III. Het Noachietisch Verbond niet particulier

Dan zal Ik gedenken aan mijn verbond, hetwelk is tusschen Mij en tusschen u, en tusschen alle levende ziel van alle vleesch; en de wateren zullen niet meer wezen tot eenen vloed, om alle vleesch te verderven.

Gen. 9 : 15. a


De vr reikende beteekenis van het aan Noach gegeven Verbond vereischt thans geen nader betoog meer. Ons bleek toch, dat deze beteekenis geen mindere is, dan dat de tegenwoordige stand van onze aarde, en van ons menschelijk leven op die aarde, van den Zondvloed af tot op de Wederkomst van Christus, in dit Genadeverbond met Noach den grondslag voor zijn vastigheid en duurzaamheid bezit. De zekerheid, dat het vr de wederkomst des Heeren niet nogmaals tot een gewelddadige losscheuring van den bodem der aarde komen zal, staat in dit Noachietisch Verbond steeds op den voorgrond. Sterk vooral komt dit uit in Jesaia 54 : 9, waar de God Israls betuigt: „Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden komen. Alzoo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen of u schelden zal”. En dat dit niet uitsluitend op een overspoeling van deze aarde door een watervloed, maar in het gemeen op een algemeene verwoesting doelt, blijkt wel uit wat er in vs. 10 op volgt over „de bergen die wijken en de heuvelen die wankelen” zullen. De vloed van het water staat op den voorgrond, en het feit moet dus aangenomen, dat ten slotte de alles wegsleurende overmacht en het alles vernielend geweld van het water het schrikkelijkst en het bangst geweest is; maar even duidelijk weerklinkt nog door heel de Schrift de heugenis aan bergen die losgewrikt en verzet werden, aan bergtoppen die huppelden en bewogen werden, en evenzoo aan dalen die oprezen uit de diepte en aan bloeiende velden die straks verzengden en verdorden tot een woestijn.

Een zinspeling die bij de teekening van het einde der dingen terugkeert. Ook met het oog toch op dat einde spreekt Jezus van „bergen die op menschen vallen” en van „heuvelen die hen bedekken zullen,” en getuigt het apostolisch woord, dat de aarde nogmaals „zal bewogen worden,” en dat „de elementen der aarde zullen versmelten.” Wie dan ook uit de Schrift saamleest, wat daarin voorkomt over de beweeglijkheid der bergen, over de inzinkingen en verheffingen van den bodem der aarde, over de gedaanteverwisseling van vruchtbaar land in dorre wildernis, en over de veranderingen die in de elementen der aarde kunnen plaats grijpen, vindt |16| die Schrifttaal geheel in overeenstemming met de tooneelen van schrikkelijke woestheid, die nog in tal van streken van vroegere catastrophen getuigen. De voorvechters van de water- en van de vuurtheorie, Neptunisten en Plutonisten, kunnen zich om strijd op de Schrift beroepen, en het Noachietisch Verbond zou Gode-onwaardig geduid worden, zoo men er in las, dat ons wel geen zondvloed meer wachtte, maar dat een even schrikkelijke catastrophe door andere elementen of uit andere oorzaak ons nog elk oogenblik overkomen kon. Rust, zekerheid en vertrouwen geeft het Noachietisch Verbond aan de kinderen der menschen dan eerst, als ge het in zijn breede, volle beteekenis opvat, dat zulk een geweldige onderstbovenkeering, als toen voorgekomen was, en nogmaals met het laatste oordeel staat te wachten, voor dien tusschentijd door de stellige belofte Gods is uitgesloten, en ons dus niet meer te wachten staat.

*

Intusschen rijst met opzicht tot dit Noachietisch Verbond een ernstige bedenking, die onder de oogen moet gezien. Reeds in de dagen onzer vaderen toch is de vraag opgeworpen, of ook dit Verbond, als dragende het karakter van een verbond der genade, niet beschouwd moet worden, als enkel met de geloovigen gesloten, zoodat het de wereld in het gemeen niet aanging. Met name Pareus, Perkins en Maestricht hebben zich in dien zin uitgelaten, en ook Rivet gebruikt een uitdrukking, die den schijn doet ontstaan, als stond hij in dit zelfde gevoelen 1). Voor zoover de door ons hier gegevene voorstelling met deze opvatting niet overeenstemt, maar de oudere zienswijze van Calvijn volgt, dient hier derhalve rekenschap gegeven van het goed recht, waarmede wij deze engere opvatting verwerpen. Calvijn zegt in woorden voor geen tweerlei duiding vatbaar: „Het is buiten kijf, dat hier deze genade Gods zich uitstrekt tot al Noachs nakomelingen. Het is geen bijzonder Verbond . . ., maar zulk een, dat aan alle volken gemeen is, en door alle eeuwen tot aan het einde der wereld stand houdt”. Zijn uitdrukking: Foedus omnibus populis commune, d.i. een verbond van gratie gemeen aan alle volken, beslist hier. Uit de keuze dier woorden blijkt toch, dat Calvijn het Verbond met Noach niet als „zaligmakend” verstaat, maar als doelende op een goedertierenheid Gods, waarvan alle kind des menschen, onder alle volk, door alle eeuw, tot op Christus’ wederkomst, het profijt heeft.

Aan het betoog, dat we ons metterdaad in het voetspoor van Calvijn |17| bewegen, behoeft alzoo geen woord meer gespild. Reeds deze enkele aanhaling uit zijn commentaar is hier afdoende, en de nauwkeurige herlezing van geheel zijn uiteenzetting over dit Noachietisch Verbond (zie Ed. Strasb. Tom. XXIII. p. 147 v.v.) heft allen twijfel dienaangaande op. De fout der lateren was, dat ze aan de duidelijke bewoordingen der Heilige Schrift geen genoegzaam recht lieten wedervaren, te uitsluitend op de kerk, en te weinig op het algemeene menschelijke leven zagen. Iets wat daarom hier te meer in het oog springt, omdat de woorden des Heeren in Gen. 9 zoo omstandig, zoo alle misverstand afsnijdende, en zoo onverbloemd zijn, dat zelfs de mogelijkheid van een andere opvatting, door wie deze woorden ernstig indenkt, is buitengesloten. Het zijn toch de woorden Gods in den eersten persoon, die ons hier worden medegedeeld, en nu zegt God, niet enkel tot Noach, maar tot Noach en zijn drie zonen, dus niet alleen tot Sem, maar ook tot Japhet en Cham, en zulks met inbegrip van Japheths en Chams nakomelingen: „Ik, zie Ik richt mijn verbond op met u en met uwen zade na u.” Ware het nu nog een verbond geweest met Noach alleen opgericht, zoo kon men nog zeggen, dat de woorden: „en met uwen zade na u,” alleen op Noachs geestelijke nakomelingen doelden. Maar deze uitlegging is nu onmogelijk. Immers de Heere God spreekt hier niet tot Noach alleen, maar tot vier personen, t.w. tot Noach, Sem, Cham en Japheth. Eigenlijk had er dan ook moeten vertaald worden: „Ik richt mijn verbond op met ulieden en met ulieder zaad na ulieden.” In den oorspronkelijken tekst toch staat, zoowel u als uw zaad, niet in het enkelvoud, maar in het meervoud, en heel de voorstelling, die op Zondagsscholen en catechisatin gangbaar is, als sprak God hier alleen tot Noach, is valsch. Uitdrukkelijk en met zoovele woorden, spreekt God hier dus uit, dat Hij dit verbond opricht, niet enkel met de geloovigen, noch ook enkel met Sems nakomelingen, maar evenzoo met Japheth en Cham, en de nakomelingen van dezen. Juist wat Calvijn zegt: „Een verbond van gratie, aan alle volkeren en natin gemeen.” En als hadde God voorzien, dat hier desniettemin misvatting zou insluipen, voegt Hij er als ter nadere bepaling nogmaals letterlijk aan toe: „en met alle levende ziel, die met u is, van het gevogelte, van het vee, en van alle gedierte der aarde met ulieden van allen die uit de arke gegaan zijn, tot al het gedierte der aarde toe.” Iets wat in vs. 12 nogmaals in dezer voege herhaald wordt: „Het verbond, dat Ik geef tusschen Mij en tusschen ulieden en tusschen alle levende ziel, die met u is, tot eeuwige geslachten.” Ja, als om het ng concreter uit te drukken, en helder te doen uitkomen, dat dit Verbond wel wezenlijk ons menschelijk leven op deze aarde geldt, staat er in vs. 13: „Het Verbond tusschen Mij en tusschen de aarde”, en in vs. 15, 16 en 17 wordt het nog driemalen herhaald: „Het Verbond hetwelk is tusschen Mij en tusschen alle levende ziel van alle vleesch, die op de aarde is.” |18|

Tot zesmalen toe wordt het alzoo uitdrukkelijk in dit kort bestek uitgesproken, dat we hier niet staan voor een Verbond van particuliere, maar van een Verbond van gemeene gratie; en het is bijna niet te verstaan, hoe men, in strijd hiermee, en deze stellige, tot zesmalen toe herhaalde uitspraak niet achtende, nochtans het algemeen karakter van dit Verbond heeft weggeredeneerd en bijna ontkend. Alleen valsche geestelijkheid bewoog hiertoe. Het woord van Jezus niet achtende, dat er zelfs „geen muschje op aarde valt zonder den wil des hemelschen Vaders”, kon men er niet inkomen, wat hier die zorge voor het gevogelte des hemels en alle gedierte der aarde beduidde. Vergetende wat de Evangelist Johannes ons betuigt, dat alle dingen door het Woord gemaakt zijn, en dat daarom in dat Woord het leven is, en dit leven het licht der menschen, kon men zich geen Genadeverbond anders dan van particuliere strekking denken, en vond in zijn beperkte voorstelling voor een Verbond van gratie met alle kinderen der menschen geen plaats. Dat we naar ziel en lichaam Jezus eigen zijn, drong met zijn gevolgtrekkingen niet in het besef door. En dat de godzaligheid niet alleen voor het toekomende, maar ook voor het tegenwoordige leven een vrucht der genade heeft, werd in zijn diepte niet verstaan.

*

Het is uit dien hoofde, dat wij met eenigen nadruk de volle Schriftwaarheid van het Noachietisch Verbond weer op den voorgrond schuiven, en Calvijns uitnemendheid ook hierin laten uitkomen, dat hij, zonder voor dit drijven eener eenzijdige geestelijkheid uit den weg te gaan, het opgericht zijn van dit Verbond met alle volkeren en natin van den ganschen aardbodem, volmondig erkend heeft. Zelfs het gebruik van den naam waarmee het hoogste Wezen, dat het Verbond sluit, hier genoemd wordt, verbiedt ons de zaak anders op te vatten. Waar sprake is van het zaligmakend Verbond der particuliere genade, wordt in Gen. 3 de naam: Heere gebezigd, en ook waar Sem den zegen van den Messias ontvangt, staat in Gen. 9 : 26 de naam: Heere. Hier daarentegen bij het Noachietisch Verbond wordt, evenals bij den zegen van Japhet in vs. 27 die Verbondsnaam van Heere volstandig weggelaten, en staat overal alleen: God. Het is hier niet de Heere, maar de God van alle vleesch die met alle vleesch het Verbond aangaat, en in dat Verbond een gelofte bezweert die zich metterdaad en gelijkelijk tot alle vleesch, tot „al wat adem heeft” uitstrekt. Zeer juist is dan ook de opmerking van Calvijn, dat de dieren hier daarom mede genoemd worden, omdat hier gehandeld wordt van den levensadem (vitalis spiritus) die ons met de dieren gemeen is. Dit Verbond geldt den stand en het bestaan van de aarde en den dampkring die deze aarde omsluit, en beide die aarde en die lucht is niet alleen aan de menschen, |19| maar met hen aan de dieren gegeven. Waar God derhalve breedvoerig ook de dierenwereld noemt en omschrijft, en de dieren met de menschen saam als de ne partij in het Verbond doet optreden, is juist door dat noemen der dieren zoo duidelijk mogelijk uitgewezen, dat hier een belofte aan de orde is, die niet het geestelijk leven van onze ziel, maar ons uitwendig bestaan in de wereld en op de aarde betreft.

Die belofte zelve doet dan ook de deur dicht. De belofte toch is duidelijk omschreven en sluit hoegenaamd niets geestelijks in. Ze houdt niets anders in, dan dit ne: „De wateren zullen niet meer wezen tot een vloed, om alle vleesch te verderven”. Dit alleen. Niets anders. Er staat geen woord meer bij. Natuurlijk is de schrikkelijke massa waters, die eens alle leven hier verzwolg, na den Zondvloed niet vernietigd. Diezelfde massa waters bestaat nog, hetzij als grondwater ingedrongen in de oppervlakte der aarde, hetzij verzameld in de oceanen, die sam drievierdedeel van de wereld omspannen, en op sommige plaatsen een diepte van over de zeven duizend meter hebben, hetzij vastgevroren in de gletschers op de bergen en in de ijsmassa aan Noord- en Zuidpool. Nog elk oogenblik konden alzoo deze wateren worden losgelaten; en dat ze nochtans elk in hun plaats blijven en deze wereld niet verzwelgen, dat doet God. Hij houdt die vreeslijke massa der wateren gebonden in de hand zijner almachtigheid. En Hij doet dit naar zijn raadsbesluit van algemeene gratie, ons bezworen en bezegeld in zijn Verbond met Noach, en zijn zonen.

*

Na echter dit duidelijk op den voorgrond te hebben gesteld, dient thans op een tweede punt gewezen, dat aan Pareus’, Rivets’, Perkins’ en Maestrichts opmerking een betrekkelijk recht verleent. In Genesis 8 namelijk gaat aan de zegening van Noach en de sluiting van het Verbond, een andere handeling vooraf, die wel terdege op het particulier Genadeverbond ziet. In dit verhaal nu wordt het Eeuwige Wezen niet met den Scheppersnaam als God, maar met den Verbondsnaam van Heere, tot drie malen toe, genoemd. Dit eerste bericht spreekt van geen nieuwe Verbondssluiting. We lezen alleen dat Noach den Heere zijn dankoffer bracht, dat de Heere dit van zijn dienstknecht aannam, en dat Hij alsnu tot zich zelven, niet tot Noach, sprak. — Men leest hier wel meestal over heen, als ware hetgeen nu volgt, tot Noach en zijn zonen gesproken; maar er staat duidelijk dat dit niet het geval was. De Heere, zoo lezen we, „zeide in zijn hart.” Hier is dus sprake van het voornemen dat God in zich zelven heeft, en dat eerst in hoofdstuk 9 bij de zegening en de Verbondssluiting aan Noach en zijn zonen geopenbaard wordt.

Nu komt de mededeeling van dat voornemen Gods wel in hoofdzaak overeen met hetgeen we over de Verbondssluiting lezen, maar toch is er |20| n aanmerkelijk verschil. Er staat hier iets bij, namelijk de reden waarom voortaan geen nieuwe vloed de aarde verdelgen zal. Die reden is vervat in deze woorden: „Want het gedichtsel van ’s menschen hart is boos van zijne jeugd aan.” Over deze woorden is veel geschreven en men heeft zich afgevraagd, waarom God in Gen. 6 : 5 zegt, dat Hij, juist overmits het gedichtsel der menschen te allen dage alleenlijk boos is, den Zondvloed over de aarde zou brengen, en hier in Gen. 8 : 21, dat Hij juist om diezelfde reden voortaan zulk een vloed van de aarde zou afweren. Toch is het recht verstand van deze uitspraak niet moeilijk.

Vooreerst zij opgemerkt, dat het niet waar is, dat beide malen dezelfde reden wordt opgegeven. Wel een gelijksoortige, maar niet dezelfde. Vr den Zondvloed heet het, dat „de boosheid des menschen menigvuldig was op de aarde en al het gedichtsel der gedachten zijns harten te allen dage alleenlijk boos.” Hier wordt dus niet de gesteldheid van het hart des zondaars in het gemeen beschreven, maar die bepaalde toestand waarin ons menschelijk geslacht vr den Zondvloed was geraakt. Het was tot een gansch schrikkelijke uitbarsting van dierlijkheid en ongerechtigheid gekomen, en de geest die het leven van ons geslacht beheerschte, was z verdierlijkt en ontzet, dat alle goede opwelling onderdrukt, alle stem der conscintie gesmoord werd, en er letterlijk al den dag in alle gesprekken en levensuitingen niets dan boosheid aan het licht kwam. Kortom, het was een helsche toestand op aarde geworden. Zoo in Noachs huis de vreeze Gods niet over ware gebleven, zou er geen kerke Gods op aarde meer geweest zijn. En daarom kwam de Zondvloed. Uit dit aldus geheel verzondigde geslacht kon geen voortzetting van het menschdom komen, geschikt om Gods kerk te doen opbloeien. Daarom is dat toenmalig geslacht van de aarde weggevaagd, en uit het eenig overgebleven huisgezin van Noach, waarin Gods vreeze nog stand hield, een vernieuwd menschelijk geslacht opgekomen. — Daarentegen heet het na den Zondvloed heel anders: „Want het gedichtsel van ’s menschen hart is boos van zijne jeugd aan.” Hier wordt dus geen beschrijving van de menschelijke ontwikkeling op een bepaald tijdstip, maar van de gesteldheid van het hart des zondaars in het gemeen gegeven. Omdat de zonde z diep in den wortel van ’s menschen hart schuilt, dat ze van zijn geboorte aan zijn ziel vergiftigt, daarom zal God niet weer door een zondvloed heil aanbrengen, maar een heel anderen weg der behoudenis voor zijn kerk inslaan. Calvijn drukt het zeer karakteristiek aldus uit: „Omdat ’s menschen hart er zoo aan toe is, zou er telkens weer een zondvloed noodig zijn; er zou aan de zondvloeden en gedurige verstoringen van het leven op deze aarde geen einde komen.” En daarom nu, omdat de mensch er zoo aan toe staat, en dus een zondvloed wel eenmaal een geheel verdierlijkt geslacht kan wegruimen, maar niet de zonde stuiten noch ook redding kon aanbrengen, daarom verkiest |21| God de Heere thans een anderen weg. Er zal geen zondvloed meer zijn. De gesteldheid van het leven op deze aarde zal niet weer gewelddadig verstoord worden. Maar aan de zonde zal door vermeerdering der gemeene gratie toom en teugel worden aangelegd, zoodat ze niet meer, alvorens het einde der wereld nabij is, tot zoo gruwzame, helsche uitbarsting en overheersching zal kunnen komen. Als het na den Zondvloed minder helsch op aarde wordt dan vroeger, dan is dit niet, omdat de zondaar in wezen beter is geworden. Voor en na den Zondvloed is de zondaar in de kern van zijn wezen even boos. Maar hierin ligt het verschil, dat de stuitende macht die door de gemeene gratie tegen de zonde uitgaat, van Gods zijde na den Zondvloed een meerdere is geworden. Het dier in den mensch blijft even boos en wild, maar de tralin voor zijn kooi worden sterker gemaakt, zoodat het niet meer op de vroegere wijze kan uitbreken. Eens zal het daar weer toe komen, als de „mensch der zonde” geopenbaard wordt, doordien God dan zijn gemeene gratie weer intrekt, maar dan zal ook het einde daar zijn, en niet door een zondvloed, maar door een verbranden der elementen het oordeel aan deze wereld voltrokken worden.

Aldus is derhalve het voornemen dat God de Heere bij zichzelven voornam. Geen zondvloed meer, maar een meerdere genade ter inbinding en stuiting van de zonde. En dit voornemen dat Hij daarna eerst (zie hoofdstuk 9) in zegenspreuk en Verbondssluiting aan Noach en zijn zonen openbaart, doelt in zijn diepsten grond niet op ons uitwendig, niet op ons tijdelijk leven, maar is een voornemen van Gods welbehagen, dat doelt op den Zoon van zijn welbehagen, op het lichaam der uitverkorenen, en op de eere zijns heiligen Naams. En dit is het wat Maestricht. ook al verwarde hij de voorstelling, bij zijn betoog volkomen terecht op het oog had.




1. Rivet, Opera Omnia, I, p. 218b, merkt intusschen alleen op, dat ook dit Verbond niet alleen het tegenwoordige, maar ook het toekomende leven op het oog had, en niet enkel sloeg op voorbijgaande, maar ook op blijvende goederen. Over het vraagstuk ten principale laat hij zich niet uit.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie’ III, De Heraut No. 925 (15 september 1895).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000