Derde hoofdstuk.

Maar gij zijt een uitverkoren geslacht.

1 Petr. 2 : 9.


Veel misverstand zou in het stuk der Eeuwige Verkiezing voorkomen zijn, indien men ernstiger rekenschap had gehouden met het veelzeggend feit, dat de Heere niet enkele losse, op zichzelf staande personen, maar een volk heeft verkoren, een geslacht, een lichaam onder een Hoofd, een geestelijk organisme.

Dat dit zoo is, blijkt uit drie feiten.

Vooreerst uit het volk van Israël.

Uit heel het Oude Testament blijkt namelijk, dat Israëls volksverkiezing de Eeuwige Verkiezing tot zaligheid afschaduwde en verzinbeeldde. Telkens en telkens wordt in de Heilige Schrift op de verkiezing van Israël gedoeld; niet als op de verkiezing van enkele personen, maar als geldende de verkiezing van heel het volk. Niet van het volk in een verre toekomst, maar van het volk in heel zijn bestaan, al de eeuwen door, tot op het oogenblik van zijn tijdelijke verwerping. |174|

Uitverkoren was heel het volk als zoodanig, niet naar de individuën, maar als volksgeheel. En de tegenstelling is dan ook nooit: U heb Ik uitverkoren en niet Socrates of Plato; maar: U, o volk van Israël, heb Ik uitverkoren, en niet de volkeren der heidenen. Altoos staat het volk tegenover de volkeren. Israël tegenover de heidensche natiën. Voortdurend is het zaad Jacobs staande tegenover de volkeren van rondom.

Deze verkiezing van Israël als volk is niet eene verkiezing tot zaligheid. Dit kan niet, omdat hieruit volgen zou, dat dan elk jodenpersoon tot op de komst des Heeren een erfenisse had moeten hebben onder de heiligen.

Op eeuwige zaligheid wordt, zoo dikwijls Israëls verkiezing als volk ter sprake komt, dan ook nooit gedoeld. Het is het volk, dat verkoren is om ’s Heeren eigendom te zijn, om zijn naam te dragen, om verrijkt te worden met zijn geboden en inzettingen, maar ook om voorts zijn heilschat geheel in tijdelijken, aardschen zegen te zien opgaan. Het ontvangt een land „overvloeiende van melk en honig”, het zal „de landpaIen zijner vijanden erfelijk bezitten”, het zal rekenen kunnen op „den uitgestrekten arm” des Heeren, en achter het schild zijner Almachtigheid veilig zijn.

Maar hoe mild ook de zegen vloeie, of bij afval en ontrouw de vloek dreige, beide, zegen en vloek, blijven geheel in het tijdelijke besloten, en de eeuwige verdoemenis of eeuwige zaligheid komt er niet in voor.

Deze volksverkiezing was dus niet eene verkiezing tot zaligheid, maar schaduwde de verkiezing tot zaligheid af. En dat wel op zulk een wijs, dat de verkiezing tot zaligheid reeds lang werkte eer Israël optrad; toen lange eeuwen bijna uitsluitend door de bedding van Israël heenvloeide; en straks, als Israël zijn volkseere op Golgotha wegwerpt, zich uitspreidt onder alle volkeren.

Uit en onder die volken echter schept en vormt de eeuwige verkiezing tot zaligheid Gode een nieuw en eigen volk, dat niet slechts in figuurlijken maar in zeer eigenlijken zin, als het volk des Heeren van het Paradijs af bestaat, en dit volk des Heeren nu was in het volksbestaan van Israël verzinnebeeld.


Het tweede feit, waarop we Wijzen is de zake des Verbonds.

Het Verbond is in de Heilige Schrift nergens een soort vriendschapsbetrekking als tusschen twee enkele personen. Dat zou ook geen verbond zijn. Overdrachtelijk, en bij manier van spreken, kan men dit wel zoo zeggen, en zoo vertellen jongens op school u al, dat ze nu met dezen of dien knaap een verbond hebben gesloten; maar hierbij voelt ieder terstond, dat dit onjuiste grootspraak is. In eigenlijken goeden zin, kan |175| alleen een vorst of een machtige der aarde, die zeggenschap heeft om door zijn bedingen anderen te verbinden, een verbond sluiten. Zoo sluiten keizers en koningen een verbond voor de bescherming van hun rijken. Zoo sloten de Zwitsersche helden een verbond om hun vaderland te bevrijden. Zoo de Edelen die, hun landzaten ten beste, Spanje wilden weerstaan.

En zoo nu is het ook in de Heilige Schrift. Het Verbond Gods met zijn uitverkorenen is nooit een verbond met A of B hoofdelijk, maar altoos een verbond met Abraham en zijn zaad; een verbond met Israël en al zijn geslachten; een verbond met David en met zijn erven op den troon na hem en in zijn qualiteit van koning. Dit verbond is dan ook ondenkbaar zoolang ge u de uitverkorenen als verspreide eenlingen denkt, en verkrijgt eerst kracht, zoo ge ze saamgevat ziet onder hun Verbondshoofd en Heere. En dat deze saamvatting onder hun Verbondshoofd niet is een saamvatting nadat ze bekeerd zijn, maar eer er ook maar van verre van bekeering sprake kon zijn, dat ziet ge aan de jonge kinderen, da predikt u de heilige Doop, dat toont u de band der geslachten, dat lig in heel het begrip van een „zaad der kerk”, en staat, doordien we van eeuwigheid „in Christus verkoren zijn”, onherroepelijk vast.


Eindelijk het derde feit, waarop gelet dient is: de redding der wereld.

„Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe!” De Middelaar heet: „het Licht der wereld”. Het Lam Gods „draagt de zonde der wereld”. Christus heet „de Zaligmaker der wereld”. (Joh. IV : 42). Hij zal zijn vleesch en bloed geven „voor het leven der wereld”. „De val van Israël is”, zegt Paulus, „de rijkdom der wereld”. (Rom. XI : 12), en zijn verwerping „de verzoening der wereld”. „God was in Christus de wereld met zichzelven verzoenende.” Dientengevolge is Christus een verzoening, niet alleen voor onze zonden, niaar voor de zonden der geheele wereld. En de eindelijke triomfkreet bij de wederkomst des Heeren zal zijn: „Nu zijn de koninkrijken der wereld geworden onzes Gods.”

Hieruit met de Arminianen van alle gading af te willen leiden, dat de genade niet particulier en dus het heil van Christus bestemd zou zijn voor alle menschen, is natuurlijk ongerijmd. Duidelijk toch kent de Heilige Schrift tweeërlei soort beteekenis van het ééne woord wereld. Eenerzijds komt wereld voor als inbegrip van Gods Schepping, toen Hij hemel en aarde schiep, en in zooverre heeft God zijn eigen wereld, zijn eigen werk, zijn eigen Schepping lief; lief ook nog in haar ontredderden en verloren toestand; zoo zelfs, dat Hij haar nooit prijs geeft, maar straks herschept |176| in nieuwen luister. Maar ook anderzijds komt wereld voor als de tegen God vijandige macht, die Hem zijn Schepping hoopt te ontrooven, en dan is ze voorwerp niet van Gods liefde, maar van Gods toorn en verbolgenheid.

Zoo staat het tegenover elkander. „Alzoo lief heeft God de wereld.” En daartegenover: „Hebt de wereld niet lief”. Zoo ook: „God was in Christus de wereld met zichzelven verzoenende”. En daartegenover, „dat heel de wereld in het booze ligt”. Of wilt ge, dat „Christus een verzoening is voor de zonde der geheele wereld”, en daartegenover: „Ik bid niet voor de wereld”.

Deze tegenstelling te willen wegcijferen is blindemanswerk. Dat is de Heilige Schrift op hoogst oneerbiedige wijze met zichzelve in tegenspraak brengen. Zoo doet een man niet die in de wegen zijns Gods staat, maar knutselt de eigendunkelijkheid, die niet buigen wil voor de mysteriën van het heilgeheim.

Toch wordt daarom het rijke woord: „Alzoo lief heeft God de wereld gehad”, nog op verre na niet in zijn diepte uitgeput, door te zeggen: „De wereld beteekent hier de uitverkorenen”. Neen, om dit woord te verstaan, moet ge er u rekenschap van geven, waarom dan de „uitverkorenen” hier met dien vreemden titel van „de wereld” worden aangeduid. En wat blijkt dan? Dit immers, dat de uitverkorenen hier in rechtstreeksch verband met de „Schepping” worden gesteld; evenals Paulus elders den eersten en tweeden Adam om straks den „aardschen” geestelijken mensch” in verband zet. God schiep een wonder heelal, met deze kleine wereld tot middelpunt; en op deze kleine wereld schiep Hij ons menschelijk geslacht, niet als een vreemden bewoner, maar als een geslacht, dat heel de schepping dezer wereld in zijn lichaam en in zijn natuur saamvatte, droeg en vertoonde. Dit geslacht der menschen schiep Hij als een rijk, heerlijk organisme, en legde in dit ons geslacht de schatten van zijn Beeld, en daarmee al de heerlijkheden van een huislijk, maatschappelijk, zedelijk, denkend en voor indrukken van schoonheid vatbaar leven. Zoo hoorde die wereld bij den mensch. Dat menschelijk geslacht droeg geheel die wereld aan zich, gelijk een oester zijn schelp of eenig ander weekdier zijn schaal. Vrage dus, of God de Heere na den val, deze zijn heerlijke schepping, dat menschelijk geslacht met al de schatten van zijn Beeld, kortom deze zijn wereld prijs gaf, om na haar wegwerping, een geheel nieuw iets te scheppen uit en voor de uitverkorenen. En hierop nu antwoordt de Heilige Schrift beslist ontkennend. Zoo leerde het wel de Wederdooper en ten deele ook de Methodist, maar niet wie door de Heilige Schrift ook in zijn denken gereformeerd is. Zulk een toch weet, dat God niet liet varen het werk zijner handen; dat Hij zijn prachtige schepping niet prijs gaf, |177| dat Hij ons geslacht niet als een mislukt kunstproduct in de hel der vernietiging en der verdoemenis liet wegglijden; en deze zijn wereld niet als voortaan onbruikbaar van zich stiet. Maar integendeel, dat Hij die wereld lief, zoo liefhad, omdat ze zijn schepping, zijn maaksel, zijn kunstwerk was, dat Hij zijn eengeboren Zoon voor haar gaf, en door al de schriklijke worsteling heen toch zijn schepping triomfeeren deed, door te herscheppen en niet nieuw te scheppen, en alzoo zich te betoonen een Behouder van zijn eigen wereld.

Vergelijkt ge dus de menschheid, gelijk ze uit Adam opgroeide, bij een boom, dan zijn de uitverkorenen niet blaadjes die van dien boom worden afgeplukt, om er een lauwerkrans voor Gods glorie uit te vlechten, terwijl de boom zelf gekapt, ontworteld en ten vure gedoemd zou worden; maar, juist omgekeerd, zijn de verlorenen de takken, twijgen en bladen die van den stam der menschheid afvallen, en alleen de uitverkorenen blijven er aan zitten. Niet heel de stam gaat in de hel, om slechts enkele goudblaadjes in de zalen des eeuwigen lichts te strooien. Maar omgekeerd de stam, de boom, het geslacht, en wat verloren gaat, raakt van dien stam af en verliest zijn organischen samenhang.

Alles is het uwe, sprak de heilige apostel, d.w.z. niets uit de schatten van zijn Beeld die Hij in ons geslacht gelegd had, is voor de hel. En zoo nu komen dus de uitverkorenen voor, niet als de twijgen en takken die afgehouwen worden, maar juist als degenen die gespaard worden. Hunner is de straks herschapen wereld. Zij zullen het aardrijk beërven.


Voegen we deze drie feiten nu saam: 1°. dat de Verkiezing tot zaligheid afgeschaduwd en verzinbeeld was in de volksverkiezing van Israël; 2°. dat alle verkiezing in een Verbond plaats greep, en dat alle verbond des Heeren niet met de enkelen, maar steeds met allen saam onder hun Hoofd gesloten is; en 3°. dat God uit zijn uitverkorenen geen nieuwe wereld formeert, maar door herschepping, juist krachtens zijn uitverkiezing, zijn oorspronkelijke wereld liefheeft, terugbrengt, handhaaft en redt; — dan blijkt reeds hieruit overtuigend, dat de uitverkiezing geen uitlezing van enkele losse personen is, maar de uitverkiezing van een volk Gods, van een koninklijk priesterdom, van een heilig geslacht; kortom van zijn kerk, door alle eeuwen heen als één geheel gedacht.

Wel, en dit spreekt vanzelf, grijpt er een vergadering, een saamvergadering van Gods uitverkorenen plaats, en kan het voor ons menschelijk bewustzijn niet anders, of wij zien éénling na éénling ten leven komen; maar zoo gaat het aan de stengels van de bloemplant eveneens. Sterft met den herfst alle blad en bloem weg, en komt met de lente het nieuwe |178| leven weder uit, dan zien we ook aan die plant hier een knopje en daar een knopje uitbotten, en komt elk blaadje en bloempje op zichzelf voort, en naderen ze eerst bij het uitbotten en uitgroeien tot elkander, om eerst alzoo heel de plant als een schoon geheel van blad en bloem te doen prijken. Maar al zien we met ons oog op die manier elk knopje afzonderlijk uitbotten en zich ontplooien, en eerst daarna tot de andere blaadjes en bloesems naderen, toch weet de kenner zeer wel, dat dit slechts schijn is. Immers in den wortel van die plant waren deze blaadjes en bloemen reeds saam geweest. Ze komen alle uit dien éénen wortel op, en door denzelfden stengel schoot het levenssap opwaarts, dat ze deed ontluiken.

En zoo nu ook is het hier. Wij zien wel elk kind van God op zichzelf uitbotten en ontluiken, maar de geestelijk ingeleide weet toch zeer goed, dat al deze uitverkorene kinderen des Heeren, die achtereenvolgens elk op hun plek uitbotten en hun bloem ontplooien, om eerst daarna vergaderd te worden, vooraf reeds één zijn geweest en saam zijn geweest in den wortel Isaï en uit het ééne Lichaam voortkomen.

Dit beeld van het Lichaam beslist dan ook de zaak. Ieder weet dat een lichaam niet gevormd wordt doordien men een arm en een been, een oog en oor saamvergadert en in elkaar zet, maar dat alle deelen en leden des lichaams uit de ééne kiem van het lichaam opkomen. En overmits nu de Heilige Geest opzettelijk het beeld des lichaams bezigt om ons den samenhang van de uitverkorenen onderling en saam onder hun Hoofd uit te drukken en klaarlijk voor oogen te stellen, zoo wordt hierdoor ten volle onze voorstelling bevestigd, dat de uitverkorenen niet als eenlingen worden saamgeraapt en tot een pijlbundel saamgebonden, maar dat ze in hun Wortel, reeds eer ze uitkomen, een organische eenheid vormen; en, als ze straks ook uitwendig in eenheid saamgroeien, uitwendig slechts die diepe, oorspronkelijke eenheid schitteren doen, die ze in Christus reeds van voor de grondlegging der wereld bezaten.


Vandaar de stellige en doorgaande leer der Heilige Schrift waarop onze vaderen steeds zoo sterken nadruk legden, dat alle uitverkiezing in Christus is. „Ze zijn gezegend met alle geestelijke zegeningen in den hemel in Christus.” „Hij heeft ons uitverkoren in Hem van voor de grondlegging der wereld.” „Hij heeft ons te voren verordineerd tot aanneming tot kinderen door Christus Jezus.” „Ze zijn, toen Christus opstond, in Hem opgestaan.” „Ze zijn met Christus gezet in den hemel.” „Hun leven is met Christus verborgen in God.” Ze hebben noch eigen wijsheid, noch eigen gerechtigheid, noch eigen heiligheid, maar „Christus is hun gegeven van |179| God tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en volkomen verlossing.”

Zoo dringt dus het aanbiddelijk werk der Verkiezing in het heerlijk werk der Schepping in. God de Heere verkiest in zijn vrijmachtig welbehagen een geslacht, een volk, een lichaam, een kerk, waarin eens zijn glorie zal schitteren, en dit volk en dit lichaam verkiest Hij in Christus.

In dien zin heet dan ook Christus de Uitverkorene. Niet, gelijk het op het laatst der vorige eeuw ten onrechte wierd voorgesteld, alsof zekere „man Jezus” als één der uitverkorenen, zij het ook als de uitnemendste, bij de overige uitverkorenen bij zou komen. Nergens toch leert de Heilige Schrift dat de Zone Gods een „man Jezus” heeft aangenomen. Zoo leerden het wel allerlei Doceten en Gnostieken. Maar de Heilige Schrift, en op grond van de Heilige Schrift, de kerk, leerde steeds dat de Zone Gods onze menschelijke natuur uit het vleesch en bloed van de maagd Maria heeft aangenomen. Zoo is dan Christus de Uitverkorene, omdat Hij tot Hoofd gesteld is van het geslacht, het volk, het Lichaam der verkorenen. Verkoren is al wat aan dit Lichaam is; heel dit Lichaam is uitverkoren; en zoo dus ook zijn heerlijk Hoofd.

Doch, en hiermee komen we nu op de uitverkiezing van enkele personen terug, nooit mag deze uitverkiezing van het volk, van het geslacht, van het Lichaam zoo verstaan, alsof God wel zeker kader zou hebben verkoren, maar alsof het nu van ’s menschen vrijen wil zou afhangen, wie al dan niet in dit kader zou ingaan. Dit ware een gansch goddelooze voorstelling, waarmee God als God wegviel, van zijn vrijmacht beroofd, in de almacht zijner genade miskend wierd, en de onhoudbare voorstelling wierd verkregen, alsof God de Heere de glorie van zijn Koninkrijk niet aan eigen wilsbeschikking, welbehagen en alles voleindende genade, maar aan de weigering of instemming van den mensch zou te danken hebben.

En daarom nu leert de Schrift en leerde onze kerk steeds, dat de uitverkiezing van het Volk en het Geslacht en het Lichaam altoos tegelijk is een persoonlijke verkiezing. Ze zijn met name gekenden. Hun namen staari in het boek des levens. Hunner is een vast getal, en eerst als dit getal der uitverkiezing vol zal zijn, gaat de eeuwige heerlijkheid in.

Zoo eischt het de volmaaktheid van het Eeuwige Wezen. Zijn volk, het door Hem uitverkoren Geslacht, het door Hem geschapen Lichaam is Hem geen half verborgene of onzekere hoegrootheid, maar Hij kent dit zijn volk, dit geschapen geslacht, dit heerlijk Lichaam, in al zijn saamstellende deelen, en in alle leden, die er aan zullen uitgroeien. Elk lid dat er aan uitkomt, komt er aan uit krachtens zijn persoonlijke verkiezing, en al wat er aan deze uitkomende leden straks schittert, schittert er aan krachtens zijne vrijmachtige voorverordineering. |180|

Er komt nooit iets aan dit volk of dit Lichaam uit, dat buiten Gods toedoen tot stand komt, Hem verrast, en waarvan Hij eerst, nadat het uitkwam, kennis neemt. Het werkt al op uit den wortel. En de wortel der zake, waarvan hier alle werking uitgaat, is juist de Raad des welbehagens, de vrijmachtige Verkiezinge Gods.

Zoo is er dus eene Verkiezing van het volk, en er is eene persoonlijke Verkiezing.

Alleen maar de orde en samenhang tusschen deze twee mag niet verkeerd genomen.

Ge moogt niet zeggen: Er is een verkiezing van personen, en omdat nu deze personen tot een volk samengroeien, is er in zooverre óók eene verkiezing van het volk.

Neen, maar aldus moet het voor den blik van uw geest staan: Er is eene verkiezing van het volk, van het geslacht en van het Lichaam des Heeren onder het Hoofd Christus; en in deze verkiezing van het volk is in eene verkiezing van de enkele personen.

Alles is aan dit Lichaam vrucht van de Uitverkiezing. Verkoren is het Hoofd, verkoren is het Lichaam, en verkoren zijn de leden die er aan uitkomen.