Tweede hoofdstuk.

Mijne zonde maakte ik U bekend, en mijne ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere; en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde.

Psalm 32 : 5.


Een gedurig gebed om de vergeving onzer zonden blijft dan, gelijk we zagen, tot aan onzen dood toe geboden en noodzakelijk.

Dit nu geldt in drieŽrlei opzicht.

Tot aan onzen dood toe moet gebeden, ten eerste om de vergeving |537| onzer zonden als zoodanig. In de tweede plaats om de vergeving van de smetten en vlekken, die elken dag opnieuw ons voor Gods aangezicht ontsierden. En in de derde plaats om de vergeving van de boosheid, die ons in ons wezen tot op onzen dood toe aanhangt.

Het is zoo, in een oogenblik dat uw geloof volkomen is, houdt elk gebed om vergeving van zonden op. Dan is er geen gebed meer, maar enkel dankzegging en jubel. Maar in wien is het geloof volkomen? Zůů volkomen, dat het getuigenis van de volkomen vergeving uwer zonden in het bloed des Lams met volkomen klaarheid en vastheid in uw binnenste u door den Heiligen Geest geschonken wordt. Dat er oogenblikken van zulk een helder en onwrikbaar geloof voorkomen, ontkennen we daarom niet, maar ze zijn zeldzaam. Zůů te gelooven is niet de doorgaande toestand onzer ziele. Daar vallen we telkens weer uit. En om dan in dien zaligen toestand weer in te komen, is er geen andere weg, dan dat het hart in ons weer verbroken, en de geest in ons weer verbrijzeld worde. Juist de belijdenis van uw schuld, telkens hernieuwd en herhaald, is alzoo de weg, om uit uw klein geloof weer tot vast geloof te komen, en de bede om vergeving is het van God geboden middel, dat u dien weg ontsluit. Ge zult het, zoo ge wel bidt, dan ook ervaren, dat juist die gestadige verootmoediging voor het aangezicht des Heeren u uit uw geloofloozen of kleingeloovigen toestand weer redt en uithelpt, en u weer opvoert tot die vaste hoogte des geloofs, waarop de dankzegging voor wat ge in Christus bezit u als vanzelf weer op de lippen komt.

Op niets dan op het geloof, op het weer vastmaken van uw geloof, op het weer indringen in het rijk bezit van uw geloof, komt het dus aan. Hieruit nu raakt ge gedurig uit ťn door het weer terugzinken in uw zondige positie en door uw zondige gedachten, woorden en daden, ťn door de inwonende zonde. En dienvolgens nu is het, dat ge juist door in dit drieŽrlei opzicht u weer voor uw God te verootmoedigen, en met het oog op die drieŽrlei zonde weer zijn genadige vergeving in te roepen, u herstelt in uw geloofsbezit, en alzoo tot dank wordt uitgedreven.


Het gebed om vergeving van zonden staat dan ook in nauw verband met uw toetreding tot het heilig Avondmaal. Wie thuis is in zijn Avondmaalsformulier, en in den geest en zin van dat overschoone formulier keer op keer bij brood en beker zijn ziel verlustigen mocht, weet hoe de Liturgie der Gereformeerde kerken de kracht van het heilig Avondmaal juist daarin zoekt, dat we ons te voren recht beproeven. En deze beproeving nu bestaat, volgens het Formulier, juist daarin, dat we onze zonden zullen bekennen, door die bekentenis van onze zonden weer tot het geloof |538| in het bloed des Lams komen, en nu uit dankbaarheid het oprechte voornemen in ons voelen opwaken, om met de zonde, die ons aankleeft, te breken. In dien zin nu verstaan, is de inzetting van het heilig Avondmaal een daad van barmhartigheid, waarover we om haar zielkundige juistheid, onzen Heiland niet genoeg kunnen danken. Om haar zielkundige juistheid zeggen we. Immers, zielkundig staat het vast, dat ons geloof telkens weer inzinkt, en dat ons in den gewonen gang des levens maar al te zeer de prikkel en de veerkracht ontbreekt, om ons uit die inzinking weer op te heffen. De beslommeringen des levens zijn te vele; onze gedachten worden te zeer afgetrokken; we kunnen ons niet zoo diep in de diepte des levens verliezen. Ging dit nu zoo door, dan zouden we gaandeweg almeer verachteren in genade, ons geloof zou telkens meer schade lijden, en de zonde zou almeer macht over ons krijgen. Maar nu heeft de Heiland zijn heilig Avondmaal ingesteld, om die sleur van het gewone leven bij ons te breken, en om telkens een moment, een heilig moment in ons leven te stellen, dat ons oproept uit onze onnadenkendheid en wakker schudt uit onze gedachteloosheid, om ons met al het gewicht van den heiligsten ernst, en als bij den voet van het kruis des Heeren de vraag te stellen, of het met ons geloof wel zij, of we ons nog nabij Jezus bevinden, en of wel waarlijk ons leven is, gelijk het leven van een kind van God zijn moet. Daardoor waakt de sluimerende ziel dan weer in ons op. Geheel onze toestand en onze positie voor den Heere onzen God ontdekt zich dan weer aan ons oog. Onze zonden treden weer klaarlijk voor ons. De belijdenis onzer zonden wordt weer voller, vrijer en oprechter. De droefheid naar God wordt weer opgewekt. De besprenging met het bloed van Christus overkomt ons weer. We kunnen weer in waarheid zeggen dat we gelooven. Het zalig besef van gerechtvaardigd te zijn doordringt ons hart weder. De dank welt weer uit ons binnenste op. En het einde is nogmaals, dat we lof en liefde ten offer mengen, om als kinderen van God ons weer verzoend te weten met onzen Vader die in de hemelen is.

Dit is het, wat onze Catechismus zegt, dat onze Heere en Heiland de Sacramenten verordend heeft, om ons geloof te sterken. En zij, die dit vergetende of ontkennende, van de Tafel des Heeren weg blijven, overmits het hun toeschijnt, dat de Heere zijn Avondmaal alleen voor dezulken heeft ingesteld die in het geloof vast en ongeschokt staan, en die dus geen sterking des geloofs van noode hebben, weten niet welk een schat van zegen ze eigenwillig wegwerpen; van wat heerlijke genade ze hun ziel berooven; en hoe ze feitelijk het door Christus voor hen verordend middel, om weer uit de diepte op te komen en op te klimmen tot de |539| bergen van Gods heiligheid, in hun verkeerde overlegging van de hand wijzen.


Maar naast dit genademiddel van het heilig Avondmaal staat nu in de tweede plaats ons dagelijksch gebed om de vergeving onzer zonden, dat in den grond gelijke strekking heeft. Ook dat dagelijksch gebed toch heeft geen andere strekking dan om ons ingezonken geloof weer te sterken en te doen opleven. Niet gij hebt het heilig Avondmaal, maar ook niet gij hebt het Gebed uitgevonden. Ook dat gebed is een uitvinding van uw God. Hij heeft het voor u verordend. Hij vergunt het u. En Hij heeft het u opgelegd, opgelegd ook dat dagelijksch „gebed om de vergeving uwer zonden”, omdat Hij wist dat het voor de gedurige sterking van uw geloof zoo onmisbaar voor u is.

Er zijn er onder Gods heiligen, die meer hechten aan het gebed om heiligmaking. Dezulken worden meer gedrukt door het bang gevoel van hun weinige volmaaktheid dan door het besef van hun schuld en zonden. En daarom worstelen ze dan in den gebede, om meerder genade, rijker geestelijk sieraad te ontvangen en ze roepen hun God aan, of Hij door zijnen Heiligen Geest hen tot hooger wasdom in Christus wille opvoeren. En natuurlijk ook dat gebed is kostelijk en mag niet ontbreken. Bij de zesde of laatste bede komt dat voorwerp des biddens dan ook aan de orde. Maar ze vergissen zich indien ze wanen, dat zulk een gebed zuiver en Gode welbehaaglijk kan zijn, als niet eerst de bede om vergeving van zonden voorafga. De zesde bede heeft zelfs geen zin, als de vijfde niet vooraf is. gegaan. Wie toch bidt om heiligmaking zonder het als schuld te gevoelen, dat hij nog niet heilig is, weet niet wat zonde is. Alle onheiligheid, alle nog niet heilig zijn, is voor Gods heilig oog een vlek aan onze ziele. En daarom wie niet eerst zijn zonde bekend en zich als een arm zondaar voor zijn God gevoeld heeft, kan nooit in zuiverheid en in oprechtheid om de genade der heiligmaking bidden.


Wat nu aangaat de eerste gedachte, die in de bede om schuldvergiffenis in ligt, en die geheel onze positie voor God geldt, zoo ligt hierin niets dan een poging van ons geloof, om zich weer op te richten tot die zalige gewaarwording, waarin we ons gerechtvaardigd voor onzen God weten. Al is het toch volkomen waar, dat ge in het uur uwer bekeering tot die zalige gewaarwording en ontdekking gekomen zijt, toch is het even waar, dat de belijdenis van uw rechtvaardigmaking in Christus geen zaak is, die met redeneeren wordt afgedaan of buiten uw hart ligt. Wel is het werk uwer rechtvaardigrnaking buiten u om volbracht, en waart gij |540| gerechtvaardigd eer gij het wist, en bestond uw komen tot geloof juist hierin, dat God de Heere dit werk der rechtvaardigmaking ook in zijn persoonlijke toepassing op u, voor u ontsluierde, maar vrucht en zegen en genieting hiervan hebt ge toch alleen in zoover het bewustzijn en het besef hiervan voor u en in u opleeft. Sluimert het in u, dan zijt ge daarom niet verloren, maar dan moet ge u toch verloren gevoelen. Gerechtvaardigd voor uw God en een kind des Heeren te zijn, is zulk een ontzaglijk hooge en heerlijke zaak, dat ze al onze bevatting verre te boven gaat, en er voor een oprechte van hart, die zich zijner zonde bewust is, bijna niets ongelooflijker schijnt, dan dat ook hem die Goddelijke onderscheiding zou toekomen. Te gelooven in uw God, in zijn Christus, in zijn wonderen, in zijn Woord, in zijn oordeel, het is alles nog veel lichter, dan te gelooven dat gij, arme zondaar en verlorene in u zelven, een kind van God en in het bloed des Lams gerechtvaardigd zijt. Wie dat gemakkelijk gelooft, gelooft het niet, eenvoudig wijl zulk een nog omgaat met de gedachte, dat hij niet zoo geheel onwaardig was, om deze eere te ontvangen, en hij dus juist datgene mist wat hier eisch is, t.w. een volkomen verwerping van zichzelven. Een man als Paulus zag in zichzelven den ergsten aller zondaren en juist omdat hij zulk diep inzicht in eigen verdorvenheid en verdoemelijkheid bezat, daarom en daarom alleen kon hij zoo krachtig opwassen tot het wondere geloof, dat hem, den ergsten aller zondaren, genade was geschied. En zoo gaat het nog. Wie niet dan oppervlakkige kennis van zijn zonde en ellende bezit, vindt het niet zoo wonderbaar dat God de Heere hem onder zijn kinderen opneemt. Bij de tamelijk hooge gedachte van eigen voortreffelijkheid zou hij het veeleer vreemd hebben gevonden, indien God de Heere anderen had aangenomen en hem voorbij ware gegaan. Wie daarentegen diep in zijn ellende indrong, en zijn onredbaarheid doorleefd heeft, en in zijn verlorenheid is weggezonken, en het klaarlijk begrijpen zou dat God elk ander aannam, maar hem voorbijging, en nu staat voor het onbegrijpelijke, dat juist hem genade is geschied, zulk een kan niet uit zich zelf tot het geloof in zijn rechtvaardigmaking komen, dien moet dat geloof als een genade van zijn God geschonken worden, en in zulk een werkt juist daarom het gevoel van eigen geringheid en eigen doemwaardigheid gedurig weer tegen zijn geloof op.

Omdat hij het geloof, het wondere geloof door de toepassing van het heil in Christus op zijn eigen ziel, niet uit zichzelven heeft, maar van zijn God ontving, daarom kan ook alleen zijn God dit geloof telkens weer in hem Opwekken en in hem ondersteunen. En dit nu, die weeropwekking en sterking van zijn geloof kan in geen anderen weg plaats grijpen, dan |541| waarin het oorspronkelijk hem toekwam, d.w.z. door den weg der verootmoediging. Gij moet u telkens weer als een arm zondaar voor uw God gevoelen, en uw God moet u telkens weer zeggen, dat ge nochtans zijn kind zijt. Wie zaliglijk afstierven, hebben dan ook meestal tot op hun doodsbed toe zichzelven als arme zondaren bekend, en niet anders gejuicht en gejubeld dan uit het geloof in de zelfofferande van Christus die hun God door den Heiligen Geest in hun hart verwekte. En dit nu is het, waartoe uw Heiland u dagelijks de bede om vergeving van uw schuld, ook na uw bekeering, op de lippen legt. Elken morgen en elken avond moet ge weer als een arme zondaar voor Hem neerknielen, u in uw schuld en zonde aan zijn voeten neerwerpen, en van Hem moet u elken morgen en elken avond weer de genade toekomen, dat ge door de inwerking van den Heiligen Geest tot uw geloof in het bloed des kruises wordt teruggebracht.


Doch in de tweede plaats ligt ook dit in deze bede om schuldvergiffenis, dat ge elken dag rekening met uzelven houdt, uw paden en wegen naspeurt, en u voor uw God verootmoedigt over de vlekken en smetten, die ge op dien dag in uzelven ontdekt hebt.

Het heeft den Heere onzen God beliefd, de wedergeboorte op zulk een wijs in zijn uitverkorenen onder zondaren tot stand te brengen, dat het wel een volmaakt werk in den wortel zij, maar daarom nog geenszins in de uitwerking. De wedergeboorte komt niet op zulk een wijze tot stand, dat nu opeens de oude mensch uit u weg is, en er niets dan de nieuwe mensch in u zij; maar gelijk bij den geŽnten boom, schiet ook hier de wilde stam nog steeds zijn twijg en blad en bloesem uit, en draagt vrucht voor de zonde en ongerechtigheid. Vandaar dat er geen dag voorbijgaat, dat we niet zondigen, en we maar al te zeer zelfs de goede werken, die God ons in zijn genade verleent, met onze zonden bevlekken en besmetten. Wie zal zeggen, dat de daden van zelfverloochening en barmhartigheid, van toewijding en aanbidding die hij verricht, zůů door hem verricht worden, dat er geen zonde aan kleeft? Wie, wie is zelfs in zijn gebed van zonde vrij? Telkens slingert zich weer de twijg uit den wilden stam om den tak, die uit het entsel opschiet. En wie, in heiligen ernst en vaardige oprechtheid rekening met zijn ziel voor het oog van zijn God houdt, heeft elken avond en elken morgen zijn schuld te belijden voor zijn God.

En dit nu moet geschieden, eenvoudig wijl we anders aan deze vlekken en smetten wennen, den zin voor het heilige verliezen, den smaak voor het hemelsche in ons bederven, onze consciŽntie bezoedelen, en afraken |542| van den weg die ten leven leidt. We spreken nu nog niet eens van grove zonden, die uit zinlijke drift of uit onreinheid der ziel of uit onzedelijke neiging voortkomen, maar, ook afgescheiden daarvan, in drift, in leugenachtigheid in woorden, in kwaad humeur, in tijdverspilling, in onliefheid en onvriendelijkheid, in trots en zelfverheffing, in verkouding van de liefde voor God en verkoeling van liefde voor de menschen, in slordigheid in zijn beroep, in ingenomenheid met zichzelven, in gemakzucht, in opzien tegen den strijd als er om Gods wil moet gestreden, in nijd en haat en wraakzucht in het hart, achterklap op de lippen en zooveel meer uitkomen, immers altemaal zonden voor God, en toch smet na smet, die nog telkens het leven van Gods vroomste kinderen ontheiligt. En over dit alles nu wil uw Heiland, dat ge elken morgen en elken avond berouw in het hart zult gevoelen. Hij verbiedt u in zulke zondige gangen en wegen eenvoudig voort te leven, als deden deze dingen er niet toe, en als waren ze niet verfoeilijk in zijn heilig oog. Hij wil, dat ge over dit alles en zooveel meer uzelven gedurig voor Hein zult aanklagen, aldoor uw smetten en vlekken voor Hem zult blootleggen, zult belijden, hoe ge in dit alles Hem, uw God,. verzaakt hebt, en uit dit dieper besef weer de toevlucht zult nemen tot het bloed des kruises, opdat ook op uw zonde van dien dag de vrucht en de zegen van het bloed van het heilig Godslam worde toegepast. Wie nu hierin volhardt en volstandig is, die vordert; die drinkt elken dag den zegen der verzoening in; en leeft juist daardoor nabij zijn God en zijn Heiland. Zijn tente is bij Golgotha’s kruis. En anders, och, dan zwerft ge af. Dan staat Golgotha voor u van verre. Dan blijft uw zonde tusschen u en uw God liggen. En dan gelooft ge nog wel, maar uit de verte; meer met uw belijdenis dan met uw hart; en wordt de zaligheid van u als kind van God te gevoelen, u steeds vreemder.


En hierbij komt dan in de derde plaats nog bij de bede om vergeving van de boosheid die altijd, tot aan uw sterven toe u aanhangt.

Ook afgezien toch van de vraag, welke zonden op een bepaalden dag uit de onzalige fontein, die in het hart is, opdoemden, blijft Gods kind tot zijn st erven toe gedrukt door de onzalige wetenschap, dat de fontein van alle boosheid nog steeds in zijn hart aanwezig is. Wat Paulus uitroept: „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit dit lichaam des doods?” is nog de bittere klacht van wie geen vreemdeling in zijn eigen hart is, en dorst naar heiligheid. Het is niet alleen dit kwaad dat roept om straf, neen ’k ben in ongerechtigheid geboren, mijn zonde maakt mij ’t voorwerp van uw toorn reeds van het uur van mijn ontvangenis af. We zijn onrein. In Christus heilig, in Christus rein, in Christus volmaakt, en |543| daarom juichende en triomfeerende tegenover Satan, maar niettemin buiten Christus, in onszelven, nog altoos midden in den dood liggende. Als we onze knieŽn buigen en onze ziel tot onzen God opheffen, zegt God ons wel, dat wij zijn kinderen zijn en ziet Hij ons in Christus gerechtvaardigd, maar de man, de vrouw die neerknielt, knielt nog altoos neer met de bron, de fontein van alle zonde in zijn hart. Daar denkt nu de oppervlakkige niet aan. Hem deert dat niet. Het gaat hem niet aan. Maar wie teederlijk voor zijn God leeft, voelt dat evenals Paulus zeer diep en gaat er onder gedrukt, en vindt geen rust alvorens hij ook deze inwonende zonde voor zijn God beleden heeft, en ook daarvoor heeft ingeroepen het bloed der verzoening.

En zoo wordt de bede om vergeving van zonde dan tevens een voorbereiding voor ons sterven. Immers we weten vast en zekerlijk dat eerst in den dood ons de genade van onzen God kan worden bewezen, dat we voor eeuwiglijk ook van die inwonende zonde bevrijd zullen worden, en de fontein van alle boosheid van ons hart zal worden afgesneden. Tot op onzen dood toe, moge God de Heere ons de genade verleenen, dat Hij door zijnen Heiligen Geest, die opborreling uit deze onzalige fontein voor ons onderdrukt; maar de onzalige fontein zelve blijft. Die kan niet weg. Die moeten we tot aan onzen dood toe meevoeren, in ons eigen hart omdragen. Wie nu waarlijk beseft, hoe onzalig het met zich omdragen van deze onzalige fontein in zijn hart is, en dagelijks den Heere aanroept, of Hij ook de boosheid die hem altijd aanhangt wilde toedekken niet het kleed der verzoening, die voelt ook in zijn hart opkomen den dorst, het verlangen, om eens, en dan voor eeuwig, van deze onzalige fontein verlost te worden.

En komt dan de ure, dat zijn God tot hem komt, om nu ook die laatste genadedaad hem te bewijzen, en ook die onzalige fontein door den dood uit zijn hart weg te nemen, dan begroet hij die ure niet als een ure der verschrikking, maar als een ure van eeuwige vrijmaking, de ure waarin het werk zijner verlossing wordt gekroond.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001