Derde hoofdstuk.

Zijt nuchteren, en waakt; want uw tegenpartij de duivel, gaat om als een brieschende leeuw zoekende wien hij zou mogen verslinden.

1 Petr. 5 : 8.


Het laatste punt, waarop onze aandacht zich heeft sam te trekken, is de opzettelijk verzoekende macht, die op onze ziel inwerkt, met het |566| doel en den toeleg, om ons ten val te brengen; hetzij tot zonde in gemeenen zin, hetzij tot die zonde, die aller zonde wortel is, tot ongeloof. Die macht nu gaat nooit van God uit. God immers verzoekt niemand ten kwade; maar altoos van den Satan. Wel leidt God ons in verzoekingen, maar die in de verzoeking ons in het gif indruppelt, is nooit de Heere, maar zonder uitzondering altijd de Booze. Wat God de Heere met zijn „leiden in verzoeking” bedoelt, moge de eene maal zijn de beproeving van ons geloof, een ander maal de ontdekking aan ons zelven van onze geestelijke zwakheid, of eindelijk een derde maal een ons verlaten met zijn genade en een ons verharden, opdat we, als straf voor ons ongeloof, in den jammer onzer ziel gestort, met berouw en schuldbelijdenis tot onzen God mogen wederkeeren; maar onder alle deze vormen, is het doel Gods altijd heilig, en nooit op het doen plegen van zonde of op den val van zijn kind gericht. Die het daarop richt is de wederpartijder, de aanklager der broederen, diezelfde Satan, die Job verzocht, of het hem gelukken mocht, Job van de vreeze des Heeren af te brengen.

Intusschen houde men hierbij wel in het oog, dat Satan op drierlei wijs werkt; door ons vleesch, door de wereld, of rechtstreeks zelf. Deze drie factoren in de verzoeking, waarop ook de Catechismus met name wijst, staan niet z naast elkander, alsof de zondige prikkel van ons vleesch, en van de wereld buiten Satan zou omgaan; maar toch maakt het een zeer ernstig onderscheid, of we alleen met de afgeleide machten van Satan in vleesch en wereld, dan wel met Satan zelf in eigen persoon te doen hebben. Rechtstreeks is de Christus van Satan verzocht in de woestijn, maar desniettemin zag Jezus ook in Petrus’ uitroep: „Dat zal u geenszins geschieden”, wel terdege Satans inblazing, en wees hem deswege af met een „Satan, ga achter mij”. En toen de Heere Gethseman zou ingaan, en Judas met de politie in aantocht was, om Jezus gevangen te nemen, zei Jezus nogmaals: „De overste der wereld komt”. De zaak is dus z te verstaan, dat ook vleesch en wereld alleen door Satans geest, die er in werkt, prikkels tot zonde, tot ongeloof en afval zijn; maar dat Satan, behalve door vleesch en wereld, ook rechtstreeks onze ziel aangrijpt, met name in de aanvechtingen. Wat de heilige apostel zegt, dat „Satan rondsluipt als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden”, drukt juist dat woelen van Satan in vleesch en wereld uit. Hij is en blijft de slang, die rondschuifelt in het woud onzes levens, en nu eens langs den bodem sluipend ons in de verzenen steekt, en dan weer uit de takken op ons neerschiet, om ons den kop te vermorzelen. Hij is de „overste der wereld”, d.w.z. in vleesch en wereld heeft hij zijn rijk. Hij heerscht er in. Heel de wereld ligt in het booze. Hij blaast in vleesch en |567| wereld met zijn onheiligen geest. Hij stelt aan vleesch en wereld zijn onheilige wet. En doordien hij over vleesch en wereld zulk een ongoddelijke macht bezit, woelt en werkt hij rusteloos, bij dag en bij nacht tegen God in, om vooral Gods Koninkrijk tegen te houden, en zijn heiligen ten val te brengen.


Hiervan merkt ge intusschen zeer zelden iets, omdat Satan zich meestal achter het schild van vleesch en wereld schuil houdt. Dan ziet ge wel vleesch en wereld, maar ge ontdekt Satan niet die er achter woelt. Stuitten nu vleesch en wereld u af, zoo zou er geen verleiding in steken, en Satan zou er zijn doel niet door kunnen bereiken. Maar dit is niet zoo. Vleesch en wereld doen zich zelfs in den regel aan u voor in een vorm die u bekoort. Ze streelen u en weten u te boeien. Dit zou niet zoo zijn, indien vleesch en wereld zich terstond ongesluierd aan u vertoonden. Immers, niet alleen een kind van God, maar zelfs een man of vrouw van burgerlijke gerechtigheid, voelt weerzin en afschuw bij zich opkomen, zoodra de brooddronkenheid en de gemeenheid tiert en raast. In dien naakten vorm heeft vleesch en wereld alleen vat op iemand, die reeds zeer ver is afgedoold. Daarom begint Satan altoos met u vleesch en wereld te toonen in een schoonen, dusgenaamd fatsoenlijken, u boeienden en toesprekenden vorm, om eerst later, als ge verdorven zijt, u ook de naaktheid der wereld te laten zien.

Men versta dit woord vleesch en wereld intusschen niet verkeerd. Vleesch is volstrekt niet enkel uw eigen vleesch en bloed, als ware met „vleesch” uitsluitend bedoeld zinnelijke zonde, zooals wellust, brasserij of vraatzucht. „Vleesch” is in de Heilige Schrift, en zoo ook hier in den Catechismus bedoeld als de „vleeschelijke mensch”, de oude zondaar, de mensch naar zijn verdorven natuur, en alzoo in Gods kind is het de oude mensch, de inwonende zonde, die nog in hem nawerkt, en waartegen hij tot zijn dood toe zal hebben te strijden. Onder de werken des „vleesches” somt daarom de heilige apostel in Gal. V volstrekt niet alleen „overspel, hoererij, onreinigheid en ontuchtigheid” op, maar evenzoo „afgoderij, venijngeving, vijandschap, twist, toorn, afgunstigheid, gekijf, tweedracht en ketterijen”. Zoowel de zinlijke als de geestelijke zonde vallen dus beide onder den nen naam van „vleesch”; en wie opstuift in zijn drift, toegeeft aan zijn hoogmoed, of met nijd en afgunst tegen zijn broeder bezield is, valt onder hetzelfde oordeel van te leven naar het vleesch, en uit het vleesch te werken. Dat in de verzoeking de prikkel om tot zonde over te gaan ook uit ons „vleesch” opwerkt, wil dus zeggen, dat de wortel der zonde, dien we in ons hart omdragen, gedurig trekt en neigt, om ons in zonde |568| te verwikkelen. Het hangt er derhalve maar van af, of ons zulke zaken voorkomen, die vat hebben op een bepaalde zondige neiging van ons hart. Drank zal voor den n wel, voor den ander geen verzoeking zijn. Achterklap zal den n prikkelen, den ander koel en onverschillig laten. Voor hoogmoedszonde staat het hart van den n open, en is het hart van den ander gesloten. Niet elke pijl van den Booze heeft op een ieder vat. Maar juist daarom weet Satan zijn pijlen in zulk een gif te doopen, als juist voor u, in verband met de bepaalde neiging van uw vleeschelijk hart, doodelijk is. Verzoeking in den echten zin van het woord wordt dan ook voor u eerst daardoor geboren, dat ge, onder Gods bestel, ingeleid wordt in zulke omstandigheden, of in zulke ontmoetingen, als het meest geschikt zijn, om in uw hart de vonk der verleiding te werpen, en u in zondige vlam te zetten.


Dat we nu zeggen, dat Satan immer werkt, mag niet zoo worden verstaan, alsof de verzoeking u buiten schuld liet, en alsof ge zeggen mocht, dat ge hierin het slachtoffer van Satan waart. Dit is nooit het geval. De apostel zegt het zoo stellig: „Een iegelijk, indien hij verzocht wordt, wordt verzocht van zijn eigen begeerlijkheid.” Altoos is aan u de schuld, en zult gij het oordeel dragen. De zaak ligt namelijk zoo, dat naar Gods schepping de Satan geen invloed op uw hart mocht of kon hebben, en dat Satan nu toch zoo ontzettenden invloed op heel uw hart en op uw natuur heeft gekregen, is ’s menschen schuld, en komt voor ’s menschen verantwoording. En nu is het wel waar, dat wie krachtens erfschuld in zonde ontvangen en geboren is, hier niets tegen doen kan, en onder de tirannie van Satan ligt; maar vooreerst werkt hier reeds bij den onbekeerde de gemeene genade tegen in, en ten andere is bij Gods kind dit juist de roem, dat „Christus hem uit alle geweld van Satan verlost en zich tot een eigendom gemaakt heeft.” Wel terdege zijn ons derhalve n in de burgerlijke gerechtigheid, n bovenal in de Verbondsgenade, middelen ter verweer tegen Satan geboden; en wie deze wapenrusting aangordt, en voorts waakt, bidt en strijdt, zal nooit ten eenemale onderliggen. Indien we nu daarentegen, deze gemeene en deze bijzondere genade onzes Gods ongebruikt laten liggen, en ongewapend zonder te waken, te bidden, en te strijden, de werkingen onzes vleesches gaan laten, dan ligt ook deswege aan ons de schuld zoo we overvallen en verslonden worden. Het schaap, dat van onder den herder wegloopt, en door den wolf wordt aangegrepen of verdoolt, heeft dit zich zelf te wijten. Altoos is er dus onze eigen schuld, en wel schuld in tweerlei opzicht. Vooreerst daardoor, dat we niet waken, bidden en strijden, en ten andere, dat we ongemerkt |569| de macht van Satan over ons hart weer sterker laten worden. Door elke nieuwe zonde wassen de ranken des verderfs weer aan.


De tweede prikkel, om in de verzoeking tot zonde te komen, ligt in de wereld. Met wereld wordt hier bedoeld het leven buiten ons, gelijk met „vleesch” het leven in ons. De „wereld” is hier dus niet alleen de wereld op straat, maar even zoo goed de wereld in ons huis, de wereld in onze boeken, de wereld in ons kleed en in onze vermaken. Het is al het leven om ons heen, waar we ons ook bevinden, ook al zijn we geheel alleen in de binnenkamer. Zelfs is het niet alleen de wereld, gelijk ze in werkelijkheid bestaat, maar ook de wereld, gelijk we haar beeld in onze gedachten en in onze voorstellingen met ons omdragen. Heel die wereld nu behoort bij ons. We zijn op het leven in zulk een wereld door God aangelegd en er voor geschapen. We hebben een ziel, en om die ziel een lichaam en om het lichaam een kleed, en buiten ons om een wereld. Zulk een wereld behoort zelfs in zoo strengen zin bij ons, dat God de Heere in het rijk der heerlijkheid ons niet alleen een verheerlijkt lichaam, maar ook een verheerlijkte aarde onder een nieuwen hemel geven zal. Op zich zelf ligt dus in het denkbeeld van zulk een wereld niets zondigs, en wie zich als een heilige uit de wereld afzondert, om in een kluis of cel zijn dagen te slijten, ontvlucht aan den strijd, in stede van in dien strijd te overwinnen.

Vandaar dat onze Heiland niet bad, dat de Vader de zijnen uit de wereld mocht wegnemen, maar wel, dat Hij ze bewaren mocht in de wereld. Ook in die wereld toch heeft de zonde zich genesteld. Ook in haar leven is het gif der zonde ingeslopen; en er is schier geen enkele verhouding of geen enkel verschijnsel in het leven der wereld denkbaar, dat niet door zonde vergiftigd of met zonde besmet is. Nu is zeer zekerook hier onderscheid te maken. De zegen des Evangelies is ook, dat waar de Christus onder de volkeren doordringt en wordt aangenomen, het leven der wereld in zekeren zin zijn doop ondergaat. Het Ieven in een Christenland is veel ingetogener, veel matiger, veel bezadigder, dan het leven onder de volken die God niet kennen. Vooral op dorpen, waar het Calvinisme den toon aangeeft, is de uiterlijke verleiding der wereld nu nog veel minder dan in groote steden, waar Satan zijn zetel opsloegMaar al moet dit verschil erkend, en al is deswege de booze macht der wereld in menig opzicht gebroken, dit neemt niet weg, dat ze toch overaF haar eigen zondige vormen weet aan te nemen, en onder allerlei verschijning invloed ten kwade op ons hart weet uit te oefenen. Bovendien is thans, helaas, zelfs onder de Christenvolken het Christelijk stempel op het maatschappelijk |570| en huiselijk leven derwijs verzwakt en soms bijna zoo tot onherkenbaar wordens toe uitgesleten, dat de „wereld” weer met iets van haar oude heidensche kracht opwoelt en haar strikken uitzet. Dit doet de „wereld” echter, zoo min als het „vleesch”, uitsluitend door de zinlijkheid. Ook zij weet haar lokaas even goed ook op geestelijke paden uit te hangen, en wie weet, wat er ook in het publieke leven door nijd, door afgunst, door eerzucht, door geldzucht, door toorn en overmoed en niet het minst door leugen en onwaarheid gezondigd wordt, herkent de, macht der wereld zeer wel, ook waar alle verloksel tot zinlijken lust is buitengesloten. Nu heerscht in dit alles zekere „geest”, de geest van den overste der wereld, en het is alzoo ook hier de Satan die door de verlokselen der wereld op alle manier ons poogt te bekoren. Doch ook hier verontschuldigt dit ons niet. Integendeel, de wereld was ons toevertrouwd. Wij hebben ze aan Satan overgegeven, na ze aan God ontstolen te hebben, en zoo is het onze geestelijke straf, als thans die wereld ook ons een oorzaak van zonde is geworden.


En eindelijk komt hier dan in de derde plaats nog bij de rechtstreeksche invloed van Satan zelf op ons hart. Dit zijn deels demonische invloeden, deels Satanische aanvechtingen in den eigenlijken zin van het woord. Satan toch heeft ook zijn onderhebbende booze geesten of demonen, die hij uitzendt, om Gods kinderen te verleiden; maar als het op het hoogste komt, trekt hij zelf tegen ons op, en doet den aanval als met eigen hand. Deze aanvechtingen dragen dan allerlei onderscheidene karakters. Het zijn nu eens booze inwerpselen, die in onze gedachten worden geworpen, soms midden in ons gebed. Dan zijn het twijfelingen, die bij ons oprijzen, en die ons aansporen tot onheilig ongeloof tegen God en zijn Woord, tegen den Christus en zijn werk. Dan weer zijn het aanvechtingen van onzen staat, dat het geloof aan onze uitverkiezing ten eenemale in ons ondergaat. Of ook, want ook dit kan voorkomen, port Satan ons aan tot rechtstreeksche vijandschap tegen God, soms zelfs tot Godslastering. Deze rechtstreeksch Satanische of demonische verzoekingen zijn daarom zoo ontzettend, omdat ze in den regel ons niet zullen overkomen, tenzij er, als straffe voor onze zonde en ons ongeloof, een tijdelijke verlatenheid van God over onze ziel komt. Het komt wel voor, dat booze inwerpselen onze ziel te midden van genade-ervaringen verontrusten, maar dan zijn het geen aanvechtingen, en gaan ze zoo weer voorbij. Maar hebben ze vat op ons, sleepen ze ons mee, houden ze ons bezig, en geeft onze ziel er aan toe, dan is er altoos verlatenheid van Gods genade, en juist die verlatenheid alleen maakt de eigenlijke aanvechting mogelijk. Juist dat maakt dan zoo zwak, |571| en doet de ziel onder zulk een aanvechting zoo bitter lijden, indien ze er niet in slaagt, van het eerste oogenblik af zich op den Heiland en op zijn nederdaling ter helle te werpen, om ook in die hoogste aanvechting verzekerdheid van zijn bijstand te hebben.

Maar van welke dezer drie, van ons vleesch, van de wereld of van Satan rechtstreeks, nu ook de prikkel tot de zonde komt, altoos komt het er maar op aan, dat we onmiddellijk onzen doodvijand herkennen, onze eigen zwakheid en onmacht inzien, en zonder verwijl onze toevlucht nemen tot de genade onzes Heeren. De doodvijand moet herkend. Geen schijn mag ons bedriegen noch misleiden, ook al staat de gestalte van een engel des lichts voor ons. Want wie in zulk een verzoeker of verleider nog ten deele een vriend, of ook maar een onverschillig mensch ziet, en niet zijn doodvijand, die is weg, eer de strijd begint. Zelfs moet op dat doodvijand alle nadruk vallen, want wie nog acht met dezen vijand te kunnen spelen, en waant dat het er hoogstens op wordt toegelegd, om hem een kleine wonde toe te brengen, vergist zich ten eenenmale. Satan legt het altoos toe op ons leven. Hij zoekt onzen dood, en dat wel onzen eeuwigen dood. Voor spel is hier dus geen plaats, het is altoos ernst en hooge ernst. Altoos een strijd op dood of leven.


Maar in de tweede plaats zult ge hierbij aanstonds uw zwakheid gedenken. Eerst zit de leeuw vrij achter zijn tralies in het hok u aan te grijnzen, en om die tralies waant ge u veilig. Maar weet wel, in het oogenblik der verzoeking, dan worden juist de tralies weggenomen, en wordt de leeuw vrij om u te bespringen. En wee hem, die, in zulk een oogenblik waant, den strijd nog wel tegen dien leeuw te kunnen opnemen. Wie dat ook maar beproeft, is op eenmaal weg, en valt in de klauwen van den Booze. Daarom zegt de Catechismus zoo volkomen naar waarheid, dat we in ons zelven z zwak zijn, dat we ook niet n oogenblik kunnen bestaan. En dat dit metterdaad zoo is, wordt nog dagelijks bezegeld door de ervaring van al Gods kinderen, door de ervaring van wie geestelijk het sterkste zijn nog het meest. Zelf, in eigen kracht, vermoogt gij noch tegen de wereld noch tegen het vleesch noch tegen Satan ook maar iets; en elk pogen om den strijd in eigen kracht uit te strijden, slaat tegen. Het komt daarom wel voor, dat ook wie in eigen kracht strijdt, toch overwint, maar ook dan overwon hij niet door eigen kracht, maar enkel door de genade, die hem ook zonder gebed ondersteunde.

En dit nu is het waarom onze Heiland ons in het Onze Vader onder de beden voor elken dag ons ook deze bede op de lippen legt, of onze Vader die in de hemelen is, bijaldien de verzoeking ons niet kan gespaard |572| worden, maar we in de verzoeking moeten geleid worden, ons in dien strijd wille bijstaan, en voor ons den strijd tegen den Booze wille opnemen. „Leid ons niet in verzoeking, maar als de verzoeking niet te ontgaan is, bewaar ons dan voor den Booze.” Die bede wil Jezus dat we bidden zullen niet enkel op het oogenblik zelf, dat we de verzoeking voelen en het gevaar ons verrast, maar elken morgen bij ons ontwaken, opdat, wat ons ook dien dag moge overkomen, onze hulpe in den Naam des Heeren sta. Hij moet ons leeren waken, leeren bidden, leeren strijden, en in dien strijd zelf het schild over ons opheffen. Dan alleen zullen we niet onder liggen, maar sterken weerstand doen, en, dank zij dien volhardenden en voortdurenden strijd, zal ten slotte de verzoeking haar prikkel voor ons verliezen en geen verzoeking meer voor ons zijn. Niet alsof daarmee het pleit gewonnen ware. Nauwelijks toch is de ne verleiding of verzoeking te boven gekomen, of nieuwe verzoekingen en verleidingen zullen u pogen te bekoren. Maar dan zal het gaan van kracht tot kracht, van genade tot genade. Als goede krijgsknechten des Heeren zullen we stand houden, en zegepraal na zegepraal behalen. En uit onzen strijd zal Gode eere toekomen, aan onze broeders sterking van hun geloof, en aan ons zelven een steeds vaster verzekerdheid van ons heil in Christus.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001