Tweede hoofdstuk.

In Hem, in welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, die alle dingen werkt naar den raad zijns willens.

Ef. 1 : 11.


Reeds in het denkbeeld en in het woord van „Uitverkiezing” ligt iets, dat licht op het dwaalspoor leidt. „Uitverkiezing” maakt toch op het eerste hooren den indruk, alsof heel het menschelijk geslacht, d.i. alle kinderen der menschen, reeds voor het aangezicht des Heeren Heeren stonden, en alsof de Verkiezende God toen eerst bij zichzelven overlegd had, om, zeg een derde, een vierde deel van die allen te behouden; en ter volvoering van dien raad nu geheel willekeurig er een aantal had uitgekozen, die Hij zalig zou maken, terwijl Hij al de overigen liet voor wat ze waren en straks neerstiet in eeuwig verderf.

Zooals gij in een fruitwinkel een tiental appelen of perziken uitkiest die u het beste aanstaan, of een koning uit zijn soldaten een honderdtal uitkiest om zijn lijfwacht te zijn, zoo ook zou God dan uit den onmetelijken hoop van verlorene en verdoemelijke personen, geheel naar greep en wilkeur er hier een en daar een zijn merkteeken hebben gegeven; deze personen in het Boek des levens hebben ingeschreven; en die aldus geteekenden dát waren dan de uitverkorenen, en al het andere bleef om weg te werpen.

Het is daarom goed, terstond op te merken, dat ons woord „Uitverkiezing” in den Hebreeuwschen tekst staat uitgedrukt door het woord Bachar, waar dit denkbeeld van kiezen uit een hoop, die er reeds is, volstrekt niet inzit. Als Mozes in Deut. VII : 7 tot het volk Israël zegt: „De Heere heeft geen lust tot u gehad, noch u verkoren, om uwe veelheid boven alle andere volken; want gij waart het weinigste van alle volken, maar omdat de Heere u liefhad, en opdat Hij hield den eed dien Hij aan uw vaderen gezworen had,” — dan toont reeds het woord „lust hebben aan u” dat hier aan „verkiezen” voorafgaat, hoe de oorspronkelijke gedachte hier niet schuilt in een „verkiezen uit een groote menigte”, maar in het „goddelijk verleenen van zijn welgevallen”. Het woord dat in het Oude Testament onveranderlijk en zonder uitzondering hiervoor gebezigd wordt, beduidt dan op zich zelf ook niet anders dan: toetsen, keuren, proeven, en wordt slechts in afgeleide beteekenis voor „uitverkiezing” |167| gebezigd. Men vergelijke Job XV : 5: „Gij hebt de tong der arglistigheid verkoren”, Ps. CXIX : 30: „Ik heb verkoren den weg der waarheid”; Ps. CXIX : 173: „Ik heb verkoren uw bevelen”; Spreuk. I : 29: „Ze hebben de vreeze des Heeren niet verkoren”. En lette vooral op de leerrijke toespraak des Heeren in jesaja LVI : 4: ”Alzoo zegt de Heere van de gesnedenen, die mijne Sabbaten houden en verkiezen hetgeen waartoe Ik lust heb en vasthouden aan mijn verbond.”

In het Nieuwe Testament staat de zaak eenigszins anders. Het Grieksch heeft een eigen woord, dat zinrijk en beeldrijk het Oud Testamentisch denkbeeld van Bachar uitdrukt, en bezigt nu een geheel ander woord, dat uitlezen beteekent: eklegein, saamgesteld uit ek, dat uit, en legein, dat lezen beduidt. Toch hebben de heilige apostelen soms zelven gevoeld, dat dit niet genoeg zei, en deswege meermalen het begrip van „verkiezen” uitgedrukt door andere woorden, die eigenlijk „voor zich nemen” enz. beteekenen. Waar echter in onze Statenoverzetting „uitverkoren” of „uitverkiezing” staat, bezigen zij vast en zonder uitzondering het woord: uitlezen en bedoelen dus kennelijk dat er meerderen zijn, en dat aan een deel van deze velen voorkeur wordt gegeven. „Voorkeur” echter niet in den zin, waarin gij, een magazijn binnengetreden, om tien paarlen uit te kiezen, er u honderd laat voorleggen, om uit die honderd uit te nemen, wat u het beste aanstaat, het meest toelacht, en het schoonste dunkt; maar in den zin van majesteit, zooals den vorst uit eene menigte armen, zonder eenige voorkeur in de personen zelf, er een tiental uitkiest, om ze met zijn vorstelijke gunst te begenadigen en ze eerst daardoor boven de anderen te verheffen.

„Voorkeur” is er dus zeer zeker, maar, en hierop dient van meet af gelet, voorkeur die er niet, eer de Heere kiest, in is, maar die er door zijn keuze inkomt. Hij schenkt geen voorkeur aan wat er is, maar maakt dat er voorkeur komt door zijn keuze.


De Verkiezing gaat daarom in het Oude Testament uit van Abraham op Isaäk en Jacob; zoo op Israël; in Israël op Juda en Levi; in Juda op den wortel Isaï; en onder Davids heerschappij op Jeruzalem. Maar in elk dezer verkiezingen ligt in de verkiezingen zelve de scheppende daad, waardoor de voorkeur ontstaat.

In Abraham lag zoo weinig de profetie van een heerlijk zaad, dat Abraham veeleer met Sara kinderloos bleef. Isaäk komt alleen door een wonder Gods uit de verkiezing zelve voort. Jacob en Ezau omstrengelden elkaar in eenzelfden moederschoot, en Jacob is de verkorene eer de kinderen noch goed noch kwaad gedaan hadden. Juda was minder machtig dan |168| Efraïm. Isaï’s geslacht was uit Bethlehem, een der kleinere kantons van Juda. Kortom het is alles een verkiezing niet om wat er is, maar opdat het er kome. Verkiezing niet uit baatzucht om zich te verrijken met het beste wat gevonden wordt, maar verkiezing uit majesteit, om het eelste en beste wat de Heere heeft, aan het voorwerp zijner keuze te schenken.

Dit is dan ook de reden, waarom de Verkiezing altoos en onveranderlijk verbonden wordt aan het woord der Belofte of des Verbonds. Verkiezing heeft plaats niet als het gekozen voorwerp er is en zijn schoonheid uitstalt, maar eer het er is en eer het iets begeerlijks hebben kan.

En nu wordt straks deze Verkiezing uitgewerkt, omdat God het alzoo aangekondigd en beloofd heeft en opdat het woord zijner belofte niet fale.

Alle denkbeeld en gedachte, alsof eerst de wereld zou geschapen zijn; toen de mensch in zonde gevallen; en alsof God de Heere daarna, ziende hoe daar nu deze millioenen menschen in hun verderf lagen, er, om wat reden dan ook, een zeker getal uit had uitverkoren, en de anderen had laten liggen, moet met tak en wortel uitgeroeid. Zoo kent de Schrift het nergens en geheel deze voorstelling is onhoudbaar.

Toen de Heere Israël uit Egypte riep en verkoor boven alle volken van rondom, had deze verkiezing van Israël niet plaats op grond van eene vergelijking tusschen dat volk Israël en de Hethieten, Pheresieten, Amorieten enz., maar uitsluitend krachtens eene belofte die reeds vier eeuwen vroeger aan Abraham gegeven was.

De Uitverkiezing komt nooit na, maar ligt altoos achter de Schepping. Tot zijn verkorenen zegt de Heere: „Ik heb u van eeuwigheid liefgehad, eer Ik u in uws moeders schoot formeerde.” En de heilige apostel roept: „Uitverkoren van voor de grondlegging der wereld.”

Dit is dan ook de oorzaak, waarom onze vaderen steeds van een „eeuwige verkiezing” spraken. De „Verkiezinge Gods” gaat niet alleen aan de Schepping, maar aan allen tijd vooraf.


Op dit punt nu komt het geschil in van de Supralapsarii en Infralapsarii, of, gelijk men het op zijn Nederlandsch vrij onsmakelijk genoemd heeft, het geding tusschen de Bovenvaldrijvers en Benedenvaldrijvers. Immers reeds deze naam toont, dat een vijand hem gaf. „Drijven” is altoos iets verkeerds. Een „drijver” is een lakenswaardig persoon. En zoo voelt men reeds aan deze woorden, hoe er mee bedoeld is om een brandmerk te zetten op de kleingeestigheid van godgeleerden, die over zulke nietigheden twisten.

Toch is de zaak die het hier geldt volstrekt niet zoo onbeduidend en nietig. |169|

Ziehier wat dit geschil beduidt.

De Uitverkiezing is eeuwig, kwam dus niet na de Schepping, maar voor de grondlegging der wereld. De Uitverkiezing was een daad die, gelijk men het uitdrukt, nog in het Eeuwige Wezen inbleef, en eerst later uitging en werkte. Kortom, de Uitverkiezing is een deel van het Besluit of van den Raad des Heeren, waaruit en waardoor alle ding geworden is.

Doch nu kan men zich dit op tweeërlei manier voorstellen.

Men kan òf zeggen: Toen God de Heere in zijn eeuwig Raadsbesluit bepaald had, dat Hij menschen zou scheppen, besloot Hij dien mensch zóó te scheppen, dat hij zou kunnen vallen. En toen Hij nu in zijn goddelijk vooruitzien de menschheid alzoo feitelijk gevallen voor zich zag liggen, heeft Hij al deze gevallen en verloren personen zich voorstellende, alsnu daarna uit deze tallooze menigte, die in zijn goddelijke gedachte als gevallen en verloren voor Hem lag, er een zeker aantal uitverkoren, die Hij besloot te behouden, terwijl Hij de overigen overliet aan hun eeuwig verderf. Dit is het gevoelen van de Infralapsarii of voorstanders van de meening, dat de Uitverkiezing plaats greep, nadat God zich de menschheid eerst als gevallen voorgesteld had.

Maar andere godgeleerden konden met deze voorstelling geen vrede nemen en merkten op: dat de kinderen Gods dan in hun schepping als niet uitverkorenen optreden; maar eerst geschapen worden, daarna vallen, en eerst na hun val voorwerpen van de goddelijke Uitverkiezing worden. Hier hokte iets. Er kwam een dubbel Besluit Gods. Eerst een besluit om de personen A en B te scheppen, en wel met de dubbele mogelijkheid: òf dat ze vielen òf dat ze staande bleven. En ten tweede een ander besluit, om, nu God vooruit had gezien dat ze niet staande zouden blijven, ze uit te verkiezen tot zaligheid door genade. Deze besluiten nu stonden los naast elkander. Ze werkten niet door van het een op het ander. Want tusschen beide in lag de vrije wilskeus des menschen. Viel die keuze goed uit, dan was alle verkiezing overbodig, en slechts voor het geval, dat de mensch slecht koos, kon al de heerlijkheid der Verkiezing uitkomen. En dit nu, of de Verkiezing door zou gaan of achterwege blijven, hing af van een bloot vooruitzien. God zag vooruit hoe die mensch kiezen zou, en zag dat hij vallen zou. En daarna nu kwam de Uitverkiezing. Ze was dus feitelijk niet eeuwig, maar in de gedachte pas na den val intredend, en ze wierd gaande gemaakt niet door het eeuwig welbehagen, maar door een booze daad des menschen, waarvan God vooruitzag, dat ze komen zou.

Dit nu dorsten deze godgeleerden niet aan. Bij de verkiezing van Jacob en de verwerping van Ezau is er in de Heilige Schrift geen spoor noch zweem te ontdekken van een vooruitzien van Jakobs geloof of Ezau’s |170| afval. Er wordt met geen syllabe zelfs op gezinspeeld. En er staat eenvoudig: „Als de kinderen nog niet geboren waren en noch iets goeds noch iets kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezinge is, vast bleve, niet uit den werkende, maar uit den roepende, zoo werd tot Rebekka gezegd: De meerdere zal den mindere dienen.” En het beeld straks door den heiligen apostel gebezigd om dit heilig mysterie uit te leggen, is het beeld van het leem in de hand des pottebakkers, die den éénen klomp leem verkiest tot een vat der eere, en den anderen klomp tot een vat der oneere; niet omdat er in dat leem verschil, of dat leem ontaard was, maar omdat hij vrijelijk over dit leem beschikt tot glorie van zijn kunst. Terwijl, als tot overmaat van duidelijkheid verwezen wierd naar Mal. I : 2, waar de Heere tot zijn verkoren volk zegt: „Ik heb u liefgehad, zegt de Heere; maar gij zegt: Waarin hebt Gij ons liefgehad? Was niet Ezau Jakobs broeder? spreekt de Heere; nochtans heb Ik Jakob liefgehad en Ezau heb Ik gehaat, en zijn bergen gesteld tot een verwoesting en zijn erve voor de draken der woestijn.”

Zij waren daarom Supralapsarii, d.i. voorstanders van de stelling dat de Verkiezing in het eeuwig Raadsbesluit Gods niet pas intreedt na een vooruitgezienen val, maar eeniglijk rust in het eeuwig welbehagen. En dat wel met dien verstande, dat God de Heere zijn uitverkorenen van eeuwigheid mint, als voorwerpen zijner liefde ze besluit te scheppen, en ze nu door den val heen, toch tot eeuwige gelukzaligheid brengt.

Wij nu aarzelen geen oogenblik uit te spreken, dat deze laatste gedachte ons dunkt meer in overeenstemming met de Heilige Schrift te zijn; Gode waardiger is; en op den duur niet kan worden tegengestaan.


Toch verbloeme men geenszins de ontzaglijke bezwaren waardoor ook deze voorstelling gedrukt wordt. Ze zijn van tweeërlei aard. Vooreerst deze, dat de val in zonde dan niet enkel uit den mensch wordt afgeleid, maar een schakel wordt in het goddelijk besluit. En ten andere, dat men dus te staan komt voor de schriklijke moeilijkheid, dat dus ook de verderving der verlorenen rechtstreeks uit het goddelijk Raadsbesluit voortvloeit, en God derhalve de verlorenen schiep als bestemd ten verderve.

Nu spreekt het wel vanzelf, dat beide deze voorstellingen onhoudbaar zijn. Te zeggen: „God besloot van eeuwig dat er zonde moest komen. Dus kon de mensch niet anders dan vallen; en die val leidde tot zijn eeuwig verderf”, is God tot auteur van de zonde maken; hetwelk een gruwel is ook maar te denken.

En evenzoo de tweede voorstelling, alsof God de Heere millioenen wezens expresselijk in het leven zou hebben geroepen, om ze eeuwiglijk |171| in de hel te laten versmoren, is lijnrecht in strijd met elk begrip of denkbeeld van liefde, en hoeveel meer dan niet met elk besef van Gods ondoorgrondelijke barmhartigheden.

Edoch, en hierop heeft men veel te weinig gelet, deze zelfde bezwaren ontkomen de Infralapsarii evenmin. Ook hun stelsel wordt er bijna even zwaar door gedrukt.

Stel u toch voor dat er een reeder is, die een schip, bemand met honderd koppen, in zee wil zenden, en ’s nachts een gezicht krijgt, waardoor hij zeker weet: Midden in de zee zullen de opvarenden brand in het schip doen ontstaan en alle opvarenden zullen omkomen, tenzij ik eenige afzonderlijke voorzorg tref. En die nu, dit zeker wetende en vooruitziende, toch het schip met zijn ontplofbare lading in zee stuurt en slechts aan tien van de opvarenden een zwemgordel meegeeft, denkende: De overigen moeten maar in de vlammen omkomen.

Maar immers zulk een reeder zou de onmenschelijkheid zelve zijn, en elk rechtgeaard man zou tot zulk een barbaar zeggen: „Zeker wetende dat die lading, door de schuld der opvarenden, ontploffen zou, hadt gij het schip die lading niet mogen meegeven. En ook al hadt ge dit gedaan, dan hadt ge in geen geval slechts aan tien, maar hadt ge aan alle honderd zwemgordels moeten uitreiken.”

Met hun theorie van den vooruitgezienen val komen de Infralapsarii dus geen stap verder. Heeft God de Heere zeker geweten, dat, indien Hij den mensch alzoo schiep, die mensch en met hem heel de menschheid stellig en zeker vallen zou; en heeft Hij na dien stelligen val, dien Hij heeft laten begaan, dan slechts enkelen gered in plaats van allen, waar Hij allen redden kon; — dan is er van ondoorgrondelijke barmhartigheden geen sprake, maar zou God gehouden geweest zijn door zijn liefde den mensch anders te scheppen, en alzoo dien stellig vooruitgezienen val te voorkomen.

De Infralapsarii vorderen dus met hun stelsel geen stroospier. Noch in het stelsel der Infralapsarii noch in dat der Supralapsarii is een verklaring van het raadsel geboden, hoe de schuld van den val geheel en volstrekt voor rekening van den mensch kan blijven, terwijl toch alles naar het eeuwig Raadsbesluit gaat. Of een reeder een schip uitzendt met het doel om een deel der bemanning te doen omkomen, of met de stellige wetenschap dat het omkomen zal, terwijl hij het kan verhinderen, verschilt voor de uitkomst ternauwernood.

Maar ook al geeft men toe, dat het denkbeeld der Infralapsarii het gruwelijke iets minder hard maakt, gruwelijk blijft het voor ons besef toch beide malen, en dan hebben de Supralapsarii toch in elk geval dit |172| machtig voordeel, dat zij, waar het op de voorstelling van Gods doen in zijn eeuwig Besluit aankomt, dat besluit als goddelijk besluit tot zijn recht laten komen, terwijl de Infralapsarii het in twee stukken snijden, en het dus als besluit opheffen.


Het zal er dus op aankomen, hier wel te onderscheiden tusschen hetgeen voor ons verklaarbaar is, omdat het geopenbaard wierd, en hetgeen onverklaard moet blijven, omdat het al ons begrip te boven gaat.

En dan sta onwrikbaar onder alle belijders vast, dat de samenhang tusschen Gods eeuwig Besluit en den Val voor ons ondoorgrondelijk is. Men kan niet uit het Besluit tot den Val komen, of alle schuld gaat weg. En ook, men kan niet uit den Val tot het Besluit concludeeren, of er is geen Raadsbesluit meer, en het einde is dat ge uw God verliest. Alle stelsels die een oplossing van dit mysterie beproefd hebben, loopen dan ook alle uit, òf op een verzwakking van het Schuldgevoel, òf op een verzwakking van de Vrijmachtigheid en Zelfgenoegzaamheid van God.

En overmits nu de Heilige Schrift ons nooit, ook maar een oogenblik toelaat, iets, hoe gering ook, op de Vrijmachtigheid Gods, noch ook iets, hoe nietig ook, op het volle en onvoorwaardelijke schuldbesef af te dingen, voegt het ons voor dit onoplosbaar raadsel eerbiedig het hoofd te buigen; en beide, zoowel de volstrekte Vrijmachtigheid Gods, als de volstrektheid onzer Schuld, volmondig te belijden, erkennende, dat het verband tusschen deze beide ons niet is geopenbaard.

Maar (en hiermee scharen we ons in hoofdzaak aan de zijde der Supralapsarii) voor zooveel de Heilige Schrift ons de Uitverkiezing ontsluiert, dwingt en noopt ze ons allerwege te erkennen, dat de eigenlijke zaligheid van de uitverkorenen vrucht en resultaat zal zijn van een eeuwige Liefde, die hen krachtens deze Verkiezing schiep, krachtens deze Verkiezing formeerde, en krachtens deze Verkiezing zaligen zal. De lijn der Verkiezing, en dit is het wat we moeten vasthouden, loopt, ook in het Besluit, tot achter den Val en achter de Schepping door.

Hoe nu hierbij den Val als Schakel in het Besluit zij in te denken, weet niemand, en zal nooit iemand weten, zoolang we niet anders dan met onze eindige begrippen redeneeren kunnen.

Een besef mogen we hiervan hebben, maar nooit is het in klare voorstelling te brengen.

Hier zoomin, als op eenig ander punt der levenslijn, kunt ge met uw eindige begrippen tot in den wortel van het Oneindige doordringen.

Het baat u daarom ook niets, of ge al met de Vermittelungs-theologen onzer dagen uw toevlucht neemt tot een pantheïstisch getinte opvatting |173| van Gods eeuwigheid, als zou deze eeuwigheid Gods elke tijdsorde, en dus ook elk vroeger en later, in Gods werken uitsluiten; wat neer zou komen op de stelling: God heeft u niet uitverkoren, maar is de steeds en ook nu nog de u verkiezende God. Toegegeven toch, dat het ongerijmd is, Gods eeuwigheid te verstaan als louter eindelooze uitbreiding van aanzijn voor en na den Tijd; alsmede dat Gods eeuwigheid het volle zijn van zijn Wezen op elk oogenblik insluit; zoo baat u dit toch niets, zoodra ge toekomt aan onze menschelijke voorstelling van Gods werk. Immers God schiep zelf den Tijd; deelt zelf in de Schrift zijn werken naar tijdsorde in; en stelt de verkiezing zeer beslist als buiten den Tijd liggende vóór de grondlegging der wereld. En ook al ware dit niet zoo, dan nog zou een kind des menschen nooit anders eenige voorstelling van de zaak kunnen krijgen. Ons denken houdt op, zoodra de opvolging der oogenblikken en de onderscheiding der tijdsorde voor ons ophoudt. En zoo blijkt dat de Ethischen ook op dit punt ons geen stap verder brengen en hooglijk gevaar loopen om de grenslijn tusschen het eeuwige zijn des Heeren Heeren, en ons gestadig worden, uit te wisschen.