Derde hoofdstuk.

Aller oogen wachten op U en Gij geeft hun hunne spijze te zijner tijd.

Psalm 145 : 15.


De vierde bede gaat niet buiten den weg der middelen om, maar beweegt zich juist op dien weg. Wie gelooft in „God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde” erkent en belijdt wel, dat God de Heere hem ook zonder brood kan voeden en in stand houden, maar de bede: „Geef ons heden ons dagelijksch brood,” toont dat de biddende ziel de hulpe Gods allereerst in den weg der gewone middelen heeft te zoeken. Ongetwijfeld leert de historie van het Manna in de woestijn, dat het God faalt aan kracht noch mogendheid om een geheel volk op een dorre zandvlakte te voeden. Het was dan ook juist met terugblik op dit wonder van het Manna, dat Mozes in ’s Heeren naam het volk onderwees, toen hij zeide: „De mensch zal bij brood alleen niet leven,” d.w.z. ook zonder brood kan een mensch in het leven blijven; alleen maar wat hij, om niet te sterven, niet kan missen, is het woord der almacht, dat uit Gods mond uitgaat. Spreekt God zegen, dan sterft ge niet maar blijft leven, ook al hebt ge geen brood; maar ook, houdt God den zegen in, dan komt ge om, ook al laagt ge neder tusschen tafels die geheel met brood overdekt waren. Ge leeft en blijft in stand, niet de ne maal door het woord van Gods almacht, dat uit zijn mond uitgaat, en de andere maal door brood; maar nooit bleef of blijft iemand anders in stand dan door het woord der almacht, dat van Gods mond uitgaat; en het verschil is alleen, dat die werking der almacht Gods gemeenlijk door het brood gaat, maar toen Jezus in de woestijn was, die veertig dagen en veertig nachten zonder brood werkte. Vandaar dat Jezus toen tegenover Satan het woord van Mozes opnam, en hem terugwierp met het zeggen: Daar staat geschreven, dat een mensch ook zonder brood kan blijven leven, mits de kracht die door Gods bevel uitgaat, hem in stand houde en bij het leven behoude.

De juiste tegenstelling is hier derhalve, een werking Gods door of zonder de gewone middelen. Immers, als de gewone middelen uitblijven, is er weer tweerlei mogelijk, f dat er buitengewone middelen intreden, f dat er gansch geen middelen worden aangewend. Buitengewone middelen werden gebezigd, toen God het Manna in de woestijn deed nederdalen, of ook de weduwe van Zarphath voedde door het meel uit het vat, dat niet verteerde, en Jezus de vijf duizend spijzigde met enkele brooden en een paar |522| visschen. Gansch geen middel daarentegen werd aangewend, toen Jezus in de woestijn geleid werd, en Hij veertig dagen en veertig nachten noch brood noch Manna ontving. Hierbij is de opmerking wel juist, dat te Zarphath en bij de wondere spijziging toch het gewone middel van brood of meel dienst deed, maar toch was dit slechts schijn, daar de eigenlijke voeding van die vijf duizend niet uit die vijf brooden kwam, en er dus wel brood aan allen werd uitgereikt, maar geen brood in den gewonen zin. Het meel zelf te Zarphath en het brood, dat de apostelen uitdeelden, was evenals het Manna in de woestijn, wonderbrood. De tegenstelling blijft dus steeds gelijk we die stelden: God kan u voeden op de gewone, maar ook op ongewone wijs. Door de gewone middelen, die Hij tot voertuig kiest van Zijn Goddelijke kracht, of zonder die gewone middelen, doordien Hij zijn Goddelijke mogendheid zonder eenig middel of door een buitengewoon middel, d.i. een wonder, werken laat. Nu is het ontegenzeggelijk, dat het vroom gemoed er toe neigt, om het zonder middel of door een buitengewoon middel heerlijker te vinden. Als het zoo besteld was, dat iemand die bad, en vuriglijk en ernstig bad, zonder brood bij het leven bleef, of, evenals het Manna, een soort wonderbrood tot zich zag afdalen, zou de eerste aandrift der vroomheid er ns allicht toe verleiden, om het gewone brood opzij te zetten, en op de openbaring van zulk een wonder te wachten. Het maakt op ons, zondaren, den indruk, alsof een rechtstreeksche openbaring van Gods almacht hooger staat, dan een zijdelingsche. Het stuit ons min of meer voor ons gevoel, zoo we ons gaan voorstellen, dat God aan een middel gebonden is. Er ligt voor ons besef in dat zich binden aan een middel iets vernederends voor Gods almacht. Den weg der middelen dachten wij ons liever weg. Voor menschen vinden we dien weg der middelen natuurlijk, maar met Gods majesteit schijnt ons die weg der middelen te strijden. Indien de Heere onze God z almachtig is, dat Hij het evengoed zonder middelen kan doen, als door middelen, waarom, zoo peinst dan de ziele in ons, waarom versmaadt dan God de Heere de middelen niet, en waarom toont Hij dan Zijn almacht niet regelrecht en rechtstreeks?


En zie, tegen die schijnbaar vrome, maar in haar kerk zeer onvrome, overlegging, gaat Jezus nu met de vierde bede in. Immers, die bede is niet: „Onderhoud ons dezen dag door Uw almacht,” maar heel anders: „Geef ons heden ons dagelijksch brood.” Die bede richt zich dus op het middel. Ze zet het middel niet opzij. Ze laat het zelf niet in het midden, of het God believen zal, ons zonder of door het brood te onderhouden, maar klemt zich aan het middel vast, en begeert ootmoediglijk, dat het Gode |523| believen moge, om het door Hem verordende middel, d.i. het brood, voor dien nen dag te schenken. Hadden we nu deze bede zelf uitgedacht, zoo zou hier niets uit zijn af te leiden, en zou men kunnen zeggen: „Nu ja, zoo is een mensch. Omdat hij oppervlakkig leeft, denkt hij in de eerste plaats aan het brood; vergeet Gods almacht; en bidt dus, of het brood hem mocht geschonken worden. Maar wie vromer is, ziet dieper; die geeft om het brood niet, en zal bij het brood niet staan blijven; maar ziet alleen op Gods almacht.” Nu het daarentegen Jezus is, die ons deze bede op de lippen legt, en ons beveelt alzoo te bidden, nu komt de zaak heel anders te staan. Nu toch blijkt uit die vierde bede, dat Jezus dat uitzien naar het buitengewone afkeurt, en integendeel wil, dat wij ons oogmerk in het gebed op de gewone van God verordineerde middelen zullen richten. En zoo alleen is het dan ook vroom. Bedenk toch wel, dat wie de gewone middelen voorbijziet, en den weg der middelen niet eert, God den Heere in zijn Scheppingsmajesteit te na komt. Die gewone middelen toch zijn noch onze uitvinding noch onze verzinning, maar ordinantin door God in Zijn schepping, ten behoeve van Zijn schepping, en bij het tot aanzijn roepen van Zijn schepping, alzoo ingezet. En zelfs waar die middelen ten gevolge van de zonde zekere wijziging ondergingen, gelijk de voeding, daar het paradijsooft na den val plaats maakte voor de voeding door brood, daar is en blijft toch ook deze voedingswijs zijn Goddelijke ordinantie. Het liefst voorbijgaan van den weg der middelen is dan ook een trek, die niet uit de vroomheid, maar uit de zonde, opkomt, zoodra de zondaar zich bekeerd heeft. Zijn zonde alleen heeft het wonder noodzakelijk gemaakt. Alleen om der wille zijner zonde is het wonder ingetreden. En heel het wonder van den Christus en zijn werk, met wat daaraan voorafging en daarop volgde, strekte alleen om de zonde en den dood te niet te doen. Waren er geen zonden geweest, er zou nooit n wonder geschied zijn. In het paradijs is van een wonder geen sprake, en in het rijk der heerlijkheid zal voor geen wonder meer plaats zijn. Het is alzoo uit de gebondenheid van onze eigen natuur, dat de dorst naar het wonder opkomt. Het is omdat we in de gewone middelen Gods almacht meestal niet zien, dat we verlangen de uiting van die almacht op buitengewone wijze te zien. Hoe meer daarentegen de ziel ingeleid wordt in de alomtegenwoordige en almogende werking van Gods kracht, die in alle ding is, des te minder zal die dorst naar het wonder in u opkomen. Wie daar nog naar dorst, toont dat hij de werking van zijn God in het gewone leven nog verwaarloost, of er geen oog voor heeft, en wijl hij nu Gods mogendheid in het gewone niet ziet, drom verlangt hij naar een buitengewone openbaring, waarin de almacht zich aan hem moge ontdekken. Regel moet |524| alzoo zijn, dat we er ons juist op toeleggen, om steeds dieper in te zien, hoe we in God leven, ons bewegen en zijn, en dat we steeds meer juist in den weg der middelen de verheerlijking zoeken van zijnen heiligen Naam. De stemming van ons hart bij het gebed deugt niet, zoo we nog altoos buiten den weg der middelen om pogen te gaan. En dan eerst is de stemming van ons hart bij ons gebed zuiver, indien we naar Jezus’ bevel, waarlijk bidden leeren om hetgeen in den weg der gewone middelen verordend is, en alzoo bidden om ons dagelijksch brood.


Nu geven we toe, dat verreweg de meesten dit, met opzicht tot het brood, dan ook alzoo inzien, en althans onder Gereformeerde lieden bestaat daarover geen geschil. Maar natuurlijk ditzelfde geldt ook van geheel onze aardsche nooddruft, dus ook bij ziekte en bij ongeval. Ook de ziekte komt ons naar Gods bestel toe, maar is onder Gods toelating en bestel een booze macht die er zonder die zonde niet zou zijn, waarin iets van den Dood vooruitwerkt, en die dus in den diepsten grond Satanisch in haar oorsprong is. Dit moge men bij gewone ziekten zoo niet gevoelen, maar als er pestilentie komt, of het pokgif zich openbaart, en het typhusgif den lijder dreigt te dooden, voelt men dit wel degelijk. Alle ziektestof was in het paradijs afwezig, en is eerst opgekomen na den val, tegelijk met den vloek die over de aarde kwam, met de doornen en distelen die het aardrijk gaandeweg overdekten, en met den Dood, die over den mensch trok. God had gezegd: „Gij zult den dood sterven,” en een voorspel van den dood des lichaams kwam in de plage der krankheid. Ook hier doet zich dus weer dezelfde tegenstelling voor. Ook die ziekte kon God genezen zonder eenig middel. Tal van genezingen die in de Schrift vermeld staan, toonen ons dit. Maar toch leert de ervaring van alle volken, dat dit niet de van God verordende weg is. Integendeel, de verordende weg is, dat God de Heere allerlei kruid tegen de ziekte laat groeien; dat Hij het bestaan en de werking dier kruiden achtereenvolgens aan volk bij volk ontdekt; en dat Hij de aanwending van die kruiden zegent. Zelfs is het opmerkelijk, hoe men reeds bij de eenvoudigste volken een rijke kennis van al zulk soort kruiden vindt, en hoe de sterfte onder die volken, die op deze primitieve wijze genezing zoeken, weinig sterker, soms minder is dan bij ons. Op Java met zijn vijfmaal sterker bevolking dan Nederland heeft, zijn bijna geen artsen in den zin waarin wij dit woord verstaan; de inlanders maken nog schier uitsluitend gebruik van hun gewone kruiden; en toch kan de sterfte op Java de vergelijking met ons land nog zeer wel doorstaan. Zelfs in Europa vindt men hoog op de bergen nog afgelegen valleien, waar bijna nooit een arts komt, en toch |525| de gewone kruiden gemeenlijk doel treffen. We wijzen hierop in het minst niet, om de geneeskunde te onderschatten, maar om er nadruk op te leggen, dat het God is, die in de kruiden der aarde ons een tegengif tegen de macht des Doods, die in alle plagen en ziekte rondwaart, geschonken heeft. Gelijk het een ordinantie Gods is, dat we om ons te voeden, brood zullen nemen, zoo is het dan ook een ordinantie Gods, dat wij bij ziekte en plage die uitbreken, de toevlucht zullen nemen tot de middelen, die Hij ter bestrijding van ziekten en plagen ons schonk. Juist omdat alle ziekte en plage een vrucht des Doods is en alzoo een Satanischen oorsprong heeft, mogen ze niet getroeteld, maar moeten ze bestreden worden.

Nu is intusschen de mensch op het stuk der medicijnen gemeenlijk veel onvromer dan op het stuk van zijn dagelijksche voeding. Zonder bidden te gaan eten, doet men niet; althans niet in kringen waarin de vreeze Gods woont. Maar als men krank is, dag aan dag een medicijn innemen, zonder dat er om gebeden, of dat er voor gedankt wordt, is een onvroom verschijnsel, dat ge gedurig zelfs in de vroomste gezinnen kunt waarnemen. Er zijn er wel, die bidden, dat God de medicijnen zegenen moge, maar in te zien, dat God het kruid liet groeien, en het ons ontdekte, en het ons toebrengt, en dat er alzoo Hem de eere van toekomt, is uiterst zeldzaam. Dit nu maakt, dat men, in stee van alle medicijn te beschouwen als een genadegave Gods, onder den indruk leeft, alsof de medicijnen van den mensch kwamen; een soort poging van menschelijken overmoed waren, om, buiten God om, de ziekte te verwinnen; en dat dientengevolge de dieper ingeleide ziel voor de medicijnen zekeren schrik krijgt, en zich liever van den medicijnmeester afwendt, om te vallen in de hand des Heeren. En nu kan zeker kwalijk ontkend, dat de medicijnmeesters dit verkeerde besef niet zullen voeden. Haast kan men zeggen de meesten, hebben met alle geloof aan God gebroken, en als ze dan bij een kranke komen, die nog van de hulpe Gods spreekt, nemen ze een houding aan, alsof ze zeggen wilden: „Laat dit nu maar aan mij over, ik kan het veel beter dan uw God.” En dit stuit natuurlijk. Dit grieft. Dit ergert. Ook de arts kan niet buiten God, en zoo hij ook maar iets meer wil zijn, dan een instrument van Gods genade, om de plage Weg te nemen, heeft hij zijn loon weg. Maar mag nu deze zonde van den arts voor ons een regel van gedraging worden? Omdat zoo menige arts in zijn hoogheid zich inbeeldt buiten God te kunnen, is dit voor ons een vrijbrief, om onzen God de eere van zijn werk, ook in de geneeskunde, niet te laten toekomen? Zal het ongeloof van den arts aan het geloof van Gods kind de wet stellen? Dit kan en mag immers niet. Omdat ik een ongeloovigen |526| bakker heb, die bij zijn brood niet aan God denkt, zal ik daarom het brood verachten? En zoo ook, omdat de arts, die mij behandelt, zijn recept schrijft buiten God om, zal ik daarom het medicijn dat God bereid heeft, voor waardeloos of zondig verklaren? Zie, in de vierde bede, geeft onze Heiland ons ook hierop het antwoord; want als ge krank zijt, en van het brood walgt, en alle trek weg is, en de plage u kwelt, dan wordt deze vierde bede voor u, niet: „Geef mij heden mijn dagelijksch brood,” maar heel anders: „Geef mij heden het medicijn tegen mijn krankheid.”


Dit nu kan nog breeder uitgemeten, want in de nooddruft des lichaams is behalve brood en medicijn, nog zooveel meer begrepen. Ge hebt voor uw lichaam ook noodig een woning, die u tegen de guurheid der elementen beschut, een kleed om uw naaktheid te bedekken, een beddeke waarop ge slapen zult, eenig huisraad om uw spijze te bereiden, licht als het donker wordt, vuur tegen de koude, en zooveel meer. En ook dit alles zijn de gewone middelen, waarvan uw God zich bedient, om uw lichaam in stand te houden, en te beveiligen tegen allerlei inwerking van den Dood. Ook dat ligt dus alles in die vierde bede om het dagelijksch brood besloten. Ook dat alles geeft uw God u. Ook om dat alles zult ge Hem bidden. En dus ook, voor dat alles zult ge evengoed als voor uw dagelijksch brood Hem danken. Al is uw kleerkast overgevuld en al stapelt zich uw linnengoed op de planken op; al hebt ge slechts een kraan open te draaien om water of gas te hebben; al ligt uw kelder gevuld met brandstof; en al woont ge in uw eigen huis; toch is n dat huis n dat gas n dat water, n dat linnengoed n die kleeding n die brandstof niet van u, maar van uw God u in liefde toegebracht, en u uit genade geschonken, om de nooddruft des lichaams te verzorgen. De arme weet het dan ook zeer wel, wat het is te bidden, om een dak boven zijn hoofd, als hij op straat wordt gezet, wat het is te bidden om kleeding en deksel, als armoe dwong zooveel naar den lombard te brengen. En de vrome arme bidt dan ook om die dingen, en dankt zijn God, als hij een enkel maal dat alles bezitten mag. Maar de gewone burger en de rijke denken daar bijna nooit aan. Dat alles beschouwen ze veelal als het hunne, dat ze van zichzelf hebben. Wat God hun uit genade schonk, houdt hen van God af, en het is juist daarom dat Jezus zoo met nadruk zei, dat een rijke zoo bezwaarlijk zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen.

En hierme komen we vanzelf tot wat de Catechismus aan het slot, als de quintessens van deze vierde bede, aldus saamvatte: „dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepsel aftrekken en op U alleen stellen.” Dit toch is het einde van alle wijsheid: alle creatuur niets, God alleen alles. |527| Hij onze levenskracht, ons licht, onze sterkte, ons hoog vertrek, onze rotssteen, en het schild onzer hope. Lees en herlees de psalmen maar, en zie hoe deze hooge liederen der vroomheid nooit moede worden, u altoos weer tot die stemming des gemoeds op te wekken. De moeilijkheid voor ons is nog zoo telkens, om in het schepsel waarlijk een schepsel te zien, en niets dan een geschapen ding. Wij beelden ons nog zoo telkens in, dat een geschapen ding iets van zichzelf, iets met eigen inwonende kracht, iets met eigen inklevend vermogen is, zoodat we het ons buiten God denken, tegen God overstellen, en nu leven in de inbeelding, alsof er twee machten waren, waarme we te rekenen hadden, eenerzijds dat schepsel en anderzijds God. Tusschen die twee slingeren we dan. De eene maal zoeken we het bij de macht van het schepsel, en als het schepsel tekort schiet en ons begeeft, dn nemen we tot God onze toevlucht. Zoolang we gezond zijn en alles wel loopt en er geld in kas is, steunen we vaak op onze lichaamskracht, op onze wijsheid en op ons geld en goed. En eerst als we krank worden, en alles tegenloopt, en het geld opraakt, dan zoeken we den vergeten God op. Juist zooals de zeevaarder, die dagen lang voor wind en golven afdrijft, en lacht en spot en vloekt; maar als nu de stormen opsteken, en het schip komt in nood, en het roer werkt niet meer, dn wordt opeens die vloek in een gebed verkeerd, en heet het: o, God, help mij! En dit zondig bestaan moet nu tegengegaan. Dit mag niet geduld. En zij die God kennen, moeten er in de kracht des Heiligen Geestes tegen worstelen, tot ze van geheel deze valsche inbeelding verlost en afgebracht zullen zijn. Neen, uw geld is niets, en uw lichaamskracht niets, en niets is al uw wijsheid, tenzij voor zooverre God hierin werkt en deze middelen bezigt om u te leiden. Een creatuur is nooit iets uit zichzelf, noch in zichzelf, noch op zichzelf. Een creatuur kan noch mag ooit anders beschouwd worden, dan als een instrument en een middel waarvan God de Heere zich bedient, om zijn macht te laten werken. Van een tegenstelling tusschen God en het creatuur kan dus nooit sprake zijn. Op het creatuur te leunen en te steunen, alsof dit iets buiten God ware, is afgoderij. Het is aan het creatuur iets toekennen, wat alleen Gode toekomt, en dientengevolge op het creatuur een betrouwen stellen, dat ge alleen stellen moogt op den Heere uwen God. Al blaast de wind alleen in de zeilen, en niet onder in het schip, en al kom ik, onder in dit schip zittende, toch vooruit, daarom weet ik toch zeer goed, dat niet het schip, maar alleen de wind mij voortdrijft. Al snel ik langs de rails voort, zonder nu juist op de locomotief te zitten, toch weet ik daarom zeer goed, dat niet van den wagen waarin ik zit, maar alleen van den stoom van de locomotief de drijfkracht uitgaat, die mij vooruittrekt. Al heb ik geen |528| eigen gasfabriek in huis, zoodat ik gas ontsteek, zoodra ik slechts een kraan opendraai, daarom weet ik toch wel, dat het lichtgevend gas, niet uit die kraan, maar uit de fabriek komt. En zoo nu ook is het met alle creatuur. In alle creatuur werkt zekere kracht, openbaart zich zeker vermogen, dat ik merk, zoodra ik dat creatuur aanwend; maar de kenner weet daarom toch zeer wel, dat al deze kracht in het creatuur enkel afgeleide kracht is, en al deze mogendheid in het schepsel slechts afgevloeide mogendheid is, waarvan de bron en springader in God en God alleen ligt. Hij is de Almachtige, wat zeggen wil, dat er in hemel noch op aarde eenige andere kracht bestaat of werkt, dan kracht die in Hem was, en uit Hem ons toekwam. En daarom is het de onzinnigheid zelve in den zondaar, als hij op het creatuur steunt, en niet opziet tot dien God, die het creatuur voortbracht en in stand houdt. Hij is als een hond, die bijt op den steen, dien men hem toewierp. Hij blijft hangen aan de zaag, maar merkt niet op dat er een is die de zaag trekt. Hij ziet niet in dat het huis dezes aardschen op fundamenten rust, en komt er zoo in zijn overmoed en in zijn dwaasheid toe, om het Fundament van alle ding zich weg te denken, en zoo de eenige Vastigheid prijs te geven, die eeuwig blijft en eeuwiglijk stand houdt.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001