II. Het uitgangspunt van het leerstuk

Want dat zal Mij zijn als de wateren van Noach, toen Ik zwoer, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden gaan; alzoo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer op u toornen, noch u schelden zal.

Jes. 54 : 9. a


Het vaste geschiedkundige uitgangspunt voor het leerstuk van de gemeene gratie ligt in de Verbondssluiting van God met Noach, na den Zondvloed. Op deze veelzeggende en beslissende gebeurtenis is in den lateren tijd niet genoeg de aandacht gevestigd. Men is te spoedig op Abraham en de Patriarchen overgegaan, en hierdoor is de gewichtige beteekenis van het Noachietisch Verbond eerst op den achtergrond geraakt, en daarna schier vergeten. De regenboog wordt al meer, zelfs door vrome |8| kinderen Gods, aangestaard en bewonderd, zonder dat de sprake des Verbonds er hun meer zoo krachtig uit toekomt. We moeten daarom beginnen met de hooge beteekenis van dat Noachietisch Verbond weer in duidelijker licht te plaatsen. Het moet weer voor ons opleven, ons weer toespreken, ons weer een wezenlijk bestanddeel worden van de genade Gods, die ook ons in stand houdt.

En dan sta op den voorgrond, dat het Verbond door God met Noach gesloten, in de Heilige Schrift allerminst als bijzaak voorkomt, en volstrekt niet terloops als een zaak van ondergeschikt aanbelang wordt afgedaan. Veeleer wordt de sluiting van het Noachietisch Verbond ons ng plechtiger, ng breedvoeriger, ng omstandiger bericht dan de Verbondssluiting in het Paradijs of met Abraham. Het is niet slechts zijdelings dat er van een gesloten Verbond gerept wordt, maar de sluiting zelve en oprichting van het Verbond wordt als een historische gebeurtenis in het verhaal opgenomen; hetgeen God de Heere daarbij sprak en betuigde wordt tot in bijzonderheden medegedeeld; en het geheel wordt besloten met het aanwijzen van een teeken in de wolken, dat als heilig Verbondsteeken, eeuw in eeuw uit, aan de vastheid en waarheid van het Noachietisch Verbond herinneren zou. Duidelijk blijkt dus, dat de Heere onze God, toen Hij aan zijn kerk de Heilige Schrift schonk, de heugenis van deze Verbondssluiting voor de kerk aller eeuwen duidelijk heeft willen bevestigen; de omstandige kennis van deze gebeurtenis voor zijn kerk noodzakelijk heeft gekeurd; en gewild heeft, dat zijn kerk alle eeuwen door met de veelzeggende en rijke beteekenis van deze Verbondssluiting zou rekenen. Onze Heidelberger Catechismus heeft dit dan ook begrepen en zijn omschrijving van de Voorzienigheid Gods, dat „loof en gras, regen en droogte, en zooveel meer, ons niet bijgeval, maar van Gods Vaderlijke hand toekomen,” blijkbaar aan Gen. 8 : 22 ontleend: „Voortaan zullen alle de dagen der aarde, zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, en zoo ook dag en nacht niet ophouden.”

*

Noach is feitelijk de tweede stamvader van ons menschelijk geslacht geworden. Niet dat hij Adam verving, want Noach zelf was vrucht van menschelijke teling, en niet rechtstreeks uit Gods hand voortgekomen. In Noach werkten reeds de aard en het karakter van zijn ouders of grootouders na, in Adam van niemand. Adam alleen was het loutere product van de Goddelijke scheppende verbeelding. Ook was Noachs vrouw niet uit hem, gelijk Eva uit Adam was, maar ook in haar werkten reeds voorgeslachten na, haar ouders, haar grootouders, haar voorouders. En wat alzoo van Noach en zijn vrouw geldt, geldt nogmaals van de vrouwen zijner zonen. Ook deze waren de afstammelingen en geestelijke erfgenamen van |9| vroegere geslachten, en brachten in Noachs huisgezin de nawerking van deze vroegere geslachten in. Noach met Adam op n lijn te willen stellen, is alzoo de ongerijmdheid zelve. Ze zijn wat hun oorsprong en het oorspronkelijke van hun verschijning betreft, eenvoudig voor vergelijking onvatbaar. In Adam is de bron, de oorspronkelijke fontein van alle generatie voor ons menschelijk geslacht; in Noachs gezin vindt ge de ineenvloeiing en kruising van velerlei reeds afgeleide beken. Met Adam is in ons menschelijk geslacht alleen de tweede Adam vergelijkbaar, de mensch uit den hemel, bij wien en in wien we nogmaals een geheel vernieuwden oorsprong vinden. Noch is onze tweede stamvader, niet een tweede hoofd van ons geslacht.

Maar ook al komt aan Noach slechts die meer bescheiden plaats toe, zooveel staat dan toch vast, dat de onderscheidene stroomingen van het menschelijk leven in haar uitvloeiing een oogenblik in hem tot stilstand kwamen, en zich van hem uit eerst weer verdeelden. Zoo ziet ge op de vlakten, die in het hoogland de hoogere bergtoppen van de lagere bergverheffingen afscheiden, niet zelden al de beekjes dier bergen in een klein blauwgetint meer, dat op die bergvlakte zich als een kom verdiepte, saamvloeien, om aan de andere zijde uit dat meer weer in twee, drie armen uit te vloeien, en hun weg te zoeken naar de vlakte omlaag. Bij Noach is alzoo een insnijding, en dat wel een hoogst gewichtige insnijding in het leven van ons menschelijk geslacht. Van wat daarachter ligt komt niets terecht dan wat in Noach en zijn vrouw en zijn schoondochters is opgenomen, en uit deze vijfvoudige vrucht van het voorafgaande menschelijk leven spruit de geheele daarna komende ontwikkeling van ons menschelijk leven voort. Noach met zijn acht zielen zijn geen nieuwe menschheid. Veeleer zijn ze slechts de voortzetting van het oorspronkelijk menschelijk geslacht; maar thans, nadat dit oude geslacht geweldiglijk door, den Heere besnoeid, en tot op den wortel was afgesneden, zoodat er feitelijk niets dan deze vijf loten van overbleven in slechts acht zielen gerepresenteerd, die straks in drie hoofdstroomingen, door Sem, Cham en Japhet, het nieuwe leven van ons geslacht zullen doen uiteengaan. Zoo is de oude kerke Gods bij den Zondvloed niet afgesneden, om als een nieuwe formatie, in Noachs huisgezin, pas te beginnen; maar ze is uit het Paradijs naar Noach toe gekomen, door hem in de arke gedragen, uit die arke wer op de aarde uitgegaan, en alzoo heeft ze in Noachs geslacht haar oorspronkelijk leven voortgezet. Alleen maar, ze is na den Zondvloed in nieuwe conditie opgetreden. Sem zal haar de tente spannen; Japhet eerst van haar afdolen om straks tot haar weder te keeren, en Cham zal haar zegen derven.

*

Ook met de toekomst der kerke Gods staat de oprichting van het Noachietisch Verbond dus wel terdege in verband, maar in verband door |10| de wijziging die ons algemeen menschelijk leven onderging. Er is toch in dit Noachietisch Verbond niets dat opzettelijk of bijzonderlijk van zaligmakende genade handelt. Van vergiffenisse van schuld en zonde, noch van belofte van kindschap en eeuwig leven is sprake. Er wordt geen heil aan enkelen toegezegd, maar de belofte Gods in dit Verbond strekt zich over alle kinderen der menschen uit. Het Verbond komt wel aan de kerk ten goede, en heeft zelfs, zoo ge wilt, wel den toekomstigen bloei der kerk ten doel; het wil de kerk mogelijk maken en haar een plaats der ruste verzekeren, maar van de kerk als zoodanig handelt het niet. Het handelt van den mensch als mensch, van den mensch in zijn saamleving op aarde met andere menschen, van den mensch in zijn verhouding tot de dieren, en van den mensch in zijn verhouding tot de vernielende elementen der natuur.

Na Noach is de toestand van heel onze aarde een andere dan daarvr; en op die aarde is de toestand van ons menschelijk geslacht en van ons menschelijk leven een veelszins andere dan in de dagen toen de Zondvloed nog komen moest. Van wat daarachter ligt, weten we weinig af. We lezen van personen die bij de tien eeuwen oud werden, we lezen van uitbrekende ruwheid, we lezen van een vroom geslacht dat de vreeze des Heeren bewaarde, we lezen van een eerste ontwikkeling van menschelijke kunstvaardigheid, en ook lezen we van een bange crisis, die aan het goddelooze volk het overwicht schonk, en sinds de ongerechtigheid en den gruwel hand over hand deed toenemen. Ten slotte schijnt heel het menschelijk leven in brooddronkenheid, wellust en bloedvergieting te zijn ondergegaan, tot, na Henochs wegneming, nog alleen in Noachs huisgezin de dienst des Heeren heilig bleef. Maar bij die algemeene trekken blijft het. Veel bijzonderheden worden ons niet gemeld. Er is geen stoffe voorhanden, die onze verbeelding kan voeden. Wat de eerste hoofdstukken van Genesis u bieden, is geen interessant verhaal, om uw nieuwsgierigheid te boeien, maar een teekening vol ernst in groote lijnen, in breede trekken, om u als kind des menschen in uw menschelijk besef neer te werpen. Z heerlijk was het Paradijs ontslpten, z overrijk door God gezegend, en zie, dt is het wat ons menschelijk geslacht uit zijn eigen boozen wortel had voortgebracht, tot ten leste het oordeel des Almachtigen komt, dat „al het gedichtsel des menschen te allen dage alleenlijk boos is.” Alles spelt het u, als Hij die ons schiep niet tusschen beide treedt en een nieuwe orde van dingen, een nieuwen toestand in het leven roept, is de kerke weg, en gaat heel ong geslacht in den jammer van zijn eigen goddeloosheid onder. Nog slechts in n gezin de vreeze des Heeren bloeiende. Hoe lang moest het dan nog toeven, of ook dat ne gezin zou in den algemeenen stroom verzwolgen zijn?

Wat er toen heeft plaats gegrepen, is niet met eenige juistheid vast te |11| stellen. Wat de Heilige Schrift ons desaangaande meldt, is vol majesteit uitgedrukt en in plechtige, indrukwekkende taal te boek gesteld, maar onthoudt zich van alle bijzonderheden. De overlevering der oudere volken meldt ons weinig meer dan de heugenis van een ontzaglijke gebeurtenis. En wat het onderzoek van deze aarde, van haar bodem, van haar bergen, van haar ingewand ons dusver geleerd heeft, zegt ons wel, dat er ontzettende veranderingen hebben plaats gegrepen, maar mist toch ook de aanschouwelijkheid, de nauwkeurigheid der historie. Zooveel intusschen staat vast, dat, ook al zweeg de Heilige Schrift van den Zondvloed, en al bracht de overlevering der volken er ons geen heugenis van, reeds de aanschouwing der aarde in de bergstreken, en het onderzoek van den bodem in schier alle landen ons de zekerheid zou geven, dat er geweldige omkeeringen op deze aarde hebben plaats gehad, die geheel de gedaante des aardrijks hebben gewijzigd, en zelfs de verhoudingen van klimaat geheel anders hebben doen worden.

*

Toen het Paradijs voltooid, en in dat Paradijs de mensch als heer der schepping gekroond was, zag God „dat alle ding goed was”, en heel onze aarde, gelijk ze uit Gods hand was voortgekomen, moet dus oorspronkelijk het beeld hebben vertoond van een volkomene harmonie en volkomene zuiverheid. Maar die aarde is er niet meer, die wereld vindt ge niet. Vooral hij die de wilde, woeste bergstreken doorwandelen mag, ontvangt daarvan den diepsten indruk; want de verwoesting, waarvan die bergen, vooral in de hoogere sferen, getuigen, is schrikinboezemend en ontzettend. Zeker, er zijn ook in deze hooge bergstreken prachtige natuurtafereelen te bewonderen van verrukkelijke verhevenheid, maar meest uit de verte gezien, niet van nabij; en dan nog schier alleen in die hooge streken, waar de sneeuw- en ijsvelden de verwoesting, die er onder schuilt, door hun glanzig wit aan uw oog onttrekken. Doch waar dat kleed is weggenomen, en de naakte rots uitkomt, en het machtig berggevaarte u zijn lendenen ontbloot, daar staart ge op niets dan op verwoesting en ijzingwekkende wildheid, een bouwval van wat eens was, en het u in overweldigende sprake verkondigend, wat schrikkelijke uiteenscheuringen en verbrekingen van heel de aardkorst er moeten hebben plaats gegrepen, eer uit de harmonie der oorspronkelijke schepping deze majestueuse bouwval te voorschijn kwam. Nu laten we de natuuronderzoekers hierover hun gissingen en berekeningen maken, en prijs hebben ook wij voor de volharding en de schranderheid waarmee ze hun onderzoekingen in het ingewand der aarde voortzetten. Wat ons voor ons onderwerp thans alleen belang inboezemt, is, dat de feitelijke toestand van onze aarde hierin overeenstemt met wat de Heilige Schrift ons meldt, t.w. dat onze aarde |12| niet meer is, wat ze oorspronkelijk was, maar dat geweldige omkeeringen op haar oppervlakte hebben plaats gegrepen. Met name van twee zulke omkeeringen meldt ons de Heilige Schrift. In de eerste plaats is de oorspronkelijke toestand van het aardrijk gewijzigd terstond na den Zondeval, en ten tweede heeft die toestand een geweldige wijziging ondergaan door den Zondvloed.

Ook die eerste wijziging herinnert de Heilige Schrift ons niet dan zeer summierlijk, en alle teekening van de woede der elementen, die bij den Zondvloed zoo uitvoerig voorkomt, bleef in Gen. 3 uit. Ons wordt alleen gemeld: 1º. dat er over het aardrijk de vloek kwam; 2º. dat het plantenrijk doornen en distelen begon voort te brengen; 3º. dat in de wilde dieren een andere aard voer, en 4º. dat de schoonheid van het Paradijs onderging en verdween. Doch hoe kort dit ook wordt aangestipt, toch zegt het genoeg, om ons te doen vermoeden, dat er een geheele ommekeer in den toestand van deze aarde reeds toen moet zijn tot stand gekomen. Als de aard van het plantenrijk verandert, als de aard der dieren zoo belangrijke wijziging ondergaat, als de oorspronkelijke schoonheid van het Paradijs weggaat, en de vloek op de aarde wordt gelegd, dan zeggen deze korte trekken ons genoeg om ons te doen inzien hoe geheel andere verhoudingen in het leven traden, hoe er een geheel andere, zeer gewijzigde toestand ontstond, en hoe de aarde na en de aarde vr den vloek eenvoudig niet te vergelijken waren. De wereld, zooals God ze eens geschapen had, was in den vloek ondergegaan, en een geheel andere, droeve, sombere gedaante van diezelfde aarde was tot aanzijn gekomen. Dit nu kan uiteraard niet anders dan door geweldige werkingen van de elementen tot stand zijn gekomen, en het vermoeden ligt voor de hand, dat we in de woeste tooneelen die de natuur thans nog in menige landstreek aanbiedt, o.m. ook de resultaten van wat toen plaats greep voor ons hebben.

*

Op die aldus ontredderde en verwilderde wereld heeft toen het geslacht geleefd, dat zich van Adam tot Noach heeft voortgeplant. Doch toen is er een tweede machtige onderstbovenkeering gevolgd, die nogmaals de toen bestaande aarde op geweldige wijze gescheurd, verbroken en in heel haar aanschijn gewijzigd heeft, en het is op die ten tweeden male verbrijzelde en omgebogen aardkorst, dat na den Zondvloed de tegenwoordige ontwikkeling van ons geslacht begonnen is. Dat bij deze tweede onderstbovenkeering het element van het water de hoofdrol heeft gespeeld, is uit het verhaal van den Zondvloed duidelijk, maar toch meldt ook datzelfde verhaal ons, dat de aardkorst zelve opnieuw gescheurd is; immers er staat ook bij „dat de fonteinen des grooten afgronds zijn opengebroken;” iets wat blijkbaar zeggen wil, dat geweldige massa’s van onder de oppervlakte |13| der aarde schuilend water, door opscheuring van de aardkorst, met geweld naar buiten zijn gedrongen, en de oppervlakte der aarde hebben overstroomd. In hoeverre dit met een plotselinge, massale smelting van de ijsvelden, die het hoogland overdekten, gepaard ging, en of hieruit de schrikkelijke, alles vernielende plasregen zij te verklaren, is niet meer uit te maken. Genoeg, zoo we slechts weten, dat tijdens den Zondvloed op deze onze aarde ten tweeden male een alles omzettende, alles wijzigende dooreenwoeling der elementen plaats greep, en dat deze aarde, gelijk wij die kennen, eerst toen dezen vorm en de gestalte aannam, waarin zij zich thans aan ons voordoet. En terwijl alzoo dit aardrijk eerst door die twee onderstbovenkeeringen geworden is wat ze nu is, betuigt de Heilige Schrift ons beide malen iets waar de natuuronderzoekers uiteraard niets van weten, dit namelijk, dat n die eerste n die tweede onderstbovenkeering gewerkt is door den toorn Gods over de zonde van ons menschelijk geslacht. Nog eens ten derden male, zoo betuigt diezelfde Heilige Schrift ons, staat ons zulk een geweldige onderstbovenkeering te wachten, die in schrikkelijkheid nog de beide vorige zal te boven gaan, „als de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten” (2 Petr. 3 : 10). Doch die derde wereldcatastrophe komt niet, tenzij de ure gekomen is, dat het Maranatha ingaat, en het Teeken van den Zoon des menschen op de wolken zal gezien zijn. Ook zal die derde catastrophe hierin van de beide voorafgaande onderscheiden zijn, dat het resultaat der beide eerste niets dan verwoesting was, terwijl die laatste catastrophe juist strekken zal om de harmonie der Schepping en met haar de heerlijkheid van het Paradijs te doen terugkeeren, ja, een heerlijkheid van nog hooger orde op deze aarde (dan een nieuwe aarde, onder een nieuwen hemel) te doen uitblinken.

Maar tot zoolang houdt de tegenwoordige toestand dezer aarde aan. Vr die laatste ure komt geen nieuwe catastrophe. Wel komen plaatselijk beperkte wijzigingen en locale verwoestingen, vooral in landen en streken, waar de vulkanische bewegingen werken, nog steeds voor; maar wat sinds de dagen van Noach niet meer plaats greep, en tot op ’s Heeren wederkomst niet meer zal plaats grijpen; is zulk een algemeene catastrophe als n bij het intreden van den vloek, n tijdens den Zondvloed, heel de gedaante van het aardrijk wijzigde. In hoeverre bij die twee machtige onderstbovenkeeringen ook een inwerking van andere hemellichamen op onze aarde plaats had, wordt ons niet bericht; maar wel wordt ons geprofeteerd, dat dit alzoo zijn zal bij de eindcatastrophe die eens komt. Dan zullen ook zon en maan en sterren in de algemeene beweging medewerken, gelijk ons dit n in de profetie des Ouden Verbonds n in de Openbaring van Johannes telkens betuigd wordt. Maar tot op dien dag zal, in het algemeen genomen, ook de verhouding van deze aarde tot het |14| firmament blijven wat ze nu is; gelijk dit duidelijk ligt uitgesproken in de belofte, dat zomer en winter, dag en nacht, zaaiing en oogst niet zullen ophouden. Er is alzoo sinds de dagen van den Zondvloed een nieuwe stand der dingen ontstaan, zoowel met betrekking tot de korst dezer aarde, als tot de atmosferische gesteldheid; en die toen ontstane stand der dingen wordt niet weer afgebroken, gelijk hij vr dien tijd tweemalen afgebroken en veranderd was, maar zal onderanderd stand houden tot aan het einde der dingen en tot den ingang van dien nieuwen toestand, als eens de heerlijkheid des Heeren heel zijn schepping in ongestoorde harmonie vervullen zal.

*

En dit feit nu, deze bestendigheid van de thans bestaande orde van zaken voor wat heel ons aardrijk, en liet menschelijk leven op dat aardrijk, betreft, is ons bezegeld in het Noachietisch Verbond. Tot op Noach golfde alles in gestadige onrust, en was der verandering onderworpen. De vloek werkte in toorne door. Maar bij Noach is die onrust in ruste verkeerd door een vrijmachtige daad van de goedertierenheid des Heeren. God heeft na den Zondvloed aan deze aarde zijn Verbond gegeven. Zijn Verbond aan deze aarde, zijn Verbond aan al wat mensch heet, zijn Verbond zelfs aan de dierenwereld en aan heel de natuur. Van Noach tot aan het Maranatha gaat het, voor het uitwendig bestand der dingen, nu in ongestoorde bestendigheid, rust en orde door. Aldus is het bestel des Heeren. Aldus is zijn vrijmachtig welbehagen. En opdat wij, kinderen der menschen, de rust, den vrede en de kalmte smaken en genieten zouden, die in deze bestendigheid voor ons bereid was, heeft God de Heere niet alleen bij zich zelven voorgenomen, aldus te doen, maar ook dit zijn besluit aan Noach, en door Noach aan ons geopenbaard, en opdat het voor ons gewisse zekerheid zou hebben, dit zijn besluit in een Verbondsbelofte voor ons vastgelegd en ons bezegeld. Het is uit dien hoofde op Noach, dat we voor den stand van ons menschelijk leven in alle ding hebben terug te gaan. Dr, bij Noachs altaar, na den Zondvloed opgericht, en door het offerbloed geheiligd, ligt het groote, machtige, alles beheerschende uitgangspunt voor heel de ontwikkelingsgeschiedenis van ons menschelijk leven, en het is door dat uitgangspunt bij Noach, dat de gemeene gratie, die in het Paradijs begon, haar meer vaste gestalte verkreeg.




a. Eerder gepubliceerd als ‘Van de gemeene Gratie’ II, De Heraut No. 924 (8 september 1895).







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000