Tweede hoofdstuk.

Door het geloof heeft Abraham, als hij verzocht werd, Isak geofferd; en hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijnen eeniggeborene geofferd.

Hebr. 11 : 17.


Schijnbaar strijdt het met elkander, dat we naar Gods bestel en raad allen in verzoeking geleid worden, en moeten worden, en dat desniettemin |559| de Heere Jezus ons de bede op de lippen legt: „Leid ons niet in verzoeking.” Oppervlakkig beschouwd zou men kunnen zeggen: Indien aan geen kind van God de verzoeking kan of mag gespaard worden, hoe is het dan mogelijk, dat Jezus ons alle verzoeking leert afbidden? We staan hier voor dezelfde strijdigheid, als bij het gebed om afwending van leed en smarte. Vast staat, dat geen onzer den last des lijdens geheel ontgaan kan. Een ieder heeft zijn kruis op aarde. En al is ons leed en smart zeer ongelijk verdeeld, zoodat de n bijna levenslang gedrenkt wordt uit den beker der ellende, terwijl de ander hoogstens enkele teugen uit dien bitteren beker te drinken krijgt, toch blijft de regel gelden: „Wat zoon is er dien de vader niet kastijdt?” Buiten kastijding blijft dan ook niemand. Voor een ieder komt de dag van droefenis en weedom des harten. Ja, het vreeselijkste is, als iemand zoover van zijn God afdoolt, dat de Heere klagen moet: „Waartoe zou hij nog meer geslagen worden?” En toch, al staat dit aldus ook onomstootelijk vast, toch gaat er van Gods kinderen een gedurig gebed op, om afwending van leed, om behoeding voor gevaar, om uitredding uit smarten, om wegneming van droefenis en verdriet. Strijdt dit niet? Schijnbaar ja, maar feitelijk toch niet, omdat we in ons gebed eenvoudig gehoor geven aan den ons ingeschapen trek, die naar vreugde dorst en van smart afkeerig is. Dien trek heeft God zelf in ons geplant. Die trek moet in ons blijven spreken en werken, zullen we waarlijk het kruis als kruis, de smart als smart gevoelen kunnen. En te midden van al onze ellende moet het altoos als in Gethseman blijven: Laat dezen drinkbeker voorbijgaan, ook al moet die worden geledigd. Die bede uit Gethseman verraadt dan ook in het minst geen zwakheid of aarzeling in onzen Heiland. Dat ziet ge aan zijn vastberadenheid ook wel anders. Maar Jezus moest worstelen en lijden in zijn aangenomen menschelijke natuur, en het is nu eenmaal de onuitroeibare trek van de menschelijke natuur, dat men het lijden afbidt. God wil dat we het lijden zullen afbidden, ook al staat het vast, dat we het niet ontgaan kunnen. Lust in smart en zin in leed is niet uit God, maar uit de ziekelijke neiging van een ongeloovig hart. Vandaar dat de gestadige ervaring dat het lijden toch komt, en het kruis niet kan weggaan, toch al deze eeuwen door nooit in staat noch machtig is gebleken, om het gebed om afwending van leed en nood op de lippen van, Gods kinderen te smoren. Zoo dat gebed bij u verstomt, is het menschelijke in u ondergegaan, en toont ge dat het geloof in u geen kracht bezat, om aan den ontzenuwenden invloed van het lijden te ontkomen. Immers juist het geloof moest hier zijn zegen werken. Buiten het geloof vindt ge tal van mannen en vrouwen, die zich moedeloos aan hun smart overgeven, die pessimisten in slechten zin |560| worden, en ten slotte in hun leed zeker behagen krijgen, er hun spel mee drijven, en er in roemen. Maar het geloof staat u dit niet toe. Het geloof verscherpt veeleer in u dien echt menschelijken trek, die u altoos tegen den drinkbeker doet opzien, en u daarom vanzelf doet bidden, of hij mocht voorbijgaan. Al weten we zeer wel, dat we allen eenmaal sterven moeten, toch bidden we tot op het uiterste toe, om de redding van het leven onzer dierbaren. Het gebed komt uit het paradijs, en als herinnering aan wat het paradijs eens schonk, is het altoos een smeeken, dat zich weer naar dat paradijs zonder zonde en zonder ellende uitstrekt. Vandaar dan ook de plicht en roeping van elk Christen, om nooit onder zonde en ellende neder te blijven liggen, maar aldoor te waken, te bidden en te strijden, met alle ons van God gegeven middelen, om zonde en ondeugd, om dood en ellende te bestrijden met al de macht die in ons is. In dien zin is de bede: „Weer steeds alle smart,” dan ook een waarlijk ernstig gemeende bede, ook al weten we zeer wel, dat er toch smart komt, en dat we het kruis niet ontgaan kunnen. Alles als in Gethseman. Jezus wist, dat de drinkbeker moest worden uitgedronken, en toch slaakte Hij in zijn menschelijke natuur de geheel menschelijke bede: Vader, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan.

En juist zoo staat het nu ook met de zesde bede. Het is volkomen waar, dat de verzoeking ons niet levenslang kan worden gespaard. Zonder verzoeking zou er geen oefening van ons geloof, geen spanning van onze zedelijke veerkracht, geen opwassen in de genade zijn. De verzoeking is een vast bestanddeel van het Christelijk leven, evenals het kruis. Daarom is ook de Overste Leidsman en Voleinder des geloofs ons in de verzoeking voorgegaan, en in onze plaats en ons ten voorbeeld, is Hij door den Geest geleid in de woestijn, om verzocht, tot drie malen toe verzocht te worden van den Duivel. De verzoeking is alzoo noodzakelijk. Niemand onzer ontkomt er aan. En geen kind van God heeft ooit zijn pelgrimsreis voleind, zonder dat ook bij hem de bange herinnering achterbleef van de booze verzoeking die hij doorstaan heeft. Bunyans Pelgrimsreize trok juist daarom steeds zoo aan, omdat Bunyan ons den ernst en de onvermijdelijkheid van de verzoeking zoo klaar en helder teekende. En toch niettegenstaande n de Heilige Schrift n de historie n de eigen ervaring, ons dit telkens opnieuw bewezen, toch heeft geen kind van God zich nog ooit met de verzoeking verzoend, toch heeft de verzoeking hem altoos met angst en beving vervuld, en toch is hij tot aan zijn dood toe blijven bidden: Vader, laat deze verzoeking van mij voorbijgaan. Men kan dit zelfs nog sterker uitdrukken. Ieder onzer zal elken morgen weer bidden, dat zijn God hem dien dag voor zonde bewaren moge, ja, elk huisvader zal |561| als Job het afsmeeken, dat ook zijn kinderen niet zondigen mogen. Steunt nu dit gebed op de feitelijke ervaring, dat er dagen zonder zonde in zijn eigen leven of in het leven onzer kinderen voorkwamen? Stellig neen. De oppervlakkige, die alleen bewuste en gewilde zonde voor zonde aanziet, moge zich inbeelden zondelooze dagen doorleefd te hebben, maar wie dieper ingeleid is, weet beter. Voor hem staat het vast, dat elke dag zijn zonde heeft te beweenen; dat elken morgen en elken avond zelfs onze beste werken met zonde bevlekt zijn; dat al oordeelt ons onze conscientie niet, God meerder is dan ons hart en alle dingen weet; en dat we deswege k hebben te bidden voor de verborgen afdwalingen, waarvan we ons zelven niet bewust zijn. En toch, al staat dit ook vast, vast op grond van het Woord en op grond van eigen en anderer ervaring, toch blijft elken morgen weer de bede opgaan: Bewaar mij voor zonde. De zaak staat dus zoo, dat we weten, en vastelijk weten, dat we tot aan onzen dood toe met zonde behept zullen blijven, het kruis zullen te dragen hebben, en in verzoeking komen moeten, — en toch, desniettegenstaande, drijft God zelf ons aan, om steeds te bidden: Bewaar mij voor zonde, neem de ellende van mij, en zoo ook: Leid mij niet in verzoeking.


En toch de bede: Leid mij niet in verzoeking, heeft nog een andere geheel eigenaardige strekking, waarop niet genoeg kan worden gelet. Het bijzonder karakter toch van de meeste verzoekingen is, dat ze altoos iets hebben dat ons aantrekt, boeit en toespreekt. Zonder die bekoring zouden ze zelfs geen verzoekingen voor ons zijn. Krijgt een jong mensch, die dusver stil en eenvoudig leefde, een aanverwant of bloedverwant van losser leven bij zich te gast, die na den maaltijd hem uitnoodigt, om met hem de stad in te gaan en een vroolijken avond te hebben, dan is dit voor dien jongen man een verzoeking. Zoo licht toch zal dat bezoek hem verleiden om mee te gaan en mee te doen, en alzoo op paden te komen, die hij dusver meed. Edoch, en hierop dient nu gelet, dit zou niet zoo zijn, indien er in zijn hart geen inwonende zonde ware, en de zucht, om ook de wereld eens te zien en de wereld eens mee te genieten, niet herhaaldelijk in hem ware opgekomen. Dusver nu bood hij aan dien aandrang en neiging van zijn zondig hart weerstand, en alleen zou hij er niet licht toe gekomen zijn, om zulke gladde paden op te gaan. Maar nu komt dit bezoek. Behoort hij nu niet welstaanshalve met zijn gast mee te gaan? Kan hij het laten? En onderwijl hij dezen plicht der gastvrijheid overweegt, prikkelt hem de zonde in zijn hart, en fluistert hem in, dat het nu een schoone kans, een goede gelegenheid is, om, zonder dat hij het zelf gezocht heeft, ja, z dat hij het eigenlijk niet laten kan, aan den ouden |562| wensch van zijn zondig hart te voldoen, en ook zelf de wereld eens in te gaan. Wist hij nu vooruit van dit bezoek, en was het vooruit bekend, welke plannen zijn gast had, dan rijst de vraag, hoe stond hij hier nu voor? Hij zag de verzoeking naderen. En nu rees een tweerlei in hem op. Van den nen kant zekere vrees en bangheid, dat die verzoeking hem ten val mocht brengen; maar ook, en dat is het pijnlijke, van den anderen kant zekere heimelijke blijdschap, dat nu ongedwongen komen zou, wat zijn hart zoo lang begeerd had. Ten deele ziet hij dus de verzoeking met zekere verborgen vreugde komen, en hoopt hij dat de verzoeking zal doorgaan. Hij zal dan wel op zijn tellen passen. Hij zal niet te ver gaan. Maar de verzoeking als zoodanig is hem zelfs welkom. Maar als hij ’s avonds zijn knien buigt, en hij bidt het Onze Vader, dan legt Jezus hem de bede op de lippen: „Neen, mijn Vader, laat de verzoeking worden afgewend, leid er mij niet in; geef geen voldoening aan de zonde van mijn hart.” En juist op die wijze heeft die bede dan een vermanend, een opleidend, een heiligend karakter, om de bekoring der verzoeking in ons hart te breken, en ons tegen de verzoeking te wapenen.

Ditzelfde toch, wat we in het voorbeeld van dien jongen man eenigszins breedvoerig teekenden, komt ieder onzer schier elken dag voor, ook waar wij er het minst op verdacht zijn. Stel, er is iemand, die u niet zetten mag, zoodat ge licht geneigd zijt, om aan een ongunstigen dunk omtrent hem ingang in uw hart te geven. Nu bestrijdt ge dat. Ge weet het mag niet. Zelfs uw vijand zult ge liefhebben. Maar onderwijl wordt er aangescheld, en er dient zich iemand aan, die tegen dien man, die u haat, zelf geprikkeld is. Geen twijfel dan, of er staat u een verzoeking te wachten. De bezoeker zal uw eigen wrevel komen prikkelen, en den man, die u beiden te na kwam, in ng ongunstiger daglicht pogen te plaatsen. De nauwlijks onderdrukte wrevel zal dan nieuw voedsel ontvangen. Ge zult geestelijk verzwakt worden; ge zult toegeven aan wat ge weet dat zonde is, en straks aan uw eigen hart bespeuren, dat ge de liefde verzaakt hebt en u door achterklap hebt laten verlokken en bekoren. Hoe staat ge nu voor en bij zulk een verzoeking? Natuurlijk is ook hier iets in, dat u streelt, dat u aantrekt en aangenaam is. Maar als ge nu Gods kind zijt, dan bidt ge ijlings uw schietgebed, en vraagt: Heere, leid mij niet in verzoeking, en als de verzoeking komen moet, o, verlos mij dan van den Booze. Zoo is het met alle verzoeking. Met de verzoeking van drift en hoogheid, van wrevel en wraakzucht, van oneerlijkheid en zinlijkheid. Altoos is er aan de verzoeking een kant die uw zondig hart toespreekt, en u daarom de verzoeking eer doet begeeren dan wegwenschen. Van nature staan we daarom tegen de verzoeking niet vijandig over, maar |563| loopen er eer zelf en willig in; en het is niets dan genade, zoo ge staande voor de verzoeking, en meenende dat ze naderende is, in oprechtheid en meenens bidt: Leid mij er niet in. Want natuurlijk, het is niet genoeg die woorden over uw lippen te brengen, maar het hart moet er in meegaan. Het moet een gebed uit uw ziel, een gebed uit het binnenste uws gemoeds zijn, en juist om zoo te kunnen bidden, moet eerst de wil in u overgebogen worden. Eer ge zoo bidden kunt, moet ge in het verborgen uws gemoeds over de verzoeking hebben getriomfeerd.


In dezen zin nu kunnen de verzoekingen een gewoon en buitengewoon karakter dragen. De gewone verzoekingen zijn de gewone ontmoetingen des dagelijkschen levens, die een samenspanning tusschen de zondige verlokselen buiten ons en de inwonende zonde in ons, teweegbrengen. Die verzoekingen zouden alleen kunnen gespaard worden, als we uit deze wereld uitgingen; want zelfs het zich opsluiten binnen de kloosterrnuren helpt hier niets tegen. Overal gaat zulk een verzoeking me. Dit nu is Gods bestel. Hij heeft het zoo gewild, dat zijn wedergeboren en bekeerde kinderen midden in deze wereld hun weg zouden vervolgen, aan allerlei verleiding zouden zijn blootgesteld, en dat ze juist tegenover deze verleiding de kracht des geloofs openbaren zouden. Te dien opzichte nu is het aan Gods kind gezet, de verleiding te mijden en te ontvlieden overal en altijd waar dit zonder verzaking van plicht geschieden kan, en de ouders en voogden zijn gehouden om al degenen die aan hun zorgen zijn toevertrouwd, van de verleiding af te houden. Vooral de Calvinisten drongen hier steeds sterk op aan. Ze wilden dat we de wereld niet zoeken, maar ontwijken zouden, en in eigen kring voor onszelven en voor onze kinderen een Godzalig leven zouden ontsluiten. Wie dezen regel verzaakt, zoekt de verzoeking, en wordt er niet door God ingeleid, maar gaat er zelf in, en leidt er zijn kinderen in. Maar ook waar deze afscheiding van de wereld naar Christenplicht in praktijk wordt gebracht, komen we toch elken dag en op elk terrein des levens in allerlei moeilijkheid, worden we voor allerlei keus tusschen plicht en lust geplaatst, en is de verlokking tot allerlei zonde steeds aanwezig. En voor zoover nu deze strijd en deze worsteling ons overkomt naar Gods bestel en voortvloeit uit de omgeving waarin Hij ons geplaatst en uit de omstandigheden waarin Hij ons gebracht heeft, moet erkend en beleden, dat God de Heere ons in deze verzoeking inleidt. De bede: Leid ons niet in verzoeking, moet dus volstrekt niet alleen gekeerd tegen buitengewone verzoekingen tot buitengewone zonde, maar ook wel terdege tegen de gewone verleiding van het dagelijksch leven. Ook daarin moet ons geloof geoefend, moet de kracht |564| onzes geloofs geopenbaard en gesterkt worden, en moet, mede door de verzoeking, Gods naam worden verheerlijkt.


Dit neemt echter niet weg, dat er wel terdege ook buitengewone verzoekingen zijn, en wel van drierlei aard: de verzoeking van het kruis, de verzoeking van den Mammon, en de verzoeking tot buitengewone zonde.

Over de eerste buitengewone verzoeking van het Kruis zijn de brieven der apostelen vol. Het waren toen de dagen der vervolging. De pas opgestane Kerken, zonder historisch verleden, zoo pas uit de wereld verzameld, werden heftig en fel van alle zijden bestookt, ja het werd toegelegd op haar ondergang. Dit nu was voor de eenvoudigen en geringen, die toen de Kerk uitmaakten, een zeer zware verzoeking, om af te vallen van hun geloof en den Christus te verzaken; en men weet, helaas, maar al te zeer, hoe in die eerste eeuwen, ja, ook geheel een reeks van martelaren en martelaressen hun belijdenis met hun bloed bezegeld hebben, maar hoe toch ook duizenden bij duizenden in de zonde van Petrus vielen, en hun Heiland verloochend hebben. Die verzoeking van het Kruis nu heeft zich telkens in den loop der eeuwen herhaald, en ook onze euw heeft het keer op keer gezien, hoe smaad en dreiging vele lieve broederen wankelen deden en achteruitgaan.

Doch ook afgescheiden van dezen bepaalden aanval op het geloof, heeft ook het lijden der wereld, heeft bange tegenspoed, hebben bittere verliezen van man of vrouw of kind, en zooveel meer, niet zelden de noodlottige uitwerking, dat ze het geloof aantasten, aan Gods liefde vertwijfelen doen, en het hart verbitteren, in stee van het te verbeteren. Te zeggen, dat lijden heiligt, is juist, mits men er bijvoege door bijkomende genade. Want faalt het aan die genade, en wordt de arme worstelaar in zijn bitter leed aan zichzelven overgelaten, dan verheft het lijden niet, maar drukt neer, maakt stom en morrend, en zet maar al te vaak wrevel in het hart tegen Hem, door wiens hand ons al deze dingen overkomen. En daarom is het bij alle smart en droefenis, bij alle leed en alle kruis dat ons overkomt, zoo dringend noodig, dat we helder inzien, welke verzoeking hier voor onze ziel ligt, en God aanroepen, of Hij in deze verzoeking ons moge staande houden.

De tweede buitengewone verzoeking ligt in den Mammon, of wel meer in algemeenen zin in bijzonderen voorspoed. Als men rijk wordt, en klimt in macht en invloed, en van een kleine die men was, gaat meetellen en meerekenen onder de grooten der aarde, ligt n in dat geld n in dien voorspoed een ongemeen sterke verzoeking, om te gaan aanzien wat voor |565| oogen is, en af te gaan van onzen God. Niet dat men daarom aanstonds tot openbaren afval komt. o, Neen, dat niet. Maar het hart verliest het besef van zijn onmacht en onwaardigheid. Wij worden te groot en God te klein in onze schatting. Zelfverheffing loert aan de deur van ons hart. Hoogheid en trots zoeken bij ons in te dringen, en de stille gezindheden van nederigheid en ootmoed vluchten van ons weg. En daarom is het zoo noodzakelijk, dat men ook in den dag van voorspoed zijn God aanroepe, of Hij den voorspoed en dat geluk ons niet tot een vloek doe worden, en of Hij zelf, bij al wat Hij ons schonk, toch blijve in leven en in sterven ons hoogste goed.

En hierbij komen dan nog in de derde plaats die buitengewone verzoekingen, die ontstaan doordat God ons tijdelijk zijn genade onttrekt, en dat juist op oogenblikken, waarin we aan groote verleiding tot aanmerkelijke zonde blootstaan. Dat God ons verlaat, heeft dan meestal zijn oorzaak in vroegere zonde, zoodat God de Heere, door ons zijn genade te onttrekken, ons leeren wil, zijn genade weer op beteren prijs te schatten. Ge ziet dit aan David, ge ziet het aan Petrus. Ge zaagt het wel in uw eigen omgeving onder de kinderen Gods. Ge hebt het wel ervaren in uw eigen leven. Dan ontbloot de Heere God u. Om u uw zorgeloosheid tot zonde te doen worden, laat Hij u een tijdlang aan uzelven over, ten einde proefondervindelijk te toonen, hoe ge buiten Hem nog midden in den dood ligt, en zonder zijn genade een gereede prooi van zonde en verderf wordt. En daarom is het zoo noodig, dat Gods kind, zoodra zulk een toestand van geestelijke verlatenheid intreedt, niet voortholle in zijn eigen kracht, maar aanstonds zijn toevlucht met hartelijk smeeken en roepen, tot zijn God neme, en nimmer aflate nbch ruste, eer hij zijn God heeft weergevonden, opdat hij, ook al moet hij door verleiding en verzoeking heen zijn weg vervolgen, er niet inga zonder de gemeenschap zijns Gods.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001