Vijfde hoofdstuk.

En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal ze uit mijne hand rukken.

Joh. 10 : 28.


Het laatste punt, waarop klem valt, is de vastheid en onveranderlijkheid der praedestinatie. Omdat ze een werk van Goddelijk Welbehagen, van almogende Majesteit en onnaspeurlijke Wijsheid is, kan geen creatuur de werking van de praedestinatie verijdelen of stuiten. Ze werkt door alle hindernis en stuiting heen; en ook, waar ze eenmaal doorbrak, daar kan ze nimmer weer ongedaan worden gemaakt.

Hier steekt tweeërlei in: 1°. dat de praedestinatie niet alleen het einddoel, maar ook den weg naar dat einddoel inhoudt, en 2°. dat de verkiezinge Gods onberouwelijk is.

Bepalen we eerst onze aandacht tot de praedestinatie niet slechts van het einddoel, maar ook van den weg die op dit einddoel uitloopt.

Ge kent de gemeene tegenbedenking: „Als de verkorenen dan toch eenmaal gepraedestmeerd zijn, waartoe dan nog de roeping, de prediking, het vermaan?” Immers, zoo werpt men tegen, dan kon dit alles vrij achterwege gelaten; want of ge al roept en predikt en vermaant, of wel u van roeping, prediking en vermaan onthoudt, de uitverkorene komt er toch. En zoo sluipt dan de zondige lijdelijkheid in, die allen ijver bluscht, de geestdrift uitdooft, zwijgt waar gesproken moet worden en uitziet of de bekeering den zondaar ook overkomen zal, gelijk het hert dat door het wilde woud rent, het schot van den jager.

Geheel deze dwaze en valsche voorstelling nu, moet met tak en wortel uitgeroeid; niet door den Arminiaan, die tegen de lijdelijkheid ingaat om aan den afgod van zijn vrijen wil te wierooken, maar door den Gereformeerde, die tegen al zulke lijdelijkheid zich met hand en tand verzet, omdat de Heere onze God geen Mohamedaansche Allah is, maar de levende en altoos werkende Vader van onzen Heere Jezus Christus.

Den Arminiaan moet de mond gestopt, niet door de verantwoordelijkheid van het zedelijk leven weg te nemen, noch ook door de werking van den overgebogen wil in Gods kind te loochenen. Integendeel, voor die beide stukken neemt de echte Gereformeerde het nog vrij wat krasser op dan de Remonstrant. Maar weerstaan moet de Arminiaan, omdat hij |189| de diepste oorzakelijkheid van den eindelijken afloop van hemel en aarde uit God uitlicht en overtilt in den wil des menschen. De Arminiaan maakt God afhankelijk van den mensch, in stede dat hij den mensch van God afhankelijk zou stellen. Of liever nog, de Arminiaan laat wel aan God het bestuur en beheer van spijs en drank, ziekte en gezondheid, maar het bestuur en beheer over het geestelijk heilgoed rooft hij Gode, om het den mensch in handen te stellen. In het aardsche beslist dus de Heere, maar in het eeuwigblijvende en hemelsche hangt de beslissing aan den mensch. God blijft God voor het leven dezer wereld dat voorbijgaat, maar voor de uitkomst van het hemelsche, dat eeuwig duren zal, draagt hij de oorzakeiijkheid op het schepsel over.

Uit dien hoofde randt de Arminiaan God in zijn Godzijn aan, en het is om de geschonden eere Gods te handhaven, en daarom alleen, dat wij Gereformeerden zoo onverzoenlijk tegen hen overstaan.

Maar, en hier lette men nu wel op, om even dezelfde reden bestrijden we even beslist en onverzoenlijk de zondige lijdelijkheid; want ook zij randt de eere Gods aan.

We zeggen de zondige lijdelijkheid. Immers voor zooverre onder lijdelijkheid verstaan wordt, dat een zondaar in de zake der eerste wedergeboorte volkomen lijdelijk is; in dien zin, dat hij daar niets aan toebrengt, in niets toe medewerkt, maar ze geheel en volkomen lijdelijk ondergaat; alsmede dat ook na de inplanting van het zaad der wedergeboorte, geen enkele werking van het geloofsvermogen op kan komen dan door prikkeling van Gods zij; — in zooverre beamen we deze lijdelijkheid niet alleen onvoorwaardelijk, maar stellen ons tot wederpartijder van een iegelijk die op wat verfijnde wijze ook, iets, hoe weinig het zij, op deze volstrekte lijdelijkheid zou willen afdingen.

Bij het inbrengen van het zaad der wedergeboorte kan de zondaar noch mede- noch tegenwerken. God de Heere doet dit werk op zijn tijd en op zijn wijze, in ons, maar geheel buiten ons om.

Maar als men nu deze goede en gezonde leer, die bij het inbrengen van het zaad der wedergeboorte stipt en strikt doorgaat, nu ook toepast op de dadelijke werkingen des geloofs, en voor het uitkomen van het geloof en het werken van het geloof roeping, prediking en vermaan overtollig keurt, en acht dat een wedergeborene eenvoudig aan zijn lot moet worden overgelaten, dan komen we hier met alle kracht tegen op, overmits dit ten totale miskenning is van het bevel en de voorzienige werking van den levenden God.

In het aardsche kon de Heere onze God ons aldoor, in stee van brood, manna uit den hemel hebben gegeven. Maar zoo deed Hij niet, Zijn |190| bestel was anders. Zijn ordinantie hield in, dat er een zaad in de vore zou worden gestrooid, en dat daarna dit uitgestrooide zaad ontkiemen zou, niet uit zichzelf, maar door de werking van zon en regen. Dat daarna het gerijpte koren tot meel gemalen, dit meel tot deeg gekneed, en uit dit deeg door vuur brood zou gebakken worden, En wel met dien verstande, dat Hij, de Heere onze God, niet alleen het zaad om uit te strooien schonk, maar dat ook Hij het is die koesterende warmte uit zijn zon en malschen regen uit zijn wolken neerzendt. Ja, meer nog, diezelfde God, die ook den molenaar voor het werk des malens, en de hand voor het werk des knedens, en het vuur in den oven voor het bakken bereid heeft. Een alvoorzienige werking Gods dus, die voor het uitgestrooide zaad besteld is en het verzelt totdat er ten leste uit dat zaad voedzaam brood voor den eter bereid is.

En zoo nu ook gaat het in de praedestinatie toe. Ook hier strooit God het zaad der wedergeboorte niet in de ziel uit, om het nu voorts aan zich zelf over te laten; er zich niet meer om te bekreunen; en af te wachten of het uit zich zelf opschiet en het koren doet rijpen. Neen, maar ook nu is er voor dit zaad een bestel en een ordinantie van alle tusschenkomende middelen, die in dit geloofszaad het vermogen zullen doen ontkiemen, tot werking en tot vrucht zullen brengen, en het zullen bewaren voor versteening en versterf. En hier opent zich nu deze heerlijke beschikking Gods in de altoos saamgehuwde werking van zijn Heiligen Geest en van zijn heilig Woord. En nu gaat de predikatie van dat Woord uit, en de roeping wordt door het geopende oor verstaan, en de Heilige Geest past innerlijk het Woord toe en onder deze vereenigde werking van Geest en Woord volbrengt de Vader der geesten-zijn welbehagen.

Geroepen, gepredikt en vermaand moet er dus worden, niet alsof wij daardoor bij manier van spreken, het zaad-in brood konden veranderen; maar uit gehoorzaamheid.

God de Heere beveelt ons in zijn Woord, dat dit Woord zal gepredikt worden; beveelt het ons dat het tot alle natiën zal gebracht; beveelt dat de roeping dag aan dag zal uitgaan, om den goddelooze het oordeel aan te zeggen en den rechtvaardige het leven; en beveelt eveneens dat we rusteloos elkander vermanen zullen. En wat zin, bidden we u, zou het nu hebben, om op grond van het Woord in uitverkiezing te gelooven, en te gelijkertijd het stellige bevel van dit Woord, om te roepen, te prediken en te vermanen, voor doelloos en overtollig te verklaren?

Wie zoo denkt en belijdt, belijdt niet den levenden God, in wien wij ons bewegen en leven en zijn, maar een Deïstischen God, die wel van eeuwigheid |191| zeker besluit nam, maar zich nu voorts ook niet met ons inlaat, noch ook werken kan in het werk zijner schepselen.

En het is alzoo in het minst niet, om het werk der zaligheid tusschen God en den mensch te deelen, maar alleen en eeniglijk, om bij den levenden God te blijven, en om het werk zijner middelen te eeren, en in gehoorzaamheid aan zijn bevelen te wandelen, dat de kerk van Christus de prediking en het vermaan rusteloos, als door God verordend middel laat doorwerken.

Hoe vreeslijk het zij, om in te denken, naar luid der Schrift, staat het dan ook vast, dat zelfs voor dat ander deel der praedestinatie, dat in de verwerping ligt, evenzeer de middelen verordend zijn, waardoor de verwerping van den zondaar wordt uitgewerkt. „De Heere heeft alle dingen om zich zelfs wil gewrocht; ook den goddelooze tot den dag-des kwaads” (Spreuk. XVI : 4). „Het eeuwige vuur is den duivel en zijnen engelen bereid” (Matth. XXV : 41). „De vaten des toorns zijn tot het verderf toebereid” (Rom. IX : 22). „Ze zijn eertijds tot ditzelfde oordeel te voren opgeschreven” (Jud. vs 4). „Ze zijn er toe gezet” (1 Petr. II : 8). „Hij verhardt dien Hij wil” (Rom. IX : 18). En waar de kennisse der zaligheid aan de kinderkens geopenbaard is, daar is zij door eenzelfde welbehagen „voor de wijzen en verstandigen verborgen” (Matth. XI : 25, 26). Soms zelfs bezigt God hetzelfde middel èn om de verkorenen tot de kennisse der zaligheid te brengen, èn om de verworpenen te verharden. Eenzelfde woord wordt reuke des levens voor wie ten leven gaat, en reuke des doods voor wie ten verderve keert. De ééne zelfde Christus is val en opstanding tegelijk.


Het tweede punt zit hier vanzelf in, en wordt door onzen Catechismus met het zeggen beleden: „dat ik van de ware kerk een levendig lidmaat ben en eeuwig zal blijven.” Indien er toch niet-maar een eeuwige praedestinatie tot zaligheid, maar tevens in die praedestinatie een aanwijzing van alle middelen is, om uit de verkiezing de zaligheid te doen voortkomen, dan moet de verkiezing wel onberouwelijk en kan ze niet veranderlijk zijn. Immers de praedestinatie der middelen houdt in, dat God de Heere ook alle middelen bereid heeft, om elke hindernis te overwinnen en de struikelblokken uit den weg te ruimen. Dat is het wat Jezus zoo sterk leerde: „dat niemand de verkorenen rukken kan uit de hand zijns Vaders.”

Dit veronderstelt natuurlijk de geloofsverzekering. Immers ging het toe gelijk allerlei dwaalleeraren het voorstelden, en moest de verkorene tot aan zijn dood toe over zijn verkiezing in onzekerheid en twijfel blijven, dan zou zelfs de vraag, of deze genade weer verliesbaar zou zijn, niet bij |192| hem kunnen opkomen. Deze vraag doemt pas dan op, als er eerst in de ziel geloofszekerheid geweest is, en wanneer daarna nevelen van twijfel over de ziel trekken, en de eens zoo gelukkige zich nu afvraagt: of niet weer alles weg is. Dan toch antwoordt de Heilige Schrift en vertroost hem zijn Heiland, door hem toe te fluisteren dat de verkiezingen Gods onberouwelijk zijn, dat het zaad Gods in hem blijft, en dat niemand hem rukken kan uit de hand zijns Vaders. Zoo buigt zijn ongeloof zich dan op het steunsel van dit Woord der vertroosting weer opwaarts, en het is de onverliesbaarheid der genade, die hem weer aan den twijfel ontrukt en der eeuwige ontfermingen in de armen werpt.

Aan deze beide worde dus steeds meer vastgehouden: 1°. dat het welwezen van het geloof altoos de geloofsverzekerdheid insluit, „dat niet alleen aan anderen maar ook aan mij” genade geschonken zij; doordien God te zijner tijd elk van zijn uitverkorenen van deze hun eeuwige roeping en verkiezing verzekert; en 2°. dat men niet kan gelooven dat „ook mij de Heilige Geest geschonken zij”, of men gelooft er vanzelf bij, dat „Hij eeuwig bij mij zal blijven”.

Zoo alleen hangt ons geloof aan onze wisselende bevindingen en gemoedstoestanden, waardoor we den éénen dag wel, den anderen weer niet zouden verkoren zijn; maar vindt ons geloof, ook door alle slingeringen van ongeloof en kleingeloof en bangen twijfel heen, zijn eenig, onwrikbaar en onveranderlijk steunpunt in het werk, dat God zelf in onze ziele wrocht en werkt; ook dan als wij in slaap vielen of nabij schenen aan den eeuwigen dood.

De Verbondsgenade steunt hierbij de zwakheid van ons geestelijk leven.

Ziehier op wat wijs dit bedoeld is.

Natuurlijk is het Verbond der genade nooit de grond onzer verkiezing maar slechts een machtige saamvatting van alle genademiddelen in den Verbondsvorm.

Nu had het uiteraard kunnen zijn, dat God de Heere een geheel anderen weg der behoudenis had verordend, en nu eens onder de Samojeden, dan onder de Kaffers, dan onder de Chineezen, dan in Japan en dan weer in Kamschatka zijn uitverkorenen zich besteld had, zoodat gelijkelijk onder alle volk en stam der aarde de schare zijner gekenden verdeeld ware geweest. Doch zoo was zijn hoog bestel niet. Uit het geslacht van Sem is thans de uitverkiezing bijna geheel geweken. Slechts een zeer enkele zoon Abrahams komt over, en de bekeerlingen uit den Islam zijn nog zeldzamer. Ook onder de geslachten van Cham is het getal der bekeerden uiterst klein. En terwijl nu de kerke Gods zich bijna geheel uit Sem terugtrok, en over |193| Cham nog niet is uitgebreid, trok zij zich bijna geheel onder de kinderen Japhets terug. Onder die kinderen Japhets met name onder die volken die thans Europa en Amerika bevolken. Onder die volken verkoos ze voor haar zuiverder openbaringen de meer noordelijke natiën. In den schoot dier natiën zijn het aanwijsbare geslachten, die in de wegen Gods wandelen van vader op kind, terwijl in diezelfde natiën andere geslachten schier geheel zijn voorbijgegaan. En zoo is van eeuwen her de heilige lijn bijna altoos door bepaalde geslachten loopend, niet omdat de personen van deze geslachten zooveel beter zijn; maar omdat de verkiezing achter de schepping der geslachten ligt, en God de Heere in zijn welbehagen zijn verkorenen ook in de geslachten aaneen heeft geschakeld, en alzoo een Verbondsgenade in deze geslachten legde. Niet dat allen uit zulk een geslacht verkoren zijn. Dan zou het aan het geslacht worden toegeschreven; maar wel zoo, dat er in het ééne geslacht een successie van vrome vaderen en vrome kinderen en vrome kindskinderen is, om de continuïteit te toonen van een genade, die er lust in had zich in deze geslachten meer dan in andere te openbaren. Daarop steunt dan ook de kracht der gebeden van ouders voor hun kinderen, als gebeden door God zelf krachtens de praedestinatie als middel verordend en gewerkt. Daarop steunt de kinderdoop als omvattende de genade „der geloovigen met hun zaad”. Daarop steunt de Christelijke opvoeding, als onderstellende den voortgang der genade. Een erfzegen, als ge wilt, niet alsof genade een erfgoed ware, maar in dien zin, dat de Verkiezing zich meestal concentreert in enkele geslachten en het reeds genade is uit deze geslachten geboren te zijn.

Vandaar dan ook dat onze zuiverste godgeleerden gemeenlijk de daad der wedergeboorte bij de kleine kinderen reeds als vóór den Doop geschied onderstellen, voorzooverre deze kleine kinderen verkorenen zijn; en vandaar dat onze Liturgie het uitspreekt, dat deze kleine wichtjes als onderstelde „lidmaten van Christus” en in „Hem geheiligd” moeten gedoopt worden.

Deze Verbondsgenade nu, die niet met praedestinatie gekoppeld wordt, maar er als een van God bestemd middel uit voortvloeit, heeft onder meer deze kostelijke vrucht, dat ze de ontkieming van het geloof en van de zekerheid in het geloof bevordert en steunt.

Een zekerheid die we alleen voor onszelven hebben te bezitten, wortelt altoos veel bezwaarlijker in ons hart. En daarentegen een zekerheid, die we met velen te gelijk kunnen dragen, schiet zooveel spoediger wortel. Vandaar dat de Doop onzer jeugd, en de gebeden onzer voorouders en ouders en de herinnering aan verkorenen Gods in ons eigen vroeger geslacht, en het bezit van geloovige ouders en broeders en zusters, zoo |194| machtigen steun aanbieden voor de vastheid van eigen zielsovertuiging. En waar desniettemin ook zoo nog de slingering ons zou aangrijpen en de bange twijfel den vrede onzer ziel zou moorden, daar komt dan het woord der belofte en het woord der toezegging, en toont ons de Heiland die almachtige hand zijns Vaders waarin we omklemd liggen, en Hij zelf vraagt u, of iets, of eenige macht in hemel of op aarde u uit die almachtige hand zou kunnen uitrukken.


En vraagt men nu ten slotte, of de prediking van deze praedestinatie gesmoord moet om misverstand te voorkomen, dan wel vrijelijk moet uitgaan, zoo wijst de Schrift zelve deze zaak uit.

Natuurlijk, zweeg de Schrift er van, zoo zouden ook wij er van moeten zwijgen, want dan wisten we er niets hoegenaamd van. Maar nu de Schrift deze praedestinatie openlijk predikt en de heilige apostel Paulus die aan heel de kerken van Rome en Efeze enz. leeraart, nu is deze quaestie hiermee uitgemaakt.

Immers de Schrift is een licht, dat ge niet onder de korenmaat moogt zetten, maar dat bestemd is om te schijnen voor allen die in het huis zijn. Zoo hoort dan de praedestinatie tot het Evangelie zelf. Het is er de goddelijke wortel van. En wie zou zich dan vermeten, om een stuk, en nog wel het grondstuk des Evangelies, het cor ecclesiae gelijk onze vaderen het zoo terecht noemden, verborgen te houden.

Dit mag niet, dit kan niet. En de fout onzer hedendaagsche predikers is dan ook volstrekt niet, dat er te veel, maar juist omgekeerd, dat er veel te weinig over gepredikt wordt. Juist doordien men zich meestal bepaalt tot een algemeene toespeling op de verkiezing, en het stuk der praedestinatie zoo weinig in zijn omvang, wortel en vrucht uitlegt, en dien tengevolge dus zoo weinig de tegenbedenkingen uit Gods Woord weerlegt, sluipen er allerlei dwalingen omtrent dit leerstuk in, die metterdaad een wrange vrucht telen.

Dit moet niet alzoo. Vooral niet in een Gereformeerde kerk. En zal onze kerk weer opbloeien, dan is het hoog tijd, dat ook hierin verandering kome en de gemeente des Heeren ook in dit stuk weer diep, gezond en kloek worde ingeleid.

Juist door dit te mijden en altoos in algemeenheden te blijven hangen, maakt men zijn prediking dor en arm. Eerst als het microscoop wordt ter hand genomen, wordt elk object uit Gods heiligheden onuitputtelijk rijk.

Gepredikt moet dus de praedestinatie wel terdege. Mits, en dit beding worde nimmer uit het oog verloren, mits de prediking der praedestinatie |195| ook de prediking der gepraedestineerde middelen in zich sluite, en men ter wille van een valsch opgevatte praedestinatie niet weer een andere helft van het Evangelie ongebruikt late liggen.

Op het volle Evangelie heeft Gods kerke recht.

Op een Evangelie dat in de praedestinatie zijn wortel, in Christus zijn volheid toont, en in de van God gepraedestineerde middelen van Woord en Sacrament, van gebed en goede werken, zijn voleinding en vervulling tegengaat.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002