Tweede hoofdstuk.

En gij in uw hart zegt: Mijne kracht, en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verkregen. Maar gij zult gedenken den Heere, uwen God, dat Hij het is, die u kracht geeft om ver mogen te verkrijgen.

Deut. 8 : 17 en 18a.


In de bede om een bete broods, zonder meer, ligt de betuiging onzer volstrekte afhankelijkheid, en hierme de wortel van alle ware vroomheid. Niet alsof er vroomheid in zou liggen, om brood van uw God te vragen, als ge terdege honger hebt, en niets dan de leege broodmand op uw tafel staat; maar omdat verreweg de meesten van de kinderen des menschen in dien noodstand niet verkeeren. Helaas, het is zoo, er zijn ook in onze Christenlanden nog altoos enkele gezinnen, die als ze ’s morgens ontwaken voor de onbeantwoorde vraag staan, of ze dien dag brood zullen zien, en zoo ja, waar dit brood hun vandaan zal komen. Maar niet dit is de door Jezus gewilde toestand, waarin hij zijn jongeren de bede om het dagelijksch brood op de lippen legt. Z arm waren zijn discipelen niet. En de bedoeling van Jezus is derhalve, dat deze bede om de vervulling van de dagelijksche nooddruft ns uit het hart zal opklimmen, ook als er aanvankelijk, tenminste brood is. Daar nu deze bede bovendien de vraag om brood bepaalt tot het heden, d.i. tot het brood voor dien nen dag, is het alzoo duidelijk dat, naar Jezus’ bedoeling, deze bede niet op zal gaan uit |514| oogenblikkelijk broodsgebrek, maar door ons allen zal gebeden worden, ook al zien we nog best kans, dien nen dag met wat voorhanden is rond te komen. Hierop leggen we nadruk, omdat zelfs onder kinderen Gods zoo licht de bede om het dagelijksch brood verslapt, zoolang de nood niet aan den man is. Dit merkt men het sterkst in vergaderingen van Christelijke vereenigingen. Immers, zoolang de penningmeester geld in kas heeft, hoort men zelden in zulke vergaderingen om het dagelijksch brood voor zulk een vereeniging bidden: en eerst als God de Heere ons voor bange tekorten plaatst, begint die bede over de lippen te komen. Het is zoo, de nood leert bidden; zelfs geven we toe, dat de nood er is, ook om te leeren bidden; maar wie pas leert bidden, kan daarom nog niet bidden gelijk het behoort. De bede: „Geef ons ons dagelijksch brood heden,” wordt dan ook, waar men goed bidt, niet ingegeven door de vreeze, dat men anders van honger zal omkomen, maar om Gode de eere te geven. Ook zonder dat ge bidt, zorgt uw Vader die in de hemelen is, en duizenden bij duizenden, die nooit bidden, worden toch elken dag, soms zelfs weelderig door Hem gevoed. Ja, er zijn gevallen, dat er twee zijn, waarvan de n bidt, en nauwlijks brood ontvangt, terwijl de ander niet bidt, en dat toch hij juist zich baadt in weelde. De arme Lazarus, die van de kruimkens moest leven, zal wel gebeden hebben, maar ook al bad de rijke man vormelijk nog, gebeden met zijn hart had hij stellig niet. En zoo is het ook nu nog. Morgen aan morgen, en middag aan middag wordt er nog altoos een rijke, welvoorziene tafel aangericht in tal van huizen, waar men f het gebed reeds ganschelijk afschafte, f nog den vorm van het gebed bijhield, maar er het wezen sinds lang van verloor. Dan is er even stilte, men sluit half of driekwart de oogen, de handen zoeken elkander, er wordt zoo iets gepreveld, en dan komt het Amen en is het uit. Een soort bidden, als waarvan de Heere tot Isral in de dagen van Jesaja zeide: „Als ge het gebed vermenigvuldigt hoor Ik niet, en als ge de handen tot Mij uitbreidt, verberg Ik het aangezicht.” Een kwaad, dat waarlijk niet alleen in de huizen der goddeloozen voorkomt, maar ook onder Christenen wel bekend is, als de sleur van het leven den Geest bluscht, of als bij feestmaaltijden hoofd en hart vervuld zijn met aardsche gedachten, en schier niemand den toegang tot den Troon der genade onder het zoogenaamde bidden zoekt. Iets waaruit we niet de conclusie trekken, dat het dan maar beter ware niet te bidden; want ook in de ontzielde gewoonte ligt toch altoos nog een kracht ten goede; maar iets waarop we wijzen, opdat althans ons Christenvolk zijn schuld voor God zou inzien, en althans z op zijn gebed zou letten, dat zijn gebed het niet langer aanklage voor den Troon der ontfermingen Gods. Let er op, dat Jezus deze bede om het dagelijksch |515| brood vastknoopte aan de bede om de vergeving van onze schulden. Nu is, wie gelooft, van de vergeving zijner zonden gewis, hij weet zich verzoend in zijn Heiland, en toch wil de Heere, dat hij nog dagelijks die vergeving zal afsmeeken. En zoo nu ook staat het met deze bede. Een kind van God weet zeer wel, dat zijn Vader in de hemelen reeds voor hem gezorgd heeft of zorgen zal; maar desniettemin moet hij elken dag weer zijn bete broods van zijn God afbidden, opdat hij elken dag indachtig zij, en dit ook voor zijn God uitspreke, hoe hij ook dien dag alleen door de gunste en de genade zijns Gods het leven, den welstand en alle dingen bezit.


Dit stuk gaat zeer diep. Wie nog buiten God leeft, beeldt zich in, dat hij zijn leven en zijn welstand in eigen hand houdt, en dat het genot van de zon, die aan den hemel schijnt, en van de lucht die hij inademt, en van het water dat hij drinkt, hem vanzelf toekomt. Hij gebruikt elken dag zijn hersenen, en hij ziet door zijn oogen, en hoort met zijn ooren, en gaat op zijn voeten, wanende dat dit alles vanzelf zijns is, om eerst als waanzin dreigt, of blindheid intreedt, of doofheid hem plagen komt, of jicht hem aan zijn zetel bindt, van lieverlee te erkennen, dat ook dit zeer gewone hem kan ontnomen worden, om dan zijn God te gaan bidden, of hij het gebruik van hoofd en zintuigen en voeten terug moge erlangen, en verhoort God die bede, er voor te danken. Toch is dit natuurlijk valsch gedacht; want niet eerst als hij het gebruik van eenig zintuig erlangt, is dit Gods gave, maar het was Gods gave alle de dagen zijns levens, van zijn jeugd af aan, en het was niets dan verregaande oppervlakkigheid, en onnadenkendheid, dat hij zich inbeeldde, dat alles vanzelf te bezitten, en te genieten, zonder dat zijn God er de eere van ontving. Moet nu in een kind van God deze schuldige onnadenkendheid en zelfgenoegzaamheid stelselmatig door het geloof gebroken en overwonnen worden, dan ligt hierin opgesloten, dat een kind van God bij dit alles aan zijn God heeft te denken; ook zelfs bij het genieten van het licht en van de koestering der zon, overmits het God is die zijn zon over boozen en goeden doet opgaan, opdat, waar de booze zwijgt, de goede althans Hem de eere van zijn werk zal geven. Dit bedoelen wij niet in onnatuurlijken zin. Immers wij menschen zijn veel te beperkt, om elken dag en ieder oogenblik alle deze gaven van onzen God in te denken, er den zegen van in ons hart te doorleven, en uit de volle overtuiging des harten er Hem voor te danken. Dit kan eenvoudig niet. Maar wat wel kan, en daarom moet, is, dat Gods kinderen nu en dan in alle deze gewone zegeningen de goedheid huns Gods eeren, en Hem den prijs van zijn Naam er voor toebrengen. Doch |516| waar nu de bede om en de dank voor het licht in onze oogen, en den stroom in ons bloed, en de rapheid van onzen voet, en zooveel meer slechts nu en dan, ons tot dank zal uitdrijven, heeft Jezus het alzoo verordineerd, dat we althans elken dag eenmaal onzen God de eere zouden geven van de spijze waarmee Hij ons voedt. Hij spijst ook de jonge raven en Hij voedt ook de vogelen in het woud, maar deze kunnen Hem niet danken. Wij kinderen der menschen daarentegen hebben de dubbele gave ontvangen, n dat God ons voedt, n dat we dit weten, en omdat wij de eenige schepselen zijn, die hiervan kennis dragen, daarom rust op ons de plicht van gebed en dankzegging; en het is in het gebed en in de dankzegging van zijn menschenkind dat God de eere van heel het heerlijk werk der voeding en instandhouding van al zijn schepsel toekomt.


Ook al gaat ge aanzitten aan een welvoorzienen disch, waarop het brood en zooveel meer in overvloed gereed staat, toch is dat brood, dat daar voor u staat, nog het uwe niet. Zoo als het daar staat, is dat brood nog van uw God. Onze bede: Geef ons dat brood, is dus geen ijdele klank noch een innerlijke onwaarheid, maar ook dan, als het voor u staat, in letterlijken zin bedoeld. Ze beduidt dan: „Heere mijn God, dit alles is het uwe, Gij zijt dan ook dezen morgen en middag mijn gastheer. Kom dan nu, en geef het mij, en deel Gij het aan mij en aan mijn vrouw en kinderen uit, en laat ons alzoo saam bij uw genade leven.” — Want het is wel waar, dat gij brood zelf door uw arbeid gewonnen hebt, maar ook uw arbeid was de uwe niet. Immers al de kracht, die gij hebt ingespannen, om dat brood te verkrijgen, was kracht van God, die in u werkte. Het was in zijn dienst, dat gij dien arbeid verricht hebt. En wat die arbeid opleverde, is niet uw eigendom, maar blijft het eigendom van uw God. De arme weet dat dan ook zeer wel, en menig vrome onder de armen dankt zijn God wel degelijk, als hij des Zaterdagsavonds met zijn loon huiswaarts keert. De goddeloosheid op dit stuk, die bijna nooit dankt, vindt ge dan ook veel meer bij de rijker bedeelden, die om de maand of om de drie maanden hun salaris innen en hun coupons knippen: want waarlijk, als ge bijeen moest brengen de mannen en vrouwen, die de gewoonte hebben, om ook als hun salaris inkomt of de coupons verzilverd zijn, voor dit ingekomen geld hun God te danken, de schare zou bijster klein zijn. Er zijn er wel, die dit doen, maar ze zijn weinige in aantal. Iets wat ge wel niet hoofd voor hoofd na kunt gaan, maar wat ge wel merkt uit de verzekerdheid waarme ze over hun traktement en hun geld spreken. Het is of het alles buiten God omgaat.

En toch hier ligt de grondfout, want wie het loon op zijn arbeid of zijn |517| geldelijk bezit beschouwt, niet als iets dat Gode toekomt, en dus niet het onze, maar het Zijne is, komt tot het rechte bidden van de bede: „Geef mij heden mijn dagelijksch brood” nooit. Hij heeft geld, hij koopt er zijn brood en zooveel meer voor. Hij heeft brood te over, waarom zou hij dan voor brood dat het zijne reeds is, nog eerst bidden? Dit hangt dan evenzoo weer sam met veler onvermogen om mildelijk te geven. Ze zien niet in, dat hun geld van God is, en achten dus, dat ze al zeer vroom zijn, indien ze van hun eigen geld een kleine kleinigheid voor den arme, of voor Gods Kerke afzonderen. Vooral de gegoede middenstand ligt nog zeer vast in dit euvel beklemd. Ook de leden uit dezen stand toch geven wel, maar ze geven, o, zoo weinig. Zooveel minder dan ze konden en dan ze moesten geven. En dit nu komt alleen van die valsche voorstelling, alsof het geld dat in hun kast ligt, hun geld en niet het geld van God ware. Vr alle dingen heeft, wie vroom voor zijn God wil wandelen, deze valsche voorstelling dus te bannen. Neen, al uw geld is geld van God, ook al hebt gij er in zijn dienst voor geslaafd en gezwoegd; en dus ook al wat gij voor uw geld koopt, is en blijft van uw God, tot Hij het u toereike en u geve. En staat ge daarin nu eenmaal met uw overtuiging vast, dan spreekt het vanzelf, dat ge ook van het brood op uw tafel erkennen zult: „Ook dit brood behoort Gode toe,” en dat ge, wijl het Godes is, alvorens het te nemen, en te nuttigen, in den gebede uw God zult vragen: „Geef mij dit brood, dat het uwe is, opdat ik het uit Uw hand ontvange.” Dit dempt dan vanzelf de ontevredenheid, die zoo licht mort, als de spijze niet naar onzen smaak is, of ook niet rijkelijk genoeg naar onzen zin wordt toegediend.

Immers we hebben op niets, zelfs niet op het kleinste stukske brood recht; veeleer hebben we alles verbeurd; en het is uit loutere goedheid en genade, zoo het onzen God belieft, ons de nooddruft des levens te schenken.


Doch er ligt nog meer in deze bede, ze doelt ook op den zegen. Met dien zegen ligt het nu niet zoo, dat gij denken zult: „Ik heb mijn brood, als God er mij nu maar Zijn zegen bij verleent.” Neen, de zegen moet in het brood werken, omdat ook dit brood niet is en niet bestaat, zonder dat God het schiep en het als brood in stand houdt. Hij schiep het. Hij verordende de ordinantie, dat de aarde uit haren schoot met vele andere kruiden ook het vruchtbaar en voedend graan, de tarwe, de rogge, de mas en zooveel meer zou voortbrengen; en wel dat de aarde dit graan zou voortbrengen op zulk een wijze, dat er juist die bestanddeelen in zaten, die voor de voeding van het menschelijk lichaam noodig zijn. Doch hiertoe |518| bepaalt zich het doen onzes Gods niet. Ook als de aarde, op Zijn bevel, dat graan alzoo heeft vijortgebracht, en het gedorscht is, en de tarwe tot meel is vermalen, en uit dat meel het brood is gebakken, laat God dit brood niet aan zichzelf over. Het is niet, dat op uw tafel het brood buiten uw God ligt, en dat uw God in den hemel is, maar op hetzelfde oogenblik, dat gij uw brood tot u neernt, is het de almogende en alomtegenwoordige kracht Gods, die dat brood draagt, dat brood brood laat zijn, en in dat brood de voedende kracht onderhoudt. Wat u voedt en uw leven in stand houdt is dan ook niet dat brood, maar de kracht Gods, die in dat brood werkt, of gelijk Mozes het in Deut. VIII tot Isral zeide, en Jezus het tot Satan herhaalde: „Ge leeft niet van het brood, maar van het woord dat uit Gods mond uitgaat.” Een uitspraak, die wel schromelijk misduid en mishandeld is, en die nog telkens, zelfs soms door orthodoxe predikanten, vertolkt wordt, als stond er: „Ge zult niet enkel voor brood voor uw lichaam zorgen, maar veel meer hiervoor dat ge uw ziel met de Schrift voedt.” Maar een uitspraak waarvan het misbruik toch allengs afneemt, nu men almeer gaat inzien hoe vs 3 verklaard en toegelicht wordt in vs 17 en 18 van dit zelfde hoofdstuk, waar Mozes zoo nadrukkelijk tot Isral zegt: „Ge zult niet in uw hart zeggen: Mijn kracht en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verworven; maar gij zult gedenken, dat het de Heere uw God is, die u kracht gaf, om dit vermogen te verwerven.” De uitspraak: „De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord dat uit den mond Gods uitgaat&3148; sloeg op het Manna. Isral had toen geen brood, en toch bleef het leven, omdat er een woord Gods uitging, dat het Manna zou nederdalen; en toen heeft Isral van dit woord Gods, zonder brood, enkel bij het Manna geleefd. Op ons geduid beteekent het alzoo, dat er dag aan dag een woord Gods uitgaat tot deze aarde, dat deze aarde ons voeden zal, en dat het dit scheppend en onderhoudend woord van onzen God is, waardoor ons leven in stand blijft. Van een geestelijk woord, van het woord der Schrift, noch van het woord der genade is hier alzoo sprake. Deze vierde bede doelt op het lichaam en op het lichaam alleen, en ook in Deut. VIII : 3 wordt alleen op dat machtwoord Gods gewezen, waaruit ons de zegen bij de voeding en instandhouding van ons lichaam toekomt. Zeer juist zegt dan ook de Catechismus, dat in deze vierde bede de betuiging ligt, „hoe noch onze arbeid, noch onze zorge, ja, zelfs Gods gave niet, ons zonder zijn zegen kan gedijen.” Die zegen komt derhalve niet bij het brood, maar God werkt dien zegen in ons brood. Als Hij in dat brood niet Zijn almogende en alomtegenwoordige kracht laat werken, nut het ons tot niets. En als Hij, nadat wij dit brood gegeten hebben, het, met eerbied gesproken, niet |519| ook in onze maag draagt door Zijn kracht, en daar die werking laat doen, waartoe Hij het brood verordineerd heeft, dan blijft ons bloed arm en ontzinkt ons de kracht. Ongetwijfeld is er ook een zegen in, als God de olie in de kruik en, het meel in het vat niet laat verteren, maar het is in hooge mate verkeerd, als men daarin alleen den zegen zoekt; want wat in Zarphath gebeurde was een wonder, dat God thans niet herhaalt. Wie alleen daarin den zegen zoekt, moet dus wel besluiten, dat Gods zegen een hooge uitzondering is, en ophouden te bidden om zulk een dagelijkschen zegen, daar toch de zegen in dien zin niet terugkeert.

Het is daarom zoo zaak, helder in te zien, dat de zegen ligt in de werking van de almogende en alomtegenwoordige kracht, waarmee God de Heere ons het brood, dat op onze tafel ligt, en straks in ons lichaam afdaalt, in stand houdt en brood laat zijn. Zeker, God is in den hemel, en daarom roepen we Hem als onzen Vader in de hemelen aan, maar Hij is en blijft desniettemin alomtegenwoordig. In Hem leven we, bewegen we ons en zijn we. Er is nooit op onze tafel ook maar het kleinste stuk brood, of op hetzelfde oogenblik, dat het daar ligt, is het Gods kracht die het draagt. Wie teeder en nabij zijn God leeft, ziet dus in zijn brood niet alleen de liefde Gods, die het hem schenkt, maar ook een bewijs en tevens een toonbeeld van de almogende kracht Gods; en als hij dan bidt om den zegen wil hij daarmee te kennen geven, dat zelfs de gave van het brood hem niet helpt, indien God de Heere zijn kracht inhoudt; en daarom bidt hij, dat het Gode believen moge, om kracht in het brood te blijven werken, niet alleen terwijl het op zijn tafel ligt, maar ook straks' als het in zijn lichaam in bloed moet worden omgezet. Gods zegen begint op den akker, verzelt de tarwe als er meel uit wordt, en dat meel als ge er brood uit bakt, en dat brood als ge het nuttigt, en het straks om wordt gezet in de bestanddeelen van uw eigen bloed. Alle andere beschouwing doet God alleen in het buitengewone zoeken, maar verzuimt Hem in alle ding ook van het gewone leven te zien. En dit nu juist was steeds der Gereformeerden bedoelen, dat ze het uit de Schrift zouden leeren, om Gods werk en de openbaring zijner mogendheid in alle ding te eeren, en alles zonder onderscheid te laten afhangen van zijn Goddelijken zegen.


„God de eenige oorsprong van alle goeds,” dat ons toekomt, gelijk de Heidelbergsche Catechismus het zoo volledig uitdrukt, is dan ook metterdaad de diepste gedachte, die aan deze vierde bede ten grondslag ligt. Niet uw brood van God, maar het wondere maagsap dat dit brood in bloed moet omzetten, het uwe. Neen, alles, alles, zonder onderscheid, wat buiten uw lichaam of in uw lichaam tot uw voeding en instandhouding |520| meewerkt is zijn gave, werkende naar zijn ordinantin en door zijn Goddelijke kracht. Zoo opgevat ligt er alzoo in deze vierde bede een dagelijksche onderwijzing, die u elken morgen lokt en noodt, om de almogende kracht uws Gods te belijden, en te erkennen, dat gij in uzelven, ook voor uw lichaam, niets kunt en niets vermoogt, tenzij Hij de kracht er toe in u werke. En dit nu moet erkend en beleden, niet enkel in dagen van ziekte, als de trek vergaat en ge het brood staan laat, en nu zelf ervaart, hoe brood u niet helpt, als God het niet gedijen laat, en het niet ook in uw lichaam verzelt met de kracht Zijner heilige ordinantie; maar het moet evenzeer betuigd en uitgesproken al den dag, dat u kracht en welstand wordt gegund. Gezondheid, zegt men, is een groote schat, maar de menschen beginnen er pas om te bidden als ze ziek zijn, en er even voor te danken, als ze uit ziekte worden opgericht. En toch wat is welstand, wat is gezondheid anders, dan de zegen Gods over uw lichaam? Gezond zijt ge en wel gevoelt ge u, als de ordinantie Gods over het menschelijk lichaam ook in uw lichaam normaal werkt. Elke dag van uw leven is alzoo voor dien welstand een kostelijke gave, die u van den Oorsprong alles goeds toekomt, iets dat ge niet uit uzelven hebt, en waarom ge Hem dus elken dag hebt te bidden, en waarvoor ge Hem elken avond hebt te danken. Zoo ligt dan in deze vierde bede heel ons uitwendig bestaan in. Heel onze lichamelijke existentie. Wie deze bede bidt, erkent dat hij niet enkel naar de ziel, maar evenzoo naar het lichaam van oogenblik tot oogenblik alleen door de gunst zijns Gods bestaat; en daarom vraagt hij elken morgen weer, dat de gunst zijns Gods in het lichamelijke hem voor dien dag moge verleend worden, en, als de dag weer om en Gods goedheid weer genoten is, dankt hij elken avond voor wat hem in zijn lichamelijke existentie uit die gunste zijns Gods toekwam. Want dit spreekt wel vanzelf, op elke bede past een dankzegging. In den morgen: „Geef ons heden ons dagelijksch brood,” en in den avond: „Ik dank U, Heere, dat Gij mij voor dezen dag mijn brood geschonken hebt.”




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001