Zondagsafdeeling LI.

Vraag 126. Welke is de vijfde bede?

Antwoord. Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. Dat is: Wil ons, arme zondaren, alle onze misdaden en ook de boosheid, die ons altijd aanhangt, om des bloeds Christi wille niet toerekenen, alzoo wij ook dit getuigenis Uwer genade in ons bevinden, dat ons gansche voornemen is, onzen naaste van harte te vergeven.


*

Eerste hoofdstuk.

Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; wasch mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.

Ps. 51 : 9.


De vijfde bede is de eerste van de twee, die Jezus ons voor onzen zielsnood op de lippen legt: Niet n voor den nood onzer ziel, en twee voor de nooddruft des lichaams; maar voor het lichaam alleen de vierde bede, en voor de ziel de vijfde n de zesde. Ook dient er op gelet, hoe beide deze laatste beden een ander karakter dragen, dan de vier overige. In de eerste vier beden komt toch niets voor, dan een korte smeeking, vervat in weinig woorden, zonder eenige toevoeging, en telkens van n lid: 1º. Uw naam worde geheiligd; 2º. Uw Koninkrijk kome; 3º. Uw wil geschiede; en 4º. Geef ons heden ons dagelijksch brood. Maar in de vijfde en zesde bede wordt dit nu anders. Elk van deze twee beden toch bestaat uit twee leden. Die twee leden zijn in de vijfde en zesde bede de navolgende:

In de vijfde bede: eerste lid: Vergeef ons onze schulden, en tweede lid: gelijk wij vergeven onzen schuldenaren.

En in de zesde bede: eerste lid: Leid ons niet in verzoeking, en tweede lid: maar verlos ons van den Booze.

Dit tweevoudig karakter spruit bij deze twee beden daaruit voort, dat de ziel zich bij deze twee beden op zichzelve richt. In de eerste drie beden |530| richt de biddende ziel zich op den Naam, op het Rijk en op den Wil des Heeren; in de vierde bede op ons lichaam; maar in de vijfde en de zesde bede op zichzelve. En dit nu is oorzaak, dat de bede om vergeving verzeld gaat van een belijdenis van vergeving, en dat de bede om verlossing van zonde gepaard gaat met de belijdenis, dat men Satan toegang geschonken heeft tot zijn hart. Op dit laatste komen we terug als we aan de zesde bede toe zijn. Thans volstaan we daarom met vast te stellen, dat de vijfde smeeking uit een bede en een belijdenis bestaat, en dat deze twee door Jezus met elkander in onlosmakelijk verband worden gezet. Bezien we daarom eerst de eigenlijke bede, om eerst daarna stil te staan bij de belijdenis, die zich aan haar vastknoopt.


De bede: Vergeef ons onze schulden, is een bede, die men op zichzelf in het Onze Vader niet zou hebben verwacht. Gaat men toch uit van de juiste onderstelling, die vooral in deze bede door de aan haar toegevoegde belijdenis bevestigd wordt, t.w. dat wie hier bidt overgezet is uit de duisternis in het wonderbaar licht, dan zou men veeleer een dankzegging dan een bede, met opzicht tot onze zonden, verwachten. Of zegt de Apostel niet: „Wij dan, gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus”; en verklaart de Catechismus de rechtvaardigmaking niet alzoo, dat het nu is, „als had ik nooit zonden gehad noch gedaan, ja, als had ik het al volbracht, wat Christus voor mij volbracht heeft.” De vraag ligt dan ook voor de hand: „Als ik gerechtvaardigd ben, en het is als stond ik volkomen rechtvaardig en zonder zonde voor mijn God in Christus, wat zal ik dan nog bidden: „Vader, vergeef mij mijn schulden.” Die zijn u immers vergeven. Die zijt ge kwijt. Die zijn van u af. Die kunnen u niet meer vergeven worden, omdat ze reeds vergeven zijn. En uw bede: „Vergeef ze mij,” is dus eigenlijk een bewijs, dat ge aan de vergeving uwer zonden nog niet ten volle gelooft.” Deze bedenking moet men dan ook niet aanstonds op zij zetten; want het is metterdaad zoo, dat menig kind van God in zijn gebed om vergeving van zonden maar al te dikwijls zijn geloof verloochent en zijn rechtvaardigmaking zich wegdenkt. In de eeuw der Apostelen, en in de eeuw der Reformatie was dit anders. Uit alles blijkt, dat in die twee perioden van hoog, opgewekt geestelijk leven, het zalige gevoel van in Christus met God verzoend te zijn, metterdaad het gemoedsleven beheerschte. Maar in de eeuwen die daarna kwamen, en in onze eeuw vooral, is dit rijke, zalige besef maar al te zeer verzwakt. Wordt men ondervraagd, of er geen rechtvaardigmaking door het geloof is, en of de Catechismus ons deze rechtvaardigmaking niet op overschoone wijze uitlegt, dan bekent men wel |531| gulweg dat het zoo en niet anders is. Maar natuurlijk, het is nog heel iets anders, of ge dit met woorden toestemt, of dat ge het ook alzoo met uw hart aanneemt, dat ge innerlijk in uw binnenste onder den vollen, rijken indruk van dit verzoend zijn leeft. En dit laatste nu ontbreekt thans maar al te veel; soms zelfs bij de teederste kinderen Gods, en gedurig staat het weer voor hun besef, alsof ze de vergeving hunner zonden nog verwerven moesten en dus eigenlijk nog onder hun zonden gebogen gingen.


Want wel vindt ge in zekere kringen ook een anderen geestelijken toestand, maar die even verkeerd is. Er zijn namelijk ook in ons land zekere kleine kringen, waarin men de rechtvaardigmaking door het geloof en het verzoend zijn in Christus sterk drijft; maar meer als een logisch denkbesluit, dan als een zalige, teedere zielservaring. Op tamelijk ruwe, uitwendige wijze verklaart men dan, dat we immers met onze zonden niets meer te maken hebben; dat we onze zonden ons in het minst niet meer hebben aan te trekken; en dat al dat gedrukt zijn onder onze zonden niet meer te pas komt. Immers de Schrift leert dat Gods uitverkorenen gerechtvaardigd zijn door het geloof. Welnu, ik geloof; dus ben ik ook gerechtvaardigd; en derhalve gaan mij mijn zonden noch in het verleden, noch van het heden meer aan. Ook niet mijn zonden in het heden. Immers het werk van Christus is een volmaakt werk. Hij heeft de zonde van Gods kinderen verzoend, niet enkel voorzoover ze achter ons liggen, maar even goed voorzoover ze in het heden begaan worden; ja zelfs, alle zonden die een uitverkoren mensch tot zijn dood toe begaan zal, waren reeds eer hij geboren werd, verzoend in het bloed van Christus. Op grond nu van deze redeneering leeft men in zulke kringen dan ook vaak op vrij intiemen voet met de zonde; ziet in de zonde geen been meer; en geeft er zich soms vrijelijk aan over. En waarom ook niet? De zonde kan mij nu toch niets meer maken. Nog eer ze volbracht wordt, is ze toch verzoend. ja, het komt in zulke kringen voor, dat men door deze uitwendige redeneeririg misleid, zelfs in afitinornianisme van het ergste soort overslaat, en zich niet ontziet, om met de zonde te gaan spelen. Men maakt zich dan diets, dat men, door voor de zonde uit den weg te gaan, of door er nog strijd tegen te voeren, eigenlijk toonen zou, nog niet aan het verzoend zijn van al zijn zonden te gelooven. Zoo wordt dan het mijden van de zonde een teeken van ongeloof, en ten slotte het zich vrijelijk overgeven aan de zonde, een bewijs dat men waarlijk gelooft. Een schrikkelijke zielstoestand, die dan alles op den ouden Adam en op het vleesch werpt, als een soort vreemden gast die in onze ziel huishoudt, en voor wiens doen |532| wij niet meer aansprakelijk zijn. Iets wat men dan gemeenlijk nog met de Schrift in de hand verdedigt, door de roerende zielsbetuiging van den heiligen apostel Paulus in Rom. VII als dekmantel te gebruiken voor zijn onheilig bestaan.

Nu is tegen dit schriklijk kwaad, helaas, weinig te doen. De zaak is eenvoudig deze, dat een onbekeerd mensch, die nog geen kind van God is, zich dan aanmatigt wat de Heere alleen aan zijn kinderen heeft toebeschikt. Nog onbekeerd van harte, grijpt nu zulk een mensch het Evangelisch heilgoed aan; rekent zich toe, wat hem niet toekomt; en overmits nu in zijn ziel niet die genadekrachten werken, die juist uit het verzoend zijn den strijd tegen de zonde laten opkomen, belijdt hij dat hij verzoend is, terwijl hij nog in zijn schuld voor God ligt, en laat zich door zijn vleeschelijken zin in allerlei zonde verstrikken en inwikkelen. We zeggen daarom niet, dat er niet een enkel kind van God in zulke kringen kan schuilen, en door de zondige redeneeringen, die er opgeld doen, zoo verward kan worden, dat ook hij op intiemer voet met de zonden, dan met zijn God en zijn Heiland gaat verkeeren; maar bij iemand die wezenlijk een kind van God is, zal dit nooit anders dan tijdelijk en gedeeltelijk zoo zijn, en gedurig zal de Heilige Geest die in hem woont hem toch weer tot boete en berouw prikkelen, en van de zonden af en naar zijn God uitdrijven. Dit zijn dan wel bange, booze verstrikkingen, en het is een wezenlijke verlossing, als zulk een kind van God zich eindelijk de schellen van de oogen ziet vallen, en hij breekt met zulk een kring. Maar zelfs terwijl hij nog in de banden ligt, verlaat zijn God hem toch nooit ganschelijk, en wie geestelijk leerde onderscheiden, zal zonder veel moeite aan taal, toon en levensuiting merken, of hij in zulk een kring met een onbekeerden roover van een hem niet toekomend geestelijk goed te doen heeft, of wel met een gevangene, die als kind van God, te kwader ure, door deze geestelijke rooverbende werd ingelijfd.


Bij allen afkeer intusschen van deze onheilige kringen, die met het geestelijk goed van Gods genade hun onheilig spel drijven, mag n ding niet voorbijgezien, en dat is, dat de Christenheid zulke booze kringen juist daardoor sterk maakt, dat ze het grondstuk van het Evangelie, dat in onze rechtvaardigmaking door het geloof ligt, zoo weinig ernstig opvat. De goddelijke rust en de heilige vrede, die het Evangelie ons brengt, ligt toch juist daarin, dat het ons tot een volbracht werk laat ingaan. Wie niet gelooft, belijdt, en aan zijn eigen ziel gevoelt, dat hij in Christus verzoend is, en dat niets, geen schuld en geen zonde, ja geen macht van Satan meer beschuldiging kan inbrengen tegen de uitverkorenen Gods, heeft, |533| welbezien, de bloem van de plant des Evangelies afgerukt, om weinig meer dan het blad over te houden. Het Evangelie van Christus ligt juist in dat afgedane en afgesnedene der zaak; hierin dat het niet nog te doen staat, maar volbracht is; en dat derhalve een kind van God, ook al klaagt hem zijn conscintie nog van allerlei booze stukken aan, toch waarlijk in zijn God te danken en te jubelen heeft, dat hij als heilig en rechtvaardig voor zijn God staat; en dat in zulk een zin, dat al stierf hij op hetzelfde oogenblik, en al werd hij z voor het laatste oordeel geplaatst, er niets anders dan vrijspraak voor eeuwig zou kunnen volgen. Eerst wie er zoo in staat, en dit niet maar belijdt, maar ook waarlijk gelooft, en het door den heiligen Geest aan zijn ziel betuigd weet, komt tot de ontplooiing der dankbaarheid, en zal uit dankbaarheid Gode vruchten dragen. Maar in zoo helder en zalig bewustzijn leeft de Christenheid thans over het algemeen niet. In de prediking staat dat volle, ware, rijke Evangelie lang niet genoeg in het middelpunt. Daardoor ontbreekt te veel de toon en jubel van overwinning. En het gevolg hiervan is, dat ge in de gemeente maar al te zeer op zwaarmoedigheid stuit, kinderen Gods tot aan hun dood toe in een toestand van gedeeltelijke bekeering ziet voorttobben, en zoo zelden Christenbroeders ontmoet, die wel waarlijk de heerlijkheid van het rijke, volle Evangelie toonen te hebben ingedronken. Dit nu heeft ten gevolge, dat men in booze antinomiaansche kringen vaak het niet ongegronde verwijt hoort, dat de Christenen in onze dagen het ware Evangelie verloren hebben, dat alleen zij nog het volle Evangelie bewaren en tot zijn recht doen komen; en dat men zich alzoo in deze kringen, juist tengevolge van zoo veler geestelijke zwaarmoedigheid, gestijfd gevoelt in zijn onheilig opzet.


Reeds hieruit nu blijkt, wat nauw verband er bestaat tusschen deze vijfde bede en de rechtvaardigmaking des geloofs; een verband zoo sterk, dat er kinderen Gods zijn geweest, die verklaarden, ter wille van de vijfde bede het Onze Vader niet meer te kunnen bidden. Het Onze Vader was, zoo zeiden ze dan, door Jezus aan zijn discipelen gegeven vr het kruis van Golgotha; maar voor ons, die leven, nadat aan dat kruis het werk der verzoening voor ons volbracht is, heeft het Onze Vader geen zin meer. Immers wie verzoend is, verzoend en vrijgesproken voor eeuwig, kan niet meer tot dien God, die hem om Christus’ wil vrijsprak, komen met de bede: Vergeef ons onze schulden. Dat gaat nog, zoo beweerde men dan, voor een onbekeerd mensch, maar voor wie waarlijk bekeerd is, is het niet meer te bidden. Dat kan nu spottenderwijs en op onheilige manier gezegd worden; maar het kan ook de zeer ernstige betuiging van een teeder geloof zijn; en daarom spraken we het zoo sterk uit, dat men, in |534| zeker opzicht, die bede niet in het Onze Vader zou verwacht hebben. Zelfs gaan we nog verder, en aarzelen niet uit te spreken, dat wie zich inbeeldt, dat wel zijn erfschuld en de zonden van vr zijn bekeering verzoend zijn, maar dat zijn zonden die daarna kwamen nog telkens door middel van zijn smeekingen moeten worden weggebeden, zich metterdaad vergist, en de kern van het Evangelie verloochent. En toch deze laatste voorstelling is lang niet zoo vreemd aan het gemoed. Men is dan tot boete en bekeering en geloof gekomen, en erkent daarme, dat al wat vr die bekeering lag, door God in de diepte der zee is geworpen; maar, zoo stelt men het zich dan voor, nu komt er elken dag nog deze of die zonde opnieuw bij; die nieuwe zonden zijn dus nog onverzoend; en nu moet men God aanroepen, of Hij in zijn genade ook deze zonden weer wille uitdelgen. De vergeving zou dan uit twee stukken bestaan. Eenmaal in het oogenblik van onze bekeering, als het geloof doorbreekt, een generaal pardon voor alles wat achter ons ligt; en daarna telkens een dagelijksch pardon voor de zonde die er elken dag weer was bijgekomen.

Doch ook al komt dat nu in veler voorstelling metterdaad zoo voor, toch gevoelt men wel, dat dit tegen het Evangelie indruischt. Het werk van Christus eenmaal volbracht is een volkomen werk, en wie na Rom. VII opmerkzaam Rom. VIII tot aan het slot leest, verstaat immers, hoe noch dood noch zonde noch Satan, Gods kind eenmaal verzoend zijnde, meer kan aftrekken van zijn eeuwig heil. „Of zoo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Wie zal nog beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Christus is het die gestorven is, ja, wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods zit, die ook voor ons bidt. Want ik ben verzekerd, dat niets, dat noch dood noch leven, noch eenig ander schepsel mij meer zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die in Christus Jezus, onzen Heere, is.”


Juist echter in dezen zegeroep van het verzoende hart komt n uitdrukking voor, die ons hier den weg wijst, en wel de betuiging, dat Christus leeft om voor ons te bidden. Dit is hetzelfde als wat de heilige apostel Johannes zegt: „Mijn kinderkens, ik schrijf u, opdat gij niet zondigt; maar zoo iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den rechtvaardige, en Hij is een verzoening voor onze zonde.” Ook betuigt ons de brief aan de Hebren vele malen, dat de Middelaar als onze Hoogepriester in het heiligdom, zonder handen gemaakt, is ingegaan, om daarboven het altaar voor God te bedienen. Hieruit blijkt alzoo, dat zeer zeker onze verzoening volbracht en verworven is, |535| maar dat ze daarom allerminst bestaat, in een streep door het register onzer zonden gehaald. Het is niet alzoo, alsof God de Heere, het zij met eerbied gezegd, bij zich zelven denken zou: Bij mijn uitverkorenen heb Ik nu met geen zonde meer te rekenen, en zoo merk ik daar niet meer op; maar de vrucht van het werk der verzoening is als een levende vrucht van genade Gods hemel ingedragen, om alzoo op de uitverkorenen te worden toegepast, en hun te worden toegeigend. De voorstelling is dus onjuist, alsof de Christus in den hemel alleen uitrustte van zijn volbracht werk, en nu voorts toezag. Integendeel, de Christus leeft in den hemel als onze Hoogepriester, om gelijk de Catechismus het in Vraag 45 zoo juist zegt, „ons de gerechtigheid, die Hij door zijn dood verworven had, deelachtig te maken.” Er is hier alzoo een voortgaand en een doorgaand werk. Niet een nakomend Middelaarswerk, waardoor ook maar iets aan het volbrachte werk van Golgotha zou worden toegevoegd, om, als ware het nog onvolkomen, het te volmaken. Dit kan niet, want de offerande, eens geschied, heeft in eeuwigheid volmaakt degenen, die door Hem tot God gaan. Nooit komt er dus bij Golgotha iets bij. Wat volmaakt is, kan niet vermeerderd, wat volbracht is, kan niet uitgebreid worden. Maar als de daglooner in het zweet zijns aanschijns het brood voor vrouw en kinderen verworven heeft, en het brood is er nu, en ligt op tafel gereed, zoodat er voor allen ruim en te over is, komt er wel niets bij, doch dan moet het toch rondgedeeld, nog geschonken worden, en moet het door alle huisgenooten worden genoten en genuttigd. En zoo nu ook is het hier. Het werk is volbracht, het offer is volkomen, aan de verzoening ontbreekt niets; maar nu werkt dat volbrachte werk niet uit zich zelf, als een afgetrokken heil, dat op zich zelf stond, maar dit volbrachte werk werkt alleen door Hem, die het volbracht heeft. In Hem rust het. In Hem is het verborgen. Van uit Hem werkt het. En dat Christus leeft om voor ons te bidden, beduidt niet anders, dan dat de Christus zelf in den hemel voor het aangezicht zijns Vaders zijn offerande voor de uitverkorenen geldend maakt. Eerst als de verbranding van de steenkool geheel afliep, is het gas aanwezig; maar daarom moet toch dit gas nog wel terdege naar uw woning worden toegevoerd, en als het in uw woning is, ontstoken worden, zal het licht voor u doen schitteren. En zoo is ook hier het offer wel geheel verteerd, maar de reuke en de geur der genade, die van dit geheel verteerde offer uitgaat, moet u persoonlijk toch toegevoerd, en in en voor uwe ziel ontstoken worden, zult gij wandelen bij zijn licht.


Dit nu geschiedt voor een iegelijk, die tot bekeering komt, het eerst in |536| de ure van zijn doorbrekend geloof. Dan was het tot dusver in zijn ziel donkerheid en duisternis, maar nu vloeit de verzoening hem toe, en in het geloof zelf glinstert de vonk, die in zijn ziel ontstoken is. Dat is dan de onuitsprekelijke vreugde over het eerste zien van het licht in de donkerheid van zijn eigen hart; een licht dat in dit eerste oogenblik dan zoo rijk en heerlijk glinstert, dat het alle donkerheid verdrijft, en in zijn eerste heilig opvlammen alle duisternis onkenbaar maakt. Maar behalve deze primordiale daad in het middelpunt van ons hart is er ook een tweede, nooit aan de eerste gelijk, veeleer in beginsel van de eerste te onderscheiden, maar toch even noodzakelijk. Uit datzelfde hart namelijk, waarin zoo vriendelijk en zalig die vonk van het geloof blonk, stijgen daarna weer telkens allerlei booze gassen en donkere nevelen op, die de vlam van het geloof doen tanen. Niet dat die vlam ooit geheel uitdooft; dat kan niet; maar wel dat de vlam kleiner wordt, onhelder schijnt, en als het ware weer tot een gloeiende vonk inkrimpt. Daardoor mist ge dan het genot van het licht en sluipt de droefheid der ziel weer over de blijdschap uws harten heen. Nu zou die vonk uitgaan, als jezus ze niet aanhield, doordat Hij voor u bidt. Maar juist als vrucht van dat gebed van Jezus ontstaat er nu een strijd, een worsteling tusschen die vonk en die haar omzwevende nevelen, en, omdat ge een kind van God zijt, strijdt ge in dien strijd tegen die nevelen mede, en de strijd tegen die opstijgende nevelen uwer zonden, dat juist is uw telkens terugkeerend schuldbesef, en daaruit klimt telkens weer de bede op: „Vergeef ons onze schulden.”




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001