Vijfde hoofdstuk.

En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik mijne gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.

Matth. 16 : 18.


Zoo zagen we dan, dat de „zichtbare kerk” niets is dan een Instituut voor den Dienst des Woords, met den aankleve van dien in de Sacramenten, Gebeden, Lofzangen en Offeranden. Hierbij zie men echter wel toe, dat men den Dienst des Woords niet verwarre met een Bijbellezing of stichtelijke toespraak. „Dienst des Woords” is dienst. Hij geschiedt in |138| opdracht van onzen Koning en ons Legerhoofd. Hij is deswege bekleed met goddelijke autoriteit. Reden waarom deze Dienst dan ook niet door den eersten den besten persoon op eigen gezag en naar eigen inzicht kan geschieden, maar ambtelijk behoort toe te gaan en in het verband van den kerkeraad.

Dit verschil vatten velen niet, en toch is het zoo duidelijk. Drie voorbeelden zullen ten overvloede alle onduidelijkheid wegnemen. Als een rechter thuis op zijn studeerkamer iemand, om hem bang te maken, een vonnis voorleest, dan mag dat de uitwerking hebben, om hem tot bekentenis te brengen, maar de kracht van een vonnis heeft het volstrekt niet. Maar als diezelfde rechter datzelfde vonnis over dienzelfden persoon tien dagen later in openbare terechtzitting voorleest, dan is het wel terdege een vonnis, dan bindt het. en heeft het voor den schuldige de bitterste gevolgen. Zoo ook als een kapitein in den tuin van een sociëteit zijn luitenants bij zich heeft, en hij bindt ze een en ander op het hart en spreekt ze toe, om ze op iets verkeerds te wijzen, dan kan het wel een goede uitwerking hebben, maar het is niet in dienst gesproken, en komt dus niet met gezag; slechts vermanenderwijs. Maar wanneer diezelfde kapitein morgen voor het front van zijn compagnie zijn orders geeft, dan is elk luitenant daaraan gebonden en wee hem, die niet gehoorzaamt. En zoo ook, om bij deze drie voorbeelden te blijven, als een stuurman drie van zijn matrozen op straat ontmoet, en vindt dat ze zich te brooddronken aanstellen, en ze met een vroolijk lachje hierop wijst, dan kan dit wel ten goede werken, maar zoo dan janmaat den kop tegen den wind inzet, kan hij deswege niet gestraft. Wanneer daarentegen diezelfde stuurman tien dagen later met diezelfde matrozen aan boord is, en hij commandeert ze bij een jagenden storm de bovenbramra in, en ze gehoorzamen dan niet, dan gaan ze naar het cachot.

Het verschil tusschen wat in dienst en buiten dienst geschiedt, gaat dus allerwegen door, en zoo ook door in de kerk. Ook op kerkelijk terrein kan er gesproken in den Dienst des Woords en buiten den Dienst des Woords. Wat nu buiten den Dienst des Woords in Evangelisatie of conventikel gesproken wordt, kan daarom wel een zeer nuttige uitwerking hebben, maar het is geen Dienst. En wanneer dezelfde dominee ’s morgens in een Evangelisatie optreedt en ’s avonds in een openbare vergadering der geloovigen, en hij houdt precies dezelfde toespraak, dan is toch dat eerste buiten dienst, en alleen dat laatste Dienst des Woords. Dienst des Woords ontstaat dus op zich zelf nog niet, doordien een predikant optreedt, maar dan eerst als een daartoe geordend persoon in de vergadering der geloovigen en in het kader door den kerkeraad verordend, in naam van Koning Jezus en |139| met zijn autoriteit bekleed, als een ambassadeur van Christus’ wege het Woord verkondigt.

Vandaar komt het dan ook, dat Huisbezoek en Catechisatie iets anders zijn in en iets anders buiten Dienst. Er is niet het minste bezwaar tegen, dat iemand bij zijn buurman aanschelt en hem aanspreekt over zijn belijdenis en wandel; en evenmin steekt er kwaad in, dat iemand een kind een en ander uit den Bijbel leert. Eer ware te wenschen dat het meer geschiedde. Maar toch, wat goede vrucht dit alles buiten Dienst ook dragen kan, het mag niettemin nimmer met de Catechisatie en het Huisbezoek dat van de kerk in Dienst uitgaat, verward. Als de drager van het ambt, op last en in naam van den kerkeraad, en alzoo in naam en op last van Koning Jezus, u onderwijst op de catechisatie en u vermaant in uw huis, dan draagt beide een geheel ander karakter en heeft voor u bindende kracht.

Deze dienst des Woords is dus volstrekt niet tot de predikatie in engeren zin beperkt. In den Dienst des Woords kan ook de Catechismus voor de vergadering der geloovigen uitgelegd, en in den Dienst des Woords moet ook de Discipline onderhouden. En dit alles saam: 1º. de Dienst in de gewone vergadering der geloovigen met verkondiging van het Woord, uitlegging van den Catechismus, bediening der Sacramenten, Gebeden, Lofzangen en Aalmoezen; 2º. de onderwijzing in Catechisatiën; 3º. het Huisbezoek tot vermaan, ontdekking en vertroosting; en 4º. het oefenen der kerkelijke Discipline, — maakt te zamen dien éénen veelomvattenden Dienst des Woords uit, waarvoor Christus het instituut van zijn zichtbare kerk wil onderhouden hebben.


Ware nu bij de overzetting uit het Rijk der Duisternis in het Rijk van Jezus, de ommekeering die bij ons plaats greep een volstrekte en opeens volmaakte, zoo zou deze oprichting en instandhouding van het Instituut der zichtbare kerk geen bezwaar of moeite opleveren.

Dan toch zouden tot het instituut van deze zichtbare kerk uitsluitend zulke personen behooren, die door den Vader aan den Zoon gegeven zijn; en niet één enkel hypocriet. In de tweede plaats zouden deze volstrekt bekeerde personen geheel, uitsluitend en standvastig voor Jezus strijden en nooit meer met Satan heulen. En in de derde plaats zou de bediening der ambten in deze zichtbare kerk dan steeds zuiver en onberispelijk zijn.

Zoo echter is het niet.

Zelfs de allerheiligsten hebben in dit leven nog slechts een klein beginsel van deze volmaakte gehoorzaamheid. Een bekeerd mensch roept met Paulus uit dat, als hij het goede doen wil, het kwade hem bijligt. En het |140| schriklijk voorbeeld van Petrus toont, hoe ver de tijdelijke verloochening gaan kan.

En hieruit, uit dit droeve feit, dat er geen zekere en onbedrieglijke keur bestaat, om Gods kinderen voor ons menschelijk oordeel ontwijfelbaar van de kinderen des Duivels te onderscheiden, en dat ook de echte kinderen Gods nog allerlei smet en rimpel aan zich hebben, ontstaat nu de droeve en pijnlijke noodzakelijkheid, dat het instituut der zichtbare kerk niet anders dan in een onvolmaakten toestand kan optreden.

Nu toch ontstaat deze vierderlei ongelegenheid: 1º. dat er in de zichtbare kerk altoos kinderen des duivels bij Gods kinderen vermengd zullen zijn; 2º. dat de kinderen Gods in de zichtbare kerk nog op allerlei daden van ontrouw te betrappen zijn; en 3º. dat de dragers van het ambt in deze zichtbare kerk, zelfs in Dienst allerlei daden van verloochening kunnen doen, waardoor ze Jezus’ rijk tegenhouden en Satans rijk helpen steunen.

Een drieledig kwaad, dat nog verergerd wordt door het feit, dat de Heirschare of Keurbende van Jezus saam een volk uitmaakt, van eeuw op eeuw in de geslachten voortteelt, en men dus ook te rekenen heeft met de kinderen die veeltijds nog onbekeerd zijn, ook al mochten ze tot de uitverkorenen behooren. Dit toch noopt het Instituut der zichtbare kerk om ook met deze kinderen rekening te houden, en niet dan in het uiterste geval, en bij gebleken hardnekkigheid in ongeloof en wangedrag tot hun afsnijding van de gemeente over te gaan.

Ten gevolge van deze velerlei omstandigheden bestaat er dus een zeer aanmerkelijk onderscheid tusschen het eigenlijke leger van Jezus, zijn wezenlijke Keurbende, zijn geestelijk Lichaam of zijn eigenlijke Kerk eenerzijds, en anderzijds het Instituut der zichtbare kerk, dat voor den Dienst des Woords, met al den aankleve van dien, wordt ingesteld.

Is de eigenlijke kerk van Christus zuiver, volmaakt en onvermengd, dit Instituut der zichtbare kerk daarentegen is onzuiver, zeer onvolmaakt en vermengd met allerlei onheilige bestanddeelen.

Dit is niet maar zoo, maar moet zoo zijn; en elke poging door Montanisten, Donatisten, Novatianen, Katharen, Wederdoopers en Labadisten aangewend, om geen ander Instituut der zichtbare kerk, dan zulk een dat zuiver, onvermengd en heilig was, op te richten, ging principiëel tegen de ordinantiën des Heeren in, en moest dus schipbreuk lijden.

Ja, zoo verre is het er vandaan, dat dit Labadistisch dorsten naar een zuiver Instituut op aarde verzadiging kan vinden, dat soms het Instituut zelfs derwijs ontaarden kan, dat het ten deele afgebroken en nieuw gebouwd moet worden; soms zelfs geheel geslecht, om het uit den grond nieuw op te trekken. |141|

Juist daarom echter mag dit Instituut der zichtbare kerk nooit gedacht afgescheiden van den heiligen plicht tot bestendige Reformatie.

Brengt de geaardheid van het Instituut der zichtbare kerk mede, dat het bestendig neigt tot misvorming, er moet dan een actie tegenover staan, om het gedurig in den goeden vorm terug te dringen.

Dit nu gaat goed en geleidelijk zoolang het kwaad nog niet te sterk insloop in het kader van het ambt. Staat het ambt nog trouw aan onzen Veldheer, is het officierskorps, om het zoo uit te drukken, nog houw en trouw aan het Legerhoofd, dan gaat de reformatie van de manschappen nog geleidelijk en aldoor. Dit is de oefening der kerkelijke Discipline.

Maar sloop het kwaad ook in het kader of verband; is de organisatie zelve aangetast; en is ontrouw in het officierskorps gevaren, — dan natuurlijk is geen reformatie van het leger zonder hevige schokken meer mogelijk. Dan toch moet de Discipline niet van de officieren op de manschappen, maar omgekeerd van de getrouwe manschappen op de officieren uitgaan. En al zijn er dan nog enkele getrouwe officieren overgebleven, die de manschappen in dit opkomen voor hun Veldheer steunen, dan zal toch het ontrouw geworden officierskorps al zijn kracht inspannen om deze beweging te onderdrukken, en te beletten dat het geroep voor ons Hoofd, en onzen Veldheer, doorga.

Overmits echter deze tegenstand de getrouwe officieren en manschappen niet van plichtsbetrachting ontslaat, en dus de reformatie van het legerinstituut moet doorgaan, mag dan de schok niet uitblijven. Er komt breuke. Het oude, verbasterde en vervalschte Instituut geeft het niet op, slaagt er zelfs in een deel der menschappen te bedwelmen of door dwang terug te houden, en de getrouwe krijgsknechten zijn wel gedwongen in eigen kracht op te treden, de opengevallen officiersplaatsen weer aan te vullen, en alzoo in trouw aan Jezus als hun Veldheer op te treden.


De ongelegenheid hieruit geboren zou nog minder groot zijn, indien de Keurbende van ’s Heeren krijgsknechten een huurleger, en geen volksleger was. Dit is echter niet zoo. Het Godsrijk dat gesticht wordt en op Satan wordt veroverd, moet zeer zeker ook in geestelijke krachten en glorieuse heerlijkheden bloeien, maar toch, het bestaat allereerst uit personen. Een Godsrijk zonder een volk Gods is ondenkbaar. Dit maakt dat de strijd tegen Satan niet slechts bestaat in de verovering op Satan van de geestelijke schatten van ons menschelijk leven, maar allereerst zelfs in de verovering op Satan van menschelijke personen, naar ziel en lichaam beide. Dit nu leent aan de kerk een dubbel karakter. Ze is een keurbende, een heirschare des Heeren, een slagorde des levenden Gods, om den strijd des Heeren |142| tegen Satan onder Jezus als hun Hoofd te strijden, maar ze is ook te gelijk een volk dat bestemd is om onder Jezus als zijn Koning te leven en te genieten. Iets waaruit men ziet, hoe ondiep zij oordeelen, die loochenen dat Jezus niet alleen Hoofd, maar ook Koning van zijn kerk zou zijn. Onder Jezus als ons Hoofd strijden we, maar onder Jezus als onzen Koning leven we.

Hieruit vloeit nu echter voort, dat de kerk voor tweeërlei te zorgen heeft, èn daarvoor dat het leger slagvaardig zij en den strijd doorzette, èn daarvoor dat het volk reeds bij aanvang onder zijn Koning leve en rijpe voor de heerlijkheid van het Godsrijk.

Hierdoor erlangt het Instituut der zichtbare kerk een driedubbele bestemming. Het dient 1º. om personen op Satan te veroveren; 2º. om Satan in het organisme van heel ons menschelijk leven terug te slaan; en 3º. om het volk des Heeren onder zijn Koning te doen leven en te doen rijpen voor het rijk zijner heerlijkheid.

Dit alles nu geschiedt door den Dienst des Woords met den aankleve van dien. Immers deze Dienst des Woords heeft ten doel: 1º. om de roeping te doen uitgaan, opdat zij wier oor door den Heiligen Geest geopend wierd, de stem van den Christus mochten hooren en van Satan naar Jezus overgaan; 2º. om hen, die zich aansloten bij Jezus’ Dienst, te voeden, te wapenen en te oefenen; en 3º. om dat volk des Heeren hier reeds voorsmaak van Christus’ heil te geven, het te troosten en het te doen rijpen voor eeuwig.

Geen dezer drie mag verzuimd, of de Dienst des Woords faalt.

Een Dienst des Woords die niet leidt tot bekeering van personen die dusver (zij het ook onder den schijn der kerk) met Satan liepen, schiet te kort in vrucht.

Een Dienst des Woords die niet voedt, wapent en oefent voor den strijd tegen den Booze, mist pit en veerkracht.

En ook, een Dienst des Woords die niet troost, genieten doet en heiligend werkt, is afgesneden van eeuwige bestemming.

Noch met één van deze drie, noch met twee, kan de Dienst des Woords volstaan; elk dezer drie moet tot zijn recht komen; en dat zoo menig prediker verlegen staat, wat hij zeggen zal, in allerlei herhalingen vervalt, en door zijn leege prediking de kerken ontledigt, ligt eenvoudig daaraan, dat men dit drieledig doel van den Dienst des Woords zich niet helder voor oogen stelt.

Wie niet anders kan dan zalvend en stichtelijk spreken, wint en wapent niet. Wie alleen methodistisch poogt te werken, wapent en troost niet. En wie alleen de krijgsklaroen doet hooren en de boetbazuin aan de lippen zet, wint niet noch troost. |143|

Winnen, wapenen en troosten, in deze drie ligt de eenheid, en in deze eenheid van juiste proportie de kracht der prediking.

Want al spreekt het vanzelf, dat de ééne prediker meer talent ontving om te winnen, de ander om te wapenen, en een derde om te troosten; alsook dat naar de gelegenheid des tijds, de ééne maal de poging om te winnen, een ander maal die om te wapenen, een derden keer die om te troosten op den voorgrond treedt; ontbreken mag nooit één dezer bestanddeelen.

De Dienst des Woords hangt aan deze drie. Winnen door het Geloof, wapenen door de Hoop, troosten door de Liefde.


Doch hieruit vloeit dan ook voor het zichtbaar Instituut der kerk en haar bestendige reformatie, deze gewichtige gevolgtrekking voort, dat de Dienst des Woords met den aankleve van dien in Sacramentsbediening en Discipline op afdoende wijze voor de te dulden of niet te dulden onzuiverheid der zichtbare kerk beslist.

Niet de Belijdenis geldt hier. Immers de Belijdenis is niet de Dienst des Woords, maar slechts het manifest dat als oorlogsverklaring aan Satan uitgaat, en dood is, zoodra het in den Dienst des Woords verloochend wordt.

Volkomen juist hebben daarom onze vaderen er steeds op aangedrongen dat men de te dulden of niet te dulden onzuiverheid der kerken in het zichtbare eeniglijk naar den Dienst des Woords meten zou.

Hierbij nu komt tweeërlei in aanmerking waarop scherp te letten is.

Bij Dienst des Woords komt tweeërlei voor: 1º. de inhoud dien ge brengt en 2º. de autoriteit, krachtens welke ge het brengt.

Om nu te weten of de inhoud zuiver is, hebt ge slechts te vragen of die naar de drie boven gemelde doeleinden overeenkomt met het Woord. Wat geen Dienst des Woords is, moet onverbiddelijk verworpen.

Maar ook het moet Dienst des Woords zijn. En gelijk we boven zagen, dat Evangelisatie heel iets anders is dan Dienst des Woords, zoo is men er ook niet van af, met te zeggen: „Ik predik het zuivere Evangelie en predik dat in naam van Jezus.” Dat toch doet de Evangelist ook. Neen uw Dienst des Woords ontstaat, voor wat uw autoriteit aanbelangt, uit den last van uw kerkeraad, en deze bezit het recht om u dezen last te geven alleen in verband met de organisatie van heel het Instituut der zichtbare kerk.

Leeft ge dus in een kerkverband, dat van Jezus afviel, het Hoofd verloochende, en den Veldheer ontrouw wierd en een menschelijke autoriteit voor zijn autoriteit in de plaats stelde, dan bezit uw kerkeraad geen macht |144| namens Jezus; dan kan uw kerkeraad ook op u geen macht namens Jezus overdragen; en kunt gij alzoo wel evangeliseeren, maar niet den Dienst des Woords vervullen.

Dit is dan ook de reden, waarom de geloovigen er volstrekt niet mee van af zijn, indien ze maar zorgen, dat ze in hun plaatselijke kerk een predikant hebben die geen onwaarheid predikt. Ze moeten een Dienst des Woords oprichten, zoo die ontbreekt.

En naardien nu Dienst des Woords alleen plaats heeft, zoo: 1º. de inhoud der predikatie, naar de drie boven gestelde eischen, door het Woord Gods wint, wapent en troost; 2º. de autoriteit waarmee ge dat Woord brengt van Jezus komt; en 3º. deze autoriteit niet in uw persoon kleeft, maar u toekomt uit den kerkeraad, zoo is het zonneklaar dat de Dienst des Woords faalt, niet slechts zoo de inhoud onzuiver is, maar ook zoo de kerkeraad op valschen bodem staat en door valsch kerkverband feitelijk, in haar organisatie zelve, het gezag van Koning Jezus verloochent.