Vierde hoofdstuk.

En of God, willende zijnen toorn bewijzen en zijne macht bekend maken, met veel lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns tot het verderf toebereid; en opdat Hij zou bekend maken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid?

Rom. 9 : 22, 23.


Waaraan is het toe te schrijven, dat het altoos onoplosbaar raadsel, hetwelk in de leer der praedestinatie overblijft, de gemoederen zoo weinig schokt? Ons dunkt hieraan, dat de verworpenen er voor hun dood nimmer aan gelooven, en dat de uitverkorenen er zich nooit aan vastklemmen, dan reeds liggende midden in het besef van hun verlorenheid.

Spreken we eerst over den gang der zielbevinding bij Gods uitverkorenen. Deze beginnen niet met wijsgeerige betoogen, noch gaan uit van diepzinnige berekeningen, maar van eene zielsbeving, die de fundamenten van hun |181| inwendig bestaan schokt en loswrikt. Er gebeurt iets met hen. Iets wat niet als een donderslag van buitenaf hun overkomt, maar uit de verborgen diepte van hun binnenste opwerkt.

En daargelaten nu de vraag (die thans rusten kan) of aan deze losbarsting in hun binnenste niet reeds een vroegere genadedaad voorafging, zooveel staat vast, dat ze in hun binnenste ontzet worden. En wat nu het vreemdst is, op het eigen oogenblik, dat het eerste spoor van wezenlijke genade in hun zielsbesef inkomt, gaan ze niet roemen en niet jubelen en niet uitgalmen in dank en prijs en lof, maar beginnen ze bitterlijk te weenen, in bange verbrijzeling neer te vallen en zich beklemd en beangst te gevoelen voor hun God. De eerste geloofswerking is niet prijs en aanbidding, maar boetvaardigheid en verbrijzeling. Het is dan wel een offer dat Gode gebracht wordt, want de offeranden Gods zijn juist „een verbroken hart en een verslagen geest”; maar dat weet en merkt ge op dat oogenblik zelf nog niet. Uw eerste zielsbesef in het eeuwige leven is pijn, geen vreugde.

Zoo leert het de Heilige Schrift, zoo getuigt het de wolke der getuigen uit alle eeuwen. Zoo onderwees de kerk van Christus het. En eerst latere sekten, die zondigden door oppervlakkigheid, plaveiden weer een breeder weg, waarop de heraut uitging om te roepen: „Kom! Al wat ge te doen hebt, is maar in Jezus te gelooven!”; en dat de menigte dan toeliep en uitriep: „Nu, wij willen gelooven!” om terstond daarop de menigte dezer dusgenaamd bekeerden te doen losbarsten in aanbidding en lof.

Dit kan niet. De verbrijzeling moet vooropgaan, omdat de genade tot ons als zondaren komt.

Niet alsof de verbrijzeling een conditie voor geloof zou wezen, zekere daad des menschen die zijnerzijds moest volbracht worden, eer het geloof in hem door kon breken. Niets er van. Alles is en blijft Gods gave, en eene verbrijzeling buiten geloof is een vleeschelijk berouw dat u niet nut. Terwijl omgekeerd zulk eene „verbrijzeling”, waarin „droefheid naar God” zal spreken, nooit uit uzelf kan zijn, maar altoos door genade in u moet gewerkt worden.

Er kan uit uzelf wel bittere spijt, wrevel over slechtheid, en soms zelfs hartstochtelijke zelfontevredenheid opkomen; maar dat is daarom nog het verslagen hart en de verbrijzelde geest niet, die Gode behagen kunnen. Een onderscheid, dat hieraan uitkomt, dat de geestelijke „droefheid naar de wereld” wijkt als ge maar afleiding krijgt of eens een nuttig en edeler iets doen moogt, terwijl de geestelijke „droefheid naar God” schreit met een oneindig heimwee en niet tot vertroosting kan komen, tenzij het getroost worde door den Heiligen Geest.

Daarom is de verbrijzeling zelve reeds eene werking, een beweging in |182| ons, die uit het geloof opkomt. Gelijk het wichtje dat uit den moederschoot geboren wordt, nog eer het voor de eerste maal de moederborst genieten zal, niet begint met te lachen, maar met bitterlijk te weenen, zoo ook gaat het in deze geestelijke verwekking ten leven. Straks zal ook het kind van God met hemelschen lach om de lippen aan de volle borsten der Genade zuigen; maar eer het zoover komt, schreit en schreeuwt het van pijn en weedom des harten, en kermt in het overstelpend gevoel zijner verlorenheid om ontferming naar zijn God.

En rekent ge nu met dit machtig feit ook bij de Uitverkiezing, dan volgt hieruit, dat een kind van God den blankwitten lichtstraal der Eeuwige genade nooit anders opvangt dan door het prisma van den val heen. Wel kan het zijn, dat hij daarvan vroeger op de catechisatie, in de kerk of bij lectuur, of ook, zoo hij op de hoogeschool studeerde, bij theologische onderzoekingen, over het verband van de verkiezing met de bekeering, allerlei betoog en tegenbetoog vernam, maar in al dit betoogen schuilt het werk des Geestes nog in het minst niet. Lezen over storm op zee, is nog zoo heel iets anders dan midden in den orkaan op de hooge zeeën her- en derwaarts geslingerd worden. Eerst nu komt het aan hem toe. Eerst nu worden die vreeslijke elementen, waarvan hij vroeger wel eens las, feitelijk voor hem ontbonden. Eerst thans maakt hij met de ontzaglijke realiteit van Gods mogendheden kennis. En op dit ontzettend oogenblik nu, waarop voor het eerst die dusver doodsche batterijen voor hem dreunen en donderen gaan, op dit aangrijpend oogenblik is er voor hem geen inzicht in genade dan door de donkere wolken van het zwerk, is er voor zijn zielsoog geen lijn van Uitverkiezing dan door zijn eigen val en verlorenheid heen.

Een kind van God klimt niet eerst in het Eeuwige Wezen op, om in te zien hoe deze heilige dingen in God en voor zijn heilig aangezicht liggen om nu voorts uit dat Eeuwige Wezen, over den val heen, in zich zelven af te dalen. Neen, maar hij ligt beneden. Diep, al dieper zinkt hij weg in de diepte van den afgrond. En uit dien ruischenden kuil zonder water staart en tuurt hij nu opwaarts naar het schoon en heerlijk der Eeuwige genade, maar vindt die Eeuwige genade omfloerst en omwerkt en verduisterd door de aanklacht van het eigen hart, door eigen schuldbesef en eigen verbrijzeling der ziel.

Gelijk de eerste roering in de wateren het slijk en drab van den bodem doet opkomen, zoo is het ook in zijn binnenste. Er kan geen diepe roering in zijn gemoed komen, die tot op den bodem zijner ziel doorgaat, of alle wateren daarbinnen worden troebel.

Zoo ziet hij door zijn zondig bevinden van het oogenblik terug in heel |183| zijn zondig verleden; door zijn zondig verleden in zijn zondige ontvangenis en geboorte; door zijn geboorte in zonde terug in de zonde zijner ouders en voorouders; en eindelijk door de zonde van heel ons geslacht tot in de wortelzonde, waarin Adam alles verdorven heeft. En dien stroom van ongerechtigheden en dien schriklijken last van schuld en zonde, ervaart en ondergaat hij als een wederpartijdigheid tegen God, die hem aanklaagt, verwijt en neerwerpt in zich zelf, en die zijn verbrijzelde ziel schier helsche benauwdheid ondergaan doet.

Het zou u dan ook niets baten, of gij hem al beduiden woudt, dat deze zonde uit noodzakelijkheid ontstond en hem dus niet toerekenbaar is. Of wat meent ge, dat uw klaarst en helderst betoog ook maar vermogen zou tegen de onweerstandelijke overtuiging van schuld, die door den Heiligen Geest in hem gewerkt is? Neen, neen, dat hij, hij de schuldige, de wederspannige, de opstandige mensch is, die met opgezetten wil al deze vermetelheid tegen zijn God bestaan heeft en nog bestaat, dat ziet, dat weet hij zekerder en vaster dan het licht dat aan den hemel schijnt: ja met een zekerheid waarbij vergeleken elk tegenbetoog als een spinrag is, dat ge met enkelen vinger wegvaagt. Tegen de „overtuigende” macht van den Heiligen Geest is niets bestand. Zulk een overtuiging van zonde, als u van den Heiligen Geest komt, zit u als met stalen schroef in het hart geboord, en is door niets er uit te wrikken.

En dit nu maakt, dat Gods kind voor zijn eigen zielsbesef in de pijnlijke raadselen der uitverkiezing nooit verstrikt raakt. Dat kan bij geestelijk kranken het geval zijn. Dat kan u overkomen, als ge te curieuselijk de diepten Gods met uw verstand woudt indenken, en u eindelijk de kracht der hersenen bezwijkt. Maar als het werk des Heiligen Geestes in u werkende wierd, betreedt ge dien weg niet.

Integendeel, dan is kennisse van zonde en ellende de eerste vrucht der genade, en als dan uit dit bang gevoel van verdoemelijkheid en verlorenheid de vertroostingen des Heiligen Geestes u uitheffen, tot de wolken trekken en ge een klein inzicht der eeuwige liefde van den Middelaar moogt erlangen, o, dan is alle denkbeeld om zelf iets aan uwe zaligheid toe te brengen zoo onmetelijk verre van u, en beseft ge zoo onuitroeibaar diep, dat het u alles toewelt uit de eeuwige Fontein aller goeden, uit die Bron van het eeuwige licht, uit die hemelsche Springader van ondoorgrondelijke ontfermingen, dat uw dankend en jubelend geloof niet kan rusten, eer ge tot achter uw val, ja tot achter uw schepping, doorgluurt in die onpeilbare diepte van ontferming en goddelijk mededoogen, waarin vrijmachtig welbehagen u van eeuwig verkoor.

In de geestelijke ervaring begint het dus nooit met de Uitverkiezing, |184| maar is de Uitverkiezing altoos het eindpunt van de lichtlijn, waarin het zoekend oog ten leste rust. En vandaar dat de bange moeilijkheid om het inkomen van den val met het eeuwig Raadsbesluit in harmonie te brengen, aan den geestelijken horizont van Gods kind nooit opduikt. De val ligt er, en den wortel van den val voelt hij in zijn eigen boozen wil.


En bijna op soortgelijke wijze gaat het bij den verworpene toe.

Immers, dat de praedestinatie evenzoo een verwerping als een uitverkiezing insluit, zal geen oprechte van hart loochenen. Ook openbaart de Heilige Schrift het ons zeer stellig. „Eer de kinderen nog iets goeds of kwaads gedaan hadden, heette het: „Jacob heb ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat.” „Tot ditzelve, zegt de Heere, heb Ik Farao verwekt, opdat Ik in hem mijne kracht bewijzen zou.” „Hij ontfermt zich diens Hij wil en Hij verhardt dien Hij wil.” Judas is heengegaan „naar zijne eigene plaats”, „Die zich aan het Woord stootende, ongehoorzaam zijn, zijn hiertoe van te voren gezet” (1 Petr. II : 8). Er zijn er „die tot dit oordeel van te voren opgeschreven zijn” (Jud. vs 4). Er zijn schapen van de kudde, maar er zijn ook personen, die niet als schapen tot deze kudde behooren. Er is een boek des levens, waar de namen van alle verkorenen in staan, maar de namen der anderen staan daarin niet.

Hoe vreeselijk bang en ontzettend dit voor ons menschelijk oor dus ook klinken moge, het feit is niet weg te cijferen, dat er wel wezenlijk een verwerping is; en dat wel een verwerping die niet haar grond vindt in de meerdere slechtheid van deze personen boven de slechtheid van die andere pe rsonen die ten leven gaan; maar die eeniglijk hangt aan het ontbreken van een Raadsbesluit Gods, om ook deze personen te begenadigen met die bijzondere genade, die voor den zondaar onmisbaar is, om na zijn val, weder ten leven te kunnen komen.

Deze personen wandelen dus buiten het licht des levens. Het is er wel. Het bestraalt ook hun woning wel. Maar de luiken en vensters hunner woning zijn gesloten en ze willen niet dat het licht des levens tot hen doordringe. Zij zijn daarom volstrekt niet allen moordenaars of dieven of echtbrekers. o, Neen, verre van dien. In hun stand zijn het soms zeer rechtschapen personen, die maar al te dikwijls de ontfermden beschamen door hun burgerlijke gerechtigheid. Maar met dat al, voor het licht des levens hebben ze geen oog. Wel wordt het soms gezien, dat ze zich met het licht des levens bezig houden; het achten als een schoone poëzie; er een streelend spel mee drijven; en soms smaken en proeven hoe schoon het is (zie Hebr. VI); maar niettemin blijven de schellen hun op de oogen zitten; en de levenskreet van het uit God geboren kindeke: „o, God |185| wees mij arm zondaar genadig!” komt over hun geestelijk stramme lippen nooit.

Die kan er niet over komen, omdat de zondige prop van hoovaardij, die ons allen uit de zonde aangeboren is, hun in de keel zit. Het is ééne zonde, waardoor zij en wij, wij met hen en zij met ons, geparalyseerd zijn in onze geestelijke bewegingen; en het jammerst en schriklijkst in dien toestand is, dat al het kostelijke en edele en rechtschapene, wat dan soms nog schitteren mag, altoos nieuw voedsel geeft aan het vuur van eigen zelfverheffing en dusdoende de zonde niet bestrijdt en ten onder brengt, maar voedt en sterkt.

Het is met een zondaar een wanhopende toestand. Er is door de zonde eenmaal een opening in zijn ziel geboord, waaronder de afgrond van het eeuwig verderf gaapt. En wat nu zijn ziel ook wordt toegevoerd, en hoe kostelijk en schoon dat ook wezen moge, ach het glijdt alles door die zondige gaping naar dien diepen afgrond, en verergert zijn toestand in stee van dien te beteren.

En als dan eindelijk de uitwendige roeping des Evangelies komt, en het Kruis van Christus wordt voor zijn zielsoog geplant, en het licht van de Zonne der gerechtigheid vangt aan voor hem te schitteren, dan baat hem dat niet, maar het schaadt hem. Want het oog knijpt zich voor dien lichtglans nog dieper dicht. De bodem van zijn hart wordt onder het felle stralen van die Zon nog harder. Christus, omdat Hij hun niet tot opstanding wordt, wordt hun ten val. Hij is hun de steen der ergernis, waartegen ze aanstooten en waarover ze struikelen. Een reuke, die ten leven zijn moest, maar hun wordt een reuke des doods ten doode.

Dat is het afgrijslijke wezen der zonde. Zoolang Christus nog verre blijft, komt dat zoo niet uit. Dan waakt de woede van de macht der diepte van het verbasterd hart op. Maar als dan eindelijk de volle openbaring van de ontfermingen Gods komt, en Christus doet zijn licht over hem schijnen, dan eerst toont dat booze hart wat er in school, en dan eerst grijpt het al zijn onheilige macht saam, om de eeuwige ontfermingen te weerstaan.

Let wel, dit komt zoo niet enkel bij de verworpenen, maar evenzeer bij de verkorenen. Maar het verschil tusschen deze beiden bestaat nu hierin, dat terwijl ze, aan zichzelven overgelaten, beiden alzoo doen zouden, en precies hetzelfde zouden doen, Gods eeuwige ontferming nu bij de uitverkorenen tusschen beide trad of treedt, om hun wil om te buigen, een anderen zin in hun hart te geven, hun verstand te verlichten, hun het zielsoog te openen, en hen zóó naar den Christus te keeren, opdat Hij hen wassche in zijn bloed. |186|

Dat nu God de Heere deze zelfde bijzondere weldaad niet ook aan de verworpenen doet is in God geen onrecht. Hij toch was er niet toe gehouden, zoomin bij de uitverkorenen als bij de verworpenen. En uit het feit, dat Hij tegen de vreeslijke verharding der zonde in, nu deze weldaad toch bij de uitverkorenen doet, volgt in het minst niet, dat Hij deswege ook verplicht zou zijn, hetzelfde te doen bij de verworpenen. Genade is, omdat ze genade is, vrij.

Juist daardoor echter gebeurt het nu, dat de verworpenen hier op aarde er ook geen weet noch deernis van hebben. Een verworpene gelooft niet aan de praedestinatie Gods. Hij gelooft alleen aan zijn eigen wilsbeschikking. En als hij de uitverkorenen jubelen hoort van de genade aan hen geschied, dan benijdt hij ze niet, en denkt er niet aan, God te betichten, omdat Hij hem niet gelijke genade bewees; maar hij verklaart kort en goed dezen jubel van Gods kinderen voor hoogmoedige inbeelding en voor onnoozel zelfbedrog. Hij hunkert er niet naar, maar lacht er om en spot er soms mee, en van bekommering om eeuwig zieleheil is er bij den verworpene nooit sprake.

Slechts één enkel maal komt het voor, dat de doodelijke zielsangst zulke personen aangrijpt, zooals het voorbeeld van een Ezau en van een Judas toont. Doch ook dan is het niet heimwee naar eenige genade die hen drijft of een hunkeren der ziel om in het geval van Gods uitverkorenen besloten te mogen zijn. Och, „het bundelken der levenden” kennen ze niet. Neen, wat dezulken dan beangst en de keel toenijpt, is schriklijke wroeging in de consciëntie. Wroeging waar geen verademing voor is en waarin geen lucht is te krijgen. Helsche benauwing als om te stikken. Want conscientiewerkingen, wel te onderscheiden van een geestelijke verbrijzeling des harten, en droefheid naar God, ja, die hebben ook de verworpenen wel zeer zeker. Dat getuigt u genoegzaam zoo menig verwilderde van geest, zoo menig omdolende in onrust en wanhoop, zoo menigeen die de hand aan eigen leven sloeg, en ook zoo menig verworpene die een schriklijk sterfbed heeft.

Ook dit laatste gaat niet altoos door. Bij duizenden sterven ze heen, die buiten Jezus sterven, en die toch kalm en gelaten den adem uitblazen, dat men zeggen zou, hoe is het mogelijk, zonder een borg voor zijn ziel en een hope des beteren levens zoo onaandoenlijk en gevoelloos de eeuwigheid in te gaan!

En toch zoo komt het gedurig voor. Voor zelfs, dat als er twee sterven de ééne begenadigd en de andere onbegenadigd, en dat dan toch de begenadigde veel zwaarder doodstrijd heeft dan de verworpene, die alsof hij geen ziel te verliezen had, wegsterft als een hond, zonder te kreunen of te blaffen. |187|

Maar soms is dit toch anders. Soms is het sterfbed van zulk een persoon, die buiten Christus sterft, vreeselijk, en het is gezien hoe zulke rampzaligen onder de vreeselijkste vervloekingen, die hun lippen uitbraakten, nog met hun laatsten ademtocht God gruwelijk lasterden, tot ze eindelijk machteloos ineenzonken, en hun tong verstijfde in hun mond.

Toch is aan deze zijde van het graf volle en klare ontdekking over hun toestand voor dezulken niet mogelijk; want geestelijk licht ving hun ziel niet op; en de sluier van het aardsche leven bleef tot aan hun jongsten snik voor hun oogen hangen.

Dit is altoos de uitwerking van dit aardsche leven. We zien hier schijn gestalten en onware verhoudingen, maar de wezenlijkheid der dingen zien we hier niet.

Gods algemeene genade wrocht dat zoo, omdat het leven op aarde voor den zondaar niet zou zijn uit te houden, zoo die sluier voor hem wierd weggenomen, en hij de dingen zag gelijk ze waren.

Maar met den dood heeft dat uit.

Als eindelijk, eindelijk dan die sluier van het aardsche leven wegvalt, en onze ziel van het lichaam scheidt, en we in de klare eeuwigheid ingaan, dan ziet, ook zonder geestelijk licht, de verlorene de wezenlijkheid der dingen, gelijk ze voor God bestaan, en wijkt het zelfbedrog, waarmede hij waande zich aan de hand van den levenden God te kunnen onttrekken.

Dan valt hij in de handen van dien levenden God en voelt hoe schrikkelijk het is. Want God is hem dan een verterend vuur.

En toch is er dan geen roepen, dat God onrechtvaardig is.

Neen ook hij dringt dan niet uit God en het besluit zijner verwerping, maar alle verworpenen zien in dat vreeselijk besluit door het prisma van hun verschrikte conscientie.

Ze voelen, weten en bekennen dan, hoe ze al de dagen van hun aanzijn dien God gehoond, verworpen en miskend hebben. Ze zien dan klaarlijk tegen wat liefde ze zich hebben verhard.

En het eind is, dat de innerlijke zelfverscheuring tot hun inwendig getuigt: Ik heb mijn God verworpen, en daarom verwerpt Hij mij! 1)




1. Men vraagt ons of we wel terecht de uitverkiezing in onderscheiding van de praedestinatie op den Christus toepasten. Hierop diene ten antwoord dat de Christus niet uit velen verkozen is en dus in dien zin niet uitverkoren kan heeten. Maar dat de daad der uitverkiezing, in zooverre ze is een aanzith in eeuwig welbehagen, ook van Hem geldt.