Zondagsafdeeling LII.

Vraag 127. Welke is de zesde bede?

Antwoord. Leid ons niet in verzoeking maar verlos ons van den booze. Dat is: Dewijl wij van ons zelven alzoo zwak zijn, dat wij niet n oogenblik kunnen bestaan, en daartoe onze doodvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vleesch, niet ophouden ons aan te vechten: wil ons toch behouden en sterken door de kracht uws Heiligen Geestes, opdat wij in dezen geestelijken strijd niet onderliggen, maar altijd sterken wederstand doen, totdat wij eindelijk ten eenenmale de overhand behouden.

Vraag 128. Hoe besluit gij uw gebed?

Antwoord. Want Uw is het koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Dat is: Zulk alles bidden wij van U daarom, dat Gij, als onze Koning en aller dingen machtig, ons alles goeds te geven den wil en het vermogen hebt, en dat alles, opdat daardoor, niet wij, maar Uw heilige name eeuwiglijk geprezen worde.

Vraag 129. Wat beduidt het woord: Amen?

Antwoord. Amen, dat is te zeggen: het zal waar en zeker zijn. Want mijn gebed is veel zekerder van God verhoord, dan ik in mijn harte gevoele, dat ik zulks van Hem begeere.


*

Eerste hoofdstuk.

Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij zelf verzoekt niemand.

Jac. 1 : 13.


Van niet-Gereformeerde zijde heeft men vaak beproefd, de zesde bede in tween te splitsen. Men nam dan zeven beden aan, eerst drie voor ’s Heeren glorie, dan midden in ne bede voor onze aardsche nooden, en ten slotte drie beden voor onze geestelijke behoeften. Vooral het voorbeeld van Augustinus schonk aan deze indeeling in breeder kring ingang, en nog zijn er onder de Luthersche godgeleerden meerderen, die deze indeeling volgen. Calvijn daarentegen en, op zijn voetspoor, schier alle |552| Gereformeerde godgeleerden, kozen voor de indeeling in zes beden, die ook wij aanbevelen; en zonder overdrijving mag gezegd, dat de jongere uitlegkunde ook op dit punt al meer ons, Gereformeerden, in het gevlei komt. Voor ons ligt het afdoende bewijs tegen elke splitsing van de zesde bede in tweerlei. Vooreerst hierin, dat de twee geledingen van deze bede verbonden zijn door het woordeke „maar.” Een nieuwe bede zou f zonder voegwoord staan, gelijk alle vorige, f indien deze bede, als zijnde de laatste een voegwoord eischte, zou het slot niet door maar, maar door en aan het voorafgaande moeten verbonden zijn. En ten andere staat de eenheid van de zesde bede voor ons vast, omdat niet alleen de zesde, maar ook de vijfde bede, gelijk we zagen, niet n, maar twee geledingen heeft, iets, wat uit den aard van deze twee beden, als gericht op het onderwerpelijke zielsheil, voortvloeit. De bijvoeging: „maar verlos ons van den Booze”, is dan ook niets dan een uitvloeisel uit de overweging, dat het Gode toch believen kon ns in verzoeking te leiden, en het is die gedachte, die doet roepen, om alsdan „van den Booze” verlost te worden. Gelijk Jezus in Gethseman bad: „Vader, laat dezen drinkbeker van mij voorbijgaan,” maar er bijvoegde: „tenzij dan dat ik hem drinke,” zoo ook bidt hier Gods kind: „Vader, laat de verzoeking Van mij voorbijgaan,” maar voegt er bij: „indien het uw wil is, er mij in te leiden, laat mij dan niet over aan mijn eigen machteloosheid, maar verlos, mij dan van den Booze.” Het is alzoo ne gedachte, n zielsnood, ne toevluchtneming, en dies kunnen het niet twee beden zijn.

Gelijk men weet, worden de woorden: „Verlos ons van den Booze,” o.m. op Luthers voetspoor, nog steeds door velen vertaald: „Verlos ons van het booze,” en dus niet op den Duivel toegepast. Bij Luther althans geschiedde dit niet, omdat hij niet aan de inwerking van Satan geloofd zou hebben. Dat deed Luther alleszins. Maar overmits in den grondtekst de woorden zelve niet uitwijzen, of men aan het booze in het onzijdig, of aan den Booze in het manlijk heeft te denken, koos Luther, en kozen velen met hem voor het onzijdige geslacht, omdat ze achtten, dat uit de woorden: „Leid ons niet in verzoeking” genoegzaam bleek, dat hier van geen Satanische verzoeking, maar van een verzoeking van Gods zijde sprake was. Toch was dit, gelijk ons nader blijken zal, verkeerd gezien, en onze Gereformeerde godgeleerden hebben ook hier de juiste vertaling geleverd, door over te zetten: „Maar verlos ons van den Booze.” Immers ook de Satanische verzoeking is niet een verzoeking, die ons buiten Gods bestel overkomt. Zijn Goddelijke raadslag gaat over alles. Ook als Satan ons verzoekt, is en blijft Satan een instrument des Heeren. En omgekeerd, in verzoekingen van minder rechtstreeks Satanischen aard, komt toch de |553| prikkel tot het kwaad nooit van God, maar altoos van Satan, zij het dan ook meer zijdelings. In het Onze Vader, waarin het hoogste geestelijke standpunt wordt ingenomen, ziet daarom de bidder over alle tusschenschakels heen, en ontdekt wel terdege Satan, als den boozen vijand, die achter alles loert, om, kon het, hem ten val te brengen. We houden ons daarom niet alleen aan de eenheid der zesde bede, maar ook aan de onder ons gangbare vertaling: „Van den Booze,” als o.i. alleen juist.


Na deze voorafgaande opmerking komen we thans tot de bede zelve, en betreden hiermede dat in donkerheid gehulde terrein, waarop de mysterin der zonde verscholen liggen. En dan zij al aanstonds opgemerkt, dat men in deze zesde bede het woord „verzoeking” te nemen heeft in zijn meest eigenlijken zin. Het komt in de Heilige Schrift ook in minder eigenlijken zin voor, zoodat het bijna gelijk staat met beproeving. Dit is met name het geval, waar er sprake van is, dat de mensch God verzoekt. Als toch de mensch zijn God verzoekt, heeft dit niet ten doel, om God over te halen of te verlokken tot iets, dat zondig zijn zou; maar uitsluitend, om te zien, of God wel waarlijk die Almachtige is, gelijk Hij zich zelven geopenbaard heeft. Meest komt dit voor in den zin, dat men zich roekeloos in eenig gevaar begeeft, en alsnu van God eischt, dat Hij met zijn wondermacht tusschenbeide kome, om ons uit te helpen. Het duidelijkste blijkt dat uit wat Jezus aan Satan antwoordde in de woestijn. Satan zei tot Jezus: Werp uzelven van de tinne des tempels nederwaarts; gij immers, als Gods Zoon, kunt dit veilig doen. Gij toch weet, dat uw God u niet zal laten omkomen, maar met zijn wondermacht u redden zal. En hierop nu antwoordt Jezus: „Neen, Satan, want daar staat geschreven: „Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken.” Om van het dak van een huis, of van de tinne des tempels naar beneden te komen, is de gewone weg der middelen aangewezen. Men daalt dan de trap af. Veracht nu iemand den weg der middelen, en begeeft hij zich eigenwillig en roekeloos, zonder de minste noodzaak, in gevaar, hetzij met het doel, hetzij er op rekenende, dat God hem, omdat hij zijn kind is, of zijn dienstknecht, wel zal moeten redden door een betoon van zijn wondermacht, dan verzoekt men den Heere. Het sterkst grijpt dit plaats als men opzettelijk den weg der middelen verwaarloost, en het er op waagt, om nu eens te zien, of God de Heere wel waarlijk die Almachtige redder van zijn volk of van zijn kind is. Al zulk verzoeken toch is f een dwingen van God, f een bewijs van ongeloof. Wie waarlijk gelooft dat God de Heere de Almachtige is, zal nooit een opzettelijke poging aanwenden, om dit eens door God zelven te laten bewijzen. De overlegging is dan ook meestal deze, dat men in zijn hart eigenlijk niet gelooft, maar zich nu |554| bereid verklaart, om in Gods almacht te gaan gelooven, indien God ons ten genoegen het bewijs levert, dat Hij waarlijk de Almachtige is. Maar evengoed als uit ongeloof kan dit verzoeken van den Heere ook voortkomen uit dusgenaamd overgeloof. Dit spruit meestal voort uit een verwarring van de bedeelingen der genade. Er is in oude dagen een bijzondere bedeeling van genade geweest, toen God de Heere gedurig met zijn wondermacht tusschenbeide trad, om zijn heil in de wereld te doen uitgaan. Deze bijzondere bedeeling heeft geduurd van de dagen van het paradijs af, tot op het wegsterven van ’s Heeren Apostelen. Daarna hield deze bijzondere bedeeling van Gods wondermacht op, en ze zal eerst weer ontsloten worden, als de Christus wederkomt op de wolken, om het rijk der heerlijkheid te doen ingaan. In de dagen waarin wij leven bestaat dus die bedeeling van Gods wondermacht niet. Wel gaan de geestelijke wonderen van wedergeboorte en bekeering van de ziel door, maar de uitwendige, stoffelijke wonderen hebben opgehouden. Hierin nu was en is de Heere vrijmachtig. Hij betoonde zijn wondermacht juist zoolang als dit voor de uitvoering van zijn Raad noodig was. Hij zal die wondermacht nogmaals betoonen, als zijn Raadslag zijn voleinding tegengaat. Maar thans houdt Hij die in, en is het zijn bestel en raadslag, ons te laten wandelen in den gewonen weg der middelen.

Doch hiertegen komt nu het overgeloof in verzet. Het wil zich aan die ordinantie Gods niet onderwerpen. Het ziet niet in, waarom God de Heere zijn wondermacht ook niet te onzen behoeve zou kunnen betoonen. En nu men ziet dat God dat niet doet, nu wil men God hier toe dwingen en noodzaken. Men zet dan de middelen op zij, tart en trotseert het gevaar, en acht dat God de Heere, als wij het gevaar maar aandurven, wel zijn voornemen zal moeten wijzigen, en nogmaals ons ten behoeve zijn wondermacht zal moeten hernieuwen. Zulk overgeloof is dus niets anders, dan dat wij weigeren ons aan Gods bestel te onderwerpen, en dat wij in plaats van te volgen waar de Heere ons leidt, zelven de teugels in handen willen nemen, eigendunkelijk onzen weg willen gaan, er op rekenende, dat God dan wel zal moeten toegeven, en ter wille van de eere zijns Naams wel tusschenbeide zal moeten treden. Natuurlijk doet de Heere dat dan niet. En als nu de uitkomst niet aan de hooggespannen verwachting van het overgeloof beantwoordt, dan slaat het overgeloof opeens in ongeloof om, en geeft nu aanleiding dat Gods Naam bij wie buiten staan, en deze dingen niet begrijpen, gelasterd wordt. De wereld zegt dan: Zie nu, hoe beschaamd ge met uw geloof uitkomt. Die almacht, die gij in uw God vereert, bestaat niet. Nog bij het kruis riep het spottend volk: „Indien gij de Zoon Gods zijt, zoo kom af van het kruis,” maar Jezus verroerde zich |555| niet. Gods bestel en beschikking was het leven zijner ziele, ook toen Hij te sterven hing. Hij kon ook toen bidden, en zijn Vader zou Hem meer dan twaalf legioenen engelen hebben gezonden. Maar Hij wilde niet. Geen gebed van een ongehoorzaam overgeloof kwam over zijn lippen.


Zooveel over het verzoeken van God door ons, waarbij op zichzelf natuurlijk geen sprake is van verzoeken tot iets kwaads. Doch ook als er in de Heilige Schrift gesproken wordt van het verzoeken dat van Gods wege naar ons uitgaat, heeft dit verzoeken lang niet altoos een booze beteekenis, maar staat niet zelden volkomen gelijk met: beproeven. Het duidelijkst blijkt dit uit Exod. XX : 20, waar Mozes tot Isral zegt: „Uw God is gekomen opdat Hij u verzocht, en opdat zijn vreeze voor uw aangezicht zou zijn, opdat gij niet zondigt.” Niet dus een verzoeken, om in zonde te leiden, maar omgekeerd en integendeel om van zonde af te houden. En vraagt men, wat zulk een verzoeking van Gods zijde dan in dezen min eigenlijken zin bedoelde, dan vindt ge het antwoord in Deut. XIII : 3: „De Heere uw God verzoekt u, om te weten, of gij den Heere uwen God liefhebt met uw gansche hart en met uw gansche ziel”. Het staat hier zoo duidelijk mogelijk, dat het doel van deze verzoeking niet is om in zonde te leiden, maar uitsluitend, om te doen blijken, hoe het in uw hart tegenover uw God staat; iets wat geheel nerkomt op wat wij, thans beproeven noemen. Het ware dan ook metterdaad duidelijker geweest, en zou menig misverstand hebben afgesneden, indien onze overzetters in al zulke gevallen, niet het woord verzoeking, maar het woord beproeving gebezigd hadden. Dat dit niet geschied is, kwam daar vandaan, dat in de zeventiende eeuw het woord verzoeken en verzoeking nog veelszins den zin van beproeving had. Thans is dit niet meer het geval. Een onderzoek, om te ontdekken hoe het in iemands hart gelegen is, noemen wij thans uitsluitend: iemand beproeven; en omgekeerd heeft de uitdrukking: iemand verzoeken thans zeer bepaaldelijk de beteekenis van iemand inleiden in iets, dat voor hem een oorzaak van zonde kan worden.


Vraagt men nu, in welken zin het woord verzoeking in de zesde bede gebezigd is, dan lijdt het geen twijfel, dat hier wel waarlijk een verzoeking in eigenlijken zin is bedoeld, en dat hier niet mag gedacht worden aan eenvoudige beproeving. De woorden die er op volgen: Maar, leidt Gij er mij toch in, verlos mij dan toch van den Booze, — laten dienaangaande niet wel twijfel over en schier alle uitleggers stemmen dan ook toe, dat verzoeking hier zoo te verstaan is, dat een gevaar om te zondigen door God over ons gebracht wordt. Hieruit te willen afleiden, dat derhalve God |556| ons tot zonde aanzette of prikkelde, is een gansch goddelooze gedachte, die rechtstreeks weersproken wordt door zijn heiligheid, en geen oogenblik stand kan houden voor het woord van den Apostel: „Niemand als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht, want God kan niet verzocht worden van het kwade, en Hij zelf verzoekt niemand; maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende, baart zonde, en de zonde voleindigd zijnde, baart den dood” (Jac. I : 13-15). Dit punt blijft dus buiten geschil. Wie God op eenigerlei wijs tot een „auteur der zonde” maakt, verlaat het pad der Godsvrucht en gaat in tegen zijn heilig Woord.

Toch gaat het niet aan, deswege het geestelijk feit, dat God de Heere de zijnen opzettelijk in verzoeking leidt, uit deze bede weg te cijferen. Men mag niet zeggen, dat God geacht wordt de verzoeking alleen toe te laten, want zelf inleiden is heel iets anders dan toelaten dat een ander er ons inleidt. En ook mag de zin van deze bede niet verzwakt door te zeggen, dat God er ons wel inleidt, maar niet doorleidt, en er nooit ten einde toe inbrengt; want de eenvoudige zin der woorden: „Leid ons niet in verzoeking,” wijst er klaarlijk op, dat God de Heere hier de handelende persoon is, die zijn volk en zijn kinderen in de verzoeking inbrengt. Het gebeurde in de woestijn snijdt hier dan ook elken twijfel af. Jezus is verzocht van den Satan, niet overmits Satan dat zoo wilde, maar omdat God het alzoo besteld had, en er staat dan ook uitdrukkelijk bij, dat Hij „van den Heiligen Geest in de woestijn geleid werd, om verzocht te worden van den Satan” (Matth. IV : l). Ook het gebeurde in het paradijs is hier het eind van alle tegenspreking. Indien God de Heere den boom der kennisse des goeds en des kwaads niet in den hof van Eden geplant had, zouden Adam en Eva niet gevallen zijn. De plaatsing van den boom is een daad Gods geweest, en het is deze daad Gods die voor Adam en Eva, onder inwerking van Satans gefluister, tot een verzoeking, en in die verzoeking tot zonde, is geworden. Ge kunt dan ook de kracht van de zesde bede niet beter gevoelen, dan dat ge ze aan Adam voor zijn val op de lippen legt. Denkt ge u, dat Adam, bij het opkomen van het proefgebod gevoeld had, welk gevaar hiermee over hem kwam, dan zou hij in dat oogenblik zoo ten volle naar waarheid hebben kunnen bidden: „Heere leid mij en Eva niet in deze verzoeking, maar moet ze over ons komen, o, verlos ons dan van den Booze.”


Op dien grond gaan we niet mede met hen, die den vollen diepen zin van dit „leiden in verzoeking” ook maar eenigszins verzwakken willen, |557| alsof dit leiden in verzoeking niet in eigenlijken zin van God uitging. Zoo waarlijk als God Adam en Eva in de eerste verzoeking geleid heeft, zoo waarlijk heeft de Heilige Geest ook den Christus in de verzoeking der woestijn ingeleid, en worden ook nu nog Gods kinderen, en wordt Gods volk, door den Heere zelven in de verzoeking ingeleid. Wat alleen afgesneden is en blijft, is, dat dit leiden in de verzoeking van Gods wege nooit of nimmer geschiedt met de bedoeling om ons tot zonde te brengen, of om ons door verleiding tot zonde te verlokken. Dit was nooit het geval. Dit kan nooit zoo zijn. Dit te beweren zal altoos goddeloos blijven. Maar wel moet dit gezegd, dat het hoog en heilig doel, dat God met de verzoeking heeft, z ernstig door Hem gewild is, dat Hij ons de verzoeking niet spaart, ook al wist Hij, dat we in zonde vallen zouden. Ook dan echter is de zonde nooit gewild, maar alleen toegelaten, en het gewilde is niet de zonde, maar het hooge en heilige doel, dat God, in weerwil van de zonde, met deze verzoeking beoogt en er door bereikt. Petrus is zeer sterk door God in de verzoeking geleid, en deze verzoeking is niet weggenomen, ook al wist de Heere dat Petrus in de zonde der verloochening zou vallen, er in vallen zou tot drie malen toe. Alleen maar die verzoeking greep niet plaats, opdat hij vallen zou, maar opdat hij, mede door zijn val en door zijn wederoprichting uit dien val, zijn God verheerlijken zou. Petrus’ overmoed en overgeloof moest gebroken worden, zou hij in waarheid de leider zijner broederen, een voorbeeld voor heel de Kerk en een waarachtig en onwankelbaar getuige zijns Heeren kunnen zijn. Ook voor Paulus is de vervolging der gemeente een verzoeking geweest, en die verzoeking is hem niet gespaard, ook al wist de Heere, dat Paulus zich bezondigen zou. Maar het doel van die verzoeking was niet, dat hij vallen zou, maar integendeel dat hij, mede door dien val, tot dat diep besef van schuld en zonde zou komen, dat hem bekwamen zou om de Apostel der rechtvaardigmaking voor heel Jezus’ Kerk te worden. De vervolgingen die straks over de Kerk des Heeren gekomen zijn, waren ontzettend bange verzoekingen, en toch zijn deze aan de Kerk der drie eerste eeuwen niet gespaard, al wist de Heere zeer wel, hoe deze vervolgingen voor duizenden bij duizenden een oorzaak zouden worden tot afval van het geloof; maar ze overkwamen de Kerk niet, opdat deze duizenden af zouden vallen, maar integendeel opdat, in weerwil van dezen afval, de kracht des geloofs volkomenlijk op den brandstapel en in het worstelperk schitteren zou. Augustinus is in zijn jeugd door God in zware verzoekingen geleid, en hij heeft ontzettend gezondigd, maar toch overkwam deze verzoeking hem niet, opdat hij aldus zondigen zou, maar opdat integendeel Augustinus, door eigen val geleerd, een oorzaak van oprichting en heiligmaking voor |558| millioenen en millioenen na hem zou worden. En zoo nu ook weet een iegelijk kind van God wel van oogenblikken in zijn leven te spreken, dat hij in booze verzoeking is ingeleid, en in die verzoeking bezweken is, maar dat toch van achteren voor hem duidelijk bleek en het voor zijn zielsbesef vaststond, dat God er hem inleidde, niet opdat hij zondigen zou, maar veeleer opdat, in weerwil van deze zonde en onder de berouwvolle nawerking van die zonde, zijn ziel zich tot zijn God zou keeren, en hij zou aflaten van zijn eigendunkelijke wegen, om nu voortaan alleen door de hulpe zijns Gods staande te blijven, en alleen bij genade te leven. Dit is het wat de apostel Paulus roemt, „dat degenen die God liefhebben, alle dingen ten goede medewerken,” iets wat zeer zeker ook van de ervaringen van eigen schuld en zonde te verstaan is. Dan blijft onzer de schuld, en onzer is de zonde, maar de zielservaring: „Ik sloeg eer ik werd verdrukt den dwaalweg in,” brengt ons tot berouw en boete en verbrijzeling der ziele, en het is in deze verslagenheid des harten, dat het Gode dan belieft zijn genade uit te storten. De uitdrukking, dat God ons in verzoeking leidt, moet derhalve aldus verstaan worden, dat God de Heere door zijn voorzienig bestel de dingen soms z voor ons beschikt, dat we te staan komen tegenover verzoekingen, die ander niet voor ons zouden bestaan hebben, en nu, naar Gods beschikking, sterk en machtig op ons inwerken. Neigt dan het hart tot zonde, dan is dit de schuld van onze eigen begeerlijkheid, en is er dan geen toevlucht nemen tot de hulpe van Gods genade, dan is dit de schuld van ons eigen ongeloof. Maar, ook al heeft dit ten gevolge dat we bezwijken, doordien God ons verlaat en loslaat, zoo is toch het einde der zaak, dat God de Heere ons straks uit dien val met rijker zelfkennis en dieper kennisse van eigen zonde weer doet opstaan, opdat we nu voor Hem alleen en eeniglijk bij genade leven zouden.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001