De Gemeene Gratie

door Dr. A. Kuyper

Eerste deel. Het geschiedkundig gedeelte

Leiden (D. Donner) 1902

a



Voorwoord

Geen grooter schade leed het Gereformeerd beginsel, dan door de gebrekkige ontwikkeling van het leerstuk der Gemeen Gratie. Oorlog voor het geboud van de met moeite gewonnen positie, een rustelooze oorlog met de pen en met het zwaard, was hier oorzaak van. Reeds de worsteling om zich aan het kerkelijk monopolie van Rome te onttrekken eischte in Frankrijk, in de Nederlanden en in Schotland zoo ongelooflijke inspanning; en daarbij kwam voor West-Europa de Doopersche zij-beweging, voor Noord- en Oost-Europa de soms zeer felle tegenstand van Luthersche zijde, en op eigen bodem de Arminiaansche en Erastiaansche woeling. Zoo is het Gereformeerde kerkelijk, staatkundig en wetenschappelijk leven reeds in de eerst decenniën na zijn wondersnel opbloeien, hard in het gedrang gekomen, en toen de Gereformeerden in de Nederlanden en in Schotland ten slotte door kloeken weerstand hun bestaansvrijheid verzekerd hadden, was hun beste kracht uitgeput en sloopt met den gewonnen welstand een weelde in, die hen ontmande en hun den zin ontnam voor het ideaal. Aldus verklaart het zich, hoe alle dogmatische kracht zich eerst saamtrok op eindelooze polemiek, en daarna verliep in mat herkauwen.

Van dogmatische ontwikkeling is na 1650 noch in Zwitserland, noch in de Nederlanden, noch in Schotland sprake meer. Niet één oorspronkelijk talent is op leerstellig gebied na de eerste bloeiperiode meer opgestaan. De eens zoo frissche stroom van het Gereformeerde denken op godgeleerd gebied verzandt. Wat eerst breed en ruim was aangevat krimpt saâm in enghartig, echt Byzantijnsch napluizen, en dat dorre napluizen mist zelfs de veerkracht om op den wortel der Gereformeerde gedachte terug te gaan. In zijn bekrompenheid pluist men al voort aan de laatstelijk tegen het Arminianisme gevoerde polemiek, en merkt ternauwernood iets van de nieuwe tegenstellingen die opkomen. Zoo ging het verband met het verleden te loor en raakte men buiten de geestesbeweging van zijn tijd. Van invloed geoefend op dien tijd kon deswege geen sprake meer zijn. Het werd een zich opsluiten in engen kring, een zich stellen buiten de machtige levensbeweging, onderwijl de dorheid van het haarkloven in eigen boezem reactie in het gemoed wakker riep, en in allerlei secte |[ii]| de niet langer te bezweren tegenzin tegen al zulke intellectualistische schriftgeleerdheid versplinterde wat in de 16de eeuw één was.

Thans is hierin, althans ten onzent een keer gekomen. Historisch onderzoek naar het Gereformeerd levensbeginsel ontwaakte, en zoo ontdekte men de heugelijke waarheid, dat de Gereformeerden in hun oorspronkelijken aanloop beginselen op den voorgrond hadden geschoven, die breed en logisch ontwikkeld, van zelf het aanzijn gaven aan een alomvattende levens- en wereldbeschouwing, die elasticiteit te over bezat, om ook in deze eeuw onze bewuste positie in het midden van het thans levend geslacht te bepalen. Wat eerst alleen historische waardij scheen te bieden, verkreeg dusdoende beteekenis voor het heden in hooge actualiteit. Op den voorgrond drong zich daarbij de vraag, in welke verhouding het Christelijke leven, gelijk wij dit verstonden, zich tot het leven der wereld in al zijn uitingen en schakeeringen had te plaatsen, en op wat wijs onze invloed op het algemeene leven, die eens zoo vér reikte, en sinds zoo jammerlijk te loor ging, herstelbaar was. Het antwoord op die vraag mocht niet uit loven en bieden opkomen, maar moest ontleend worden aan het Gereformeerde beginsel zelf, d.w.z. er moest worden onderzocht, welke scheppende gedachte oorspronkelijk voor de Gereformeerden, zoo theoretisch als practisch, hun verhouding tot het buiten-Christelijke leven beheerscht had. Alle Doopersche secte had zich stelselmatig geïsoleerd; in tegenstelling hiermede hadden de Gereformeerden de apostolische gedachte van „alles is het uwe en gij zijt van Christus” tot richtsnoer gekozen, en zich welbewust, met ongemeen talent, en met alles overwinnende veerkracht op het volle menschelijk leven, in het midden van de woeling der volkeren, geworpen. Deze in de historie van heel West-Europa scherp geteekende karaktertrek kon niet toevallig zijn. Deze karaktertrek moest zijn verklaring in een allesbeheerschende grondovertuiging vinden, en onderzocht moetst derhalve welke die leidende grondgedachte was.

Bij dit onderzoek bleek al spoedig met onbetwistbare duidelijkheid, dat deze grondgedachte bloot lag in het leerstuk der Gemeene Gratie, rechtstreeks afgeleid uit de Souvereiniteit des Heeren, die voor alle Gereformeerde denken de wortelovertuiging is en blijft. Is God Souverein dan moet zijn heerschappij over alle leven gaan, en kan zij niet binnen de kerkwanden of der Christenen kring besloten zijn. De buiten-Christelijke wereld is niet aan satan, is niet aan den gevallen mensch, is niet aan het toeval overgelaten. Gods Souvereiniteit is ook in dat ongedoopte wereldleven groot en alles beheerschend, en daarom kan Christus’ kerk op aarde, daarom kan Gods kind zich niet kortweg uit dit leven terugtrekken. Werkt zijn God in die wereld, dan moet in die wereld ook zijn hand aan den ploeg worden geslagen, en moet ook daarin de Naam des Heeren worden verheerlijkt. |[iii]|

Zoo kwam mitsdien alles aan op een doen herleven van de rijke grondgedachte die in het leerstuk der Gemeene Gratie belichaamd was.

Tot scherpe formuleering van dit leerstuk zal het eerst later kunnen komen. Wat allereerst geschieden moest, was, dat alle historische en leerstellige stof die op dit leerstuk betrekking heeft, met eenige zorg werd bijeenverzameld, en onder de heerschappij van het beginsel geordend. Van die taak poogde ik mij in het werk over de Gemeene Gratie, dat hiermede aan de Gereformeerde kerken in alle landen wordt aangeboden, naar vermogen te kwijten. Volledigheid en goede ordening der stof was hier hoofdzaak. Het moest blijken van wat verre strekking voor geheel het leven deze Gereformeerde grondovertuiging was. Ik deelde daarom de stof in drie deelen. Eerst moest voorwerpelijk de Gemeene Gratie in haar opkomst en werking getoond. Daarna moest op dit voorwerp zich het godgeleerde denken richten, en leerstellig worden toegelicht wat eerst zakelijk als bestaande was aangewezen. En eindelijk moest in het derde of practische deel de beteekenis van dit leerstuk voor het leven aan het licht treden.

Zoowel het geestelijk als het kerkelijk isolement is anti-Gereformeerd, en dan alleen zal dit werk het door mij beoogde doel treffen, zoo het dit isolement breekt, zonder, wat God verhoede, ook maar iemand te verleiden tot een zich verliezen in die wereld, die niet hem, maar die hij in de kracht Gods beheerschem moet.


1 Augustus 1902.

KUYPER.



a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2000