Zevende hoofdstuk.

Tot prijs der heerlijkheid zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde in welken wij hebben de verlossing door zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden.

Efeze 1 : 6, 7a.


In de Apostolische Geloofsbelijdenis volgt op de belijdenis van „den Heiligen Geest”, de „Kerk” en de „Gemeenschap der Heiligen”, alvorens tot de „Opstanding des vleesches” wordt overgegaan, nog een apart stuk aangeduid met de woorden: Vergeving der zonden.

De behandeling van dit gewichtig geloofsartikel in onzen Heidelbergschen Catechismus is niet gelukkig, en ook in Ursinus’ Schatboek loopt het met een korte bespreking af. Oorzaak hiervan is, dat de Heidelbergsche Catechismus in Zondag XXIII dit stuk opzettelijk in den breede behandelt |152| onder de leer der Rechtvaardigmaking, waar Ursinus dan ook naar verwijst. Ten einde niet tweemaal hetzelfde te zeggen, wierd over dit geloofsartikel dus tamelijk kort heengegleden, en hebben Ursinus en Olevianus het als een aanhangsel op het stuk der Kerk behandeld. Dit maakt, dat er bij de uitlegging van onzen Catechismus op den kansel gemeenlijk nog minder van terecht komt. Immers als in een enkele predikatie reeds het stuk der „Kerk” en van de „Gemeenschap der heiligen” te behandelen is, schiet er voor dit 10e geloofsartikel eenvoudig geen tijd over. En dat te minder, daar de Heidelberger ook het stuk van de Uitverkiezing in Vraag 54 heeft ingelascht, en dus ook dit cor ecclesiae bij de behandeling van de 54e Vraag kortelijk dient besproken.

Bij deze schijnbaar nietige en puur formeele quaestie moet toch een oogenblik stilgestaan, en dient aangetoond, hoe dit artikel van de „Vergeving der zonden” juist op deze plaats in de Apostolische Geloofsbelijdenis inkwam; alsook wat oorzaak was dat onze uitleggers desniettemin den inhoud ervan verschoven naar een afzonderlijke Zondagsafdeeling over de Rechtvaardigmaking.

Toen namelijk de Christelijke kerk pas opkwam en uit Israël de wereld intoog, kwam ze uit den „Dienst der schaduwen”. In dezen Dienst der schaduwen was al datgene wat geestelijk en onzichtbaar bedoeld is, tastbaar en uitwendig voorgesteld. De verlossing van Satan was het verlost worden uit het diensthuis van Egypie. Het Iand der belofte was niet de hemel, maar het zichtbare Kanaän, overvloeiende van melk en honig. De reiniging was een wezenlijk waterbad. De verzoening wierd gezocht in een dier, welks bloed men vergoot. Kortom, alle geestelijke zaak was onder den Dienst der schaduwen afgebeeld in iets dat men met de zintuigen kon waarnemen en uitkwam in het uitwendige.

Zoo nu ook was het onder dezen Dienst der schaduwen met de zonde. De geestelijke zonde wierd verzinnebeeld in de stoffelijke Levietische onreinheid. Alle smet van deze Levietische onreinheid maakte onheilig en vervreemdde van de gemeenschap met den heiligen God. Om met dezen heiligen God in gemeenschap te treden, moest deze Levietische onreinheid dus vooraf weggenomen. Dit nu deed de priesterlijke bediening. En zoo ontstond er tweeërlei terrein. God maakte scheiding door zijn priesters tusschen het reine en onreine, het heilige en onheilige terrein. En al de drang van een Israëliet, die God vreesde, was maar om alle gemeenschap of aanraking met het onreine of onheilige te schuwen, en in het heilige en reine te zijn opgenomen. Vandaar dat een hoogepriester zijns vaders lijk, wijl het dood en dus onrein was, niet eenmaal mocht begraven.

Tot op zekere hoogte bestond de heugenis van iets dergelijks ook in |153| de Heidenwereld. Ook daar hadden allerlei wijdingen en reinigingen plaats, die alle uitgingen van de onderstelling: 1º. dat er onderscheid bestond tusschen een heilig en zeker onheilig gebied: 2º. dat de menschen van nature in het onheilige lagen; 3º. dat ze door den priesterlijken dienst op het heilig erf moesten worden overgezet.

Toen derhalve de beker van het nieuwe Testament in Jezus’ bloed was opgenomen, en hiermee de „Dienst der schaduwen” ten einde ging, en overging in den Dienst der vervulling, ontstond de vraag, waarin thans onder de nieuwe bedeeling deze onderscheiding tusschen het Heilige en onheilige in het Heilige gezocht moest.

De Heere zelf had hiertoe geprikkeld door zijn zeggen tot zijn jongeren: „Gijlieden zijt heilig door het woord dat Ik tot u gesproken heb”; wat terugsloeg op het gezegde bij het heilige Nachtmaal; en niet minder door zijn verzekering bij de voetwassching: „Die gewasschen is, heeft niet van noode dan de voeten te wasschen, maar is geheel rein.” En ook de heilige Apostelen hebben in hun prediking deze diepe grondgedachte telkens op den voorgrond geschoven, zoo dikwijls zij de gemeente der geloovigen toespraken als heiligen, of haar toeriepen: „Gijlieden zijt afgewasschen, gij zijt geheiligd, gij zijt gerechtvaardigd in den naam des Heeren Jezus en door den Geest onzes Gods” (1 Cor. VI : 11) een „heiligen”, waarmee blijkbaar niet de heiligmaking bedoeld is, want „heiligmaking” volgt op de rechtvaardigmaking, en hier in 1 Cor. VI : 11 gaat ze aan de rechtvaardigmaking vooraf.


Op deze wijze nu vormde zich de voorstelling van een heilige Kerk.

Immers onder Israël wierd men van onrein rein, zoodra men deel erlangde aan de priesterlijke reiniging, die verloste van de Levietische onreinheid. En ook de Christenen uit de heidenen kenden uit hun verleden priesterlijke besprengingen en reinigingsformulen, die hen uit den ongewijden in den gewijden kring overbrachten. Vandaar de zoo natuurlijke vraag aan de eerste Christenen, wat nu voor hen het gewijde erf, het heilige terrein was.

Op die vraag nu antwoordden ze zeer juist, dat de Dienst der schaduwen voorbij en opgegaan was in den Dienst der vervulling; dat dus ook geen uitwendige reinheid meer gold, maar alleen geestelijke reiniging in Christus, en dat derhalve het gewijde erf en het heilige terrein voor hen alleen daar was te zoeken, waar de krachten van het zoenoffer des Heeren werkten, d.i. in zijn Kerk.

De heilige Doop sterkte dit inzicht. Immers door een „heiligen” Doop, als waterbad wierd reiniging van schuld en onreinheid afgebeeld; en wijl |154| deze Doop het sacrament van de inlijving in de Kerk des Heeren was, moest ook daardoor de overtuiging bevestigd worden, dat metterdaad de wereld buiten de Kerk het ongewijde en onheilige terrein was, en dat alleen in de Kerk van Christus het heilige terrein wierd betreden.

Zoolang dit nu geestelijk bedoeld en verstaan wierd, liep alles goed. Men beleed en erkende dan, dat het Lichaam des Heeren heilig en rein in zijn heilig Hoofd was; dat al wie tot dit Lichaam des Heeren behoorde, daardoor ook vanzelf ontkomen was aan de zonde; niet meer zondigen kon, omdat het zaad Gods in ben bleef, en volkomen vergeving had én van zonden die geschied waren, én van den zondigen aard die ieder aankleefde. Het was hetgeen reeds Paulus beleed: „Zoo doe ik zulks niet meer, maar de zonde die in mij woont.”

Spoedig echter geraakte men met deze heerlijke belijdenis op het dwaalspoor. Toen het aantal hypocrieten in de kerk dat der waarachtige geloovigen begon te overtreffen, was dit.boog-geestelijk standpunt niet meer vol te houden. Het gedurig uitbreken der zonde was daartoe te kennelijk en openbaar. En dit nu leidde tot tweeërlei misbruik, ten eerste tot de wijdingen en ten tweede tot de biecht; beide door tusschenkomst van den priesterlijken dienst aan de wezenlijke geloovigen of naamgeloovigen toegediend.

Terugvallende in de ceremoniën van den Dienst der schaduwen, ging men zoodoende weer heilige plaatsen en onheilige plaatsen onderscheiden, en gaf ingang aan de voorstelling, alsof een sprengen met wijwater de onreinheid kon wegnemen. Dit kwam op in den Doop door Exorcisme of de uitbanning van den Duivel. Het kwam op bij het wijden van kerken, kapellen en kloosters. En het kwam op bij het binnentreden in het heiligdom, door het wijwater waarmee de binnentredenden zich besprengden. Het heerlijk denkbeeld van een heilig erf dat geestelijk door Christus ontzondigd was, daalde op die wijs tot het lage begrip van een uitwendige smet die door uitwendige besprenging wierd weggenomen.

Maar hiermee was men er nog niet. Ook met de zonde die telkens zoo ruw en schriklijk uitbrak, had men te rekenen, en er moest dus een middel uitgedacht, om deze telkens uitbrekende zonden, die de heiligheid verstoorden, weg te nemen en daardoor de heiligheid te herstellen. Dat middel nu vond men in de Oorbiecht, die onderstelde, dat de leden der kerk die uit haar heiligheid uitvielen, alsnu tot den priester moesten komen, om herstelling van hun heiligheid te vragen; en deze erlangen dan de absolutie van alle beleden zonden.

Zoo wierd het denkbeeld, dat de Kerk het heilige terrein is, gered. Alle smet van onreinheid wierd weggenomen door de wijding, en alle |155| smet der zonde door de biecht. En het einde was, dat de geestelijke Kerk veruitwendigd wierd, en dat toch de Kerk het erf bleef, waarop de Vergeving der zonden koninklijk heerschte.

Heilig is de Kerk, omdat ze het Lichaam des Heeren is, en wet in den absoluten zin van 1 Joh. III : 9, dat een geloovige niet zondigen kan, omdat hij uit God geboren is. Maar natuurlijk potentiëel; d.i. niet in zichzelven, maar in Christus; niet door haar belijdenis, maar door „het Woord dat Hij tot haar gesproken heeft”. Geheel gelijk ons Avondmaalsformulier het zegt: „dat wij zelven midden in den dood liggen, en daarom ons leven buiten onszelven, in Christus Jezus zoeken.”

Thans echter verloor men dit geestelijk gezichtspunt uit het oog, en ging dit heilig karakter zoeken, deels in priesterlijke wijdingen, en deels in de onderwerpelijke heiligmaking van de personen. Hieruit kwam toen de aflaathandel voort. Door dit valsche standpunt wierd geheel de leer van de zonde, van den mensch en van de verlossing op verkeerde paden geleid, en het einde was, dat, toen de Reformatie der 16e eeuw opkwam, geheel het begrip van de Vergeving der zonden opgegaan was in een kerkelijken handel. Het ging buiten Christus, en ten leste ook buiten de ziel om.


Dit greep Luther zoo machtig in de ontruste conscientie aan, en vandaar dat hij heel deze vergeving der zonden, gelijk de kerk die praetendeerde en aanbood, verwierp, om nu, achter den rug der kerk om, den grond voor de „Vergeving der zonden” te zoeken in de rechtvaardigmaking door het geloof.

En dit was juist gezien, in zooverre het drong tot een teruggaan ui de zichtbare in de onzichtbare Kerk. De vergeving der zonden is een geestelijk heilgoed, dat inklevende is in de onzichtbare Kerk als he Lichaam des Heeren. Wie daartoe hoort, heeft er deel aan; wie daa buiten omdoolt, mist het; en slechts in zooverre ge u van uwe aan hoorigheid tot het Lichaam des Heeren bewust zijt, smaakt ge van die Vergeving der zonden al den volzaligen troost.

Dit verband echter hield Luther niet aldoor vast, en vooral de latere Lutheranen hebben de „Vergeving der zonden” maar al te zeer tot een persoonlijke zaak tusschen God en hun hart gemaakt, buiten de aanhoorigheid tot het Lichaam van Christus om. Zoodoende wierd met een handeling tusschen de ziel van A en haar God, en de ziel van B en haar God, en van een saanibezitten van dezen heilschat als Gemeente des levenden Gods wierd ternauwernood meer iets gevoeld.

Reactie tegen de dwaling van Rome had op haar beurt tot een tegenovergestelde eenzijdigheid geleid. |156|

Aan deze eenzijdigheid leden dan ook alle kerken der Hervorming, maar toch de Gereformeerde het minst, doordien bij haar de wedergeboorte en bekeering veel meer dan de rechtvaardigmaking op den voorgrond drong. Onder ons Gereformeerden voelt men zeer wel, dat de heilschat van de Vergeving der Zonden eerst dan uw deel is, als ge ingelijfd zijt in Christus, een kind van God zijt geworden, en als lid zijt ingevoegd in zijn heerlijk lichaam. Onder ons weet en beseft men, dat een zondaar veranderd en bekeerd moet worden, zal hij het Koninkrijk van God en in dat Koninkrijk de Vergeving der zonden vinden. Zonder tusschentredende daad Gods aan de ziel, wordt deze troost door ons, Gereformeerden, niet gesmaakt. Dit maakt dan ook, dat de leer der Rechtvaardigmaking onder ons zeer zeker hoog gewicht hield, en dat zonder deze heerlijke belijdenis geen ziel gerust kan zijn, maar dat toch het geloof in de Rechtvaardigmaking onder ons, Gereformeerden, meer vrucht van het ingeplante geloof en van de wedergeboorte is, dan dat deze leer op zichzelf het één en al voor ons geestelijk leven zou zijn.

Het best merkt men dit aan het verzet van ons volk tegen het Neo-Kohlbrüggianisme, dat juist ook te dezen opzichte meer Luthers dan Gereformeerd is, en evenals in andere leerstukken zijn Duitschen, en on-Nederlandschen oorsprong verraadt.

Dit neemt echter niet weg, dat onze Heidelberger, aan dit punt toegekomen, er tegen op zag, om de eigenlijke leer van de „Vergeving der zonden” bij de leer van de Kerk te behandelen, er hier dus overheen liep, en ze eerst tot haar recht deed komen ten deele in Vraag 21 van het Geloof, ten deele in Vraag 61 van de Rechtvaardigmaking, en ten deele in de leer van de Sacramenten.


Mits de historische gang van deze aangelegenheid helder voor ieders oogen sta, is er voor ons geen reden noch oorzaak, om ten deze van de behandelingswijze van den Heidelberger af te wijken; ook al zouden we aan de wijze van behandeling die Calvijn en die onze Confessie volgt, de voorkeur geven. Vooral het behandelen van de leer der Uitverkiezing, even terloops bij de leer der Kerk, blijft in onzen Heidelberger een moeilijkheid. Doch hierbij vergete men nimmer, dat zulk een geschrift als onze Catechismus onder bepaalde geschiedkundige moeilijkheden in de wereld trad, en dat destijds de hoop nog niet was opgegeven, dat men door soberder in zijn uitlatingen te zijn, allicht de ineensmelting der Luthersche en Gereformeerde kerken nog wel zou kunnen verkrijgen.

Bezwaar levert dit echter te minder op, doordien onze Catechismus, zij het dan ook kort, toch de „Vergeving der zonden” ook te dezer plaats |157| in Vraag 56 wel terdege nog behandelt, en daardoor gezorgd heeft, dat de schoone harmonie en volgorde in de Apostolische Geloofsbelijdenis niet verbroken werd.

Waarin ligt het schoone van deze harmonie?

Let er, om dit te gevoelen, op, hoe terstond na de „Vergeving der zonden” de belijdenis volgt van de Opstanding des vleesches en van het Eeuwige leven.

Tusschen de Kerk op aarde en het overgaan in de Kerk daarboven staat dus het geloofsartikel van de „Vergeving der zonden” midden in, en wel op die plaats, waar anders de belijdenis van het Laatste oordeel zou hooren.

Voor de ongeloovigen is het dus: 1º. een leven uit de wereld; 2º. een gemeenschap aan de werken der duisternis; 3º. het laatste oordeel; en 4º. eeuwige rampzaligheid. En daartegenover plaatst de Apostolische Geloofsbelijdenis nu voor de geloovigen deze vier: 1º. Een leven niet uit de wereld, maar uit de kerk of het Lichaam van Christus; 2º. gemeenschap niet met de booze werken der duisternis, maar gemeenschap der heiligen; 3º. een komen niet in het oordeel, maar een hebben van Vergeving der zonden; en 4º. een overgang niet in eeuwige rampzaligheid, maar in het eeuwige leven.

De „Vergeving der zonden” is de heilschat dien het Lichaam van Christus bezit. Het is de rijke gave der genade, die in de gemeenschap der heiligen wordt genoten. En het is de schakel, die de kerk op aarde verbindt aan de kerk daarboven in het eeuwige leven.

Deze schakel kan dus niet gemist, en verre van overtollig of bijkomstig is deze „Vergeving der zonden” de genadegift en belofte Gods die de kerk hier beneden reeds in het eeuwige doet vooruitleven.

Met de „Vergeving der zonden” begint het in de kerk, en ze wordt reeds bij het Sacrament van den Doop aan de kleine kinderen der geloovigen bezegeld. Dat er „Vergeving van zonden” is vormt den grondslag, waarop heel de kerk leeft en arbeidt. „Vergeving van zonden” te bezitten is wat haar onderscheidt van wie niet van de kerk zijn. De „vergeving van zonden” is de heerlijke prediking, waarmee ze de wereld ingaat, om zondaren en goddeloozen naar den hemel te lokken. Ze is de korte uitdrukking voor het goddelijke feit, dat er een Evangelie en dat er bij God genade is.

Kaïn komt daartegen op. Ezau vindt haar niet. Ze is voor den mensch die oprecht staat, het ontzaglijkste stuk om te gelooven en aan te nemen. Maar juist daarom is ze het summier van heel ons Christelijk belijden.

Een „Vergeving van zonden” die ge niet najaagt; waar ge niet iets |158| voor doet; die ge niet als einddoel op den weg u voorstelt, maar een „Vergeving van zonden” waarmee alles begint.

Eerst komt Johannes de Dooper, en zijn Doop is een Doop tot bekeering en vergeving der zonden.

Dan komt de Christus, en de beker der dankzegging dien Hij opheft, is het Nieuwe Testament in zijn bloed dat voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden.

En als Hij opvaart gaan zijn apostelen de wereld in, roepende en getuigende: „In denwelken wij hebben de verlossing door zijn bloed, namelijk de vergeving der zonden.”

Vandaar dat de kerk van Christus alle eeuwen door, rechtloopende of dwalende, zich altoos om deze „Vergeving der zonden” als om haar middelpunt heeft bewogen; dat Luther, toen zijn ziele in banden des doods lag, de ware Vergeving der zonden weer tegenover de gehuichelde en nagebootste heeft gegrepen, en dat nog in alle kerk in alle werelddeel de hoofdvraag, die voor den bloei of voor den ondergang van het kerkelijk leven beslist, altoos die ééne is en blijft: „Is er macht om aan de ontruste zielen zekerheid te bieden, dat er vergeving voor heur zonden bij God is?

Dit kon en kan niet anders. En dat wel om de diepe oorzaak, dat zonde een afval van God is, en dat er voor uw ziel geen gemeenschap met het eeuwige Wezen, en dus ook geen rust noch troost noch heilsgenieting kan zijn, eer gij weet, zekerlijk weet, dat ook uw zonden en heel uw zondige aard u persoonlijk vergeven zijn.