Zondagsafdeeling L.

Vraag 125. Welke is de vierde bede?

Antwoord. Geef ons heden ons dagelijksch brood. Dat is: Wil ons met alle nooddruft des lichaams verzorgen, opdat wij daardoor bekennen, dat Gij de eenige oorsprong alles goeds zijt, en dat noch onze zorg en arbeid, noch uwe gaven zonder uwen zegen ons gedijen, en dat wij derhalve ons vertrouwen van alle schepselen aftrekken en op U alleen stellen.


*

Eerste hoofdstuk.

En Hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij niet kendet noch uwe vaderen gekend hadden, opdat Hij u bekend maakte, dat de mensch niet alleen van het brood leeft, maar dat de mensch leeft van alles wat uit des Heeren mond uitgaat.

Deut. 8 : 3.


De vierde bede is de eerste van het laatste drietal. In het eerste drietal beden richtte zich het verlangen der ziel op de eere Gods, en daarom heette het: „Uw Naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome en Uw wil geschiede.” Thans echter, met de vierde bede, wordt dit anders, want nu heet het: „Geef ons brood; Vergeef ons onze schulden; en Leid ons niet in verzoeking.” Hierop nu moet scherp gelet, omdat anders de biddende ziel niet genoeg aan zichzelve ontdekt wordt. Immers het Onze Vader toont en leert ons, dat het dan alleen goed met onze zielsuiting gesteld is, indien, vanzelf en ongedwongen, uit innige liefdesdrang voor onzen God, vr alle dingen, de bede om Gods Naam, Koninkrijk en Wil ons uit de ziel opkomt; en dat het niet wel met ons is, bijaldien die drievuldige bede f uitblijft f achteraan komt. Ook in ons bidden geldt het eerste en het hoogste gebod: „Gij zult den Heere uw God liefhebben met heel uw hart en heel uw ziele.” Dat het nu juist drie beden zijn, die het Onze |507| Vader hiervoor op onze lippen legt, houdt natuurlijk niet in, dat we altoos juist een drietal beden uit de liefde voor God moeten laten opkomen, maar wel dat de smeeking voor de eere onzes Gods een eigen kring in ons gebed moet vormen; er niet zoo ter loops bij moet komen, maar een eigen stuk in ons gebed moet uitmaken; en dat te dien einde in ons bidden onze gedachten beginnen moeten met zich ganschelijk van eigen nood af te trekken, onszelven en onzen naaste te vergeten, en ons geheel voor onzen God te verloochenen, ten einde geheel onze gedachtenwereld te laten innemen door de liefde voor onzen God. Is dit nu bij u alzoo het geval, dan zult ge zelf bespeuren, hoe uw smeekingen vanzelf een zekeren kring doorloopen, en na dien kring doorloopen te hebben, haar rustpunt bereiken, en het is deze kringloop van uw beden voor de glorie uws Gods, die door dit drietal wordt aangeduid. Door den aanroep van het Onze Vader, die in de hemelen zijt, moet uw ziel zich losmaken van het aardsche, van uw huis, van u zelf, van uw eigen ik, om nu op te klimmen naar boven en zich op te heffen tot den God uws levens. Hem alzoo in de verheffing der ziele ontmoetende, en in het bloed des Middelaars toegang tot den Troon zijner genade vindende, moet ge dan, door zijn deugden en volmaaktheden bekoord, verlangen naar de eere zijns Naams, naar de komst van zijn Koninkrijk en naar het heerschappij voeren van zijn Wil; en zoo eerst moet ge dan weer nederdalen naar de aarde, naar uw huis, naar uw ik, naar uw zorgen, om alsnu in een geheel anderen kring van smeekingen in te gaan, en de genade Gods in te roepen ook voor uw lichamelijke en geestelijke nooden.

Ook dit tweede drietal beden vormt nu op zijn beurt een drievoud, en alzoo een geheel, een afloopend perk, een afgesloten kring; waarvan ook hier niet de bedoeling is, dat ge altoos juist deze drie beden zoudt stamelen, maar wel dat uw gebeden en smeekingen voor u zelven steeds zekere eenheid, zekere afronding zullen hebben, en niet halverwege zullen blijven steken. Het mag voor u zelven niet enkel een bidden zijn, om gered te worden uit lichamelijken nood, maar moet tevens aldoor zijn een bidden, om gered te worden uit uw geestelijken nood. Dus ook omgekeerd, moet niet alleen uw geestelijke, maar steeds k uw stoffelijke nood in uw gebed voor uw God worden uitgedragen. In de tweede plaats mag uw geestelijke nood niet enkel op uw zondig verleden slaan, maar moet ook uw geestelijke toekomst insluiten. Niet alleen: „Vergeef mij mijn schuld van vroegere zonden;” maar altoos er bij: „Leid mij in de uren die komen, niet in verzoeking.” Dus ook niet enkel een bede om heiligmaking voor de toekomst, maar altoos evenzeer een bede om verzoening voor het verleden. In de derde plaats zal er ook deze orde zijn, dat ge |508| met uw lichamelijken nood in het heden begint, dan overgaat tot uw geestelijken nood van het verleden, en zoo eerst uw behoefte aan genade voor de toekomst uitspreekt. Wie bidt, knielt ner in het heden, ziet terug op het verleden en ziet voor zich uit in de toekomst; en juist in die volgorde plaatste Jezus de drie beden in het tweede drietal achter elkander. Eerst: „Geef ons heden ons brood.” Dan: „Vergeef ons onze schuld in het verleden.” En eindelijk: „Help ons tegen Satan in de toekomst.” En ten slotte, want ook hierop dient gelet, onze naaste moet in alle deze nooden dezelfde liefde in ons gebed vinden als we in onze smeeking onszelven toedragen. Immers, in alle drie deze beden is het niet: mij, maar altoos: ons. Het is de bidder, die met zijn eigen nood, met den nood der zijnen, n met den nood van heel de menschheid, priesterlijk voor zijn God verschijnt.


Is hiermee duidelijk genoeg aangewezen, welke leiding voor den inhoud, voor de orde, en voor de volledigheid van ons gebed, in het Onze Vader is aangegeven, dan dient thans de eerste bede van dit tweede drietal van naderbij bezien. Een korte opmerking ga hierbij vooraf over den tekst van deze vierde bede. In onze overzetting luidt ze: „Geef ons heden ons dagelijksch brood,” of ook in den ouderen vorm: „Ons dagelijksch brood geef ons heden.” Moeilijkheid levert hierbij alleen het woord dagelijksch op. Wij zijn nu aan die vertaling, die vooral Luther in zwang bracht, eenmaal gewoon, en niet licht zal een andere vertaling in gebruik komen. Reeds Calvijn echter merkte op, dat het woord epi-ousios, dat hier in het oorspronkelijke Grieksch staat, letterlijk iets anders beteekent. Het is jammer genoeg, een woord, dat alleen hier voorkomt, en waarschijnlijk zeggen wil: zooveel brood, als voor ons genoeg en toereikend is, in tegenstelling met peri-ousios, dat overvloedig beteekent. De zin is dan hetzelfde als wat de vrome in het Oude Verbond bad: „Armoede of rijkdom geef mij niet, voed mij met het brood mijns bescheiden deels.” Daar nu echter: dagelijksch ongeveer dezelfde gedachte uitdrukt, in zooverre dit beduidt: „het brood dat ik voor dezen dag behoef,” is er geen oorzaak, om in een gebed, dat ieder van buiten kent, en aan welks uitdrukkingen we van kind af gewend zijn, een verandering of wijziging aan te brengen. Onze opmerking strekte dan ook alleen om te voorkomen, dat de geloovigen niet van streek worden gebracht door de uitstalling van sommiger geleerdheid, die met een verwijzing naar den oorspronkelijken tekst zoo licht de gemoederen verontrusten.

Bij de bespreking dezer bede sta nu op den voorgrond, dat alle vergeestelijking hier misplaatst en ongeoorloofd is. Men mag deze bede niet |509| toepassen op het brood van het heilig Avondmaal, en evenmin op het „Brood des Levens, dat uit den hemel is neergedaald.” Beide heeft men herhaaldelijk gedaan, en sommigen doen dit nog wel; maar op wat wijs dit ook geschiedt, het druischt altoos tegen de strekking en tegen de orde van het Onze Vader in. In de orde van het gebed, dat Jezus ons geleerd heeft, bedoelt deze bede juist, om ook aan onze lichamelijke nooddruft een eigen plaats in onze gebeden te verzekeren. Wie deze bede desniettemin vergeestelijkt, randt alzoo het Woord des Heeren aan, en neemt uit het Onze Vader weg, wat de Christus er opzettelijk in heeft gelegd. Omgekeerd zij opgemerkt, dat de lichamelijke nooddruft slechts ne bede in het Onze Vader heeft, tegenover de vijf beden van geestelijke strekking: iets waarin natuurlijk een duidelijke aanwijzing ligt, dat hij verkeerd bidt, die deze orde omkeert, en velerlei smeeking opzendt voor den lichamelijken nood, maar de geestelijke nooden tot een enkele bede beperkt. Ook worde niet uit het oog verloren, dat de bede voor onze lichamelijke nooddruft in dit drietal vooropgaat. Dit nu is echt menschelijk. Ge moet eerst leven, om voor uw God te kunnen leven, en uw leven als mensch op aarde hangt nu eenmaal naar Gods beschikking aan uw brood. Dit is niet in tegenspraak met wat Jezus elders zegt: „Zoek eerst het Koninkrijk Gods en al deze dingen zullen u toegeworpen worden,” want ook in het Onze Vader gaan aan de bede om het brood, drie beden voor Gods Koninkrijk vooraf. De bede dat de Naam des Konings glorie hebbe, dat zijn Koninkrijk kome, en dat zijn onderdanen zijn wil mogen volbrengen. Maar als het gebed nu toekomt aan onszelven, dan moet alle gebed uitgaan van onzen lichamelijken nood; niet om hierin te blijven hangen, want er volgen straks nog twee beden voor den geestelijken nood, maar wel om hiermee te beginnen.

In verband hiermede heeft de bijvoeging van het woordeke: heden, een zeer opmerkelijke kracht. In het algemeen beperkt de bidder in het Onze Vader zich volstrekt niet tot het heden. In de drie beden die voorafgingen, breidde zijn bede zich veeleer tot in de eeuwigheid uit. Dit gevoelt men het duidelijkst bij de bede: „Uw Koninkrijk kome,” waar het Maranatha en het verlangen naar de wederkomst van Christus zoo duidelijk in ligt uitgesproken. Ook de 5e en 6e bede blijven niet bij het heden staan, maar zien terug in het verleden en vooruit in de toekomst. Dat hier zoo nadrukkelijk het woordeke: heden bij wordt gevoegd, is dus geen overtollige uitbreiding noch ook toevallig, maar opzettelijk. Onze Heiland heeft door dit woordeke onze biddende ziel geheel ingeleid in wat Hij elders aldus uitdrukt: „Daarom zijt niet bezorgd voor uw leven.” De uitdrukking toch: voor uw leven, doelt niet enkel op den dag van heden, maar sluit |510| heel onze toekomst in. En die zullen we niet in onze eigen hand nemen, maar rustig aan onzen God toevertrouwen. Elke dag vormt een eigen kring, is een afgesloten geheel. Onze slaap in den nacht scheidt den dag van heden van dien van morgen af. Als de zon ondergaat gaat de dag onder, en als de zon straks weer uit haar tente te voorschijn treedt, is er een nieuwe dag begonnen. De indeeling van dag en nacht nu heeft God de Heere gemaakt, en ons zullen ze tot teekenen zijn. We zullen uit dien hoofde die grenzen tusschen dag en dag niet laten verflauwen noch ze uitwisschen, maar ze eerbiedigen. De dag van morgen zal voor zichzelven zorgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. Onze zielskracht is er niet op aangelegd, om de zorgen van meer dan n dag op eenmaal te dragen. De zorge voor den dag, dien we beleven, is reeds genoeg en te over. Dien dag ontvingen we van onzen God. Of ook de dag van morgen de onze zal zijn, is zijn mysterie. Wij weten het niet. En indien het Gode behaagt, om ons ook den dag van morgen te schenken, zal er ook morgen een toegang tot den troon der genade zijn, om alsdan voor dien dag Hem aan te loopen. Uit dien hoofde nu moet het gebed voor onze lichamelijke nooddruft tot den dag van heden bepaald en beperkt worden. Anders gaan we van God op den Mammon over en worden in de veelvuldigheden en in de zorgen des levens verstrikt. Gelijk uw Sabbath uw weken indeelt, en ge die indeeling niet kunt verwaarloozen zonder uzelven de ruste en den vrede uwer ziel te rooven, zoo ook deelt uw dag uw levensuren in, en wie ook die indeeling niet tot haar recht laat komen, verontrust noodeloos zijn eigen gemoed en gaat zijn God voorbij, die op zich nam, om voor u te zorgen. Iets waarbij nog zij opgemerkt, dat in dit „heden” de aanwijzing ligt, om elken dag opnieuw te bidden, en zelfs tot op zekere hoogte de aanwijzing om het Onze Vader geen enkelen dag over te slaan. Juist toch door dat heden duidde Jezus aan, dat Hij een gebed gaf voor alle dagen.


De bede vraagt om: brood, om niets meer, om niets bij dit brood. In het paradijs was tot den gevallen mensch gezegd: „In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten,” en het is om dit gewone, droge brood, dat elk menschenkind elken dag zijn God heeft te bidden. Dat het onzen God behaagt, ons veelal meer dan brood te geven, is een overtolligheid. Desnoods is brood en water genoegzaam om het leven in stand te houden. Buiten brood kunnen we niet. Ons lichaam is alzoo door God geschapen, dat de stof er in wisselt, en dat alzoo de stof in ons telkens afneemt. Eten is dan ook feitelijk niets anders dan de verteerde stof door nieuwe stof aanvullen, wat verbruikt werd vernieuwen. Doch stipt genomen is |511| brood en water hiervoor voldoende. Dat er nu alleen van brood gesproken wordt, is omdat vooral in een bergland, als waarin Jezus omwandelde, allerwegen beken ruischen van frisch en heerlijk water, en het water er dus altoos is. Niet het water, alleen het brood kostte in Jezus’ omgeving geld of inspanning. Dat wij nu behalve brood nog allerlei andere spijs en toespijs, en behalve water nog allerlei andere middelen tot lessching van onzen dorst ter beschikking hebben, is gevolg van de overvloeiende goedheid onzes Gods, die zelfs allerlei ooft en vruchten groeien liet, ons het vleesch ten spijze verordineerde, en den wijnstok, de koffieboom, den theeboom en zooveel meer wassen liet. Maar recht hebben we op niets, en door in het Onze Vader alle bede om lichamelijke nooddruft te beperken tot de bede om het brood, wil Jezus tweerlei stemming in onze biddende ziel opwekken. Vooreerst dat we op niets meer dan op brood aanspraak zullen maken; en ten andere dat we dag aan dag beseffen zullen, wat groote goedheid er in ligt, zoo God de Heere ons behalve brood nog iets anders en nog iets er bij geeft. Men zegt wel eens, dat iemand de broodkruimels steken, en duidt hierdoor aan, dat hij allerlei pretentin heeft, om lui en lekker te leven, en op het kostelijk brood met zekere minachting, als voor hem te onbeduidend, neerziet. Dit nu is in hooge mate ongodvruchtig. Veeleer voegt het ons het wonderschoone voedingsmiddel, dat God ons in het brood gegeven heeft, hooglijk te eeren. Het brood is metterdaad een voor den mensch geheel beschikt en op den mensch geheel berekend voedsel, dat, met het water saam genomen, bijna alles in zich bevat, wat wij tot onderhouding van ons lichaam behoeven. Brood heeft een ieder noodig, met minder kan ons lichaam het niet doen, en het is daarom hardvochtig en onbarmhartig, indien ook maar aan eenig mensch het brood onthouden wordt. Maar brood is dan ook voldoende, en die velen die thans onder ons ontevreden op de tafel neerzien, als er niets dan brood is, en niets om bij en op dat brood te gebruiken, staan schuldig aan ondankbaarheid. Zoolang uw God u nog elken dag brood genoeg geeft om uw lichaam te voeden, hebt ge over niets te klagen. Voor wat daar bij komt, zult ge dubbel dankbaar zijn, en steeds bij dat meerdere gedenken, dat al dat overige overtollige goedheid van uw God voor u is. Ge moogt daarom dat meerdere, zoo uw God het u geeft, wel gebruiken en genieten, maar gebannen en uitgesloten moest elke gedachte zijn, alsof, zoo uw God u niets dan brood gaf, u eigenlijk onrecht zou geschieden. Ook zullen de ouders bij de opvoeding wl doen, in dit opzicht geen valsche gedachte bij de kinderen te kweeken. Zoo nu en dan een enkelen dag niets dan brood te eten en water te drinken, en van al het overige te vasten, is kostelijke voorbereiding om het Onze Vader des te beter te leeren verstaan. |512|

Dat brood leert Jezus ons nu afbidden, geheel onverschillig of we arm zijn of rijk. Toch spreekt het vanzelf, dat de arme dit veel gemakkelijker op ernstige wijze leert bidden, dan de meervermogende. Wie te midden van rijken overvloed leeft, altoos brood zooveel hij wil in de broodkast gereed heeft liggen, en zelfs het brood slechts als een bijzaak bij al zijne andere voeding beschouwt, verkeert niet zoo gemakkelijk in de stemming, om wel waarlijk uit zielsdrang zijn God om brood, om brood voor dien nen dag, en om niets dan brood te bidden. Wie arm, vooral wie doodarm is, en als hij opstaat geen brood in huis heeft voor zich en zijn kinderen, en niet weet hoe hij er aan komen zal, komt tot die bede als vanzelf. Hij heeft geen brood. Wat dan natuurlijker dan dat hij zijn God bidt: „Vader, geef mij voor heden mijn brood.” Maar wie rijk is, en kast en kelder wel gevuld heeft, en voor zijn geld laat halen wat hij wil, ja wiens bakker en slager elken morgen vanzelf thuisbrengen al wat hij maar koopen wil, komt uit zichzelf tot die bede nooit, en moet tot die bede eerst door den Heiligen Geest bekwaamd worden. Danken kan de rijke misschien nog uit zichzelf, als hij al zijn rijkdom en zijn weelde indenkt, en dan tot zichzelven zegt: „Wat onderscheidt mij, dat ik de rijke man ben en niet de arme Lazarus?”; maar bidden om brood dat hij nauwelijks acht, en dat in overvloed op zijn tafel ligt, en straks grootendeels allicht weer ongebruikt van de tafel afgaat, neen, dat kan, wie nooit gebrek kende, niet anders leeren dan door den Heiligen Geest. Ja, zelfs zij, die zonder rijk te zijn, toch eenigen meerderen welstand genieten, en wel het brood niet verachten, maar er toch altoos boter, en soms meer op hebben, en elken middag een warm maal, komen uit zichzelf bijna nimmer in de stemming, dat ze uit gevoel van behoefte hun God bidden zullen, om een stuk brood voor dien nen dag. Ze kennen daarom wel zorge, als de winkel niet zooveel afwerpt, of wissels moeilijk te betalen zijn, en daarom zullen ze hun God wel om hulpe ook in hun tijdelijke zaken bidden; maar zooals Jezus het hier op onze lippen legt, dat we elken dag zullen bidden, om uit genade voor dien dag een stuk brood van onzen God te ontvangen, komt ook hun niet vanzelf uit het hart op, maar moet ook hun geleerd door het Woord, bij het licht en onder de inwerking des Heiligen Geestes. Menschen die heel het Onze Vader, en dus ook deze bede, elken dag opnieuw, uit innige zielsbehoefte bidden, zijn er dan ook maar weinigen.

Let nu in verband hiermee op het „ons.” Geef ons ons dagelijksch brood. En laat dit ons de rijken en meer gegoeden althans op den weg helpen. Al hebben ze toch zelven brood te over, ze weten toch ook wel, dat er duizenden om hen heen leven, die met kommer, ook om het brood, elken nieuwen |513| dag tegengaan. Al hebben ze dan ook zelven al wat hun hart begeert, laat ze dan beginnen met hun gedachten, in hun gebed, ook te laten uitgaan naar de velen, die in zorg en kommer verkeeren, en schier niet weten hoe van den nen dag op den anderen te komen. Immers, dan voor het minst zullen ze terstond gevoelen, dat die bede: „Geef ons heden ons brood” wel waarlijk innerlijke waarheid bevat, en geen fictie is. En als ze dan van het gebed opgestaan, neerzien op hun eigen overvloed en gedenken dien bangen nood waarin anderen verkeeren, en het angstige woord van honger, iets dat ze zelven nooit kenden, hun door de ziel snijdt, dan zullen ze na zulk een gebed, allicht iets meer gevoelen van hun roeping, om rentmeesters Gods over hun goed te zijn, en williger dan anders de hand uitstrekken, om dienaren en dienaressen Gods te zijn in het verstrekken van het dagelijksch brood aan hem die geen brood heeft.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001