Van de Verkiezinge Gods.

*

Eerste hoofdstuk.

Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde.

Ef. 1 : 4.


De uitleggers van den Catechismus volgen gemeenlijk het voorbeeld van Ursinus zelf in zijn Schatboek, om bij de Zondagsafdeeling van de Kerk tegelijk het stuk der Uitverkiezing te behandelen.

Deze gewoonte volgen ook wij. Reden hiervan is, dat in een belijdenisschrift |159| der Gereformeerde kerken de belijdenis der Uitverkiezing niet kan wegblijven, en dat de opstellers van den Catechismus, kennelijk niet zonder goede oorzaak, juist bij dit artikel en schier bij dit artikel alleen, de Uitverkiezing met name ter sprake brengen.

Wel wordt de zaak der Uitverkiezing in Vraag 20 en zoo vele andere ondersteld, en in Vraag 52 het woord uitverkorenen evengoed als in Vraag 54 gebezigd, maar toch als uitgangspunt komt het alleen in Antw. 54 voor. En overmits nu Ursinus, die met Olevianus dit leerboek opstelde, zelf in zijn Schatboek het voorbeeld geeft om bij deze Zondagsafdeeling breedvoeriger van de verkiezing te handelen, zoo weet men dat het metterdaad de bedoeling van de opstellers was, om door deze Vraag de leer der Uitverkiezing in hun Catechismus te fundeeren.

Nu worde intusschen bij elke bespreking van dit allergewichtigst leerstuk van meet af drieërlei wel in het oog gehouden.

Ten eerste, dat wel bezien door niet ééne Christelijke kerk het feit ontkend of betwist wordt, dat metterdaad de Heilige Schriftuur ons het bestaan van een Verkiezinge Gods geopenbaard heeft.

Noch de Roomsche, noch de Luthersche, noch de Remonstrantsche kerken hebben aan zulk een stoute ontkenning zich ooit gewaagd. Eer integendeel hebben alle kerken en alle godgeleerden, dien naam waard, steeds onomwonden toegegeven, dat in de Heilige Schriftuur wel zeer zeker eene Verkiezinge Gods geleerd wordt.

Het ging dan ook niet aan dit feit te betwisten. De uitspraken der Heilige Schriftuur op dit punt zijn zoo stellig en onloochenbaar, dat men de Schrift dicht zou moeten doen, om er niets van de Uitverkiezing in te lezen.

Men steile zich derhalve van Gereformeerde zijde in zijn gesprekken en redetwisten met andersdenkenden nooit aan, als moest men hun eerst nog duidelijk maken, dat door de Schrift wel wezenlijk een Verkiezing geleeraard wordt; maar plaatse steeds en onvoorwaardelijk als uitgangspunt het feit op den voorgrond, dat over dit punt als zoodanig geen verschil van gevoelen mogelijk is; en toone desnoods aan, hoe alle kerken en alle confessiën zonder onderscheid of uitzondering dat feit steeds onomwonden hebben beleden en toegestemd.

De oppervlakkige moge het zich gemakkelijk maken door over die uitspraken der Heilige Schrift kortweg heen te lezen; de sektarische prediker moge het veld meenen te heroveren, door nooit ofte nimmer een dier stellige uitspraken tot tekst te kiezen; toch zwijgt men met dit kleinzielig zwijgen het feit zelf niet dood. Wie in de Schrift niet van een Uitverkiezing leest, op zijn catechisatiën niet van de Uitverkiezing handelt, in zijn predikatiën niet van de Uitverkiezing spreekt, en in zijn geestelijke |160| overdenking of levensbeschouwing niet met de Verkiezinge Gods rekent, is kort en goed een struisvogel, die zijn kop achter een boom versteekt, en waant, daardoor aan het oog van den jager te ontkomen. Wat hij niet ziet, zoo oordeelt deze domme vogel, ziet ook hem niet.

Zoo algemeen echter als moet toegegeven, dat het feit der Schriftuurlijke openbaring van de Uitverkiezing door geen kerk, geen godgeleerde noch deskundigen leek zal ontkend worden, zoo verre loopen ook de positiën uiteen, die men oordeelt tegenover dit feit te moeten innemen.

In twee hoofdgroepen gaat men hierbij uit elkaar. Aan den éénen kant staan allen, die in den grond van hun hart van geen Uitverkiezing weten willen, en aan den anderen kant al diegenen, die ze om Gods wille van harte belijden, er hun troost in zoeken, en er in roemen tot prijs van ’s Heeren heerlijkheid.

Die laatsten nu zijn niet alleen de Gereformeerden. Reeds lang eer de kerk gedeformeerd, en straks gereformeerd was, is in de vierde en vijfde eeuw onzer jaartelling over dit punt een zeer ernstig geding in de Christelijke kerk gevoerd, waarin het pleit voor de Schrift aan Augustinus’ onsterfelijken naam verbonden is. Monica’s zoon was de van God geroepene en bestemde om het eerst dit kostelijk stuk onzer belijdenis grondig en in zijn diepte op te vatten, en tegen de dwalingen van Pelagius en zijn aanhang te verdedigen. Het was aan zijn helder inzicht, aan zijn hoogen moed en ongeëvenaarde doortastendheid te danken, dat destijds de Christelijke kerk bijna eenparig tot de belijdenis van deze heilige waarheid toetrad en keer op keer alle halve en heele ontkenning van dit leerstuk verwierp.

Drie eeuwen zijn er, sedert Augustinus optrad, dan ook noodig geweest eer het satan gelukte deze troostrijke belijdenis weer aan de kerken van Christus te ontwringen.

En toen het eindelijk aan den Vijand der waarheid gelukt was, onder het deksel van een nieuw Semipelagianisme deze schoone belijdenis onzichtbaar te maken, zijn er toch in elke eeuw nog altoos enkele mannen van naam en enkele vrome groepen van grooter of kleiner omvang opgestaan, die altoos weer den sluier poogden weg te nemen.

Zoo duurde het tot in Luthers dagen, en nauwlijks brak met het moedig optreden van dezen geloofsheld het licht der waarheid weer in Gods kerke door, of ook de leer der Uitverkiezing wierd in eere hersteld en door Luther met onkreukbare trouw en volstandig beleden.

Ontkend mag intusschen niet dat de godgeleerden, die straks Luthers taak overnamen en er aan voortsponnen, hierin niet met hem homogeen stonden, en al spoedig allerlei pogingen aanwendden, om aan de klem van deze waarheid te ontkomen. |161|

En toen was het, dat voor Calvijn de schoone taak bleek weggelegd, om met krachtige hand en helder bewustzijn, het verdonkerd goud van dit belijdenisartikel nogmaals van het stof der menschelijke vondsten te reinigen, en met zulk een kracht op den voorgrond te schuiven, dat heel een reeks van kerken, het uitnemend gewicht van dit leerstuk inziende, het niet slechts in heur belijdenis opnamen, maar er geheel hare belijdenis door beheerschen lieten.

Eerst door Calvijns machtig initiatief is de leer der Uitverkiezing het cor ecclesiae of „het hart der kerk” geworden. Waar Augustinus nog vrede nam met óók deze waarheid in het licht te stellen, oordeelde Calvijn op grond van de ervaring der Middeleeuwen, dat zelfs dit nog niet genoeg was, en dat er voor de kerk van Christus geen andere keuze overbleef, dan om òf deze heerlijke belijdenis tot het middelpunt harer gansche Confessie te maken, òf reeds bij den aanvang den dag voor te bereiden, waarop nogmaals het wondere feit der Uitverkiezing onder het stof der vergetelheid zou worden begraven.

Dit inziende heeft Calvijn deswege, met volkomen bewustheid van wat hij deed, wel wezenlijk het feit der Verkiezinge Gods op den voorgrond geplaatst. Zij die ook in onze dagen dit feit wel erkennen willen, maar er altoos bijvoegen, dat het toch niet op den voorgrond moge geplaatst worden, reageeren dus wel terdege tegen het uitgangspunt der Gereformeerde kerken. En dat Calvijn juist en zijn bedillers onjuist zagen, blijkt wel op onomstootelijke wijze uit het feit, dat ook thans weer de belijdenis der Uitverkiezing èn in Engeland, èn ten deele zelfs in Amerika en Schotland, èn niet minder in ons eigen vaderland, weer bijna-spoorloos verdween uit alle kringen en groepen der kerken, waar men met Calvijn deze op den voorgrond plaatsing niet aandorst.

Feitelijk is aan alle overige groepen en kringen nu reeds weer overkomen, wat aan de kerk na Augustinus overkwam, t.w. dat ze pro memorie nog altoos de Verkiezing op de reeks harer artikelen plaatsen, maar om er schier nimmer mee te rekenen; terwijl alleen in die kringen van geloovigen, waar men met Calvijn het op den voorgrond plaatsen van de Verkiezing plicht achtte, nog altoos in een onverzwakt mainteneeren van deze belijdenis te roemen valt.


Toch mogen daarom niet alle tegenstanders van het Gereformeerde standpunt over één kam worden geschoren.

Er zijn onder hen sophisten, ondiepe lieden, halve vrienden en verklaarde vijanden, die wel te onderscheiden zijn.

Sophisten noemen we al diegenen, voor wie het stuk der Verkiezing |162| geen zaak van het hart, maar puur van verstandelijke redeneering is. Intellectueele goochelaars, verstandelijke acrobaten en koordedansers, die zich aan halsbrekende toeren wagen, om u te beredeneeren, dat een cirkel vierkant of een ruit rond is, en zoo ook op dit stuk u haarfijn voorpluizen, hoe al wat de Schrift van de Uitverkiezing leert, uiteraard wel bestaan kan met haar algeheele wegcijfering en verwerping.

Houd u van dit soort lieden liefst op een afstand. Redeneer met hen nooit, tenzij ge het met bestraffende overmacht kunt doen, om met één ruk het rag van hun spinsel te verscheuren. Bij de zwijnen vergeleek de Heere dit soort menschen, voor wie men de paarlen van zijn heiligheid niet te grabbel zal werpen.

Heel anders daarentegen zijn de ondiepe lieden. De leer der Verkiezing is een wortelstudie. En nu zijn er, helaas, maar al te veel lieden, die niets van het onderzoek van den wortel houden, en zich maar aldoor vermaken met twijg en blad. Zoo doen ze bij de leer der zonden, waarbij ze nooit tot Adam doordringen. Zoo doen ze bij de leer der verlossing, waarbij ze nooit duiken in de diepte van Gods raad. Zoo doen ze bij de kerk, waarbij ze nooit rekenen met het Lichaam Christi. En zoo nu doen ze ook met de leer der persoonlijke genade, waarbij ze nooit talen naar de Verkiezinge Gods. Dit soort menschen is van alle duiken afkeerig en stelt zich tevreê met het dobberen in den waterspiegel.

Ze minnen de oppervlakte en schuwen dieper onderzoek. Ze wonen in hun huis, en sterven in hun huis, zonder ooit te vragen naar de fundamenten.

Bij deze lieden schuilt het kwaad dus niet in onaandoenlijkheid noch in verklaarde vijandschap, maar in zekere geestelijke traagheid. Hun vang is te klein en te kort. Ze scheepten zich in zonder een dieplood mee te nemen, en kunnen daarom den bodem onder de wateren niet peilen.

Het naast aan deze staan de halve vrienden.

Dit zijn menschen, die wel terdege iets gevoelen voor de eere Gods, die bij dit vraagstuk betrokken is, maar die toch ook weer te veel voelen voor de eere van den mensch, die er bij dit vraagstuk ganschelijk onder moet, om uit de volle borst en blij van toon de hymne der Uitverkiezing met u mee te zingen. Ze zijn geboren schipperaars. Lieden die zich het best er bij bevonden, zoo dikwijls ze het op een akkoord wierpen. Een vergelijk is voor hen steeds goud waard. En zoo schijnt hun ook ten deze de steen der wijzen gevonden te zijn, zoo men noch te veel links noch te veel rechts gaat, maar met bedachtzamen tred op het middenpaadje voortstrompelt. Half geven ze dus het ééne toe, maar half houden ze ook het andere vast, en zoo hebben ze niets geheel. Als deze lieden een man |163| uit één stuk op hun weg ontmoeten, steken ze onwillekeurig hun voelhorens uit, en speuren al spoedig, dat mijden van dien man voor hen het veiligst is.

En dan komen in het laatste ressort nog de verklaarde vijanden. Dit zijn mannen die ook op hun beurt aan wortelstudie doen, en volstrekt met geen zoetsappig praatje vrede nemen. Ook zij eischen eenheid en veerkracht in de belijdenis onzer beginselen. Ze schuwen met ons èn de sophisten, èn den twijg- en bladplukker, èn den man van het middenpaadje. Wat ook zij bedoelen is, leven uit één beginsel en spreken met één mond. Alleen maar, deze prijslijke doortastendheid en beginselvastheid keert zich bij hen beslist tegen de eere Gods. Zij gelooven niet in God, maar in den mensch. En deswege kan het niet anders, of ook zij leeren wel met ons een verkiezing, maar een verkiezing waarbij gekozen wordt niet door den Schepper, maar door het schepsel.

Met deze vierderlei soort van bedillaars en tegenstribbelaars en leuteraars en vijanden hadden reeds onze vaderen in de 16e en 17e eeuw te doen en daarom is en blijft het de onvergankelijke roem van de Synode, die in 1618 te Dordrecht daagde, dat zij met vaste hand het rag der sophisten verscheurd, de oppervlakkigheid dezer ondiepe lieden gebrandmerkt de halfheid dezer middenmannen op de kaak gesteld, de principieele vijandschap dezer tegenstanders gewraakt, en tegenover allen saam de vrijmachtige Souvereiniteit Gods en de Almacht des Heeren in het genadewer op het schoonst verheerlijkt heeft.


Ten tweede zij opgemerkt, dat alle bespreking van de Uitverkiezinge Gods een doordringen is tot de grondlegging en fundeering der elementen, waaruit het God beliefd heeft zijn geducht paleis op te trekken.

Men laat, zoodra het aan deze quaestie toekomt, het dieplood tot op den diepsten bodem zakken, en heeft plotseling met een dier ondoorgrondelijke mysteriën te doen, waarbij ons eindig bewustzijn rechtstreeks in aanraking komt met dat eeuwige en oneindige in den Heere onzen God, dat buiten het bereik en de bevatting van onze eindige begrippen valt.

Van een beredeneeren, van een klaarlijk uiteenleggen, van een begrijpen en doorzien der Uitverkiezing kan dus nimmer sprake zijn.

Ge kunt noch bevatten noch begrijpen, wat en wie God de Heere in zijn Eeuwig en Volzalig Wezen is. Ge kunt noch bevatten noch begrijpen, wat in dat Eeuwige Wezen het drievuldig bestaan der Goddelijke Personen is. Ge kunt noch bevatten noch begrijpen, wat de schepping van een creatuur door de wilsmacht van den Schepper is. Ge kunt noch bevatten noch begrijpen, hoe de Zone Gods het vleesch aannam, en tegelijk God |164| en mensch was. Ge kunt noch bevatten noch begrijpen, hoe gij zelf geboren zijt, hoe ge in ziel en lichaam bestaat, en na de scheiding van beide nog kunt voortbestaan. Ge kunt noch bevatten noch begrijpen, hoe uw denken in uw bewustzijn ontstaat en bestaat. Ge kunt noch begrijpen noch bevatten, wat het wezen der liefde, wat het wezen des levens, wat het wezen van den dood is. Kortom, alle begrip en alle bevatting, als werkende met eindige middelen, schiet te kort en moet zijn onmacht belijden, zoodra ge in het wezen der dingen doordringt, en dus de grens en het perk van het eindige overschreden hebt.

„o, Diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennisse Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn zijne oordeelen, en onnaspeurlijk zijn zijne wegen!” blijft daarom de uitroep, die van de lippen des apostels voortgeplant moet op onzer aller lippen, zoodra we ons tot de overdenking van dat heilig mysterie nederzetten.


En ten derde worde steeds in het oog gehouden, dat God de Heere voor ons zedelijk leven een eigen wet en ordinantie heeft ingesteld, die wij met ons zedelijk bewustzijn nimmer overschrijden kunnen, zonder aanstonds alle recht in te boeten, om over het zedelijke mee te spreken.

Het kenmerk van ons zedelijk leven is het besef van verantwoordelijkheid. Overal waar dit niet werkt, is het zedelijk leven òf weg, òf slaapt het, òf zwijgt met opzet. Zoo dikwijls daarentegen onze persoonlijke zedelijke overtuiging leeft, wakker is en spreekt, komt onverbiddelijk altoos en aanstonds het onuitroeibaar besef van verantwoordelijkheid in het spel, dat door geen drogreden is weg te cijferen.

Was nu het zedelijk besef ons gegeven, om daarop onze religie te bouwen, en daaruit te concludeeren tot het bestaan van God en den aard van zijn goddelijk werk, dan spreekt het vanzelf, dat wij nooit of nimmer tot een belijden van Gods uitverkiezende genade komen zouden noch konden; eenvoudig omdat de verantwoordelijkheid in ons nooit iemand anders dan ons zelven verantwoordelijk stelt, en aldus nooit tot een hoogere oorzaak kan opklimmen.

Nu dit echter niet zoo is, en de zedelijke ordinantie alleen voor het zedelijk leven geldt, d.i. voor ons doen en laten beslist, en God de Heere daarentegen voor de kennis van zijn Wezen en Werk ons een openbaring gegeven heeft, opdat we door de schatten dier openbaring tot de kennisse van zijn genade zouden doordringen; zoo is het duidelijk, dat de Uitverkiezing alleen uit de openbaring en niet uit ons zedelijk besef moet toegelicht.

Die beide staan zelfs zoo scherp tegen elkander over, dat ge nooit eenige |165| gevolgtrekking uit uw zedelijk besef kunt afleiden, of ge moet aanstonds in botsing komen met wat God u in zijn Woord over zijn Wezen en Werk heeft geopenbaard. En alle poging die ge dus mocht willen aanwenden om deze beide te rijmen en overeen te brengen, is vooruit met volstrekte onvruchtbaarheid geslagen.

Dit nu is een strijd niet enkel tusschen uw zedelijk besef en Gods Woord, maar evenzeer in dat Woord zelf tusschen al die uitspraken, die u het Wezen en werk Gods openbaren, èn al die andere uitspraken die zich richten tot uw zedelijk besef, om dat besef te zuiveren en te prikkelen.

Als het op de ééne plaats heet „Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen,” en op een andere plaats: „De wet des Heeren is volmaakt, bekeerende de ziel,” dan is het tijdverspillen, zoo ge deze twee rijmen wilt. „Bekeer u”, is de prikkel die het zedelijk besef opwekt. „De Heere bekeert de ziel door zijn wet” is de openbaring van de wijze waarop het feit der bekeering door God in u gewrocht wordt.

Waaruit volgt, dat èn de kerk èn de godgeleerde, zoowel de prediker als de leek, elk recht mist, om òf ter wille van het zedelijk besef ook maar een korrel op het goud der openbaring af te dingen, òf ook omgekeerd, om ter wille van de openbaring, het zedelijk besef tot zwijgen te brengen.

Beide moeten in haar geheelheid, in haar volheid, in haar volle kracht beleden en gehandhaafd worden.

Niet om het onmogelijke van ons te vorderen, dat we ja en neen te gelijkertijd zullen belijden. Dit kan niet. Dat verbiedt God ons in ons bewustzijn.

Maar wel opdat we inzien, erkennen en belijden zouden, dat het terrein onzes zedelijken levens een apart gecreëerd terrein is, waarop eigenaardige wetten gelden, die God de Heere voor dit zedelijk leven verordineerd heeft. En dat, wijl het Wezen en Werk Gods hoog boven dit beperkt terrein des zedelijken levens ligt, naardien het er aanzijn aan gaf en er de levenswet over bepaalde, geen onzer recht heeft, om naar den maatstaf van dit geschapen zedelijk leven het Wezen en Werk van den Schepper te meten.

Op de beroemde Synode van Dordrecht is dit dan ook niet geschied. Men heeft op deze kerkvergadering in niets aan de eischen van het zedelijk leven tekort gedaan. Veeleer wierd de eisch van dit leven hooglijk geëerd. Alleen maar, men heeft, en zeer terecht, geweigerd, ethisch in kwaden zin te zijn, d.w.z. men heeft volstandig geweigerd, eenzijdig het Wezen en het Werk Gods uit één zijner scheppingen, tegen zijn geopenbaarde kennisse in, te beoordeelen.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002