Derde hoofdstuk.

Gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.

Matth. 6 : 12b.


We komen thans aan het slot van de vijfde bede.

Dat slot houdt in, dat we bidden om vergeving onzer schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren; een bijvoeging, die maar al te vaak mis werd verstaan, als bedoelde Jezus, dat wij, op grond van onze eigen vergevingsgezindheid, vergevingsgezindheid te onswaarts van de zijde des Heeren afsmeekten. De zin en bedoeling zou dan zijn, als bad Gods kind: „Gelijk ik mijn schuldenaren vergeef, vergeef Gij zoo ook mij.”

Dat dit nu de bedoeling van deze vijfde bede niet zijn kan, volgt uit geheel den inhoud der Heilige Schriftuur, die ons altoos en overal leert, dat we onze gebeden niet doen rusten op onze gerechtigheden, die geene zijn, maar eeniglijk op het zoenoffer van Christus en op de beloften Gods. De voorstelling, alsof onze eigen vergevingsgezindheid de grond zou zijn waarop wij de vergeving van onze schulden inriepen, werpt alzoo geheel de Schrift omver, vertreedt het bloed des Zoons van God, en hoort niet in de Christelijke Kerk thuis, maar bij haar vijanden. Op dit punt kan noch mag ook maar n oogenblik aarzeling bestaan. Twijfel is hier onmogelijk. Heel de Schrift zou men omver moeten werpen, om maar eenigermate aan deze onchristelijke gedachte ingang te geven. Ze moet uitgebannen, weersproken en weerstaan.

De Catechismus heeft deze tegen-Schrftuurlijke uitlegging van de vijfde bede dan ook bij den wortel afgesneden, toen hij ons deze uitlegging voorlei: „Alzoo ook wij dit getuigenis van uw genade in ons bevinden, dat ons gansche voornemen is, om onzen naaste van harte te vergeven.”

Dit nu is juist het tegenovergestelde van wat de eerste uitlegging wilde. De eerste uitlegging meende in den mensch zekeren grond te vinden, waarop onze bede om vergeving rusten zou, terwijl de Catechismus, juist omgekeerd, in het kind van God, dat alzoo bidt, niets anders vindt, dan een bewijs en merkteeken van Gods genade. Wel terdege is er dus, ook volgens den Catechismus, sprake van iets dat in het hart aanwezig is; maar, en hierin ligt al het verschil, hetgeen op zulk een oogenblik in het hart van Gods kind aanwezig is, was niet uit hem zelven opgekomen, maar door Gods genade, tegen zijn natuur in, in zijn hart ingebracht. Er is alzoo met dat zeggen: „gelijk wij vergeven onzen schuldenaren,” geen sprake hoegenaamd van eigen verdienste des menschen, noch ook van iets |545| dat uit onze natuur opkomt, maar integendeel van iets dat tegen onze natuur indruischt, uit ons nooit zou zijn opgekomen maar als een werk van Gods genade aan ons zelven in ons eigen hart openbaar wordt.

De zaak is dus volkomen duidelijk en helder.

Van nature zijt gij geneigd om uw vijand, uw schuldenaar niet te minnen, maar te haten, en hem zijn schuld niet te vergeven, maar te houden. Thans echter ontdekt ge in uw hart een andere stemming des geestes. Die haat, die nijd, die wrevel, die tegenzin tegen uw schuldenaar is uit uw hart verdwenen, en in plaats daarvan, ontwaart ge in uw binnenste een zachter zin, een genegenheid te hemwaarts, een zucht en verlangen, om hem zijn schuld niet te houden en toe te rekenen, maar kwijt te schelden en te vergeven. En zulks wel, want dit komt er bij, niet uit minachting tegen zijn persoon, als dacht ge: „Hij is niet wijzer,” „hij is niet toerekenbaar,” „hij staat te laag dan dat ik mij boos tegen hem zou maken,” want al zulk vergeven is uit den duivel. Dan zwelt het hart van hoogmoed, verheft zich van trots, en prikkelt eigen zelfbehagen door de booze gedachte, dat wraak en nijd eigenlijk beneden de eere van ons karakter zijn, en dat we deswege van uit de hoogte onzer zelfverheffing vergoelijkend, laatdunkend en vergevend op hem neerzien. Op die wijs vergaveri ook de heidenen, en vergeven thans nog duizenden bij duizenden onder de lieden die God niet kennen. Een vergeven uit zelfzucht en trots. — En ook is niet bedoeld, een vergeven uit onaandoenlijkheid, uit onverschilligheid, uit lauwheid van zin en hart, dat ge bij u zelven denkt: „Wat zou ik mij dat nu aantrekken; laat hij doen wat hij wil; ik stoor er mij niet aan; mij glijdt dat alles langs de koude kleeren af.” Want wel is er een overgevoeligheid en prikkelbaarheid, die zich kinderachtig dwaas aanstelt, maar er is ook een onaandoenlijkheid, die uit niets anders dan uit gemis aan karakter en eerbesef voortkomt, en beide zijn even zondig. Jezus was in het minst niet onaandoenlijk. Hij gevoelde diep en fijn en teeder, en ook een kind van God wordt door de invloeden van den Heiligen Geest niet onverschillig gemaakt, maar juist in zijn gevoel verteederd en verfijnd. Als hier dus van „vergeving aan onze schuldenaren” sprake is, doelt deze betuiging op werkelijke schuld, waarin een ander tegenover ons staat, dan is hier sprake van wezenlijke beleediging, van een hoon en kwaad ons aangedaan, waartegen ons hart van nature in opstand kwam, waarbij we geneigd waren te haten en naar wraak te dorsten, en waarvan we nu toch van achteren ontwaren, dat het ons niet tot nijd aanzet, dat het ons niet in onze nieren prikkelt, dat het ons niet bitter stemt noch verlokt tot booze woorden, maar dat het, hoe diep we het ook gevoelden, toch buiten |546| staat bleek om den vrede van ons hart te storen, of de liefde voor den naaste te verkoelen.

Hierin ontdekt Gods kind dan een werk Gods in zijn eigen hart. Dit is niet uit hein zelven, maar uit den Heiligen Geest. Die stemming was hem niet van nature eigen, maar is, tegen zijn natuur in, door genade in hem teweeggebracht. Zijn zin om te vergeven is niet geveinsd, maar oprecht. Het is een werk niet van de lippen, maar van het hart. Hij haat zijn vijand niet, maar heeft hem lief. Hij zegent den man die hem vervloekt. Hij doet wel dengene die hem haatte. En dit alles gaat zoo van zelf, zoo ongedwongen, zoo willig in hem toe, dat hij er zelf lust in heeft, er zich gelukkig in gevoelt en er zijn God voor dankt, dat zoo heilige, hemelsche stemming in zijn binnenste wonen mag. Hij kan het zoo in verrukking uitroepen: „Hoe rijk, hoe heerlijk toch, dat de prikkel van den haat er uit is, dat God mij van de boosheid van mijn hart heeft vrijgemaakt. o, Hoe zalig is het toch, als God ons zoo overrijk begenadigt, dat we waarlijk van harte kunnen vergeven!”

Dat kunnen en willen vergeven, en waarlijk van harte vergeven aan onze schuldenaren, is voor Gods kind dus niets anders dan een oorzaak van dank, een merkteeken van zijn kindschap, een bewijs van onloochenbare genade, die aan zijn hart geschied is. Hij merkt en ontwaart daaraan, dat hij niet buiten genade staat, maar genade ontvangen heeft, en dit nu geeft hem vrijmoedigheid, om als deelgenoot aan de verlossing, die in Christus Jezus is, nu ook bij zijn God te pleiten, dat mild en overvloedig de vrucht van Christus’ offerande aan zijn ziel moge bevestigd worden. Onze Vader, die in de hemelen zijt, vergeef ook ons onze schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren.


Toch is hiermee de diepe zin van deze heerlijke bede nog geenszins uitgeput. Er schuilt meer in. Immers niet enkel op het feit, dat God u genade bewees moet hier gelet, maar ook dient rekening gehouden met de stem, die van Godswege in dat werk der genade tot u uitgaat. Gij waart naar den beelde Gods geschapen. De zonde maakte dat beeld Gods in u onkenbaar. Doch zie, door de genade uws Gods leven nu de trekken van dat beeld weer in u op. En hoe openbaren nu de trekken van dat beeld zich? Hierin, niet waar, dat er voor haat liefde, dat er voor zucht om de schuld te houden, zin tot vergeving van schuld in u opkomt. Wat leert u dit nu? Maar immers dit, dat, als het beeld Gods in u verflauwt en weggaat, de haat opkomt en de wraakzucht u opzet; maar dat omgekeerd, als het beeld Gods in u terugkeert, en wer in u opwerkt, de haat plaats maakt voor teederheid, de wraakzucht voor zin om te vergeven. Zoo onderwijst dus de Heilige Geest in uw eigen hart, dat het |547| met de trekken van Gods beeld in u vloekt, zoo ge haat of uw vijand zijn schuld houdt, en dat het daarentegen met de trekken van Gods beeld in u overeenstemt, indien ge liefhebt en uw schuldenaren van harte vergeeft. En is dit nu zoo, wordt aldus hetgeen tegen Gods beeld vloekt en hetgeen niet Gods beeld overeenstemt, door den Heiligen Geest in uw eigen ziel onderscheiden, dan volgt hieruit immers, dat, overmits het beeld zijn trekken niet uit zich zelf, maar van zijn oorspronkelijk (origineel) heeft, ook in uw God niet de zucht en lust om de schuld te houden, maar de zin en het welbehagen om te vergeven is. De eigen zielservaring, dat we nu aan vergeven in plaats van aan het houden der schuld lust hebben, en zelf beseffen dat het zoo beter en heiliger en meer Gode welgevallig is, wordt ons alzoo een onderwijzing van den Heiligen Geest, die ons zegt, hoe ook in den Heere onzen God niet de toorn maar de liefde vooraanstaat, en dat de zin en lust om te vergeven spreekt in zijn Goddelijk hart. En dit nu zoo zijnde, geeft deze zielservaring ons vrijmoedigheid te meer, om ook voor ons zelven de vergeving onzes Gods in te roepen. Immers we kennen Hem dan als een God, die lankmoedig en groot van genade is, en gaarne vergeeft. De zin wordt dan: „Gelijk Gij, o God, in de omzetting mijner zielsgenegenheden U zelven aan mij ontdekt hebt, als een God, die lust aan vergeven heeft, zoo vergeef ook mij, arme zondaar, al mijn schuld en mijne zonden tegenover U.”

Dit worde echter niet zoo verstaan, alsof wij eerst uit die zielservaring den Heere onzen God als een verzoenend God leerden kennen. Dit is volstrekt niet het geval, en eer omgekeerd mag gezegd, dat we, zoo ons niets ten dienste stond dan onze zielservaring, nooit en nimmer tot de kennisse van God als een God die gaarne vergeeft, zouden gekomen zijn. Integendeel, naast die ne zielservaring zou dan altoos de andere gestaan hebben, dat Gods heiligheid ons verschrikte, en niet stille, heldere vrede, maar onrust en verwarring in ons binnenste zou geheerscht hebben. De zaak ligt dan ook heel anders. Eerst komt God in zijn Woord tot ons. Eerst openbaart Hij zich voorwerpelijk aan ons als een God die gaarne vergeeft, nochtans wrake doende over onze misdaden. Die tegenstelling tusschen zijn liefde en zijn wrake wordt eerst in het kruis van Golgotha in ons verzoend. En op grond van die verzoening gaat de eisch tot ons uit, dat, gelijk God ons vergeeft, wij dan ook vergeven zullen dien die tegen ons misdeed. Hierdoor wordt ons hart dan bewerkt. De stemming van onze ziel gaat door de inwerking van dat Kruis en dat Woord om. Alzoo eerst maakt de haat in ons voor liefde plaats, en eerst op die manier komen we er toe, om in de waarheid en van harte onzen schuldenaren te vergeven. Die beker der liefde smaakt dan goed en zoet. We drinken er telkens met voller |548| teugen uit. Allengs wordt het vergeven voor ons een vanzelfsheid. We voelen iets van een tweede natuur in ons. Het vergeven van onze schuldenaren wordt ons gewoon. En zijn we daaraan eenmaal toegekomen, dan, maar ook dan eerst, doet ons hart de rijke zielservaring op, dat God die gaarne vergeeft, ons naar zijn beeld weer omschept, en ons alzoo tot vergeven bekwaamd heeft. Er is dan het Woord buiten ons, en er zijn ook werkingen in ons. Die twee dekken en steunen elkar. En het het einde is, dat we met volle verzekerdheid, als onder het zegel des Heiligen Geestes aan den zin en den wil des Heeren, om ook ons te vergeven, gelooven. Dit vervrijmoedigt ons dan tot het gebed. De zekere wetenschap, dat God gaarne vergeeft, ontsluit ons de eerst toegeklemde lippen, en ten slotte stort in de bede: „Vergeef mij mijn schulden, gelijk ik mijn schuldenaren vergeven mag,” de bezwaarde ziel haar bede God uit.


Zoo echter voelt ge tevens, hoe hoog ons geestelijk leven moet staan, om waarlijk tot de hoogte van het Onze Vader, nu in zijn vollen rijkdom genoten, op te klimmen. Steekt ge toch de hand in eigen boezem, en raadpleegt ge uw omgeving, ook onder vrome Christenen, dan kunt ge, helaas, u de droeve waarheid niet verbergen, dat de genade en de macht om op zulk een wijs en in zulk een zin den schuldenaren te vergeven, nog, o, zoo zeldzaam is, en nog zoo weinig wordt gevonden. Als de schare der geloovigen saamkomt, en er duizend mannen en vrouwen in het huis des gebeds bijeen zijn, en het komt weer toe aan het allervolmaaktste gebed, is het zeer de vraag, of er onder die duizend ook maar honderd zijn, die waarlijk geacht kunnen worden tot die volkomene genade van van het vergeven aan hun schuldenaren gekomen te zijn. Het is zoo, God kent alleen het hart, en Hij alleen proeft onze nieren, maar toch, wie kan zijn oogen sluiten voor het droeve feit, dat er ook onder Christenen nog zoo veelszins bitterheid van taal en wrevel in den toon bestaat. Zelfs in het Christelijk huisgezin ontbreekt nog zoo veel. Beluister uw kinderen maar in hun kleine twisten, zie maar de verhouding tusschen man en vrouw, ook op de wederzijdsche verhouding tusschen de vrouw en haar dienstboden. Achterklap woelt onder ons niet zoo sterk als in andere kringen, maar ontbreekt hij daarom geheel? Ontwaart ge niet allerwegen sympathie en antipathie, dat de n den ander niet zetten kan? Naijver en benijding van den een op den ander, in allerlei beroep, om allerlei ambt, bij allerlei samenkomst. Zucht en lust om iemand steeds van zijn minst goede zijde voor te stellen, om vermoedens die tegen hem bestaan, te voeden, om een schilfer van zijn gaven, goeden naam te doen afspringen. Zelfs op kerkelijk gebied wat al |549| wantrouwen, wat soms scherpe woorden, wat onheilig vuur vaak in het oog. En nu noemden we nog het ergste niet. Want immers, wie in onze steden en dorpen geen vreemdeling is, weet maar al te goed hoe er nauwelijks iemand is, die niet hier of daar zijn vijand, zijn tegenstander, zijn tegenvoeter heeft; weet maar al te goed, hoe er bijna overal oudzeer uit het verleden ligt; hoe verouderde veeten soms jaren lang voortduren, en van ouders op kinderen overerven; en weet ook maar al te goed, hoe er elken nacht, als de zon is ondergegaan, en men zich ter ruste legt, in elke stad en in elk dorp in o, zoo menig menschelijk hart een booze macht van haat en nijd en wrevel en tegenzin mee naar bed gaat. Een wrevel die dan wel soms voor een wijle onder de asch bedolven wordt, maar toch onder die asch als een vonk voortsmeult, en slechts wacht op het zuchtje van den wind, om als de asch er straks afwaait, plotseling weer laaie uit te slaan. Schier elk gezin en elke familie en elke kerk en elke vereeniging weet er van te verhalen. Altegader tafereelen van onzen smaad en onze schande, die den Christennaam in opspraak brengen, en niet zelden zelfs het heilig Nachtmaal overleven.

En nu gevoelt toch een ieder, dat, wie er zoo in zijn hart aan toe staat, en dan toch maar aldoor bidt: „Vergeef mij mijne schulden, gelijk ik vergeef mijnen schuldenaren,” ook tegenover zijn God met een onverzoend hart slapen gaat, en zoo hij zich niet bekeert voor zijn sterven, met een onverzoend hart inslaapt voor eeuwig. Als ter waarschuwing, en ter nadere verklaring van het Onze Vader heeft Christus het in Matth. VI : 14 en VII : 1 en 2 er zoo nadrukkelijk bij gezegd: „Indien gij den menschen hun misdaden vergeeft zoo zal ook uw hemelsche Vader u vergeven. Maar indien gij den menschen hun misdaden niet vergeeft, zoo zal ook uw Vader die in de hemelen is, uwe misdaden niet vergeven. Met wat mate gij meet, zal u toegemeten worden. Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordet.” En toch die eenvoudige, klare, duidelijke uitspraken des Heeren, ze worden nog jaar aan jaar, ze worden nog dag aan dag, ze worden nog uur aan uur met voeten getreden, en telkens stuit ge zelfs in de beste kringen nog op onwil om van harte te vergeven, op lust en neiging om iemand wat hij ons misdeed betaald te zetten, en op alle manier te toonen, dat ons hart hem zijn schuld houdt. Zoo diep zelfs zijn we in dit opzicht gezonken, dat het bijna spreekwoordelijk is geworden, hoe juist Christenen elkaar plukharen en bitter bejegenen kunnen. Nu verstaan we dit wel en gevoelen zeer goed, hoe juist de zucht om de waarheid, om het recht onzes Gods te handhaven, er zich dan inmengt, en Jezus’ eigen voorbeeld tegenover de Pharizen, en Paulus’ optreden tegenover de ketters dier dagen, toont genoegzaam, dat onaandoenlijkheid en onverschilligheid |550| in het heilige waarlijk niet zijn uit Hem die ons roept. In dat pal staan tegenover elkander ligt dan ook het kwaad niet, dat kan veeleer plicht wezen. Het kwaad schuilt alleen in de wijze waarop men dan te werk gaat. Want let er wel op, de vergeving aan onze schuldenaren is allerminst tot de broederen beperkt, maar algemeen. Het moet een liefhebben zelfs van al onze vijanden zijn. Ook al is het dus, dat ge tot de droeve overtuiging komt, dat het geen broeder was, dien ge lange jaren voor een broeder aanzaagt, dit heft daarom den plicht tot vergeven niet op. Ook wie niet uw broeder is, moet in uw hart geen haat, maar welwillendheid ontmoeten. En zoo we desniettemin ons zelf tegenover broeders in woorden misgaan, wordt het kwaad zelfs nog erger.

Nu zijn er ook onder de kinderen Gods, die bij het heilig Avondmaal tot staan komen. Met een onverzoend hart opgaan ten Avondmaal durft slechts een enkele, die zeer verhard van hart is. Meestal echter komt dit niet voor. Komt het aan het heilig Avondmaal toe, dan bedenkt men zich, en blijft of weg, d.w.z. volhardt in zijn kwaad, en derft liever den zegen van het Avondmaal dan dat men zijn boosheid uit de ziele weg zou doen, of men komt tot inkeer, verzoent zich eerst met zijn broederen, en gaat dan op naar den heiligen Disch. Toch is ook dit laatste nog niet naar den eisch des heiligdoms, en niet naar Jezus’ wil. Onze Heiland, die stierf voor onze zonden, en in wien wij de vergeving hebben door zijn bloed, heeft gewild, dat nooit de zon zou ondergaan over onzen toorn. Daarom gaf Hij ons het Onze Vader als een dagelijksch gebed, als een gebed om alle dagen te bidden, en in dit heerlijk gebed een prikkel, om onverwijld, om zonder toeven, om nog eer de nacht inging, onzen schuldenaren van harte te vergeven. Dat nu zoo velen dag aan dag laten voorbijgaan, zonder dat ze het Onze Vader bidden, is niet n der minste oorzaken, waardoor zooveel bitterheid en haat en onverzoendheid voort blijft woekeren, en wie onder Gods kinderen den wille Gods wil doen, en den vrede zijner ziel liefheeft, zal wel doen, met terug te keeren tot paden van gehoorzaamheid, en nooit in te sluimeren zonder dat hij ook dit voor zijn God betuigd heeft: Gelijk ik vergeef mijnen schuldenaren.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001