Zesde hoofdstuk.

Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen die u uit de duisternisse geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht.

1 Petr. 2 : 9.


Zoo is dan het Godsrijk in zijn voleinding het Rijk der heerlijkheid; de Kerk het Leger of de heirschare, die voor de stichting en uitbreiding van dit Rijk zich overgeeft aan Jezus als haar Hoofd en Veldheer; is dit Leger tegelijk een Volk, dat uit alle natiën, tongen en geslachten saâmgevloeid, eens in dit Godsrijk bloeien zal en nu als Leger voor zijn Koning strijdt; en is de Dienst des Woords niet den aankleve van dien een instelling door dien Koning voor zijn kerk verordend, om als instrument in zijn hand, deze kerk, deze Heirschare, dit voor hem strijdend Leger te vergaderen, te beschermen en te onderhouden.

Hierbij echter moet nu gewaakt tegen een grove misvatting. Verblind toch door den valschen schijn onzer gezonken kerken zou een min nadenkend lezer het zich kunnen gaan inbeelden, als ware nu dit Instituut voor den Dienst des Woords één en hetzelfde als de zichtbare kerk; met |145| dien verstande dat er dan zijn zou een onzichtbare kerk in het geestelijke, en voorts in het zichtbare en waarneembare niet dan dit Instituut. Nam men dus dit Instituut van den Dienst des Woords weg, dan bleef er naar het onoordeelkundig zeggen van deze oppervlakkige lieden, niets over dan het mysterieuse en verborgene, en dies onzichtbare Lichaam des Heeren, maar zonder dat dit zich openbaren kon of waarneembaar wierd. En dan natuurlijk (en dit ware nog veel bedenkelijker) zou men weer moeten vervallen in een feil en dwaling, die we reeds zoo herhaaldelijk bestreden, alsof de zichtbare kerk iets anders, een soort andere kerk was dan de onzichtbare.

Wat nu deze laatste dwaling aangaat, is in ons tractaat van Reformatie en keer op keer in de Heraut, duidelijk genoeg uitgesproken, dat dit niet kan noch mag, want dat het de eene zelfde kerke Christi is, die geestelijk onzichtbaar is en in het uitwendige waarneembaar wordt, om ons thans van verdere uitweiding hierover te onthouden.

Doch staat nu eenmaal muurvast en twijfelt geen Gereformeerde hier ooit aan, of de kerk die zichtbaar wordt is die eigen en zelfde kerk, die van haar geestelijken kant onzichtbaar blijft, dan staat ge toch nog altoos bloot aan de misvatting, alsof de kerk van Christus in het zichtbare het zelfde was als het Instituut voor den Dienst des Woords. En dit nu is grovelijk gedwaald. Immers hieruit zou volgen, dat als de Dienst des Woords er nog niet is, tijdelijk schuilt of weer weggaat, ook de kerk op zou gehouden hebben zichtbaar te zijn. En hiervan nu moet ons volk voor goed afgebracht. Het moet weer voor een ieder duidelijk worden, dat integendeel de kerk om een Instituut voor den Dienst des Woords te kunnen oprichten, zelve eerst zichtbaar moet geworden zijn, en dat, al raakt tijdelijk de Dienst des Woords in het ongereede, ja, al sloeg de Dienst voor een korten tijd geheel neer, de kerk van Christus daarom nog volstrekt niet onwaarneembaar of onzichtbaar zou hoeven te blijven.

Zij er toch eenvoud en helderheid in onze opvatting.

De onzichtbare zijde der kerk wordt nooit zichtbaar, want nooit en nimmer zal een geestelijk wezen of geestelijke werking als zoodanig waarneembaar zijn. Zoomin als uw ziel ooit zichtbaar kan worden, zoomin kan de geestelijke zijde van Jezus’ kerk ooit door onze zintuigen worden waargenomen. Wel heeft evenals de kerk ook uw persoon een zichtbare zijde in uw gelaat en uw gestalte, en wel stralen hierin trekken en uitingen van uw ziel door, maar het wezen van uw ziel valt nu niet en nooit onder het bereik der zinnen.

Om te weten of de kerk van Christus in eenig land of in eenige plaats zichtbaar is, behoeft dus slechts één vraag beantwoord; deze namelijk: |146| Merkt gij, en merkt een ander, dat ze er is? Zoo ja, welnu dan is ze te dier plaatse zichtbaar. Bijaldien niet, maar immers dan bleef ze onzichtbaar. Dit is zoo doorzichtig als glas.

Kon nu alleen aan den Dienst des Woords, met den aankleve van dien, gemerkt of de kerk van Christus in eenige plaats aanwezig was, dan natuurlijk, zou de zichtbare kerk en de instelling voor den Dienst des Woords één en hetzelfde zijn. Maar dit is volstrekt niet zoo. Zoodra er in eenige plaats personen zijn, die er voor uitkomen, dat zij den Heere Jezus belijden, en dit voor elkander en aan anderen merken laten, merkt en ziet wie er op letten wil, dat de kerk van Jezus ook in deze plaatse inschoof.

Want immers de kerk is het Lichaam van Christus, en zoodra er in een plaats, al ware het slechts twee of drie personen wonen, die tot dit Lichaam behooren, is dit Lichaam niet alleen elders, maar ook in die plaats; en zoodra deze twee of drie personen in zijn Naam saamkomen, is Hij in hun midden, en wordt in hun belijdenis het Lichaam des Heeren openbaar of zichtbaar.


Let er toch wel op, dat heel de Dienst des Woords met al den aankleve van dien niet eens tot het Lichaam van Christus in zijn wezen behoort. Zoodra het toch hier op aarde uit zal zijn, valt deze Dienst des Woords voor eeuwig weg, maar het Lichaam blijft, ja, zal dan eerst recht heerlijk uitkomen. De personen daarentegen behooren wel terdege tot het wezen van de onzichtbare kerk, want zij zijn leden van het Lichaam en hooren er dus blijvend toe.

De zaak staat derhalve zoo, dat er 1º. een Lichaam Christi is, zijnde de kerk onzichtbaar genomen, bestaande onder haar Hoofd uit de verkoren personen; welk Lichaam voorgekend is geweest van vóór de grondlegging der wereld en eeuwig blijft. Dat 2º. in allerlei plaatsen de aanwezigheid van dit Lichaam openbaar, merkbaar, waarneembaar en zichtbaar wordt, zoodra er ook maar twee of drie personen zijn, die openlijk uitkomen voor hun belijdenis van den Naam des Heeren Jezus. En dat 3º. deze personen, in wier belijdenis en wandel de onzichtbare kerk zichtbaar wordt, alsnu terstond van Christus’ wege gehouden zijn een Instituut voor den Dienst des Woords met den aankleve van dien op te richten, zoover mogelijk in verband en gemeenschap met andere openbaringen van ditzelfde Lichaam des Heeren in andere plaatsen.

Onze latere Gereformeerde schrijvers uit het laatst der 17e en vooral in de 18e eeuw waren hierin niet zoo helder meer. Maar deskundige en diep ingeleide Gereformeerde godgeleerden, als de geheel eenige Voetius, |147| wisten dit uitnemend en spraken het klaar en duidelijk uit. Het uitwendig Instituut hoort volgens hen tot het welwezen, niet tot het wezen van de zichtbare kerk. En zoo ook de kerk wordt niet eerst met en door het Instituut zichtbaar, maar is reeds zichtbaar als ze tot de oprichting van den Dienst des Woords overgaat.

Deze onderscheiding tusschen de zichtbare kerk en het Instituut des Woords dat door haar moet opgericht en in stand gehouden, is uiterst gemakkelijk. Als in een plaats, een stad of dorp, waar men dusver nog niets van de kerk van Christus gemerkt had, een man of eene vrouw staat, die openlijk den Heere Jezus belijdt, en een tweede en derde doet dit ook, en ze hooren dat van elkander, dan is de kerk van Christus daar openbaar geworden. Maar dit is nog heel iets anders, dan hun toelating tot het heilig Avondmaal en hun inschrijving in een Lidmatenboek. Dit laatste toch wordt eerst mogelijk, zoodra de kerk niet slechts zichtbaar wierd, maar ook een Instituut verkreeg.

Gaat toch de in eenige plaats zichtbaar gewordene kerk, krachtens den last des Heeren, over tot de oprichting van den Dienst des Woords met den aankleve van dien, dan moet er een handeling geschieden door allen saam. Dit kan niet, of het moet uitgemaakt zijn, wie handelen zullen en op wat wijs ze samen zullen handelen. Samen moeten ze zich in verband stellen met wat reeds elders geschiedde. En nu moet er een verkiezing en aanwijzing plaats hebben van personen voor het ambt, en een inzetting van deze personen in dit ambt. En opdat dit ambt geen wilkeur of heerschappij oefene, moet er een regeling of ordening gemaakt, en in deze ordening nu ligt het eigenaardig karakter van het Instituut.

Of hierbij ook banden met de Overheid worden gezocht, is een geheel andere quaestie, die we thans liggen laten. Maar ook al heeft men met de Overheid niets uitstaande, dan moet toch elke plaatselijke kerk, die zichtbaar wierd door Belijdenis, er ijlings toe overgaan, om haar welwezen te zoeken, daartoe in verband met en in aansluiting aan andere kerken, een Instituut voor den Dienst des Woords met den aankleve van dien oprichten.


Bestond nu dit Instituut uitsluitend uit de ambten, zoo zouden de personen zelven met dit Instituut niets ter wereld te maken hebben, dan in lijdelijken zin. Maar dit is niet zoo. In dit Instituut moeten ook de personen zelven optreden. Ook zij hebben in dit Instituut een publieke roeping en in dien zin een ambt. Zoo moet het dan ook voor dit Instituut uitgemaakt zijn, wie gerekend worden er toe mede te werken en er voor in te staan. Dit noopt om een boek aan te leggen, en uit dit boek blijkt de aansluiting aan het kerkverband, voor zoover het Instituut reikt. |148|

Loopt alles wel, dan moet derhalve een Christenmensch behooren tot de kerk van Christus, 1º. doordien hij van God verkoren en door den Heiland toegebracht is tot zijn Lichaam; 2º. doordien hij openlijk voor de belijdenis van den Heere uitkomt, en alzoo voor zijn deel deze kerk openbaar en zichtbaar maakt, in vereeniging met andere personen die te dier zelfde plaatse den Heere Jezus belijden; en 3º. doordien hij zich aansluit bij een Instituut voor den Dienst des Woords, dat er reeds is, of het met anderen helpt oprichten.

Onze ouden noemden dit, dat de kerk invisibilis, visibilis en formata was d.w.z. onzichtbaar, zichtbaar en als Instituut geformeerd of tot formatie gekomen.

Men kan dus tot de onzichtbare kerk behooren, zonder dat men zelf nog in een zichtbare kerk leefde; en ook de kerk kan zichtbaar geworden zijn, zonder dat ze nog een formatie had erlangd. Maar liep alles wel, dan moest het toch tot deze drie komen. Men moest zijn van de onzichtbare, behooren tot de zichtbare kerk, en aangesloten zijn aan een geformeerde kerkformatie of opgericht Instituut. Dit maakt dan ook, dat de formatie in het ongereede kan raken, zonder dat de kerk één oogenblik ophoudt zichtbaar te zijn; maar ook dat de formatie alsdan aanstonds hersteld moet worden, en dat het derhalve van deformatie of gemis aan formatie moet komen tot herstel van de formatie; iets wat gemeenlijk reformatie genoemd wordt.


Slaat men nu onzen Catechismus op, dan bevindt men, dat van de onzichtbare kerk gehandeld wordt in Vraag 54, van de zichtbare in Vraag 55, en van het Instituut van den Dienst des Woords of de geformeerde kerk in een heel andere Zondagsafdeeling, t.w. in Vraag 65-85, handelende van den Dienst des Woords en de Sacramenten.

De zaak der geformeerde kerk uitstellende tot onze bespreking aan Zondag XXV zal zijn toegekomen, bepalen we ons thans derhalve tot twee punten, die in de XXle Zondagsafdeeling nog de onzichtbare en zichtbare kerk raken, namelijk: 1º. de belijdenis omtrent de onzichtbare kerk dat ik daarvan een levendig lidmaat ben en eeuwig zal blijven; en 2º. belijdenis omtrent de zichtbare kerk, dat er zijn moet gemeenschap der heiligen.

Geheel onze Christelijke religie steunt op het geloof, en ons Christelijk geloof is niet alleen een toestemming tot de waarheid, maar ook een bezit van verzekerdheid. Daarvan wierd in Vraag 26 beleden, dat ons Christelijk geloof ook is een vast en zeker vertrouwen, dat niet alleen aan anderen maar ook aan mij de heilgoederen van het Genadeverbond geschonken zijn. Deze verzekerdheid is van het geloof onafscheidelijk, en zonder deze |149| verzekerdheid is het geloof geen geloof. Niet, dit is vroeger reeds besproken, alsof hiertoe elk oogenblik onzes levens een klare, heldere en onbenevelde werking van dit geloof vereischt wierd, op straffe van rampzaligheid; maar zóó dat in de kiem, in den wortel en in den bloemknop van het ons ingeplante geloof toch wel terdege én deze toestemming tot de waarheid én deze verzekerdheid inligt. Met dien verstande, dat zoodra dit ons ingeplante geloofsvermogen door de genade des Heiligen Geestes krachtig in ons werken gaat, vanzelf en in vasten samenhang deze twee er altoos uitkomen.

Dit is het dan ook, wat de Catechismus hier nader op het Lichaam van Christus toepast. In den wortel van ons geloofsvermogen ligt altoos tweeërlei: 1º. de ontdekking en erkentenis dat er een Lichaam des Heeren bestaat, en 2º. het besef van verzekerdheid van onze persoonlijke aanhoorigheid tot dat Lichaam. Niet alsof elk Christen nu elk oogenblik zijns levens met helderen blik geestelijk dat Lichaam Christi aanschouwen en zich zelf daarin bevinden zou. Dit is er verre vandaan. Maar in dien zin, dat zoodra door de genade des Heiligen Geestes dit geloofsvermogen in ons opspruit, en stengel schiet en werken gaat, het zich altoos ongedwongen en vanzelf zal opbuigen, én tot de erkentenis dat er zulk een Lichaam des Heeren bestaat, én tot de zalige bevinding dat de geloovende persoon van dit Lichaam een onafscheidelijk en wezenlijk lid is. Van de geformeerde kerk kan een geloovige zich om allerlei oorzaak los voelen. Ook aan de zichtbare kerk kan het geloof een tijdlang nog geen band hebben. Maar op de onzichtbare kerk richt het zich onmiddellijk, vanzelf en rechtdraads. Geloof in Christus dat niet tevens geloof aan zijn Lichaam zijn zou, is ondenkbaar en bestaat niet.


Eenigszins anders is het met de gemeenschap der heiligen gesteld. Ook op dit stuk heeft de ongelukkige en jammerlijke dwaling van alle Hiërarchen en Clericalen, alsof het Instituut des Woords of de gereformeerde kerk zelve de zichtbare kerk ware, en niet veeleer door de zichtbare kerk was opgericht, het wezen der zaak ongemeen verduisterd, en het kwaad veroorzaakt, dat tal van personen er tevreden mee zijn, zoo ze maar aan een geformeerde kerk zijn aangesloten, zonder iets voor de gemeenschap der heiligen te gevoelen.

Men vervalt dan in enghartig kerkisme, en bant, ontzet en snijdt af, zonder iets maar te beseffen van wat de gemeenschap der heiligen van elken broeder en elke zuster eischt.

Toch is ook hierin het terugkeeren tot een zuiverder pad niet moeilijk, mits men zich slechts even de moeite gunne, om onze schoone Belijdenis in te denken. |150|

De gemeenschap der heiligen is de tusschenschakel tusschen de onzichtbare kerk en haar zichtbare zijde. Twee stukken zegt onze Catechismus, liggen hierin: 1º. dat elk geloovige aan Christus en al zijn schat deel heeft, en 2º. dat ze schuldig zijn de hun verleende gaven gemeenschappelijk, individueel, maar communaal, te bezitten.

Dit eerste nu, het deel hebben aan Christus en zijn heilschat, raakt onzichtbare kerk, het communaal bezitten van de verleende gaven de kerk in het zichtbare.

De aard der zaak toont dit.

Immers, deelhebben aan Christus en zijn heilschat is een geestelijke zaak, die in het verborgene schuilt. Het is de verborgen genade van het heilgeheim en van Gods vreêverbond. Het keert zich naar binnen, het komt van boven, het is wat Paulus noemt, dat ons leven met Christus verborgen is in God. Dies doelt het op onzen wandel in de hemelen, en niet op ons verkeer hier beneden op deze aarde.

Maar heel anders staat het met het tweede stuk waarop onze Catechismus wijst, t.w. met onzen schuldigen plicht om de verleende genadegaven gemeenschappelijk te bezitten.

Verleende gaven zijn uit den hemel tot ons neergedaald, afkomende van den Vader der lichten. Deze gaven des Heiligen Geestes werken dus in de personen op aarde. En in deze neergedaalde en op aarde in ons gelegde gaven des Heiligen Geestes zegt ons de Catechismus, dat een iegelijk zich moet schuldig weten, om deze zijne gaven ten nutte en ter zaligheid van de andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te leggen.

Dit nu raakt niet de onzichtbare maar de zichtbare kerk, wel te onderscheiden van de gereformeerde kerk of Instituut.

Immers, zal ik de gaven des Heiligen Geestes die mij verleend zijn aanwenden tot het nut van andere lidmaten van het Lichaam des Heeren, dan onderstelt dit, dat ik bij name personen ken, van wie ik geloof en onderstel, dat ze lidmaten van dit Lichaam zijn. Hoe toch zou ik ten nutte en ter zaligheid van iemand bezig kunnen zijn, zoo ik niet weet wie hij is?

Dit toont dus, dat we met dit tweede stuk van de gemeenschap der heiligen op eens midden in de zichtbare kerk staan.

Vanzelf ligt hierin dus eene beperking. Niemand is in staat, om de verleende gaven aan te wenden ten nutte van alle lidmaten van Christus’ Lichaam, die op aarde zijn, maar alleen ten nutte van diegenen die hij òf persoonlijk kent òf onderstelt.

Hieruit vloeit dus voort, dat een iegelijk Christenmensch geroepen is, te |151| onderzoeken welke gaven des Heiligen Geestes hem verleend zijn, gaven van aIgemeenen aard, als daar zijn geloof en hoop en liefde, nader gespreid in ootrnoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid, en in door nederigheid uitstralende ontferming; maar ook gaven van bijzonderen aard, als daar zijn gaven des gebeds, gaven van lof en dankzegging, gaven van profetie, gaven van onderscheiding der geesten, en gaven van het zieldoordringend woord, uitstralende in ontdekking, vermaan en vertroosting.

Vloeit evenzeer voort, dat gij, staande onder het gebod, om deze gaven niet te begraven in de aarde, maar er mee te woekeren, deze niet voor u zelven moogt houden, maar geroepen zijt ze in uw omgeving, voor zoover gij aanraking vinden kunt, ten nutte en ter zaligheid van andere lidmaten van het zelfde Lichaam des Heeren aan te wenden.

En vloeit dus eindelijk voort, dat ge die anderen hebt te zoeken, u aan die anderen hebt te openbaren, met die anderen gemeenschap hebt te oefenen, en zulks niet enkel om hen te zegenen, maar evenzoo om een zegen van hen te ontvangen.

Zoo worden dan door de belijdenis van het persoonlijk geloof en door de openbaring der persoonlijke gaven de Leden van het Lichaam van Christus voor elkander openbaar en waarneembaar, en wordt de kerk voor hen zichtbaar.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002