Vierde hoofdstuk.

Uwe, o Heere! is de grootheid, en de macht, en de heerlijkheid, en de overwinning, en de majesteit, want alles, wat in den hemel en op de aarde is, is uwe; uwe, o Heere! is het koninkrijk, en Gij hebt U verhoogd tot een Hoofd boven alles.

1 Kron. 29 : 11.


Na de zes beden volgt in het Onze Vader, gelijk onderscheidene Kerken van Christus dit sinds eeuwen gebezigd hebben, de dusgenaamde Doxologie of Lofverheffing: „Want uw is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in der eeuwigheid. Amen.” Deze woorden nu komen, gelijk men weet, in onze Bijbels wel voor in het „Onze Vader” van Matth. VI, maar niet in het „Onze Vader” van Luc. XI. Overmits er ook nog andere kleine verschillen tusschen Matth. VI en Luc. Xl voorkomen, behoeft men daarom nog volstrekt niet tusschen deze twee Iezingen te |573| kiezen. Eer pleit alles er voor, dat Jezus wel drie en meer malen dit heilige formuliergebed voor de ooren zijner jongeren zal herhaald hebben. Dat nu bij deze herhaling, om van den vorm naar het wezen te trekken, dezelfde zaak soms op eenigszins andere manier werd uitgedrukt, kan allerminst bevreemding wekken bij hem, die ons den Vader leerde aanbidden in geest en waarheid. Uit het wegblijven van de lofverheffing in Luc. XI mag dus allerminst afgeleid, dat ze in Matth. VI ingelascht is, noch ook omgekeerd uit het voorkomen er van in Matth. VI, dat ze in Luc. XI door de schrijvers der handschriften is weggelaten. Het is toch zeer wel denkbaar, dat onze Heiland er deze lofverheffing de eene maal bijvoegde, en de andere maal ze wegliet. De moeilijkheid ontstaat hier dan ook alleen daardoor, dat de Latijnsche overzettingen van het Nieuwe Testament, die van zeer oude dagteekening zijn, deze lofverheffing niet vermelden, gelijk dan ook nu nog de Roomsche Vulgata haar niet heeft, en de Roomsche Kerk haar niet opnam. Op zichzelf zou dus wel aan te nemen zijn, dat deze „lofverheffing” eerst door het kerkelijk gebruik er ware bijgevoegd, en uit dit kerkelijk gebruik allengs in Matth. VI ware ingelascht, indien hier niet ééne zeer ernstige bedenking tegenover stond. Deze bedenking bestaat hierin, dat precies dezelfde aanleiding, om ze in Matth. VI in te schakelen, ook bestond voor het inlasschen van dezelfde woorden in Luc. XI, en dat toch in Luc. XI, blijkens de handschriften, deze inlassching zoogoed als nooit beproefd is. Dit nu is bij opzettelijke en bewuste invoeging in den tekst niet te begrijpen. Wie én in Matth. VI én in Luc. XI een tekst voor zich had zonder deze inlassching, en nu een poging waagde, om uit het kerkelijk gebruik deze „lofverheffing” in de heilige Schrift in te brengen, ging toch al zeer dwaaslijk te werk, door ze wel op de ééne plaats in te voegen, maar in de andere weg te laten; en zou er uiteraard toe moeten gekomen zijn, om ze op beide plaatsen in te voegen. Neemt men daarentegen aan, dat in de Westersche Kerk de tekst van Luc. XI in het kerkelijk gebruik gevolgd werd, dan is het volkomen rationeel, dat nu in de Westersche handschriften allengs ook uit Matth. VI de lofverheffing geschrapt werd. Zoo immers accordeerden beide teksten met dit kerkelijk gebruik. Logisch laat zich dus wel verklaren, dat in het Westen uit Mathh. VI werd weggelaten, wat in Luc. XI ontbrak, en niet in het kerkelijk spraakgebruik was opgenomen; maar logisch is niet te begrijpen, dat men in het Oosten het kerkelijk spraakgebruik wel in de ééne, maar niet in de andere plaats zou hebben ingevoegd. Op dien grond maken we dan ook bezwaar, om mee te gaan met die critici, die de latere inlassching van de doxologie in Matth. VI voor een uitgemaakte zaak houden. |574|

Dat bij de Joden, en algemeen in het Oosten, het eindigen of besluiten der gebeden met zulk een lofverheffing niets ongewoons was, is bekend. Zulk een besluit van het gebed lag geheel in den mystiek-Oosterschen geest, die er behoefte aan had, om eer het Amen werd uitgesproken nogmaals zijn gewijde en geheiligde aandacht in zijn God saam te trekken. Uit het gebed van David, dat ons in 1 Kron. XXIX : 11 is opgeteekend, leeren we overigens reeds soortgelijke betuiging kennen, als in deze doxologie voorkomt, wanneer het daar heet: „Uwe, o Heere, is de grootheid en de macht en de heerlijkheid”. Het eigenaardige nu van zulke doxologieën aan het einde der gebeden is, dat ze geschikt zijn, om bij alle gebeden te worden bijgevoegd, zonder bij één gebed bijzonderlijk te hooren. In de Engelsche Episcopale Kerk wordt de betuiging: Glory be to the Fathor and the Son and to the Holy Ghost, world without end, Amen, nog steeds aan het eind van allerlei gebeden en lofzangen herhaald, juist op dezelfde wijze, als meer dan één liturgisch gebed ten onzent eindigt in de betuiging, dat we alles vragen „in den naam des Zoons, die met den Vader en den Heiligen Geest één eenig God zij te loven en te prijzen in der eeuwigheid.” Daarom zal men het veiligst gaan, indien men de slotwoorden, die bij het „Onze Vader” zijn gevoegd, beschouwt als een meer algemeene doxologie, die ook voor andere gebeden in zwang was, en door Jezus een enkel maal ook aan het „Onze Vader” toen Hij dit zijne discipelen leerde, is toegevoegd. Juist dus als het „Amen” dat natuurlijk voor velerlei gebeden in zwang was en niet opzettelijk voor het „Onze Vader” was uitgedacht, zoodat dit „Amen” in Luc. Xl zoomin als de doxologie voorkomt, zonder dat iemand daarom vermoeden zal, dat dit „Amen” ook door ons behoort te worden weggelaten. Dat nu in het latere kerkelijk gebruik, de Oostersche Kerk die door haar aard en geestesrichting op zulk een doxologie was aangelegd, zich al spoedig meer constant aan het „Onze Vader” met het slot hield, terwijl de Westersche Kerk, die zich in het gebed meer aan de eigenlijke beden hield, het „Onze Vader” zonder het slot uit Luc. XI overnam, heeft niets onnatuurlijks; en is dit zoo, dan verklaart het zich als vanzelf, waarom men in het Westen het slot uit Matth. VI allengs voor een Oostersch bijvoegsel kon aanzien en daarom schrapte. De Kerken der Reformatie, die zich door de toenmalige kerkelijke praktijk niet gebonden konden gevoelen, zijn, mede deswege, weer op de Oostersche usantie overgegaan, en hebben niet Luc. XI, maar Matth. VI, naar den dusgenaamden textus receptus, tot voorbeeld voor het kerkelijk gebruik genomen, en de gewoonte, om het „Onze Vader” met de lofverheffing in het slot, te bidden, is daardoor onder alle Protestanten zóó inheemsch geworden, dat men zou meenen, dat het gebed niet ten einde toe werd afgebeden, indien de |575| voorganger in het gebed het slot wegliet. Doch in wat zin en geest dit ingewikkeld vraagstuk ook worde opgelost, zooveel sta voor een ieder vast, dat deze „lofverheffing” niet een bijzonder iets bij het „Onze Vader”, maar een algemeene lofverheffing ter besluiting van onze gebeden is, die dus ook aan het slot van andere gebeden kan gebezigd worden, en alzoo ter afwisseling dienst kan doen met de trinitarische, d.i. op de heilige Drieëenheid doelende lofverheffing die in onze liturgische gebeden meer gewoon is.


Komen we alsnu tot die Lofverheffing zelve, dan sta op den voorgrond, dat zulk een uitgang van onze gebeden wel niet noodzakelijk, maar toch raadzaam en in geestelijken zin aanbevelenswaardig is. Alle gebed is een verheffing der ziel tot onzen God, een zoeken van zijn gemeenschap. Zoolang nu onze gebeden zich bepalen tot de bede voor de eere zijns Naams, voor de komst van zijn Koninkrijk, en voor het geschieden van zijn wil, dringt en drijft het gebed ons naar God toe. Maar zoodra we inkeeren tot onzen eigen nood, en dien voor Gods genadetroon brengen, daalt onze Mdende ziel af in ons aardsche leven, in onze lichamelijke nooddruft, in de schuld die ons van God vervreemdt en in den strijd met Satan, dien we te strijden hebben. Dit alles nu breekt eer de gemeenschap met het Eeuwige Wezen, dan dat het die sterken en bevestigen zou. Het leidt af, en niet op. Vandaar dat een gebed hetwelk eindigde met: „Verlos ons van den Booze,” op zeker min natuurlijke wijze besloten zou worden met den naam van den Satan, na met de aanroeping van Gods Vadernaam begonnen te zijn. Oordeele nu een iegelijk bij zichzelven, of de naam van Satan een geestelijk geschikt besluit voor ons gebed zou zijn. En ook gevoelt men terstond, dat de biddende ziel hierin niet rusten kan. Neen, na zich tot in de diepte van de worsteling met Satan verdiept te hebben, heeft het hart dat God zoekt, eer het zijn Amen uitspreekt, behoefte, om zich weer van Satan tot zijn God te verheffen, zijn almachtigheid en zijn heerlijkheid aan te zien, en, nu tot in der eeuwen eeuwigheid zich verbreedende, zich neder te vlijen in de verwachting van dat eeuwig Koninkrijk, waarin God zijn zal alles en in allen. Dan is de ziel weer boven eigen nood en zielsangst en schuldbesef en vreeze van Satan verheven, en spreekt haar Amen uit in een stemming van lof en van dank. Aldus keert het gebed, dat met God begon, in God, als in zijn uitgangspunt, weder. De ziel die bidt gevoelt zich opgenomen in het eeuwig bestel haars Gods en in de toekomst van zijn Koninkrijk, en zoo eerst volgt op het Amen dat besef van wondere mogendheid en heilige geestdrift, waarin de geestelijke kracht van elk gebed schuilt. |576|

Wat nu voorts de woorden zelfs van deze doxologie betreft, zoo wijzen deze ons eerst op het Koninkrijk, dan op de Kracht, en daarna op de Heerlijkheid des Heeren, en breiden ze deze uit tot in aller eeuwen eeuwigheid, om zoo eerst in het plechtige Amen te rusten.

Dat nu eerst van het Koninkrijk sprake is, heeft zijn goede oorzaak. Alle gebed toch is een worsteling tusschen de wenschen en verlangens van den bidder en den verborgen raad Gods. Wie niet als ongeloovige enkel in gevaar en nood, maar als kind van God voor zijn Vader in de hemelen neerknielt, weet en belijdt, dat „geen ding ooit gewisser geschiedt, dan het hoog bevel van ’s Heeren Woord.” Hij weet dat God gezegd heeft: „Mijn raad zal bestaan en Ik zal al mijn welbehagen doen.” En hij weet ook, dat deze raad Gods van eeuwigheid is, en vast ligt in het Besluit. Hij nadert dus niet tot zijn God, als ware Hij een grillig, oppermachtig heer, die nog niet weet wat hij doen zal, en dies, naar den indruk van het oogenblik handelend, óf zus óf zoo kan doen, en dien men derhalve zoekt te verbidden en naar zijn zin te stemmen. Neen, zijn God, tot wien hij roept, is een eenig Koning, wiens de wijsheid is en het eeuwig welbehagen, en die alle ding stuurt en regeert naar den raad zijns willens. Maar even stellig als dit voor hem vaststaat, even zeker weet hij, dat de drang des gebeds hem door zijn God zelf in het hart is gegeven; dat die God tot hem gezegd heeft: „Roep Mij aan in den dag der benauwdheid, en Ik zal er u uit helpen;” en dat, hoe wonderbaar het schijne, en hoe volstrekt onverklaarbaar dit voor ons menschelijk inzicht ook zijn moge, God de Heere in zijn raad zelf én onze gebeden én de al of niet verhooring onzer gebeden heeft opgenomen. Gods kind weet dat het rechte gebed niet uit den mensch is, maar door den Heiligen Geest in hem gewerkt wordt, en dat hij dienvolgens, niet uit zucht om te dwingen, maar alleen wijl de Heere zelf er hem toe aandrijft, zijn ziel voor den Heere mag uitgieten en zijn klachte mag klagen voor zijn troon. Vast en onwrikbaar als Gods raad eeuwiglijk staat, mag toch nooit die raad verstaan als een noodlot of als een fatalisme, gelijk de Islam dit leert. Gods kind riep zijn God aan als zijn Vader in de hemelen, en het is niet door een ingluren in het verborgen wilsbesluit, maar uit kinderlijke aandrift, dat het gebed lot zijn God in hem opklimt.

Toch wordt daarom de strijd, de gestadige worsteling tusschen het uw wil, en mijn wil ook onder het bidden wel gevoeld, en waar zelfs de groote Bidder van Gethsémané dezen strijd zoo klaarlijk besefte, dat Hij het „Niet mijn wil, maar uw wil geschiede,” met zoovele woorden uitsprak, is er ook voor Gods kind in het gebed geen rust en geen vrede gevonden, eer ook hij de ziel kan opheffen tot dat Koninklijk |577| regiment zijns Gods, dat alle ding stuurt en regeert naar zijn eeuwig welbehagen.

En dit doel nu wordt immers juist bereikt, door de eerbiedige betuiging: Want uw is het koninkrijk, waarin de betuiging ligt, dat niet Gods kind den loop der dingen regelen wil, noch ook vraagt dat zijn God zich naar hem zal schikken, maar dat hij omgekeerd God in zijn hoogheid erkent, belijdt dat Hem en Hem alleen het Koninklijk regiment toekomt, dat dus ook hij zelf met zijn persoonlijk leven en aanzijn zich te voegen heeft naar de leiding van dat Koninklijk regiment, en dus ook, omdat zijn God Koning is, de verhooring en niet-verhooring van zijn bede aan den wille Gods onderwerpt. Eenerzijds is het alzoo een betuiging van berusting, ingaande in het „Niet mijn wil, maar de wil van U, mijn Koning, geschiede”. Maar anderzijds is deze berusting toch weer niet de stomme berusting van den slaaf, doch veelmeer de vrijwillige, lofzingende berusting van het kind, dat zelf niet anders wil, dan dat Gods koninkrijk triomfeere. Heeft hij niet zelf gebeden: Uw koninkrijk kome, nog eer hij bad om voorziening in eigen nooddruft en om vergeving van zijn schuld en om verlossing uit eigen verzoeking? Dat koninkrijk staat alzoo voor hem niet op den achtergrond, maar op den voorgrond. Hij bukt en zwicht er niet voor, maar roept het zelf in. En doet hij dit, omdat de naam des Heeren hem boven alles gaat, hij doet het ook, omdat hij vastelijk overtuigd is, dat zijn eigen eeuwig geluk en dat der zijnen, alleen dán komt als dat koninkrijk komt, en zou ondergaan, als dat koninkrijk uitbleef.


In de tweede plaats wordt hier nu die andere betuiging aan toegevoegd: Want uw is de kracht. Raad en bestel baten niet, zoo de kracht afwezig is, om dien raad en dat bestel door te zetten en ten uitvoer te brengen. Als kind van mijn volk kan ik mijn koning liefhebben, en stil vertrouwen in zijn beleid en zijn toevoorzicht; maar een machtiger vorst kan van over de grenzen komen opdagen, en den raad mijns konings verijdelen. Doch dit nu juist is hier niet alzoo. Wel verheft zich toch ook tegen den Koning der koningen een wederpartijder, die „overste der wereld” werd, en niet aflaat God en zijn volk te bestrijden, of hij het Koninklijk regiment onzes Gods mocht kunnen te niete doen; maar dat juist kan hij niet. Immers Satan heeft geen kracht. Alle kracht is Godes, en alle kracht waarmee Satan tegen God strijdt, is kracht, die hij van God ontving en nu tegen God verzondigt. Eens wordt Satan, en al wie Satan aankleeft, geworpen in den poel des vuurs. In de betuiging: Want uw is de kracht, ligt dus niet enkel de belijdenis, dat de kracht Gods grooter is dan de kracht van Satan, maar heel anders, dat er geen kracht is dan uit God, |578| en dat daarom geen creatuur zich tegen zijn wil roeren of bewegen kan. Eens openbaarde de Heere zich aan Abraham, als God de Almachtige, als El Sjaddai, en daarin lag nog alleen de betuiging, dat Hij, onze God allen tegenstand die zich tegen Hem verheft, overwinnen kan en zal. Maar in deze betuiging ligt meer, ligt de zalige erkentenis, dat geen schepsel mogendheid heeft of bezit, tenzij God hem die verleene, en dat God de Heere alzoo geen enkelen tegenstand kan ontmoeten, dan dien Hij door het eenvoudig onttrekken van de verleende kracht te niet en te schande kan maken. Meer nog, wie zijn gebed laat uitvloeien in de betuiging: Want uw is de kracht, geeft daarin tevens te verstaan, dat de niet-verhooring van zijn gebed nooit daaraan liggen kan, dat het Hem schorten zou aan wijsheid of falen zou aan kracht, want dat zijns alle kracht is en geen ding bij God onmogelijk; maar dat alleen hooger wijsheid en heiliger bestel van de aanwending van deze kracht ter verhooring van onze gebeden afhoudt.


En eindelijk komt dan de derde betuiging: Want uw is de heerlijkheid, een uitdrukking, die in verband met het voorafgaande gebed, ook hier, niet mis worde verstaan. Er is hier toch geen sprake van de heerlijkheid, die met Christus’ wederkomst ingaat, maar van de heerlijkheid in volstrekten zin. Deze betuiging geeft alzoo te kennen, dat de einduitkomst Hem, onzen God, rechtvaardigen zal. Thans schijnt het vaak, alsof Gods raad niet heerlijk, maar veeleer jammerlijk is, als ge ziet hoe vaak de zonde, de leugen en de laster triomfeert, terwijl de rechtvaardige lijdt en omkomt. Dit nu is niet heerlijk. Golgotha wordt heerlijk door de Opstanding, maar is op zichzelf in duisternis gehuld en omfloerst met zwarten nacht. En zoo is het nóg gedurig ook op ónzen levensweg. Dan zinkt alles in. De fondamenten der aarde worden geschud. Sion roept, maar de ziele van Gods tortelduive wordt aan den vijand overgegeven, en al Gods heiligen weenen, weenen niet het minst, omdat Gods raad bespot en over Gods bestel door zijn vijanden schijnbaar getriomfeerd wordt. Maar nu opent zich het vergezicht des geloofs. Het geloof kan niet den jammer van het heden afkeeren, maar het aanschouwt de einduitkomst, waarin alleen Gods bestel heerlijk en zijn raad volzalig zal blijken. En waar nu Gods kind zijn gebed besluit met de erkentenis van Gods koninklijk regiment en met de betuiging, dat zijns de kracht is, zoodat Hij moet overwinnen en al zijn vijanden te niet doen, daar verheft de biddende ziel zich tot die innerlijke deugdelijkheid van Gods bestel en raad, die eens uitkomen en blinken en uitschitteren zal, en zij betuigt het in aanbidding: Want uw is de heerlijkheid, d.w.z. eens in de uitkomst zal alleen Uw raad en bestel |579| gerechtvaardigd worden, en al wie tegen U zich stelde of de hand tegen U ophief, zal wegzinken in schande en in smaad.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001