Vierde hoofdstuk.

Hoe zullen zij dan Hem aanroepen, in welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in Hem gelooven, van welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij hooren, zonder die Hem predikt? En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden?

Rom. 10 : 14, 15a.


De zaak is dus deze, dat God deze wereld in bezit had voor het paradijs; dat toen Satan, doordien de mensch zich verleiden liet, deze wereld aan God ontwrong en ze bij zijn rijk inlijfde; maar dat daarop de Heere |131| begonnen is, deze Hem ontwrongene wereld terug te eischen, en zich daartoe in Immanuël een Overste der heirscharen en in zijn Kerk een leger voorzien heeft; een leger dat door de bovennatuurlijke daad van de wedergeboorte als „Volk des Heeren” ontstond, en bestemd is, onder zijn Hoofd en Koning, het Godsrijk in heel de sfeer dezer schepping, op Satan, die Gods vijand is, te heroveren.

Thans dient nagegaan, op wat wijze dit leger, deze heirschare, deze keurbende, deze slagorde des levenden Gods ontstond en voortbestaat tot op heden. De Catechismus zegt toch, dat de Kerk is een gemeente, d.i. uitgelezen schare, die ten eeuwigen leven verkoren is en die de Zone Gods door zijn Geest en zijn Woord vergadert, beschermt en onderhoudt, en zulks wel van den aanbeginne der wereld, tot den einde toe.

Letten we eerst op dit laatste.

God de Heere had den hof van Eden aan Adam toevertrouwd, om dien, gelijk Gen. II : 15 zegt, niet alleen te bebouwen, maar ook om dien te bewaken; wat natuurlijk zeggen wil te bewaken tegen Satan. Dit deed Adam echter niet. Laf en schandelijk pleegde hij verraad en gaf deze veste Gods zonder slag of stoot aan Satan over. juist daarom moest het nu alzoo, dat er terstond van Gods wege weer bezetting in deze wereld gelegd wierd. Satan mocht de wereld geen oogenblik onbetwist bezitten. En zoo zien we dan ook in Abel (om nu van Adam en Eva, omtrent wie ons verder geen geestelijke zaak is meegedeeld, te zwijgen) reeds in den eersten aanvang een krijgsknecht des Heeren optreden, een held des geloofs, gelijk Hebreën XI ons leert, die zijn bloed stort voor de zaak zijns Gods. En van die ure af voert de Heilige Schrift ons aldoor een wolke der getuigen voor, die onafgebroken tot op Abraham, den Vader der geloovigen, doorgaat. Bij Noach grijpt in de verhouding van deze kerk tot de wereld plotseling een machtige verandering plaats. Was het dusver geweest een bijna onvindbaar kerkje tegenover een ontelbare menigte der wereld, nu verdrinkt opeens al wat van de wereld was, en alleen het kleine kerkje des Heeren schuilt in de arke en drijft op de wateren. De overmacht der wereld is zoodoende gestuit, de kerk voor overweldiging beschut, en na den Zondvloed begint er een nieuw leven onder gunstiger omstandigheden. Toch niet zoo alsof Satans rijk nu uit had, want de zonde is mee in de arke ingegaan; en terstond na den Zondvloed ligt Noach dronken van den wijn en begaat Cham zijn schandelijkheid. Het kwaad kruipt en sluipt dan ook spoedig weer voort. De afgod komt weer op. Bij Babel is de opstand tegen God reeds volkomen. En zoo snel verloopt de goede stroom, dat Abraham en Melchizedek, de één in Ur, de andere in Kanaän, schier eenlingen zijn, om den dienst huns Gods te bewaren. |132| Weer zou dus de kerk zijn ondergegaan, en er moest thans derhalve òf weer een zondvloed òf een ander middel komen, om de kerk te redden. Nu had God beloofd geen vloed der wateren meer over de aarde te zullen brengen; die kwam dus niet; maar wel had de Heere een ander middel verordend. Hij zonderde namelijk zijn kerk van de wereld af; sloot ze op in een volksbestaan, dat Hij expresselijk daartoe in het leven riep; en bereidde zich op die wondere manier een krachtige heirschare, die straks in de volheid der tijden, als Messias verscheen, uit dat enge volksbestaan zou uitbreken, om alsdan zijn goddelijke banier onder alle volken te planten, en met de leuze: „Predikt het Evangelie aan alle creaturen”, aan de kerke Gods haar wereldformatie hergeven zou.

Zoo is er dan een kerke Gods op aarde van den aanbeginne af, eerst in enkele personen en familiën, maar behoorende tot alle deelen van het menschelijk geslacht; daarna afgezonderd in de opzettelijk daarvoor geschapen volkskerk van Israël; voor nu achttien eeuwen, toen de Christus verschenen was, uit die Joodsche volkskerk uitgetreden, en nu wereldkerk geworden door den Pinksterdag; en thans den strijd des Heeren voortplantende in steeds nieuwe deelen der wereld; tot eens de Veldheer zelf verschijnen zal met zijn hemelsche heirscharen, om den strijd met Satan finaal te beslechten en het Godsrijk in al zijn glorie te doen uitbreken.


Hoe is nu (en hiermee komen we op de tegenstelling van zichtbare en onzichtbare kerk) deze kerk, deze heirschare des levenden Gods, op deze aarde geformeerd en in stand gehouden?

De Catechismus zegt, dat de Zone Gods dit gedaan heeft. Dit onderstelt dus, gelijk bij Zondag XIX breedvoerig door ons is aangetoond, dat Christus niet eerst na zijn hemelvaart Hoofd van zijn kerk geworden is, maar het van den aanbeginne was. Reeds in de dagen des Ouden Verbonds heet het van Messias: „In al hun benauwdheden was Hij benauwd en de Engel zijns aangezichts heeft hen behouden.”

Zoo echter, dat de Zone Gods de krijgsknechten van zijn keurbende wel vergadert, maar niet kiest; wel aanwerft, maar niet keurt. Daarom staat er bij, dat de Zone Gods slechts vergadert wie ten leven uitverkoren zijn. Aan de saamvergadering van het leger gaat dus de kiezing der personen vooraf die het zullen saamstellen; en alzoo wijst het ontstaan der kerk terug naar die eeuwige daad van den Drieëenigen God, waardoor Hij zich uit al het menschelijk geslacht en door alle eeuwen heen de zijnen heeft uitverkoren, die Hij bestemd heeft, om in zijn keurbende te worden ingelijfd, mee in zijn strijden te strijden, en eens eeuwiglijk te deelen in de glorie van het Godsrijk. |133|

Deze door God Drieëenig uitverkorenen worden nu te hunner tijd door den Zone Gods vergaderd, en zulks wel door zijn Geest en Woord. Let er op, dat er niet staat: door zijn Woord en Geest, maar: door zijn Geest en Woord. De Geest gaat voorop; daarna eerst volgt het Woord. Het gaat toch bij de aanwerving van deze heilige legerschare anders toe dan bij aardsche legers. Aardsche veldoversten nemen hun soldaten gelijk ze zijn en trekken hun alleen een andere uniform aan. Maar deze Overste der heirscharen Gods niet alzoo. Een uitwendige uniform dragen de zijnen niet, en elke poging om hetzij in de monnikspij, hetzij in het Kwakerskostuum, hetzij nu weer in de uniform van het Leger des heils, een uitwendige uniform in te voeren, liep steeds op schade voor de zaak des Heeren uit. Hij vraagt geen uitwendige uniform, omdat Hij de zijnen inwendig omzet, anders maakt en wederbaart. Deze omzetting, vernieuwing en wederbaring nu vangt aan door een daad des Heiligen Geestes, die hierin bestaat, dat de kiem des nieuwen levens, het vermogen des geloofs en de zin voor het Godsrijk potentieel wordt ingeplant in het hart van menschen, die eerst Satans trawanten waren.

Dit toch versta men wel, dat er in dezen strijd geen neutrale personen zijn. Wie niet tegen Jezus is, is voor; wie niet voor is, is tegen. Ieder persoon dus, die niet voor de zaak van Jezus strijdt, steunt feitelijk, of hij het bedoelt of niet, de zaak van Satan. Jezus vergadert dus degenen die Hem van den Vader gegeven zijn, maar Hij vergadert ze uit de heirschare van Satan. Elk persoon die in Jezus’ kerk wordt ingelijfd, was vooraf ingeleid in de slagorde van den Vijand Gods. Ze worden overgezet uit het rijk der Duisternis, d.i. van onder de souvereiniteit van den Vorst der Duisternis, in het Koninkrijk d.i. van onder de Souvereiniteit van den Zoon zijner liefde.

Dit echter is niet genoeg.

Door deze daad des Heiligen Geestes toch zijn deze personen nu wel, wat hun zielsvermogen aangaat, omgezet; maar, zonder meer, gaat hiervan nog geen werking uit.

Als iemand wiens oog blind was, door chloroform in slaap gemaakt, geopereerd, en zijn oog hersteld wordt, dan kreeg hij wel het gezichtsvermogen terug, maar daarom ziet hij nog niet en neemt hij nog niets waar. Daartoe komt het eerst, als hij nu ook uit dien schriklijken slaap wakker wordt, opwaakt en zijn oog allengs aan het licht gewent.

En zoo nu is het ook hier. Van nature zijn we blind. In Satans rijk is geen licht. Het is een rijk der Duisternis. Zal iemand dus in Jezus’ dienst komen, dan moet hem het gezichtsvermogen aangebracht, opdat hij zien kan, want in het rijk van Jezus is alles Licht. In Hem is geen Duisternis. |134| Welnu, daartoe strekt de eerste daad, die uit de uitverkiezing vloeit, t.w. de wedergeboorte, die bovennatuurlijk door den Heiligen Geest op eene voor ons onnaspeurbare wijze tot stand komt. Maar nu moet er dan ook nog meer gebeuren. Nu toch moet deze persoon, die zien kan, maar nog niet ziet, wakker geroepen, opdat hij opsta en mee optrekke. „Ontwaakt gij die slaapt, en staat op uit de dooden en Christus zal over u lichten!”


Dit wakker roepen nu geschiedt door het Woord. Niet in dien zin, alsof het Woord nu gescheiden van den Geest wierd gedacht. Integendeel, zonder den Geest is alle Woord machteloos. Eer is het, dat eerst de Geest zonder het Woord op bovennatuurlijke wijze het geloofsvermogen inplant, en nu dezelfde Geest door het Woord dit geloofsvermogen werkzaam maakt. Hoe dit zielkundig toegaat, hoort bij de leer der Verlossing thuis; niet bij die van de Kerk, en kan hier dus niet verder uitgelegd. Hier is het ons alleen te doen om de vraag, op welke wijze de Zone Gods dit Woord laat uitgaan. En dan geeft Rom. X ons vrij vertaald dit antwoord: „Hoe zullen ze aanroepen een Christus, in wien ze niet gelooven? Hoe zullen ze gelooven in een Christus, van wien ze niet gehoord hebben? Hoe zullen ze van Christus hooren, zoo hun die Christus niet gepredikt is? En hoe zal de Christus hun gepredikt worden, indien er geen predikers worden gezonden?”

In deze woorden ligt de zichtbare Kerk.

Het is namelijk alzoo, dat de Kerk of keurbende van Christus, én om vergaderd te worden, én om gevoed en onderhouden, én om gewapend en geoefend, én om in de geslachten voortgeplant te worden, een instituut of instelling noodig heeft, waardoor de Dienst des Woords kan plaats hebben.

Meer is de zichtbare kerk niet. Ze is eenvoudig een Instituut voor den Dienst des Woords. Ze is dus volstrekt niet al de kerk, niet de wezenlijke kerk, niet de kerk zelve, maar een instituut door de kerk en voor de kerk ingesteld, opdat de Dienst des Woords in haar midden zijn werking doe. Neem dien Dienst des Woords weg en er is geen zichtbare kerk meer; het instituut vervalt. Alleen in den Dienst des Woords vindt het instituut der zichtbare kerk zijn oorzaak en oorsprong. Daarom alleen bestaat zij, en alle redeneering over de zichtbare kerk gaat valsch, zoo ge niet altoos en onveranderlijk en onvoorwaardelijk weer tot dit beginsel van den Dienst des Woords terugkeert.

De eigenlijke strijd tegen Satan geschiedt niet door dit zichtbare instituut; o, op verre na niet. Die ontzettende strijd, dien het leger onder zijn Veldheer tegen Satan strijdt, om het Godsrijk te stichten, breidt zich |135| uit over heel het terrein van ons menschelijk leven op aarde. Die strijd wordt gestreden in de harten, in de huisgezinnen, in de familiën, in de gesprekken, in de publieke opinie, bij handel en nering, in bedrijf en beroep, in wetenschap en kunst, bij wieg en graf, kortom, zoover uw menschelijk leven strekt, strekt ook die strijd. En die strijd wordt nooit anders gevoerd dan door Jezus zelf. Hij, de levende Heere, is het, die in de harten zijner uitverkorenen, zijn trouwe krijgsknechten, zin en inzicht inlegt, geestdrift en bezieling wekt, werkingen, krachten en gaven inbrengt, toewijding en liefde doet ontstaan, en zelfs het woord op de lippen doet komen. Dit terrein van den strijd, dien de geestelijke kerk onder haar Veldheer strijdt, is dus onvergelijkelijk veel grooter dan dat van het instituut der zichtbare kerk. Hulpe voor Jezus in dezen strijd zijn uitsluitend de verkorenen, de geestelijke persoonlijkheden; nooit de hypocrieten; en in dezen ontzaglijken strijd wordt nooit slag geleverd of Jezus zelf leidt en bestuurt den strijd; en hij bekwaamt en bezielt er toe. Deze geestelijke kerk, waarvan de Catechismus spreekt, is zijn geestelijk Lichaam, dat door Hem als het Hoofd bezield en bewogen wordt, en dat geen vreemde elementen in zich toelaat. Schijngeloovigen kent deze geestelijke kerk niet. Een schijngeloovige is geen krijgsknecht van Jezus, maar een spion van Satan.

Het diepgaand onderscheid tusschen deze geestelijke of onzichtbare kerk die voorwerp van geloof is, en wier bestaan in onze Geloofsartikelen beleden, en door den Catechismus in Zondag XXI uitgelegd wordt, — en die heel andere verschijning, die we het instituut der zichtbare kerk noemen, mag dus geen oogenblik uit het oog verloren.

Om het door een beeld te verduidelijken: Een Veldheer kan een legerkamp hebben, waarin hij zijn leger vergadert, voedt, wapent en oefent, maar daarom is dat leger in het kamp toch wel van het leger op het slagveld te onderscheiden. En zoo ongeveer nu is het instituut der zichtbare kerk ons legerkamp, waarin de Veldheer ons vergadert, bestendig voedt, wapent en oefent, maar de eigenlijke strijd vangt pas aan, als we dat legerkamp uitgetreden nu den vijand op het slagveld te gemoet gaan.


Houdt men dit onderscheid niet scherp in het oog, dan verzeilt men òf op de klip van het kerkisme, òf op de bank der onkerkelijkheid.

Kerkisme is de poging, om het zichtbare instituut der kerk voor de eigenlijke, wezenlijke kerk zelve te laten doorgaan, en dientengevolge de wereld te willen verkerken. Alles moet dan onder de kerk gebracht en van de kerk uitgaan. Van de kerk de school, van de kerk de wetenschap, van de kerk de kunst. Liefst zelfs een geheel ingekerkte en van de kerk |136| uitgaande maatschappij, gelijk het eens in Paraguay beproefd is. Dien weg ging Rome op, al bleef het halverwege staan. Het is juist de Reformatie die aan dezen kerkistischen zin een einde heeft gemaakt en die even daarom het Anabaptisme of de Dooperij zoo fel heeft bestreden. Oorspronkelijk trad het zichtbare instituut van de kerk onder leiding der Apostelen uitsluitend als Instituut voor den Dienst des Woords in het leven. De Reformatie herstelde dit karakter. En ook nu zal het welslagen der nieuwe Reformatie er slechts van afhangen, of ze dit scherp begrensd karakter van Instituut voor den Dienst des Woords weet te herstellen.

Het tegenovergesteld gevaar ligt in de onkerkelijkheid, het wegcijferen van de kerk, de fout van den Réveil. Uit verzet tegen het kerkisme komt men dan op voor het Godsrijk. Men voelt en tast dat er nog iets anders te doen is, dan ter kerk te gaan en predikatiën aan te hooren; dat er gestreden moet voor de eere Gods op elk terrein van het rijke menschenleven. En zoo komt men er toe, om het zichtbare Instituut van den Dienst des Woords te minachten, de „kerk” als iets overtolligs te beschouwen, en al zijn kracht te wijden aan wat men dan noemt de bevordering en uitbreiding van het Godsrijk.

Bij juiste onderscheiding daarentegen wordt zoowel dit hoogstgevaarlijk kerkisme als deze doodende onkerkelijkheid gemeden. Men ziet dan in, dat het Lichaam van Christus, door hem als het Hoofd gesteund, bezield en geëerd, in het organisme dezer menschenwereld inzit, en er op allerlei wijzen den strijd in voert, om Satan en zijn rijk uit te drijven en het Godsrijk te stichten; en dat er alzoo geen enkel terrein van menschelijk leven is, waarop deze strijd van de geestelijke kerk tegen Satan uitgestreden wordt. Maar men erkent dan tevens, dat deze kerk, dit Lichaam van Christus, ook een Instituut heeft, waarin ze zichtbaar optreedt, een Instituut dat tot eenig doel den Dienst des Woords heeft, en men ziet in, hoe de kerk dit Instituut van den Dienst des Woords geen oogenblik kan missen. Verwarring is dan afgesneden. Men weet dan, dat dit Instituut als zichtbare kerk zich met niets anders heeft bezig te houden dan met hetgeen uit den Dienst des Woords voortvloeit, en al het andere heeft over te laten aan de kerk als geestelijk lichaam, in haar organischen samenhang met het leven van ons menschelijk geslacht. Maar ook dat dit geestelijk lichaam, juist om in het organisme van ons menschelijk leven dezen strijd met hope op goed gevolg te kunnen voeren, dit zichtbaar Instituut van den Dienst des Woords behoeft. Niet in het legerkamp wordt de slag geleverd, maar toch om straks slag te kunnen leveren, moet het leger in het kamp verzameld, geordend, gevoed, gewapend en geoefend zijn. Iets waardoor dan vanzelf leven en actie in de prediking komt. |137| Immers de Dienst des Woords strekt dan alleen om te bekwamen voor den strijd tegen Satan en voor het Godsrijk.

Deze Dienst des Woords nu heeft niet alleen de predikatie des Woords, maar ook de bediening van het zegel des Woords in de Sacramenten, en evenzoo het antwoord op dat Woord in de Gebeden en in den Lofzang. Ja, meer nog, Dienst des Woords is veel meer dan enkele verkondiging van het Woord. Het Woord is het woord van onzen Koning. Het is een woord dat met gezag en macht komt. Zij, die gezonden worden om het te verkondigen, zijn derhalve door hun koning met geestelijke autoriteit bekleed, om naar dit Woord vrij te spreken of te vonnissen. Vandaar dat het één dienst is van de sleutelen des hemelrijks, die èn in den publieken Dienst èn in de Discipline de macht van dit Woord handhaaft. Bovendien is deze Dienst des Woord missionair. Er moet steeds meer aangeworven. De formatie van het leger moet steeds uitgebreid. En zoo mag men niet rusten bij wie kwam, maar moet men opzoeken wat van verre bleef. Vandaar in eigen stad en dorp, maar ook naar verre landen de missie. En eindelijk, omdat de Dienst des Woords de geloovigen saambrengt en ze als saamvergadering tot actie van offerande en liefde dringt, is van den Dienst des Woords evenzoo de Inzameling onafscheidelijk. Niet om in allen nood te voorzien, want volstrekt niet alle liefdewerk moet van het instituut der zichtbare kerk uitgaan, maar om een offerande des Heeren te offeren, en uit die offerande door des Heeren gemeenschap de liefde te doen geuren, die rijk en arm in één door God gewekte liefde saamverbindt.