Derde hoofdstuk.

Want wij hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternisse dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.

Efeze 6 : 12.


Zoo is dan het onderscheid aangegeven tusschen het begrip van „Kerk”, het begrip van „Godsrijk”, en het begrip van „Volk des Heeren”, die we geen van drieën missen kunnen, omdat elk dier drie het karakter van onzen strijd bepaalt. We zijn een uit God geboren volk, dat als kerk of keurbende, dus als leger onder Christus, zijn Veldheer, te strijden heeft, tot eens het reeds bij aanvang gesticht Godsrijk heersche in gansch de schepping.

Het denkbeeld van den strijd, den krijg, den oorlog, dien we te voeren hebben, moet bij elke bespreking van het leerstuk der kerk dus krachtig op den voorgrond staan. Laat ge toch dit beginsel van onzen strijd uit het begrip der kerk weg, dan mist ge uw actieve drijfkracht en boet als kerk uw veerkracht in. Er was dan eigenlijk geen reden voor, dat een goddelooze na wedergeboren te zijn, nog op aarde blijft vertoeven. Hij is gereed voor den hemel. Hij kan dadelijk afreizen. Immers al zijn strijd op aarde en al zijn goede werken zullen noch aan zijn zaligheid noch aan zijn heiligmaking ooit het allergeringste toebrengen. Hij is gereinigd, hij is afgewasschen, hij is geheiligd in den Middelaar. In Christus lag er voor elk kind van God een volbracht werk. Er hoeft niets en er kan niets meer bij. Onze Heiland is een volkomen Zaligmaker. |124|

Hebt ge nu geen oog voor de Kerk als „strijdende kerk” als „leger des Heeren” en „slagorde des levenden Gods”, dan vat ge ter wereld niet, wat zulk een gereed en van zijn zaligheid zeker persoon nog op aarde toeven blijft. Hij wordt dan niets dan een pelgrim; een op zich zelf schoone gedachte, maar die in de prediking en in de letterkunde toch schrikkelijk misbruikt is. Immers een pelgrim is een reiziger door een vreemd land, dat hem geen belangstelling inboezemt, waar hij slechts doortrekt om er doorheen te komen, en waarvan elke nieuwe mijl op den langen weg hem te lang valt. De pelgrim laat in het land waardoor bij heentrekt, niets achter, hij doet er niets voor, hij kent er niets van, en al zijn blik is maar bekoord en geboeid door dat hooge bergland, dat ginds van verre daagt en waar zijn tocht heengaat. En omdat zóó de pelgrim is, was het natuurlijk dat ook dit beeld van den pelgrim op den Christen is toegepast. Ook hij toch is vreemdeling op aarde. Ook hij heeft hier geen blijvende stad, maar strekt zich uit naar de toekomende. Ook hij hecht zich niet aan deze aarde, maar heeft begeerte om ontbonden te worden en bij Christus te zijn. Ook hij reist en trekt, en het doel der reis is niet een stad op aarde, maar het nieuwe Jeruzalem.

Wil ik dus de diepe klove aanduiden die tusschen de discipelen des Heeren en de wereld gaapt; is het mijn doel aardschgezindheid te bestrijden; en om het Volk des Heeren op zijn weg naar de eeuwigheid moed in te spreken en het te troosten door zijn schitterend vooruitzicht, — dan is er metterdaad geen schooner beeld dan van den pelgrim, die door vreemde dorre woestenijen optrekt naar de stad van zijn heiligdom.

Maar zie toe, dat ge daarom dit heerlijk beeld niet misbruikt. De sentimentaliteit toch heeft zich ook van dit beeld meester gemaakt, om op de aandoenlijkheid vooral der vrouw te werken, en fanatieke onverschilligheid voor ’s Heeren schepping te kweeken. Vooral het kloosterwezen is uit deze misvatting van het beeld van den pelgrim voortgekomen, en alle valsche mystiek is uit datzelfde misbruik voortgekomen.

In Gods heilig Woord treedt dit beeld van den pelgrim het eerst voor ons, maar niet alleen. De Heilige Geest gebruikt in de Schrift heel een reeks van beelden, om aan Gods kind zijn aardsche existentie op allerlei manier toe te lichten. Nu is een dier beelden zeker het beeld van den „vreemdeling op aarde”, die als de Vader der geloovigen trok van plek tot plek om het beloofde land te aanschouwen, en is heel Israël in de woestijn één volk van pelgrims, die naar het land der belofte, een land „van melk en honig”, door een vale woestenij en over onherbergzame rotsklippen optrekken. Maar daarnaast staat in de Heilige Schrift het beeld van den „getrouwen huisbezorger”, van den „dapperen krijgsknecht”, |125| van de maagd met de lamp in de hand, van de visschers die hun net in de zee werpen, van den koopman die schoone perelen zoekt, van den landman die zijn land bezaait, van bruiloftskinderen die in jubel uitbarsten, van speellieden die lofzingen, en zooveel meer. Roeping der predikatie is het derhalve om beurtelings al deze trekken op het hart van Gods volk te binden, al naar gelang van de zonde die bestreden of den troost die toebedeeld moet. En indien nu de predikatie in plaats van deze Schriftuurrijke volheid en rijkdom uit te storten, zich te veel opsluit in de pelgrimsidée, dan kan het gevolg niet uitblijven, of als noodlottig gevolg van zoo onvolledige prediking wordt de veerkracht in Gods volk gebroken, het actief beginsel in de Kerk van Christus gedood, en wordt de heerlijke, levende, strijdende kerk des Heeren al meer omgezet in een half slapenden, half droomenden kring van teleurgestelden, die eigenlijk reeds in den hemel moesten zijn, maar, ze weten niet waarom, nog niet afgelost en nog niet afgehaald zijn door Gods engelen.

Dat teloor gaan van het veerkrachtige en bezielende begrip der strijdende kerk danken we aan keizer Constantijn den Groote, een machtig vorst en ernstig Christen, maar die ongemeen veel kwaad over Christus’ kerk heeft gebracht. Te kwader ure toch sloop in zijn ziel de gedachte, dat de kerk van Christus reeds hier op aarde heerschende kerk moest zijn. Hem scheen het toe, dat, zoo de vorsten en koningen der aarde het Kruis van Christus door staatsinvloed en desnoods door wapengeweld maar voortplantten, de strijd der kerk spoedig uit zou zijn en de kerk reeds op aarde kon triomfeeren. Naar dat denkbeeld handelde hij dan ook, en de kerk, den langen bangen strijd moede, greep gretig dat machtig denkbeeld aan, en gaf van toen af de leiding over aan het keizerlijk paleis. Toen is de wereld dan ook spoedig overwonnen. Volk na volk is toegebracht. Het heidendom is met geweld uitgeroeid. En de kerk is met hulp van staatsgeld, staatsmacht en staatsgeweld in heel Europa, en, totdat de Islam opkwam, in Azië en Afrika geplant. Toen viel er niet meer te strijden. Het doel van den strijd was bereikt. Het rijk dat gesticht moest was gesticht. En zoo wierd het Godsrijk met de Kerk verward en vereenzelvigd. Men had gestreden, men streed niet meer. Thans heerschte men. En terwijl Jezus gezegd had: „Mijn rijk is niet uit deze wereld, anders zouden mijn dienaren voor mij gestreden hebben”, achtte nu de Kerk dit Evangelie des Koninkrijks vlak te mogen omkeeren, en toch in een Staatskerk of Kerkstaat heul en heil te zoeken.

Toch bleef er onder dit boos gesternte, zoolang de Reformatie nog toefde, altoos een beginsel van strijd in de kerk over. Immers op dit toppunt van macht en heerschappij bleef nog altoos de inspanning en worsteling |126| om zich in die wereldheerschappij te handhaven. Onder de pausen der Middeneeuwen vindt ge de Christelijke kerk dan ook steeds worstelend en strijdend, wel niet in den zin door het Evangelie bedoeld, maar dan toch gedwongen tot gestadige inspanning. Ook in den aanvang der Reformatie blijft dat karakter nog, omdat de Protestantsche regeeringen gedurende de lange en veelvormige godsdienstoorlogen, al haar krachten hebben in te spannen om het veld te behouden. Maar wederom is het een strijd met de wapenen. De strijd der kerk is antipapisme geworden. Doch zóózeer, helaas in ongeestelijken zin, dat, om ons tot ons eigen land te bepalen, ons volk wel schatten opbracht en legers en vloten uitzond, om de macht van Rome in het Europeesche evenwicht te fnuiken, maar de kerk onderwijl de Roomsche bevolking in zijn boezem onbekeerd voort liet leven. En toen nu ook deze godsdienstoorlogen ten leste een einde namen, en andere worstelingen op staatkundig gebied aanvingen, ging dit strijdend karakter der kerk dan ook ganschelijk teloor. Ook hier te lande was men heerschende kerk geworden, en naarmate men het karakter der kerk al minder geestelijk opvatte en vrede nam met een loozen schijn van heerschappij, kostte het al minder moeite om zich, in dezen waan van heerschende kerk te zijn, zalig te droomen. Men bleef om plakkaten tegen de Papisten vragen, men bleef aandringen op allerlei staatsprivilegiën, maar van den strijd tegen Satan en tegen de geestelijke boosheden in de lucht was ten leste geen spoor meer te ontdekken.

Door deze dwaling der kerk misleid hebben toen de vrome kinderen Gods zich in vrome kringen teruggetrokken; in onloochenbare geestelijke zelfzucht bijna enkel op eigen zaligheid gelet; en is door heel ons land die geest van onverschilligheid en onaandoenlijkheid in ’s Heeren volk gevaren, die met alles vrede nam, mits men hun slechts vrijheid voor hun conventieartikelen liet en in eigen dorp of in de nabuurschap een rechtzinnige predikatie verzekerde. Vandaar dat het zoo weinig moeite kostte aan de revolutionaire machthebbers om aan het einde der vorige eeuw zonder slag of stoot de heerschende kerk hier te lande af te schaffen, en dat het verzet zoo luttel was, toen koning Willem I in 1816 heel de kerk in een staatsorganisatie opsloot. En is er daarna al strijd in de kerk gekomen, toch in het standpunt nog niet bereikt, waarop er weer strijd van de kerk tegen de wereld kan uitgaan. Daartoe bleef het nog veel te veel een strijd om de verloren macht te herwinnen, hielden tal van geloovigen nog steeds te zeer aan de valsche gedachte van keizer Constantijn vast; en is de heilige geestdrift om als Volk des Heeren voor het Godsrijk den strijd aan te binden nog veel te weinig opgegloord. |127|

Oorzaak van al dezen jammer was, dat de Kerk van Christus den juisten blik verloor op den strijd dien ze te voeren had. Ze vergiste zich omtrent aard en doel van dien strijd en tastte daardoor mis in de keuze harer wapenen, en de keuze van haar bondgenooten. Haar wapenrusting zou enkel geestelijk zijn, en zie, ze zocht heul in staatsbegunstiging, in staatsgeld en in steun van de staatspolitie. Haar bondgenooten mochten alleen Gods engelen en de heiligen op aarde zijn, en zie, ze zocht hulp bij de machtigen en aanzienlijken der aarde, ook op het gebied der wetenschap. Haar strijd moest een strijd met Satan en de geestelijke boosheden in de lucht wezen, en zie, ze ging haar vijand zien in het trouwste deel van Gods volk.

Het is daarom van het uiterst belang, dat men bij de bepaling van wat de kerk zijn moet, zich duidelijk rekenschap geve van den vijand, waartegen ze den strijd heeft te voeren. Dien vijand nu omschrijft de heilige apostel als niet zijnde „vleesch en bloed”, maar „de overheden, de machten, de geweldhebbers der wereld, de duisternis dezer eeuwe, de geestelijke boosheden in de lucht.”

Wat hebben we hieronder te verstaan?

Stellig niet enkel de zonde, gelijk het door menig prediker misduid en verwaterd wordt. Niet alsof strijd tegen de zonde een oogenblik mocht uitblijven, maar de zonde is slechts een der werkingen van de eigenlijke macht waartegen de strijd moet aangebonden. Wie zegt: de strijd der kerk gaat tegen de zonde, vat de zaak niet diep genoeg, en weerspreekt lijnrecht Paulus’ uitspraak. Wat zulke oppervlakkige predikers toch met „de zonde” bedoelen, is juist wat Paulus hier aanduidt met „vleesch en bloed”. „Vleesch en bloed” zijn hier de verleidingen van zingenot en wellust, van drift en toorn en van allerlei zonden en zondige gedachten en begeerten, waartoe vleesch en bloed ons verlokt. En nu zegt Paulus niet, dat hiertegen de hoofdstrijd der kerk moet gericht, maar juist omgekeerd, dat dit niet de hoofdstrijd is, en dat de eigenlijke strijd der kerk gaat tegen een veel machtiger vijand, die achter al deze en vele andere zonden schuilt en in deze zonden slechts zijn macht uitwerkt.

De strijd staat tusschen Christus en Satan. Satan viel eerst; na en door hem pas Adam. De wortel van het kwaad schuilt dus niet in deze wereld en niet in ons menschelijk hart. Dan toch zou geen mensch voor verlossing vatbaar zijn. Neen, de springader en bronwel, grondoorzaak en wortel van het kwade ligt buiten deze wereld in Satan. Dat toont de historie van het paradijs; dat ziet ge in Jezus, die eer Hij de wereld ingaat, Satan in de woestijn opzoekt; en dat blijkt uit de Openbaringen, die ons het eind van den strijd teekenen in de ternederwerping van Satan en zijn trawanten. |128|

Satan nu is, als we duidelijkheidshalve het zoo zeggen mogen, niet een enkel persoon of een enkele op zich zelf staande geest — maar Satan is een Vorst. Hij is een gebieder. Hij is het hoofd van een rijk. Duizenden bij duizenden geesten staan als trawanten onder hem. En juist door die ontzettende heerschappij is Satan zulk een macht. Vandaar dat Paulus ons zijn rijk en heerschappij beschrijft als een rijk van „overheden, machten, geweldhebbers, duisternis en geestelijke boosheden.”

Deze macht nu rust op de aarde. Ze drong in deze wereld in, en ze heeft deze wereld beheerscht.

Men stelle zich deze zaak duidelijk voor.

Onze wereld op aarde is geen zelfstandige wereld en heeft geen eigen leven. Ge kunt ze eenigermate vergelijken bij die vele doode landstreken in het hart van Afrika en Azië, die onmachtig zijn om tot een eigen leven op te waken. Maar wat wel kan is, dat uit het machtige Europa ’tzij de Engelschen, ’tzij de Duitschers naar deze landen toekomen, er hun invloed, hun banier, hun taal, hun macht vestigen; alsnu de hulpbronnen van zulk een land ontwikkelen; er uit halen wat er inzat; en er op die wijs hun heerschappij vestigen.

Zoo nu ongeveer is ook onze wereld op aarde, en de machten die naar deze wereld toekomen om er haar invloed en heerschappij te vestigen, moeten òf komen uit den hemel òf komen uit de hel.

Twee Vorsten zenden nu naar deze wereld hun zendelingen, hun heirscharen en hun machten uit, om in deze doode wereld hun heerschappij te vestigen. Eenerzijds doet dat Koning Jezus, de Vorst van ’s hemels legermacht, en anderzijds doet het de Satan, de Vorst van de heirmacht der hel.

Eerst drong de macht des hemels in deze wereld in. Dat was het Paradijs op aarde. En op het indringen van die hemelsche macht was deze wereld aangelegd; daarvoor waren we geschapen. Maar dit kon de Vorst van de heirmachten der hel niet dulden. Ook hij zond zijn machten. Aan die machten gaf de mensch gehoor. En zoo had er toen een inbreuk plaats. Satans heirmacht drong binnen, en het duurde niet lang, of werkelijk was Satans heerschappij op deze aarde gegrondvest. Jezus zelf stemt dit toe, als Hij Satan noemt „den Souvereine of den Overste dezer wereld”.

Dit blijkt ook uit het karakter van Jezus’ verzoeking. Wil Jezus Satan aanbidden, d.w.z. Satans souvereiniteit over deze wereld erkennen, dan is Satan bereid Jezus tot zijn onderkoning of gouverneur-generaal aan te stellen en hem al deze koninkrijken en al hun heerlijkheid te geven. En daarin juist, dat Jezus dit afslaat en heel de aarde weer voor zijn God opeischt, ligt de oorlogsverklaring. Van daar af gaat eerst de eigenlijke strijd in. |129|

Doch nu strekt de tegenstelling tusschen Satan en Christus dan ook veel verder.

Als Duitschers of Engelschen op koloniaal terrein hun macht willen vergrooten, dan zenden ze immers niet enkel een vloot en troepen, maar pogen ze ook in het hart van het land in te dringen; de instellingen van het volk aan zich te trekken: en zelf de wet te geven en recht te spreken, en allengs derwijs over den geest van het volk en zijn gewoonten te gaan heerschen, dat ze elke macht en kracht en werking in het volk omzetten en ombuigen naar hun belang.

En dit nu heeft ook Satan gedaan.

Hij heeft er zich niet mede tevreden gesteld, om de harten der menschen van God af te trekken, maar hij is ingedrongen in het organisch samenstel van ons menschelijk leven. Hij heeft zijn geest geblazen in alle instellingen en vormen en gewoonten des levens. Hij is ingedrongen in al die invloeden, machten en werkingen, die ons menschelijk leven beheerschen. Hij heeft aan zich en zijn macht dienstbaar gemaakt alle verbindingen en verhoudingen, alle regelingen en gangen, waarin zich ons menschelijk leven beweegt. En zoodoende eerst is hij er in geslaagd om op aarde zijn heerschappij te vestigen door allerlei „overheden en machten, door allerlei duisternis en geestelijke boosheden”.

Van al die machten en werkingen, van al die krachten en heerschappijen ondergaat nu de enkele mensch allerlei overweldigenden invloed. We worden beheerscht door allerlei invloed van onze wetgeving, van onze rechtspraak, van onze gewoonten en usantiën, van de publieke opinie en den heerschenden toon, van de machten, die op de beurs en in den handel, bij bedrijf en nering den gang van zaken bepalen, van de machten der valsche philosophie, van lasterenden praat, van spot en hoon, van onware literatuur en van machtige persoonlijkheden. En overmits nu Satan al deze kanalen en geleiddraden en voertuigen, of wilt ge al deze cilinders, veeren en raderen van ons menschelijk leven aangrijpt, om zijn heerschappij op ons te doen werken, is aan de kerk de ontzaglijke taak opgelegd, om in al deze gangen, werkingen en uitingen van ons menschelijk leven den invloed van Satan op ons menschelijk hart te breken en er den goddelijken invloed van Christus voor in de plaats te brengen.

Dit zou nu niets baten, zoo God de Heere niet het wonder der wedergeboorte wrocht in het hart zijner uitverkorenen. Want welke betere invloeden ge op een menschenziel ook werken laat, zoolang de zondaar met de vezelen van zijn hart aan Satan vastligt, baat uw bewerking ten principieele toch niets, en kunt ge hoogstens verguldsel op hem tooveren, maar nooit goud doen schitteren in zijn ziel. |130|

Vandaar dat de kerk altoos het cor ecclesiae in de uitverkiezing blijft eeren, en altoos uitgaat van het wondere werk des Heeren dat gewrocht wordt in de toebrenging van den afgedoolde, in de rechtvaardiging van een goddelooze en in het levendmaken van een die dood was.

Maar, dit werk Gods ondersteld zijnde, en de kerk uit die daad Gods opkomende, zoo is en blijft het dan toch de taak en de hooge roeping dier kerk, om in een wereld, in wier gansche organisatie deze heerschappij van Satan nestelt, tegen die heerschappij moedig op te komen, tegen die heerschappij het zwaard aan te gorden; en zonder kwartier of wapenstilstand, rusteloos en zonder verpoozen, nu en altoos, tot aan ’s Heeren wederkomst den strijd, den krijg, den oorlog op leven en dood met deze Satanische heerschappij door te zetten.

Van vroom in de kerk, maar zonder Christelijke belijdenis of Christelijken strijd in de wereld, kan dus geen oogenblik sprake zijn.

De vrede komt op aarde nooit, en kan er nooit komen, om de eenvoudige reden, dat er nooit een vergelijk noch verzoening met Satan mag tot stand komen, en er dus van geen vrede sprake kan zijn, alvorens Satan ganschelijk teruggedreven, neergeveld en verpletterd is. En overmits ge nu uit Gods Woord weet, dat de kerk zelve dit niet vermag, en dat Christus zich zelven de eere heeft voorbehouden, om in de laatste ontzettende worsteling Satan eindelijk den genadeslag toe te brengen, zoo is het immers uitgemaakt, dat de kerk van Jezus strijdende kerk moet blijven, elken dag en elken nacht in openbaren oorlog met den vijand Gods en der menschen, d.i. met Satan en zijn rijk en heerschappij en alzijdige macht en invloed.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002