Vijfde hoofdstuk.

Want zoo vele beloften Gods als er zijn, die zijn in hem Ja, en zijn in hem Amen, Gode tot heerlijkheid door ons.

2 Cor. 1 : 20.


De Doxologie of Lofverheffing, die het Onze Vader besluit, vloeit uit in de slotwoorden: Tot in der eeuwigheid, Amen.

Deze bijvoeging: „Tot in der eeuwigheid” is in de Heilige Schrift een zeer gewone, en pleegt ingelascht te worden zoo achter beloften, en verklaringen van Gods zijde, als achter dank- en lofverheffing van de zijde des menschen. De kennelijke strekking van deze bijvoeging is, om het besef levendig te houden, dat wij menschen in den tijd leven, en het Hoogste Wezen in de eeuwigheid woont. Daar nu ook het gebed en de dankzegging een poging is, om de gemeenschap met het Hoogste Goed te zoeken, spreekt het vanzelf, dat in het gebed onze ziel zich uit den tijd moet losmaken en min of meer moet inleven in het eeuwige; want in dat eeuwige alleen is God. Die losmaking uit den tijd mag wel geen volkomene zijn, gelijk dit bij mystieke dweepzucht soms voorkomt; dan toch breekt het verband met ons tegenwoordig aanzijn, en heeft het gebed voor ons tegenwoordig leven geen beteekenis meer. Maar wel moet in het gebed onze geest, die gemeenlijk in de dingen des aardschen levens bevangen en besloten is, uit die beklemming zoover losgemaakt, dat hij zich tot God kunne opheffen. Dit kost zeker inspanning, die bij de psalmisten tot uitdrukking komt, als ze roepen: Ik hef mijn ziel, o God der goden tot U op, en al denkt de bidder er nu niet om, dat hij hierme tevens, voor een deel, uit den tijd in de eeuwigheid overgaat, overmits al zijn gedachten en de lust zijns harten zich op zijn Vader in de hemelen saamtrekt, toch is het feitelijk aldus, dat wie warm, bezield en met waarachtige opheffing der ziel bidden mag, wel waarlijk, zonder het leven in den tijd los te laten, toch ten deele in het eeuwige overglijdt. Ge gevoelt dit verschil tusschen een opgaand en terugslaand gebed dan ook zelf zeer wel. De ne maal zult ge gebeden hebben, zonder dat ge uw ziel opheft; dat ge zonder de minste spanning des geestes in uw aardschen kring bevangen en besloten bleeft, en daaruit |580| riept naar boven, om zegen, om hulp, om heil; en ook zulk een gebed heeft zeer zeker waardij en beteekenis. Het gewone gebed vr het nemen van spijs, zal zelfs in den regel geen hooger karakter kunnen dragen, en het gebed waarme men vergaderingen opent, blijft gemeenlijk op dienzelfden trap staan. Maar ge zult ook een ander maal rijkere gebedservaringen kennen, in de herinnering.aan intiemer, heiliger gebeden, toen ge eenzaam voor uw God op de knien laagt. Dan toch is het ook u wel overkomen, dat ge, na de oogen voor deze wereld gesloten te hebben, die wereld schier vergeten hadt, geheel in de bewondering en aanbidding voor uw God waart opgenomen, als van u zelven los en nabij uw God waart geweest, en dat ge, om uit het gebed weer in het leven terug te keeren, zekeren stillen overgang noodig hadt, uit de eeuwigheid weer in den tijd. Gebeden nu, waarbij dit laatste uw zielservaring mocht wezen, zijn de vruchtbaarste, de rijkste gebeden, die u den mildsten zegen doen wegdragen. Ook afgezien toch van de verhooring uwer gebeden, die ge daarna inwacht, is zulk een gebed op zich zelf reeds, als we ons zoo mogen uitdrukken, een bad in den oceaan van het eeuwige en oneindige om Gods troon. Zulk een gebed voert ons op naar de bergen van Gods heiligheid, en doet onze ziel op den top dier bergen heiliger, frisscher, hooger hemellucht inademen. Het is onder zulke gebeden, dat de ziel met versche olie pleegt overgoten te worden, en dat de krachten des koninkrijks, verkwikkend in de ziel worden uitgestort. Dit is de mystiek der gebeden. Het onnaspeurbare en ondoorgrondelijke, maar dat geestelijk niettemin door Gods kind wordt genoten en gekend.


In verband hiermede nu moet die uitroep: „In der eeuwigheid” worden verstaan, die we achter het „Onze Vader” en vr het Amen uitspreken. Niet alsof dit „in der eeuwigheid” ons de verheffing onzer ziele bracht. Dan zou het aan het begin, en niet aan het slot, van het Onze Vader moeten voorkomen, en de eigenlijke opheffing der ziel moet dan ook plaats grijpen bij het „Onze Vader die in de hemelen zijt”. Neen, deze slotuitroep: „in der eeuwigheid”, is veeleer de bewuste erkentenis der ziel, dat ze thans met haar Amen weer uit de eeuwigheid in het tijdelijke terugzinkt en in dat tijdelijke leven de afgebedene hulpe Gods inwacht. Bij het slot van het gebed trekt de biddende ziel zich uit den kring van het eeuwige die bij God is, weer in den kring van haar eigen tijdelijk leven terug, en spreekt het uit, dat bij haar God alles in het eeuwige leven en in der eeuwen eeuwigheid ligt verborgen. En het is in dien zin, dat ze, dan lofzeggend, uitroept: „Want uw is het koninkrijk, en de kracht en de heerlijkheid tot in der eeuwigheid”. Doch juist daarom ligt in die betuiging dan |581| ook een berusting met het oog op de verhooring des gebeds, en in zooverre vormt ze den overgang tot het Amen. Ware toch God niet in het eeuwige, maar in het tijdelijke, gelijk de bidder zelf, daarin nog leeft, zoo zou de verhooring des gebeds aanstonds moeten volgen, en een tijdelijk karakter moeten dragen. Dit echter is niet het geval. De beloften Gods waarop onze gebeden pleiten, zijn geen beloften, wier vervulling voor dit jaar of voor dien dag gewaarborgd is. Niets is hier vast en zeker dan de einduitkomst. Het einde aller dingen, zal onzen God verheerlijken. Als eens alle stroomen van den tijd in den oceaan der eeuwigheid zullen zijn uitgevloeid, dan zal het ja en amen van al Gods beloften heerlijk uitschitteren. Maar nu, in het tijdelijke, worstelen alle deze stroomen nog door elkander, en zoo is de droeve uitkomst thans gedurig, dat Gods naam ontheiligd wordt; dat zijn koninkrijk wordt tegengehouden; dat zijn wil niet op aarde gelijk in den hemel geschiedt; dat er sterven van honger, die hun dagelijksch brood niet vonden; dat zelfs belijders des Heeren hun schuldenaren niet vergeven; dat ze worden ingeleid in verzoeking en daarin bezwijken; en dat Satan niet terug geslagen wordt, maar veeleer de overhand houdt. Als ook maar n enkelen dag het volle, rijke Onze Vader op dien dag zelven, aanstonds, volkomene verhooring vond, zou op dien eigen dag de hemel op aarde zijn nedergedaald. En dit nu uit Gods Woord wetende, dat de verhooring van het Onze Vader alleen op de einduitkomst, en dus op de eeuwigheid berekend is, eindigt de bidder met op die eeuwigheid al zijn oog te vestigen, en besluit hij zijn gebed met dien veelzeggenden uitroep: tot in der eeuwigheid.


En zoo glijdt dan het gebed ten slotte over in dat ne, korte, veelzeggende woordeke, waarmede we onze gebeden plegen te besluiten, het Amen onzes gebeds, en het Amen onzer dankzegging.

Dit Amen is een Hebreeuwsch woord, dat vastheid beteekent, en wijl nu vastheid in het geestelijke beteekent: trouw en waarheid, zoo wordt God zelf bij Jesaja de God van Amen genoemd. Zoo b.v. in Jesaja LXV : 16, waar het vertaald is door den God der waarheid. Er staat toch: „Zoodat wie zich zegenen zal op aarde, die zal zich zegenen in den God van Amen, d.i. in den God der waarheid”. Dit nu had ten gevolge, dat dit woordeke Amen den zin kreeg van hetgeen waarachtig en zeker is, en waarop men staat kan maken. Zoo kwam het tegenover het onzekere, twijfelachtige en logenachtige te staan; en dit gaf aanleiding tot de gewoonte, om dit woordeke Amen aan het begin of aan het slot van een verklaring te bezigen, om daarmede te betuigen, dat de inhoud dezer verklaring of betuiging als vast, zeker en onwrikbaar gold. Zoo was onze |582| Heere Jezus Christus gewoon dit woordeke Amen gedurig te bezigen bij den aanhef van gewichtige betuigingen. Als er toch in onze overzetting staat: „Voorwaar, voorwaar zeg ik u,” is dit altoos een vertaling van het oorspronkelijke: „Amen, Amen, zeg ik u.” Dat men dit Amen bij zulk gebruik vertaald heeft door voorwaar, doet dit gebruik van het Amen voor wie zijn Nederlandsche bijbelvertaling leest wel te loor gaan, en het had allicht voorkeur verdiend, dat men ook hier dit woordeke „Amen” onvertaald had gelaten; maar nu dit niet afzoo geschied is, heeft het toch zijn nut er op te wijzen, dat er in het oorspronkelijke hetzelfde woord staat, en dat „Voorwaar, voorwaar zeg ik u” geheel hetzelfde is, als: Amen, Amen, zeg ik u.

Aan het slot van soortgelijke betuigingen en verklaringen daarentegen, is het Amen ook in onze vertaling in zijn Hebreeuwschen vorm blijven staan, en uit dit gebruik is ook in onze dagelijksche gebeden dit Amen opgenomen. Bij Isral kwam dit gebruik op tweerlei wijze voor. Ten eerste op dezelfde wijze, waarop wij dit nog aan het slot van onze gebeden uitspreken; maar ook ten andere als een Amen, dat door anderen werd uitgesproken, om hun instemming met een gebed of een verklaring, die ze hadden aangehoord, openlijk te kennen te geven. Wat dit laatste betreft, lezen we b.v. in Deut. XXVII : 15: „Vervloekt zij de man, die een gesneden of gegoten beeld zal maken, en al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen”. En dat dit ook in de saamkomsten der eerste Christenen alzoo placht te geschieden, toont ons 1 Cor. XIV : 16, waar staat: „Indien gij dankzegt met den geest, hoe zal degene die de plaats eens ongeleerden vervult, Amen zeggen op uw dankzegging?” In de Engelsche Bisschoppelijke kerk is deze gewoonte nog in zwang. Na elk gebed spreekt heel de gemeente in haar kerk overluid het Amen uit. Soms doen de Engelschen dit zelfs midden onder het gebed, als de voorganger een bede opzendt, die hen bijzonder aangrijpt. Zoo hoort men dan gedurig onder het bidden, nu hier, dan daar, overluid, Amen roepen. Iets, wat uit de Bisschoppelijke kerk zoozeer in de gewoonte van het Engelsche leven is overgegaan, dat men ook ten onzent bij het Leger des heils soortgelijk gebruik van het woord Amen kan waarnemen. Het is dan niet de voorganger in het gebed die Amen zegt, maar hij bidt, en het Amen komt van de schare, die op deze wijze zijn gebed bezegelt. Toch wane men daarom niet, dat het gebruik van dit Amen tot de gebeden beperkt is. Het komt in de apostolische brieven ook midden in den tekst voor bij de lofprijzing. Zoo b.v. in Rom. IX : 5: Dewelke is God boven alles te prijzen in der eeuwigheid. Amen. En ook is het zeer gewoon, dat woordeke Amen aan het slot van een boek of een brief te plaatsen. Zoo b.v. vindt ge dit |583| Amen aan het slot van het Evangelie van Mattheus, Lukas en Johannes, en der meeste brieven van Paulus. Ook de eerste brief van Johannes loopt in dit Amen uit. Dit nu heeft aanleiding gegeven, dat dit Amen ook ten onzent volstrekt niet alleen aan het slot van onze gebeden wordt gebruikt, maar evenzoo aan het slot van de zegenspreuk, en aan het slot der predikatie. Bij het bedienen van den heiligen Doop en van het heilig Avondmaal heeft de Gereformeerde Kerk dit Amen niet aan de sacramenteele woorden toegevoegd, om de juiste reden, dat in deze sacramenteele woorden niet een verklaring, noch een bede ligt, maar de verkondiging van een feit, waarbij als zoodanig voor het Amen geen plaats is.


Doet men nu onderzoek naar de bijzondere beteekenis van dit Amen, als sluitwoord van onze gebeden, dan legt de Roomsche Kerk er nadruk op, dat dit Amen bij het Onze Vader zoo dikwijls het in de offerande van de Mis gebeden wordt, niet een betuiging onzerzijds is, dat wij de verhooring onzer gebeden zekerlijk verwachten, maar dat dit Amen alsdan door den priester, als ware het in den naam des Heeren, wordt uitgesproken. Zoo opgevat behoort dan het woordeke Amen niet meer tot het gebed maar zou het een antwoord zijn van Godswege en in zijn naam op onze gebeden gegeven. Wij zouden het dan zijn, die het Onze Vader in zijn zes beden baden, en na deze zes beden zou dan het antwoord van Gods zijde komen in het Amen, om ons daarmee te betuigen, dat onze gebeden ter gedachtenisse zijn opgeklommen, en van God verhoord zijn. Bij andere gebeden stelt Rome dit niet, maar wel bij het Onze Vader, als het gebeden wordt bij de Mis (Cat. Rom. P. IV. c. 17. 9. 3.). Al is het nu, dat deze uitspraak, in dien vorm gegoten, allen Schriftuurlijken grond mist, toch schuilt er een diepe gedachte in, die de kenner van het gebedsleven licht verstaat. Het zou namelijk in strijd met den aard van het gebedsleven zijn, indien wij zelven, na gebeden te hebben, nu uit eigen hoofde verklaarden, dat onze gebeden vast in Gods belofte lagen. Tot wie zouden we dat zeggen? Toch niet tot God den Heere; ook niet tot ons zelven; en evenmin tot anderen, die bij onze beste en meest intieme gebeden meestal niet bij zijn. Ziet men in dit Amen dan ook niet meer dan een Voorwaar dat we zelven uitspreken, dan verliest dit Amen al spoedig zijn zin en beteekenis, en ontaardt het in een dooden klank, waarbij de bidder niet meer denkt. Zijn Amen strekt dan alleen om een eind aan zijn gebed te maken, gelijk bij een te lang gebed van wie voorbidt, soms de verzuchting opkomt: „Ik wenschte, dat hij nu maar Amen zei.” Een lang niet zoo ongewoon zeggen, maar waaruit op bedroevende en beschamende wijze blijkt, tot wat dooden term dit rijke en bezielde woord is afgestompt. Heel |584| anders daarentegen komt ge tegenover dit woordeke Amen te staan, zoo ge er niet in ziet een woord dat ge uit u zelf zegt, maar dat de Heilige Geest, die in Gods Kerk inwoont, u op de lippen legt. De overgang in uw ziel is dan deze, dat ge, aan het einde van uw gebed toegekomen, zelf stille zwijgt, u alsnu verdiept en verzinkt in de gemeenschap van den Heiligen Geest, en het is in die gemeenschap des Heiligen Geestes dat ge alsdan het Amen uitspreekt, als een „Voorwaar en Zeker”, dat u door den Heiligen Geest bezegeld wordt. Het is dan niet een antwoord op uw gebeden; gij toch zijt en blijft de persoon die het Amen uitspreekt; maar het is een Amen dat niet gij voor God brengt, dat niet uit u opkomt, maar dat de Heilige Geest u als Gods kind op de lippen legt, uitdrukkende dat uw vertrouwen en uw toevoorzicht vast en onwrikbaar staan op de trouwe van uw Vader die in de hemelen is.

Dat ons deze gemeenschap aan den Heiligen Geest, die in de Gemeente Gods inwoont, alleen krachtens onze inplanting in Christus ten deel valt, vloeit voort uit den aard van geheel de mystiek des Christelijken levens. Hij is ons Hoofd, en wij zijn zijn leden, en het is alleen in de gemeenschap met ons verheerlijkt Hoofd, dat de biddende gemeenschap van den Heiligen Geest door ons kan gesmaakt worden. In ons Amen, zoo het een waarachtig Amen zijn zal, vloeit dan ook metterdaad die gemeenschap met den Christus in. Aan de Kerk van Laodicea betuigde onze Heiland het zelf, dat Hij is „de Amen, de getrouwe en waarachtige Getuige, het Begin der Schepping Gods,” en de heilige apostel Paulus betuigt ons in 2 Cor. 1 : 20, dat „zoo vele beloften Gods als er zijn, die zijn in Hem, d.i. in den Christus, Ja, en in den Christus Amen”. Voor de verlosten des Heeren is elke vastheid van hun geloofsblik, en zoo ook elke vastheid van hun gebedsleven deswege van de verzoening in Christus volstrekt onafscheidelijk. Het onverzoende hart ducht toorn en schrikt voor de wrake terug, en alleen wie zich in Christus verzoend weet en gevoelt, vindt den weg der genade, en daardoor den toegang tot de beloften Gods ontsloten. Een wezenlijk Amen op ons gebed, dat niet maar een sluitterm zal zijn, maar een verzekerdheid en een bezegeling zal inhouden, is daarom dan alleen denkbaar, indien de bidder „den vrede door het bloed des kruises” kent. En overmits nu alleen wie dezen vrede Gods in zijn binnenste omdraagt, den Geest ontving, waardoor wij roepen: Abba Vader, kan het Amen geen getuigenis des Heiligen Geestes op de lippen van den bidder zijn, dan zoo die biddende een verloste des Heeren is. Ook wie nog van verre staat, moge dit Amen nastamelen, maar vertroosting ligt er in dit Amen van zulk een niet. |585|

In dien zin moet het dan ook verstaan worden, als onze Catechismus in zijn slotantwoord van dit Amen betuigt, dat er de verzegeling onzer gebeden in ligt uitgesproken. „Amen, dat is te zeggen: het zal waar en zeker zijn; want mijn gebed veel zekerder van God verhoord is, dan ik in mijn hart gevoele, dat ik zulks van Hem begeere.” Dit toch zou elk oogenblik door de uitkomst worden gelogenstraft, zoo men het verstaan wilde van elk gebed, ook door wie nog van verre staat, uit de aandrijving van allerlei aardschen of verkeerd begrepen geestelijken nood opgezonden. Maar wel gaat die schoone verklaring door, zoo ge u een biddende ziel denkt, die, in Christus verzoend en des Heiligen Geestes deelachtig, ook zijn gebeden niet uit zich zelven bidt, maar bidt in den Geest. Dan toch is zijn begeeren niet een begeeren uit eigen verlangen en uit eigen verzuchting, maar dan wordt hij ook in zijn gebeden door zijnen God geinspireerd. Hij ontving dan eerst den Geest der genade en der gebeden om te kunnen bidden. Hij bidt dan als kind tot zijn Vader, gelijk zijn Vader hem dit bidden geleerd heeft en nog leert, en al zijn bidden is n ingaan van zijn ziele in de zake zijns Gods, uit zielsverlangen naar de eere van zijn heiligen naam. Zijn smeeken is dan niet een pogen om zelf het middelpunt te worden, waarom, met heel de wereld, ook God zelf zich bewegen mocht; maar het eenige vaste Middenpunt ligt dan voor zijn zielsblik in zijn God en Vader, en zelf begeert noch verlangt hij iets meer noch iets anders, dan om met heel de wereld te wentelen om dt eene en eenige Middenpunt, dat aller dingen spil en grond en einddoel is. Hoe vaster nu deze zijn blik wordt, des te reiner en rijker worden zijn gebeden, en in diezelfde mate neemt de verzekerdheid toe, dat de verhooring zijner beden, ’t zij nu, ’t zij later volgen zal. En is eindelijk het hoogtepunt des bidders bereikt, zoodat ten slotte geheel zijn bidden n bidden uit en in den Geest is, en het niet anders willen dan God wil den toon van zijn gebed bepaalt, dan komt ten slotte ook dit Amen tot de volle verzekerdheid, en stemt in het eind Gods getuigenis en het getuigenis der eigen ziel in dit Amen Amen saam.

En is hiermee de Toelichting van den Heidelbergschen Catechismus, die in September 1886 begonnen werd gelukkiglijk ten einde gebracht, zoo zij het den schrijver vergund, zijn dank te betuigen aan de vele broeders en zusters in den lande, die al deze acht jaren zijn wekelijkschen arbeid volgen wilden, en door hun belangstelling hem bij dien arbeid in niet geringe mate hebben bezield. Vooral het aanzoek dat reeds spoedig tot hem kwam, om deze Toelichting ook door afzonderlijke uitgave meer duurzaam, en tot een geheel verbonden, onder veler bereik te brengen, was |586| hem een niet geringe spoorslag, om steeds grondiger in de heilige materie, die hij gekozen had, in te dringen. Dat daardoor het aantal van drie hoofdstukken voor elke Zondagsafdeeling, waarop oorspronkelijk gerekend was, zich al spoedig uitdijde, heeft tot onze vreugde van niemands zijde bedenking uitgelokt. Wat anders in 156 hoofdstukken zou zijn afgeloopen, zette zich nu uit tot 324 hoofdstukken, alzoo tot meer dan het dubbele. In E voto vormen deze hoofdstukken vier deelen, saam ruim 2400 bladzijden groot. Moge deze arbeid, van niet geringen omvang, er iets toe bijdragen, om de kennisse van onze Gereformeerde Belijdenis te verhelderen; voede deze toelichting Catechismuspredking, brenge ze het catechetisch onderwijs weer op vaster lijnen; en zij het bovenal van Hem, die ook tot dezen arbeid bekwaamde, afgebeden, dat ook deze Toelichting de vastheid aan veler geestelijk leven hergeve, een krachtig wapen blijke in den strijd tegen de onwaarheid en de ongerechtigheid, en aldus de eere onzes Gods verhooge, zoo in de practijk der Godzaligheid als op de pelgrimsreize naar het Vaderhuis daarboven.

Zoo zij het!




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001