Tweede hoofdstuk.

Dit is het, wat den Levieten aangaat: van vijf en twintig jaren oud en daarboven zullen zij inkomen om den strijd te strijden, in den dienst van de Tente der Samenkomst.

Num. 8 : 24.


De Kerk het leger, en het Godsrijk of het Koninkrijk der hemelen het rijk dat met behulp van dit leger wordt gesticht; — aldus omschreven we, met beroep op Psalm CX, het verschil tusschen „Kerk” en „Godsrijk”. |116| Thans behoort de juistheid van deze onderscheiding nader te worden aangetoond.

In oude tijden, toen de tegenstelling tusschen Christus en de wereld nog bij iederen voetstap gevoeld wierd, kende elk kind van God den eeretitel van strijdende Kerk, die aan Christus’ kerk naar ieders overtuiging toekwam, en was elks uitzicht en hope, om uit die „strijdende” eens in de triomfeerende kerk over te gaan. Men dacht zich de kerk niet anders. Men kon ze zich niet anders denken. En een kerk van Christus, die niet als een heilige heirmacht voor Christus’ zaak en naam optrad en streed, zou destijds op alles anders behalve op een kerk geleken hebben. Eerst later toen in de Staats- en Volkskerken de wereld een vergelijk met de kerk sloot, en ten slotte in de Middeleeuwen alle tegenstelling tusschen Christus en de wereld wegviel, zonk dat hooge bewustzijn, en wierd de naam en eeretitel van „strijdende kerk” niet meer verstaan. Op den klank af gebruikte men de oude betiteling nog. Uit gewoonte bleef men ze naspreken, maar de zin en beteekenis was er uit weg. Iets wat ten slotte zóóver ging, dat men den term van „strijdende kerk” geheel op liet gaan in den strijd dien elk mensch van edeler zin op aarde heeft te voeren. „Strijdende kerk” wilde toen zeggen, een zeker aantal menschen die nog innerlijke worstelingen hebben, die nog kampen tegen lot en neiging, en elk op hun wijs nog te strijden hebben met boezemzonde. In tegenstelling waarmee „triomfeerende” kerk dan de beduidenis kreeg van afgestorvenen, die uit deze worsteling met leed en kruis, nu waren weggenomen en geen strijd met innerlijke zonde meer kenden. Slechts vergat men, dat hiermee heel het denkbeeld van een „strijdende kerk” geheel dood was geloopen. Immers strijd met tegenspoed en zonde heeft ook de Chinees en Mahomedaan, heeft ook de jood en de ongeloovige. Zoodat ge bij die opvatting van tweeën één doet: òf Jood, Chinees, Turk en atheïst tot leden van uw „strijdende kerk” maken, òf wel heel het begrip van „strijdende kerk”. opheffen om niets dan den gewonen strijd van alle menschelijk leven over te houden. Hier mag ook in de prediking wel op gelet worden. Zult ge recht hebben om van een strijdende kerk te spreken, dan moet duidelijk uitkomen, welk onderscheid er bestaat tusschen dien dagelijkschen strijd, die, van ons menschelijk aanzijn onafscheidelijk, aan alle menschen gemeen is, en dien anderen strijd, dien niet enkele personen, maar dien de kerk van Christus als een geheel gedacht, te voeren heeft tegen de wereld.


Slaat ge nu het Oude Verbond op, dat vindt ge, dat onder Israëls ceremonieele bedeeling de heilige dienst in enger zin van de elf stammen |117| was afgenomen en gelegd was op den éénen stam van Levi. Levi treedt plaatsbekleedend voor heel Israël op, en zijn dienst is in het heiligdom des Heeren. En hoe wordt nu door de Schrift zelve deze dienst van Levi in het heiligdom ons geteekend? Lees het slechts in Num. VIII : 23-26. Daar staat: „En de Heere sprak tot Mozes, zeggende: Dit is het wat den Levieten aangaat, van vijf en twintig jaar oud en daarboven zullen zij inkomen, om den strijd te strijden in den dienst van de Tente der samenkomst. Maar van dat hij vijftig jaren oud is zal hij van den strijd van dezen dienst afgaan, en hij zal niet meer dienen; doch hij zal met zijne broederen dienen in de Tente der samenkomst, om de wacht waar te nemen.” En zoo nu wordt niet alleen op deze plaats, maar in heel de wet, steeds de dienst der Levieten ons op militaire wijze voorgesteld. Ze vormen een leger waarin een iegelijk van zijn 25e tot 50e jaar dienstplichtig is, om mee op te trekken in den strijd; en is hij de 50 jaar voorbij, dan gaat de Leviet over in de reserve, die wel niet meer optrekt, maar toch in dienst blijft, om alsnu de wacht te betrekken.

„De wacht des Heeren waarnemen”, „de wacht in den Tabernakel waarnemen”, „de wacht van de kinderen Israëls waarnemen”, „de wacht des heiligdoms waarnemen”, of „de wacht van de Tente der samenkomst waarnemen”, zijn dan ook vaste uitdrukkingen die telkens in de Levietische wetgeving terugkeeren.

Wat beteekent dit nu?

Israël was het volk der voorafschaduwing. In zijn volk was de kerk, en in zijn nationaal bestaan het Godsrijk voorgeteekend. Nu had Israël twee legers, het ééne de militaire macht om tegen Edom en Syrië en Egypte te strijden, en het andere het heilige leger van de Levieten, om den strijd des Heeren te strijden in den Tabernakel. We hebben hier dus volstrekt niet te doen met een bloot figuurlijke of overdrachtelijke manier van spreken. Het is niet maar een beeldspraak, een wijze van uitdrukking van zeer wezenlijke beteekenis. En die beteekenis is, dat in den stam van Levi en zijn heiligen strijd en wacht voorgeteekend en afgeschaduwd lag die andere strijd en die andere wacht, die straks, als de kerk wereldkerk zou geworden zijn, door de kerk van Christus zou zijn waar te nemen in de worsteling tusschen Christus en de wereld.

Hiermee stemt het dan ook geheel overeen, dat in het Nieuwe Testament de roeping der kerk voortdurend als een strijd wordt voorgesteld, die eerst met de wederkomst des Heeren op de wolken een einde neemt; waarin de kerk zekerlijk overwinnaresse zal zijn, en waarop eens een heerlijke triomf zal volgen, als de Christus, onder wien als Hoofd van |118| ’s hemels legermacht die strijd gevoerd wierd, de kroon zal uitreiken aan wie Hem getrouw bleef tot in den dood. Paulus zelf getuigt er tegen het einde zijns levens van: „Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden, voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke de Heere, de rechtvaardige Rechter, mij in dien dag geven zal.” Een betuiging die wel aan het beeld van het worstelperk wordt vastgeknoopt, maar om juist daardoor het denkbeeld van de worsteling slechts te wezenlijker te doen uitkomen. Evenzoo vermaant hij Timotheüs, dat hij toch den goeden strijd strijden moge. Aan de kerk van Filippi roept hij toe, dat ze toch staan moge in éénen geest, „met één gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof des Evangelies”. Van Euodia en Syntyche verklaart hij, dat ze met hem gestreden hebben in het Evangelie. Zelf arbeidt hij strijdende naar de werking (van Christus) die in hem werkt met kracht. Aan Epafras geeft hij het getuigenis, dat deze dienstknecht des Heeren te allen tijde strijdende is in den gebede. Strijd, roept hij aan Timotheüs toe, strijd den goeden strijd des geloofs. En ook volgens Judas (zie zijn brief vers 3) is strijden voor het geloof de taak der kerke Gods. Zelfs noemt Paulus den belijder des Heeren „een soldaat” of „krijgsknecht”. „Gij dan lijdt verdrukking, als een goed krijgsknecht van Jezus Christus” (2 Tim. II : 3).

In den krijg dien ze met de wereld te voeren heeft, ligt dan ook heel het leven der kerk. „Wandelende in het vleesch”, zegt Paulus, voeren wij den krijg niet naar het vleesch. En nu komt hij op de wapenen die in dien krijg gehanteerd worden, en gaat dan voort: „want de wapenen van onzen krijg zijn niet vleeschelijk, maar geestelijk”, en juist daarom „krachtig door God tot nederwerping der sterkten”. Zoo is het dan onze roeping onze leden te stellen tot wapenen der gerechtigheid, en aan te doen de wapenen des lichts. Ja zelfs geheel de wapenrusting van een krijgsknecht des Heeren wordt, ons voorgeteekend. „Doet aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen van den Duivel. Want wij hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers dezer eeuw. Daarom neemt aan de geheele wapenrusting Gods. Staat dan, uw lendenen omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid, en de voeten geschoeid hebbende met de bereidheid des Evangelies; bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs. En neemt den helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, ’t welk is Gods Woord.”

Deze strijd nu, deze krijg, dien de kerk van Christus te voeren heeft, |119| gaat door tot den einde, en alleen wie volharden zal tot den einde toe zal de kroon ontvangen. Die overwint zal deelen in den buit, zal eere en lof in het voltooide Godsrijk ontvangen. Christus triumfator zal aan al zijn heirmacht, aan zijn lijfgarde, aan zijn dappere, trouwe krijgsknechten, geven met Hem te zitten in den troon, te eten van den boom des levens, te dragen een witten keursteen, macht te hebben over de bekleed te worden met witte kleederen, den naam zijns Gods te dragen, kortom te deelen in al de heerlijkheid van zijn triomfeerenden Koning.


Dit karakter van de kerk als „strijdende macht”, d.i. als leger en heirmacht des Heeren vloeit voort uit het strijdend karakter, waarin de Christus zelf optreedt. Hij is het Hoofd van ’s Heeren legermacht. In zijn mond is een scherpsnijdend zwaard. Hij voert krijg in gerechtigheid. Hij rijdt voorspoedig op het zuivere woord der waarheid, om over zijn vijanden te triomfeeren. Hij is gekomen niet om den vrede te brengen, maar om het zwaard op aarde te werpen. Potentieel heeft Hij reeds op Golgotha „de wereld overwonnen”. Wat tegen Hem over staat zijn zijn vijanden. Die vijanden moeten ten onder gebracht en gesteld tot een voetbank zijner voeten. En eerst als de laatste vijand zal zijn tenietgedaan, en elke tegenstand gebroken, gaat het volle rijk der heerlijkheid in.

Christus is Veldheer, Krijgsoverste, gelijk Hij dan ook aan Jozua als een krijgsman verscheen. Door Satan, zonde en wereld wierd en wordt een krijg aan God aangedaan. In dien alzoo ontstanen krijg staan de engelen Gods tegen de engelen van Satan over, en aan Christus is het opperbevel in dezen ontzettenden krijg. Hij leidt al de heirmachten Gods ter overwinning en alle zegepraal die bevochten wordt is uit Hem.

Eerst was er niets dan het rijk Gods. De zonde brak dat rijk en stichtte er een rijk der duisternis tegenover. Vandaar dat elk zondaar, die onbekeerd bleef, bewust of onbewust, als krijgsknecht van Satan dienst doet om ’s Heeren rijk te bestrijden. Toch moet dat rijk des Heeren weerkomen; het wordt gewisselijk hersteld. Die het herstelt is de Christus. En het is voor die herstelling van het Godsrijk, dat Hij krijgsknechten bezigt, die eerst in Satans dienst waren, maar die Hij uit Satans dienst losbreekt, naar zich toe lokt, nu wapent met de wapenrusting Gods, en alzoo gewapend mee doet optrekken in zijn heirschare.

Zoo is Jezus een „strijdbaar held”, een Koning die krijg voert, en niet aflaat eer de vijanden Gods volkomen verpletterd en vernietigd zijn. Maar al is de overwinning op die vijanden aan Golgotha’s kruis reeds in beginsel bevochten, toch duurt die strijd nog voort en voort, en zal hij eerst |120| dán een einde nemen, als deze Veldheer Gods op de wolken wederkomt, en feitelijk heel de schepping aan zich zal onderwerpen.

Tot op dien tijd toe woedt de krijg dus. De strijd gaat aldoor. En hoe zou het nu denkbaar wezen, dat onze Jezus aldoor den strijd streed, en dat zijn Kerk, zijn volk op aarde, zich dit niet aantrok, Hem alleen liet strijden, en zichzelf van strijd onthield?

Neen, is de kerk met Jezus één, Hij haar Hoofd en zij zijn lichaam, dan is het ondenkbaar, dat zij van verre dit zou aanzien, zonder zich in den strijd te mengen.

Waar de Koning strijd voert, strijdt al het volk met Hem, en wie met het volk niet meestrijdt, is een lafaard, die buiten wordt geworpen.

En zoo springt het in het oog, hoe, omdat we een strijdenden Messias hebben, ook zijn volk geen andere roeping kan hebben, dan om een strijdende kerk op aarde te zijn.


Dit voert ons vanzelf op de benaming van „Volk des Heeren”, die zoo gedurig in de Schrift voorkomt, en die velen thans in onbruik zoeken te brengen.

Om goed de verhouding tusschen den naam „Volk des Heeren” en „Kerk” in te zien, dient er op gewezen, dat in Israël het leger al het volk, en al het volk het leger was. In nog sterker zin dan nu in Pruisen elk man soldaat is moest in Israël elk volwassen man mee ten strijde optrekken. Er was geen huurleger. Geen gerecruteerd leger. Er was in Israël algemeene en persoonlijke dienstplicht. Volk en leger waren dus één, en beurtelings kon men voor de heirscharen lsraëls zoowel den naam van leger, als den naam van volk bezigen.

Dit komt vooral uit in tijden van oorlog. Komt men in Pruisen in vredestijd; dan treedt het volk meer op den voorgrond en schijnt het leger iets aparts. Maar breekt de oorlog uit, dan gaat heel het volk in het leger op, en valt elk onderscheid weg. Zoo nu was het ook in Israël. En zoo is het ook nu nog met het Volk des Heeren.

Immers voor dat volk is het altoos krijg. Er wordt met Satan nooit ook maar een wapenstilstand gesloten. Het volk is altoos niet alleen op voet van oorlog, maar in werkelijken oorlog. En als het soms anders schijnt, is dit alleen omdat een deel van het Volk ontrouw wierd, de zaak zijns Heeren verliet en overliep naar den vijand.

Vandaar dat het „Volk des Heeren” nooit anders dan als een „volk in de wapenen” gedacht kan worden; steeds in den strijd ingewikkeld en krijg voerende onder zijn Heere en Koning.

Toch is er tusschen de namen „Kerk” en „Volk” verschil. |121|

„Kerk” of Ecclesia heeft haar naam van „uitroepen”. De Kerk is de schare der „uitgeroepenen”, der „opgeroepenen” tot den krijg. Het beteekent hetzelfde als keurbende. Het zijn de getrouwen, die Hem door den Vader gegeven zijn, en die Hij nu uitroept uit de wereld, tot zich roept, en om zich vergadert.

„Volk” daarentegen ziet op de organische verhouding van „koning” en „onderdaan”. Eens als de laatste strijd zal zijn uitgestreden, en het Godsrijk voleind, zal ook dit rijk ingezetenen, inwoners hebben, en deze ingezetenen van het Godsrijk zullen geen losse menschenmassa vormen, maar een organisch geheel, een natie, een volk. Zoo hangen dan al de geroepenen des Heeren onderling saam. Ze zijn door onderlinge banden verkocht en verbonden, en saam staan ze in onderworpenheid en gehoorzaamheid aan hun souvereinen Vorst en Koning, om te deelen in zijn vrede en zijn heil.

En dit „Volk” nu is maar niet onder een Koning gebracht, maar als uit zijn Koning voortgekomen. Het staat met zijn Koning in levensverband. Hun Koning is uit hen, en zij zijn uit hun Koning. Koning en Volk zijn saam één. Hij is hun Hoofd en zij zijn leden van zijn lichaam.

En hierin nu juist ligt de waarborg voor de eenheid van dit „Volk” voor zijn eenheid door alle eeuwen en geslachten; want omdat het organisch saamhangt, draagt het zijn zaad in zich, en worden uit het Volk voor den Koning steeds nieuwe onderdanen geboren.

Zoo staat tegenover de veelheid der volken en der natiën dit ééne Volk des Heeren als een eigen, een verkregen volk over. Zoo kan er dus nooit een volkskerk zijn, en is het enkele begrip van een volkskerk reeds een geheele omverwerping van wat de Heilige Schrift ons én omtrent de Kerk én omtrent het Volk des Heeren leert. Een volkskerk in Israël, o, gewislijk, omdat dit ééne volk niet uit de volken en natiën, maar als een apart volk expresselijk door den Heere geschapen was, om èn het Godsrijk èn ’s Heeren volk af te beelden. Maar buiten Israël is er niets dan de wereldkerk, is er niets dan het ééne Volk des Heeren, uit alle geslachten en natiën en tongen gemengd. En al wie nu nog hangen blijft aan het valsche begrip van een „volkskerk”, blijft bij den torenbouw van Babel staan, en verzuimt terug te gaan tot die hoogere eenheid, die in het paradijs ontsproot en in den Zaligmaker der wereld hersteld is.

Wil men nu scherp onderscheiden, dan is Jezus Koning over dit zijn Volk en Hoofd van zijn Kerk, even gelijk ook onze laatste Vorst uit het huis van Oranje koning over het volk van Nederland en opperbevelhebber of hoofd van zijn leger was. Overmits echter „het Volk des Heeren” en de Kerk of zijn keurbende, in dezen toestand van nimmer eindigenden |122| krijg geheel saamvallen en één zijn, en het volk al het leger en het leger al het volk is, doet deze spitsvondige onderscheiding er niets toe. Slechts strekt deze schoone benaming van Hoofd des Lichaams om krachtig en kernachtig den organischen saamhang tusschen dezen Koning en zijn Volk, tusschen dezen Veldheer en zijn Leger te doen uitkomen. Het is geen aangesteld „hoofd” van een „gehuurd leger”, maar een Hoofd van ’s hemels legermacht, dat ziende op zijn getrouwen, zeggen mag: Vleesch van mijn vleesch en door mijn eigen bloed verworven.

Van aanbelang wordt deze onderscheiding tusschen „Volk” en „Kerk” dan eerst, wanneer zich als „kerk” aandient en met den naam van „kerk” siert eene menigte van personen, die slechts voor een deel echt en voor een ander deel onecht van oorsprong zijn. In het leger van Jezus moet elk krijgsknecht van zijn Volk zijn. Mengen er zich dus in zijn heirscharen vreemden die niet tot zijn Volk behooren, maar ingeslopenen zijn, dan spreekt het vanzelf, dat er in dit leger onderscheid moet gemaakt tusschen degenen die wel en die niet van ’s Heeren Volk zijn. En daarom was het een goed instinct, dat de kinderen Gods dreef, om steeds op den naam van ’s Heeren Volk hoogen prijs te stellen, en te weerstaan elke poging om het gebruik van die benaming uit te roeien. Belang bij het in onbruik komen van dien naam hebben slechts zij, die de Kerk met de wereld willen vermengen, en den strijd tusschen de Kerk en de wereld willen opheffen. Zij daarentegen, die staan in de overtuiging dat alleen hij den strijd des Heeren kan strijden, die van boven geboren en in ’s Heeren Volk is ingelijfd, moeten aan dezen eerenaarn wel blijven vasthouden. Juist daarin toch dat Jezus een Koning is die zijn eigen onderdanen heeft en dus een Volk bezit waarover Hij regeert, ligt al de klem onzer heilige belijdenis.


Het hoog belang om aan deze Schriftuurlijke voorstelling van een „Volk des Heeren” als „strijdende Kerk”, en dus als een „heirschare Christi” de hand te houden, komt in onze dagen weer te sterker uit, nu in het dusgenaamde „Leger des heils” een caricatuur optrad van wat de Kerk des Heeren zijn moet. De fout toch van dit „Leger des heils” is niet, dat het de idee van strijd opnam, en zeer goed inzag, dat wie in een strijd zouden optrekken saam ook een leger vormen. Slechts hierin ging het feil, dat het, in plaats van de Kerk zelve weer als „strijdende Kerk” op te laten trekken, een soort nieuwe „strijdmacht” naast de Kerk ging vormen, met een mensch tot „generaal” in stede van met Christus tot Veldoverste.

Al de uitwendige drukte van het „Leger des heils” hangt met deze |123| grondfout saam. En de bestrijding van dat verschijnsel mag onzerzijds dan ook niet gevoerd door minachting en spot. Immers dit „Leger des heils” heeft wel terdege iets aan de Kerk van Christus te verwijten. En dan eerst zal deze ziekelijke verschijning vanzelf te niet gaan, als de Kerk van Christus zelve weer als „strijdende Kerk” optreedt; en in stee van zich òf zondig met de wereld te vereenigen als volkskerk, òf zich in vrome kringetjes tot onderlinge geestelijke genieting terug te trekken, zich weer bewust wordt van haar heilige en hooge roeping, om als een Slagorde des Heeren, één van zin en één van bedoelen, staande in haar geestelijke wapenrusting, onder haar Koning, Hoofd en Veldheer, den strijd aan te binden met de machten der duisternis.