Tweede hoofdstuk.

Want wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloediglijk hebben; maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook wat hij heeft.

Matth. 13 : 12.


Slotsom van ons vorig hoofdstuk was, dat het Gebed niet maar volledigheidshalve, k nog in den Catechismus ter sprake komt, maar dat het Gebed niets minder is dan n der drie noodzakelijke geledingen, n der drie onmisbare schakels, in het geheel der Christelijke onderwijzinge. Het „Gebod”, het „Geloove” en het „Gebed” zijn de drie stukken die saam het machtig geheel der „Christelijke Leere” uitmaken. Zeer terecht heeft de Christelijke Kerk dan ook alle eeuwen, door, alle Christelijke onderwijzing vastgeknoopt aan de Tien Geboden, de Twaalf Geloofsartikelen en het Onze Vader; en bij het werk der Zending er zich van oudsher, onder alle natie, op toegelegd, om deze drie aan de nieuw bekeerde volken in te prenten. In den laatsten tijd is men hierin slapper geworden, maar zoolang het kerkelijk besef in de Zending leefde, en geen oogenblik hel, doel uit het oog werd verloren, om de Kerk van Christus ook onder die nog afgekeerde natin te planten, begreep men zeer terecht, dat er een vaste gedachtenkring voor de nieuw bekeerden moest ontsloten worden; dat die gedachtenkring uit het middenpunt van de Heilige Schrift moest worden aangenomen; en dat de ommeloop van dien gedachtenkring volledig moest zijn. En voor dit doel nu bood zich „de Wet”, het twaalftal „geloofsartikelen” en het „Onze Vader” vanzelf aan. Deze drie stukken toch waren aan heel de kerk van Christus op aarde gemeen. In gewijde formuleering lagen ze gereed. En saam omvatten ze in kiem en kern geheel en volledig den inhoud van dat de Christelijke religie van allen valschen godsdienst onderscheidde. Wie op deze drie het Amen zijner ziel uitsprak, had gebroken met wat uit den „Vader der leugen” was, en had zich toegekeerd tot den „Vader in de hemelen”.

En nu is het volkomen waar, dat deze manier van onderwijzing in den aanvang niet diep ging, op vrij bedenkelijke wijze in de oppervlakte bleef hangen, en bij velen in weinig meer dan in een nastamelen van woorden bestond; maar hier staat tegenover, dat vele natin nog op zoo lagen trap van geestelijke ontwikkeling staan, dat er aan een dieper indringen in de Christelijke mysterin voor hen niet te denken valt. Want wel vindt men tot zelfs onder de Kaffers enkele schrandere en diep gevoelende personen, met wie men aanstonds veel verder kan gaan, maar de groote massa is daarvoor onbekwaam. Zelfs in nze steden en dorpen vindt ge nog in vrij grooten getale mannen en vrouwen, die ja lezen en schrijven kunnen, maar wier geest zoo bot en wier vermogen zoo beperkt is, dat ge, zelfs aan de hand van het Kort Begrip, ze niet dieper in kunt leiden. En wat wilt ge dan met die geheel onontwikkelde massa in Azi en Afrika uitrichten, die eeuwen lang geen andere noch hoogere religieuse aandrift gekend heeft, dan om zekere werktuigelijke vormen waar te nemen en bijgeloovig op zekere doellooze gebruiken acht te nemen. Waarlijk, ge zijt reeds zoo ongelooflijk veel gevorderd, als ge voor zulke lieden door de „Wet”, de „Geloofsartikelen” en het „Onze Vader”, een geheel nieuwen gedachtenkring weet te ontsluiten; indien ze van lieverlee wennen aan de hoog-godsdienstige en zedelijke denkbeelden, die in deze drie stukken begrepen zijn; en indien ze van geslacht op geslacht gaandeweg iets dieper in den rijken inhoud er van indringen, er iets meer van beginnen te verstaan, en er iets krachtiger door worden bewerkt.

Zelfs onder ons mag de grondslag van deze drie stukken nooit verlaten worden. Die drie stukken moeten ook in de meest ontwikkelde Kerk het gemeengoed van alle geloovigen zijn; de band der eenheid; die de diepst ingeleiden met de eenvoudigsten in de gemeente verbindt; en die aan allen saam, oud en jong, n gemeenschappelijk uitgangspunt biedt; bovenal n taal, die maakt dat een gelijke prediking voor allen mogelijk blijft. Waarin de Christenen ook op de aarde verschillen, in deze drie stukken vinden ze elkander weder; en veilig mag beweerd, dat in kringen waarin men van deze drie stukken in hun samenhang vervreemd is, de breuke met de Christelijke religie is tot stand gekomen. Juist door om deze drie stukken: Gebod, Geloove en Gebed heel zijn inhoud te groepeeren, of liever nog uit deze drie stukken heel zijn inhoud af te leiden, handhaafde de Heidelberger zijn historisch Christelijk karakter, en verschafte hij zich den waarborg van voor lange eeuwen en onder tal van natin bruikbaar te zijn.


Komen we nu op het wezen zelf van het Gebed, dan is het volkomen natuurlijk, dat men vooral in een Gereformeerde Kerk zich in de eerste plaats afvraagt, waarom toch het Gebed ons Christenen van noode is . . . . Het ligt toch in den aard der zaak, dat diep ontzag voor de majesteit des Heeren, en een daaruit voortvloeiende besliste verfoeiing van alle Pelagianisme soms onwillekeurig de vraag in de ziel doet oprijzen: Waarom bid ik nog? Of, om in Jezus’ eigen woorden te spreken: Weet dan mijn Vader in de hemelen, eer ik bid, niet reeds vooruit, dat ik alle deze dingen van noode heb? Kent en doorgrondt Hij dan niet mijn hart, en is het dan niet, zooals de Psalmist zong: „Eer er nog een woord op mijne tong is, zie Heere, Gij weet het alles?” Waartoe dan dat uitspreken van mijn gedachten voor een God, die beter dan ik zelf, de gedachten en bovenal de nooden van mijn hart en leven kent? Bovendien, hoe onzuiver is ons bidden en begeeren soms niet? Hoe vaak zullen we niet vragen om wat ons verderfelijk zou zijn, en zullen we van ons bidden wat ons ten zegen zou gedijen! En nu, een moeder zal het kind, dat aan haar schoot speelt, toch immers niet doen, naar dat spelende kind in zijn dwazen inval begeert, maar, omgekeerd, zooals ze zelve weet, dat voor haar kindeke goed en nuttig is. En zijn wij dan niet nog veel kleiner, dwazer en onvernuftiger voor God, dan zulk een spelend wicht aan moeders schoot? En zou dan onze Vader die in de hemelen is zich storen aan onze soms zoo dwaze smeekingen, en niet veeleer omgekeerd z met ons handelen, als Hij weet dat het meest strekken zal tot onze zaligheid en hierin tot zijn eer? Soms zelfs onze grootere kinderen vragen ons slag op slag allerlei toestemming voor wat wij weten dat we hun weigeren moeten. Dat vragen hindert ons dan zoo dikwijls. Het zou ons zooveel liever zijn, als ze de zorge voor hun welzijn vertrouwend aan ons overlieten. En waarom zullen wij dan den God van hemel en aarde gedurig aankomen met onze ondoordachte, soms zelfs met onze onheilige en zelfzuchtige smeekingen? En zou het toch niet vromer, niet godzaliger, niet kinderlijker in ons zijn, zoo we de hand op den mond legden, niet baden, en stil verbeidden wat God over ons gehengt?

Hier komt nog iets anders bij. Als onze kinderen ons iets vragen, dat we hun eigenlijk weigeren moesten, geven we soms toe, ’tzij uit zwakheid, ’tzij om ze door schade wijs te maken. Dit kan bij ons, omdat wij gedurig ons plan, ons inzicht, onzen toeleg kunnen wijzigen. Juist omdat we ons gedurig vergissen, slingert onze raadslag op en neer, en kan ook het verzoek van onze kinderen op onze wilsbepaling invloed hebben. Maar bij onzen Vader, die in de hemelen is, kan van zulk een veranderlijkheid in plan en raadslag immers nooit sprake zijn? juist omdat Hij zich nooit vergist, kan er geen verandering noch schaduw van omkeering wezen bij Hem, wien alle zijne werken van eeuwigheid bekend zijn. Wij leven bij den dag en maken onze plannen bij den dag, maar Hij is de Eeuwige, die spreekt; Ik zal zijn die Ik zijn zal. Jehova is mijn naam. Daarom juist legden we er eenigen nadruk op, dat vooral wie goed Gereformeerd in zijn belijdenis staat, zoo licht de noodzakelijkheid, zoo niet de geoorloofdheid, ja de mogelijkheid van het gebed in twijfel zal trekken. Immers het onderscheid tusschen de Gereformeerde belijders, en de overige Christenen, komt juist hierin het sterkst uit, dat de Gereformeerde Christenen steeds alle zaak eerst van de zijde Gods plegen te bezien, gewoon zijn van God den Heere af te rekenen, en alle ding op de eere zijns Naams, als op het einddoel te richten. De overige Christenen ontkennen van dit alles de betrekkelijke waarheid wel niet, maar leggen er niet zoo nadruk op; ze stellen deze belijdenis van God den Heere niet zoo in het volle licht; en geraken juist daardoor op allerlei doolpaden. Vandaar dat het stuk der vrijmachtige uitverkiezing voor ons steeds het hart der Kerk is en blijft, en dat wij weigeren in nauwere kerkelijke gemeenschap te leven met wie dit fundament van alle waarheid loswrikken. Maar natuurlijk de leer der uitverkiezing onderstelt de leer der Goddelijke besluiten. Het ne is zonder het andere ondenkbaar. En zoo staat het bij ons vast, dat er van eeuwigheid in God een raadslag was; dat deze raadslag in het verloop van de geschiedenis der wereld wordt uitgevoerd; en dat heel het program van alle leven voor volkeren en personen ligt in het woord vol majesteit: „Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al mijn welbehagen doen”.

Doch is dit zoo, waartoe dan nog het gebed? Zou dan ooit het gebed van een eenig mensch, of ook de smeeking van een geheel volk, den Heere onzen God bewegen kunnen, om zijn besluit te breken, zijn raadslag te veranderen, en alsnu niet te doen, gelijk het in zijn bestel lag, maar gelijk het door ons in onze gebeden Hem werd afgesmeekt? Zou er in ons dan hooger wijsheid dan in God. den Heere zijn, zoodat God, om met eerbied te spreken, inzag dat ons plan verkieslijk ware boven het zijne? Of ook, waar dit zich niet denken laat, zult ge daar aannemen, dat God de Heere zijn wijzer en heiliger voornemens varen laat, om uw onheiliger en dwazer verzoek in te willigen? Maar stel dit ware al met Gods majesteit overeen te brengen, wat had uw gebed dan anders uitgericht dan schade? En ware het dan niet tienmaal beter, dat uw dwaas gebed achterwege ware gebleven, en Gods plan en voornemen, dat zooveel hooger stond, ware doorgegaan? Nu zal wie oppervlakkig, ook in zijn gebed, verkeert, daaraan niet denken, en stil met het voorleggen aan den Heere van zijn wenschen en begeerten voortgaan. Maar ge kunt dan toch beseffen, boe juist een kind van God, dat ernstig ook in zijn gebed verkeert, en de wegen des Heeren gadeslaat, soms huiverig zal zijn, om met zijn gebeden voor God te naderen. Het is toch zoo, dat van tween n moet plaats grijpen. Of onze gebeden veranderen niets aan Gods raadslag, en waartoe zijn ze dan noodig? Of wel, ze bewegen God, om zijn raadslag te veranderen, en dan zijn ze schadelijk. Dan toch vergaat het ons, niet gelijk de Opperste wijsheid het over ons beschikt had, maar gelijk ons bekrompen inzicht het begeerde.

De vraag: „Waarom bidden we? Is ons bidden wel noodzakelijk?” is uit dien hoofde in het minst geen zinledige vraag, en kan en moet zelfs nog verscherpt worden in die sterkere bedenking: „Is ons gebed niet schadelijk, en bleve het niet beter geheel achterwege?” Die vraag komt niet bij u op, en heeft geen reden van bestaan, zoolang ge zwevende en onware gedachten omtrent uw God hebt, gelijk de wereld zich die formeert. Een soort wreede God, die door uw smeeken zachter moet gestemd en tot meer liefde bewogen worden. Een God zonder hoogere wijsheid, die zich gedurig vergist in zijn voornemen; die uw hart niet doorgrondde; en de diepte niet peilt van uw nood. Of ook een God, die bij den dag leeft, die geen raadslag nam en geen eeuwig voornemen beraamde; en die zich nu van uur tot uur schikt naar den gang van het werk, en het aanziet hoe de wereld loopt, om van oogenblik tot oogenblik zich naar dien loop der wereld te voegen. Een God dus, zooals onze industrieele eeuw zich in het beeld van een eigenaar van een groote fabriek voorstelt, en deswege op de wijs van zulk een fabrieksheer zich voegende naar de soms bijna dwingende wenschen van wie hij in zijn fabriek opnam. Maar heel anders komt het voor u te staan, als ge door de Heilige Schrift zijt onderwezen, en het uit die Schrift hebt verstaan, dat de Heere uw God niet als een kind des menschen is, maar in zijn Wezen onveranderlijk, in zijn Wijsheid oneindig, en tegenover al zijn schepsel souverein in zijn Vrijmacht. Dan toch geraakt de gewone gebedsdrang wel waarlijk in conflict met de belijdenis van het Goddelijk Wezen en zijn eigenschappen. Juist de diepste aanbidding van Gods majesteit sluit dan schijnbaar de mogelijkheid van het bidden uit.


Wat doet nu de Heidelberger tegenover deze bedenking? Poogt hij redeneering tegenover redeneering te stellen? Ontzenuwt hij de bedenkingen, die uit Gods almacht, Gods raadslag, Gods wijsheid en Gods onveranderlijkheid voor u voortvloeiden? En komt hij er zoo ten slotte toe, om u wiskunstig te bewijzen, hoe juist omgekeerd de noodzakelijkheid van het gebed rechtstreeks uit Gods deugden en eigenschappen volgt? o, Neen. Van zulk een redeneering wordt u zelfs de opzet ten eenemale gespaard, en al wat de Catechismus u antwoordt is kort en goed: dat ge bidden moet, omdat God het Gebed van u vordert. De Heere wil dat zijn schepsel met smeekingen en gebeden tot Hem roepen zal. Wanneer ge bidt (en zoo,als ge bidt), moet dit dus geen vrucht van redeneering zijn, maar een daad van gehoorzaamheid. God wil het. God zelf legt het u op. Hij vordert het van u. En hiermee neemt alle tegenredeneering en tegenbedenking vanzelf een einde. Als God de Heere u het gebed oplegt, heeft Hij u geen rekenschap te geven, waarom dit alzoo zijn moet, noch wacht Hij tot uw inzicht helder genoeg zal zijn geworden, om de schoonheid, de onmisbaarheid en de noodzakelijkheid van het gebed zelf in te zien. Dat alles zal volgen. Indien hier niet, dan in het licht der eeuwigheid. Maar, afgezien van alle overweging, hebt gij te beginnen met uit gehoorzaamheid aanstonds en zonder morren uit te voeren, wat Hij u oplegt. Hij spreekt: Roep Mij aan; dies zult gij Hem aanroepen. Hij gelast u: Bid zonder ophouden; en reeds deswege mag er geen dag zonder gebed voor u voorbijgaan. Het Gebed Gods is het einde van alle tegenspreking.

Dit moet daarom zoo kras, en daarom zoo onverbiddelijk uitgesproken, omdat hier de vinger wordt gelegd op een gevoelige wondeplek in het Gereformeerde leven. Men redeneert te veel. Men is te zeer geneigd, om als de redeneering niet klopt of sluit, ook met zijn geloof aarzelend terug te treden. En feitelijk begaat men zoo doende de grove fout, om in dat redeneeren een grondslag voor zijn geloof te zien. Nu treedt in al wat den wortel der religie raakt altoos de machtige tegenstelling op van het Goddelijke en menschelijke, van het oneindige en eindige, van Gods raad en ’s menschen verantwoordelijkheid, en zoo ook van Gods albestuur en ons menschelijk gebed. Die tegenstellingen zijn voor ons redeneerend verstand eenvoudig onverzoenlijk. Er gaapt in zulk een tegenstelling een klove, die nooit door ons menschelijk denken wordt overbrugd. En dit nu verleidt niet zelden ernstige denkers onder de Gereformeerden, om dan eenvoudig, op hun redeneering afgaande, het ne van de twee tegenover elkander staande stukken te loochenen. God beschikt alles, zoo zegt dan zulk een dus kan er bij ons geen schuld noch zonde zijn. En zoo ook hier, Gods bestel gaat toch door, dus staak ik alle gebed. En zoo mogen we niet te werk gaan. Wat waar zal zijn, wat zal gelden, en wat ons te doen staat, mag door ons niet afgeleid uit eenzijdige redeneering, maar moet door ons beluisterd uit Gods Woord. Omdat datzelfde Woord, dat u Gods albestuur predikt, u tevens uw schuld en zonde aanzegt, drom zult ge in stof en assche u voor den Heilige verootmoedigen. En zoo ook hier. Omdat datzelfde Woord, dat u Gods onveranderlijken raad predikt, u nochtans toeroept: „Bid zonder ophouden,” drom zult ge niet aflaten, noch vertragen, maar veel meer toenemen in uw gebed.

Dit versta men nu intusschen niet zoo, alsof we buiten de Schrift om, geen den minsten drang tot het gebed in ons ontwaren zouden, en nu eerst door zulk een tekst zouden te weten komen, dat er gebeden moet worden. Wie het zoo voorstelt, miskent elken saamhang tusschen de openbaring in onze natuur en de openbaring in de Heilige Schrift. Integendeel de drang tot het gebed werkt zoo diep uit natuur op, dat ge het gebed bij alle volkeren, ook bij de verst afgedoolde natin terugvindt, en reeds uit de historie der wereld het gebed als een algemeen menschelijk verschijnsel leert kennen. Reeds bij het jonge kind merkt ge dan ook wel, hoe het gebed er als vanzelf ingaat. Een kind, dat nog van niets weet, vindt het niets vreemd, als moeder het de knietjes leert buigen. En wel is in onze beschaafde en van God afgekeerde wereld het gebed reeds uit breeden kring Weggestorven; maar wat kon ooit de ontaarding tegen den eisch der oorspronkelijke natuur bewijzen? En bovendien hoort ge niet zelfs uit die kringen nog gedurig, hoe in oogenblikken van spanning en gevaar en angst, toch het gebed weer naar diezelfde lippen drong, die gemeenlijk den Naam des Heeren nooit anders dan in vloek en Godloochening pleegden te uiten? Dat ook in den gevallen mensch die drang tot het gebed nog nawerkt, mag dan ook als onloochenbaar aangenomen. Wie later bekeerd werd, weet zeer wel hoe hij ook vr zijn bekeering, soms zijn zielsverzuchting voor zijn God kon uitstamelen. In bangen nood bidt schier een ieder. En niet alleen dat het bidden alle menschelijk leven verzelt, maar ook de genieting van het gebed kent elk kind van God proefondervindelijk. De kracht die van het gebed uitgaat, kent elk Christen, die ooit tot ernstige taak geroepen werd. Neen, we bidden niet alleen tegen alle redeneering in; maar ook, tegen alle redeneering in, is het gebed ons lief en zoet en heilig.

Als dus de Schrift tot ons komt, om ons het gebed als plicht der gehoorzaamheid op te leggen, dan wordt ons geen vreemde last opgelegd, maar alleen, wat reeds uit den drang onzer menschelijke natuur volgde, ons nu ook van Gods zijde, door klare openbaring, als heilige roeping voorgeschreven. Ons voorgeschreven, om aan elke aarzeling die uit onze redeneering zou kunnen voortvloeien, aanstonds den pas af te snijden. Ons voorgeschreven, om, waar in ons de drang tot het gebed vertragen zou, ons den nimmer rustenden prikkel tot het gebed in de lenden te drijven. En voorgeschreven niet minder, om, waar wij het gebed zelfzuchtig tegen God misbruiken zouden, het in zijn rechten stand te houden, en te richten op Gods eer. In den staat der rechtheid ware zulk een voorteekenen van onze roeping niet noodig geweest. Nooit is b.v. tot den Christus gezegd dat Hij bidden moest. En ook in den staat der heerlijkheid ware een afzonderlijke last tot gemeenschapsoefening met den Heilige een ondenkbaar iets. Maar voor ons, in de gebrokenheid onzer natuur, mocht zulk een lastgeving niet uitblijven, zou eens voorgoed aan al dergelijke slingering van het vroom gemoed een einde worden gemaakt. God zegt u, dat ge moet bidden. Hij vordert het van u. En hiermee is het uitgemaakt, dat ge niet dn alleen bidden moet, als u de nood perst, of de drang der ziele u op de knien brengt, maar dat ge altijd moet bidden, d.w.z. dat het gebed een gestadige en dagelijksche bezigheid in uw leven moet zijn; dat er geen dag, dat er geen nacht voor u mag zijn zonder gebed tot uw God.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2001