis behoeft slechts bij deze dingen bepaald te worden, om er den ernst weer van in te zien. En we geven de hope dan ook niet prijs, dat me dit ons woord strekken zal, om, zoo dikwijls de boog in de wolken weer gezien wordt, ook de gedachtenis aan het Verbond Gods met alle levende ziel, met al wat adem heeft, weer in menig hart te doen opleven.

*

Het verschil tusschen den toestand vr en na den Zondvloed vatte men daartoe duidelijk in het oog. Vr den Zondvloed heeft God de Heere den mensch wel niet geheel, maar dan toch ten deele, onbeteugeld aan de zonde laten botvieren. Niet geheel, want de teugel der genade trad ten deele reeds in het paradijs na den val in, maar nog slechts zeer ten deele. God wilde den mensch, uit eigen bittere ervaring doen zien, waar het heenging, zoo de mensch aan zichzelven werd overgelaten. De zonde werd |27| toen wild en ruw ontketend. Ze ging door en voort. En reeds in korte eeuwen had de goddeloosheid en verdierlijking destijds zulk een hoogtepunt bereikt, dat er een algemeene verwildering was ingetreden, niet slechts in enkele kringen, maar in het middelpunt en over heel de straallengte van ons menschelijk leven, zoodat ten slotte heel het menschelijk leven een gansch helsch karakter vertoonde. Het was de toestand, waarvan God sprak, „dat al het gedichtsel van de gedachten der menschen te allen dage alleenlijk boos was.” De toestand was dus zoodanig geworden, dat heel het leven van ons geslacht in algemeene krankzinnigheid, verdierlijking en onderlingen moord zichzelf zou vernietigd hebben, en dat alzoo het oordeel Gods, dat in den Zondvloed dan ook kwam, niet kon uitblijven. Een struik, die in zijn takken en stengels geheel verkankerd of verschroeid is, snijdt de kundige kweeker, kortweg bij den wortel af. En zoo deed God met ons menschelijk geslacht in den Zondvloed.

Nu behoefde God zelf natuurlijk niet eerst uit deze schrikkelijke ontaarding en verbastering van ons geslacht te leeren, waar het heenging, zoo dit geslacht aan zijn eigen hartstocht werd overgelaten, maar wij moesten het bij ervaring leeren verstaan. In wat hier geschied is, ligt alzoo een schrikkelijke onderwijzing aan de kerk aller eeuwen. Het is uit het toen gebeurde, dat wij weten, eens en voor altijd weten, waar het met ons geslacht, waar het met een volk, waar het met een huisgezin, en waar het met de personen heengaat, als God ons loslaat, ons overlaat aan ons zelven, en ons zijn bewarende en vertroostende genade onthoudt. Ook ligt hierin een onderwijzing van wat het eens worden zal, als in het einde der dagen, de „mensch der zonde”, of wilt ge, de antichrist zal optreden, en nogmaals het mysterie der ongerechtigheid zal ontsluierd worden. Ja, zelfs ligt in de schrikkelijke uitkomst van de verbastering van ons geslacht vr den Zondvloed een heenwijzing naar wat de van zelf ontstaande afgrijselijkheid zal zijn in de plaatse waar „eeuwige weening zal zijn en knersing ter tanden.”

Ware nu na den Zondvloed niets in den stand van zaken veranderd, dan zou, in even korten tijd als vr den Zondvloed, de ontwikkeling van ons geslacht nogmaals op hetzelfde gruwzame punt zijn uitgekomen, en zou opnieuw een zondvloed ons hebben moeten verderven. Op die wijs zou derhalve de ontwikkeling van ons geslacht niets anders geworden zijn, dan een gedurige herhaling van de helsche ontwikkeling van toen, telkens door een algemeene verwoesting gevolgd. Zoo zou dus nimmer een doorloopende menschelijke historie ontstaan zijn. De ontwikkeling zou nooit er verder zijn gekomen. De ontfermingen Gods in zijn verlossingswerk zouden geen terrein hebben gehad om zich te openbaren. Wat men nu noemt onze humane, onze Christelijke wereld, zou nimmer hebben bestaan.

*

|28| En daarom nu is na den Zondvloed een andere orde van zaken, een andere stand der dingen ingetreden. Het leven zelf is, van die ure af en daarna zoo geheel anders geweest. Anders zelfs in de natuur en in de dierenwereld, altoos naar den vasten regel, dat ook die natuur en ook die dierenwereld, met het leven van ons menschelijk geslacht in verband staan, niet door een verband dat wij leggen, maar krachtens een betrekking die God zelf in de schepping aller dingen gegrond heeft. Als de mensch heilig is, is er een paradijs; als hij valt komt de vloek over de aarde; en als hij eens weer heilig zijn zal, zal op een nieuwe aarde onder een nieuwen hemel nogmaals de heerlijkheid des Heeren schitteren. Hoe raadselachtig dit dan ook voor ons zijn moge, het is nu eenmaal zoo, dat na den Zondvloed de natuur in hare elementen op andere wijze uitkwam, en dat geheele geslachten van dieren die vroeger zich op en over de aarde bewogen, niet meer gezien zijn. Hun overblijfselen vindt men nog, hen zelve niet meer. Met die veranderingen in de gedaante der aarde en in de atmosferische verhoudingen hangt de belofte, dat er geen zondvloed meer komen zal, dan ook rechtstreeks sam. Dat er geen zondvloed meer komt, is de wilsuiting van Gods raadsbesluit. Hij belet het. Maar dit „beletten” wordt uitgewerkt in de natuur der dingen, die nu alzoo besteld zijn, dat er geen zondvloed meer komen kan. Van een menschelijk heerscher zou men zeggen, dat hij zijn maatregelen nam om het te voorkomen. Die uitdrukking nu bezigen we van den Heere onzen God natuurlijk niet. Maar dit neemt niet weg, dat onder Gods voorzienig bestel de natuurlijke verhoudingen op deze aarde toch zulk een gedaante en gestalte erlangden, dat de uitvoering van Gods belofte hierdoor verzekerd werd. Zijn openbaring aan Noach liep evenwijdig met hetgeen Hij, als onze God en onze Schepper in de aarde zelve en in den dampkring wrocht. — Doch ook hierbij bleef het niet. De genadiglijk reddende hand Gods richtte zich niet alleen op de elementen der natuur, maar ook op den mensch zelven. In het leven zelf van den mensch trad aanmerkelijke verandering in. Een verandering het sterkst geteekend in de verkorting van zijn levensduur. Noach bereikte bijna de tiende eeuw. Bij Sem daalt dit reeds op de helft, bij Peleg op een vierde, en bij Akbar op honderd en vijftig jaren. Doch deze ne wijziging staat niet op zich zelve. Die wijziging in ’s menschen toestand droeg een veel algemeener karakter. Immers aan de Verbondssluiting ging een zegenspreuk en het instellen van een levensordinantie vooraf, om voor Sem, Cham en Japheth door een profetische beschikking gevolgd te worden.

Doch hierover in onze volgende artikelen.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie’ IV, De Heraut No. 926 (22 september 1895).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000