Zondagsafdeeling XXI.



Vraag 54. Wat gelooft gij van de heilige algemeene Christelijke Kerke?

Antwoord. Dat de Zone Gods uit het gansche menschelijke geslacht zich eene gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren, door zijn Geest en Woord in eenigheid des waren geloofs van den beginne der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt; en dat ik daarvan een levendig lidmaat ben en eeuwig zal blijven.

Vraag 55. Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen?

Antwoord. Eerstelijk, dat alle en elk geloovige als lidmaten aan den Heere Christus en alle zijne schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten andere, dat elk zich moet schuldig weten, zijne gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te leggen.

Vraag 56. Wat gelooft gij van de vergevinge der zonden?

Antwoord. Dat God, om het genoegdoen van Christus’ wille, al mijne zonden, ook mijnen zondelijken aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenken, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome.




Eerste hoofdstuk.

En ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik mijne gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.

Matth. 16 : 18.


In de XXIste afdeeling van den Catechismus wordt van de kerk gehandeld; en trekt het aanstonds de opmerkzaamheid, dat de Heidelberger in dezen Zondag drie artikelen saamvoegt, en handelt, niet alleen over de Kerk, maar over de Gemeenschap der heiligen, en over de Vergeving der zonden.

Toch is dit geen gedachtelooze aaneenrijging, enkel dienstdoende omdat het voor de indeeling zoo beter uitkwam. De bijeenvoeging is opzettelijk, en duidt aan, dat de „vergeving der zonden” niet anders dan in de gemeenschap der kerk gesmaakt wordt. Wie buiten de kerk van Christus staat, is afgescheurd van het Lichaam Christi, en derft het heilgoed, dat |109| alleen krachtens de inlijving in dit Lichaam genoten wordt. Iets wat natuurlijk niet doelt op de toevallige gemeenschap met eenig kerkgenootschap. Dát heeft voor het geestelijk heilgoed niet de minste beteekenis. Maar op de aanhoorigheid tot die echte, waarachtige kerke Christi, die Hij als Middelaar verwierf ten prijs van zijn bloed. Een zondaar wordt niet als een eenling, die op zich zelf staat, afzonderlijk gerechtvaardigd. Zijn eenlingschap, zijn op zich zelf staan en zijne afzondering waren juist gevolgen van zijne zonde. De zonde scheidt, splitst en doet uiteenspatten. Komt er dus genade, dan moet deze genade van meet af dit eenlingschap opheffen, aan deze afzondering een einde maken, en dit op zich zelf staan doen ophouden. Genade kan u alleen toekomen, door u te gelijker tijd uit uw zelfzucht los te rukken, en weer in organisch verband, thans met uw medebegenadigden, te plaatsen. Dit is eenerzijds het mysterie van het Lichaam Christi, en anderzijds het hoog gebod der wondere Christelijke Liefde. Genieting van het heilgoed, hier saamgevat in de „vergeving der zonden”, is dan alleen voor u denkbaar, als ge eerst uit uw eenlingschap in het Lichaam Christi zijt overgetreden en uit uw zelfzucht in de „gemeenschap der heiligen”. Wie zich daarvan weer losscheurt (stel het kon), houdt dan ook op te smaken wat hij in die gemeenschap genoot, en derft het zoet der verzoening. Zijns is geen vrede meer met zijn God.

Dit over het noodzakelijk verband, waarin deze drie artikelen van het Lichaam Christi of „de Kerk” van de „Gemeenschap der heiligen” en de „Vergeving der zonden” met elkander staan. Komen we thans tot het eerste der drie: ons geloof dat er is een heilige, algemeene, Christelijke kerk.

Bij de weeropwaking van het Christelijk leven in den aanvang dezer eeuw was men tamelijk algemeen over dit artikel heengegleden. De dusgenaamde Reveil ging er op uit, om zielen te redden; was dus methodistisch in uitgangspunt; en moest door de voleinding van zijn fout wel uitloopen in het Darbisme. Hoofdkaraktertrek toch van het Darbisme is de principieele loochening van het bestaan van zulk een kerk. Darby, overigens een vroom en teeder man, loochende haar bestaan op grond van Rom. XI : 22. Daar, zoo zegt hij, verklaart de heilige apostel aan de kerk des Nieuwen Verbonds: „Zie dan de goedertierenheid en de gestrengheid Gods: de gestrengheid wel over degenen, die gevallen zijn: maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij afgehouwen worden.” En nu redeneert Darby op grond van deze apostolische uitspraak aldus. Eerst bestond de kerk des Ouden Verbonds, en deze kerk van Israël is ten slotte verworpen en afgehouwen, omdat ze haar Heiland verwierp. Daarna kwam de kerk des Nieuwen Verbonds, die nog rijker heilgoed ontving. Maar ook aan deze kerk is |110| gezegd, dat ze afgehouwen en verworpen zou worden, bijaldien ze Israël volgde in zijn ongeloof en afval. Welnu, ook die kerk des Nieuwen Verbonds is tot afval gekomen. Krachtens deze apostolische verklaring moet dus aangenomen, dat ook zij thans afgehouwen en verworpen is; en dat God de Heere, naar zijnen Raad, thans nog wel eenlingen redt en afzonderlijke zielen zaligt, maar dat er van een organische kerk geen sprake meer kan zijn.

Ongetwijfeld komt aan Darby de eere toe, dat hij te dezen opzichte dieper dacht en verder zag dan de coryphaeën van den Reveil. Feitelijk toch rekenden deze mannen even weinig met de kerk als Darby, maar ze gaven zich geen rekenschap van hun doen; ze waren geen denkers en zagen niet tot op den grond door. Maar dat deed Darby wel. Hem was het behoefte, om als kind van den Reveil, er tot klaarheid over te komen, hoe het kon saamgaan, dat er zoo stellig en omstandig in de Heilige Schrift van een kerk gehandeld wierd, en dat hij en zijn mede-Christenen zich toch over geen kerk bekreunden, ja, er eer vijandig tegenover stonden. En deze noodzakelijke drang der gedachten dreef hem toen naar de overtuiging, dat er wel een kerk des Nieuwen Verbonds geweest was, maar sinds wegzonk en afviel, en dat hetgeen zich nu nog kerk noemde, niets van de eens echte kerk was dan een zondige caricatuur.

In de dagen der Hervorming had zich hetzelfde verschijnsel voorgedaan. Ook toen stond de kerk aanvankelijk vijandig tegen de weeropwaking van het geestelijke over en poogde dit te onderdrukken, en ook toen traden in de Wederdoopers mannen op, die feitelijk de kerk loochenden; gelijk zelfs nu nog de Mennonieten of Doopsgezinden in beginsel eigenlijk van geen kerk weten willen. Maar naast en tegenover hen stonden toen de Hervormers, die evengoed als de Wederdoopers de diepe gezonkenheid der kerk inzagen, en zelfs toegaven dat hetgeen zich als kerk nog aandiende „valsche kerk” was geworden; maar niettemin, in plaats van de kerk op te geven, zich opmaakten om haar te reformeeren. Maar dien drang juist kende de Reveil niet. De Reveil gaf de kerk op, zonder principieel tegenover haar positie te nemen, en plaatste naast en buiten de kerk zijn veelbezige werkzaamheid, om zondaren tot Jezus te roepen en in zijn naam werken van barmhartigheid te doen. Het waren het eerst de mannen van 1834, die ten onzent de onhoudbaarheid van dit standpunt inzagen, en half tastend half zoekend den strijd weer op kerkelijk terrein overbrachten, zonder nog aanstonds met bewustheid het beginsel van Reformatie uit de 16de eeuw op te nemen. Dank zij hun veerkracht is toen ook in kringen, die hen bestreden, het kerkelijk leven weer opgewaakt. Zoo is tweeërlei beweging, die van den Reveil en die van de Reformatie, tegenover elkaar komen te staan, en wierd onder ’s Heeren wonderbare leiding de eens zoo |111| verachte kerk, waar Gods vroomste kinderen in hun overgeestelijkheid zich nauwlijks meer om bekreunden, weer voorwerp van allerlei belangstelling.

Door den loop van zaken kon het intusschen kwalijk anders, of de belijdenis moest op het stuk der kerk wel allengs vervalscht zijn. Gods volk voelt zich dan ook zelfs nu nog in het stuk der kerk niet recht thuis. Het begint pas er weer in te leven. Zoo staat de ééne broeder tegen den anderen over. En er zal nog heel wat gebeds gebeden, en heel wat strijds gestreden moeten worden, eer ’s Heeren volk in deze landen ook op het stuk der kerk weer rechte paden gebaand ziet en er als een eenparig volk op gaat.


Juist met het oog daarop is het dan ook van belang, aan de hand van den Catechismus, dit stuk der kerk eenigszins nauwkeuriger te onderzoeken, en dan zult ge wel doen met er in de eerste plaats op te letten, hoe de Catechismus de kerk niet laat oprichten door menschen, maar allereerst uitspreekt en op den voorgrond stelt, dat die dit doet de Christus zelf is.

Zoo immers begint de verklaring: „Dat de Zone Gods . . . . een gemeente of kerk . . . . vergadert, beschermt en onderhoudt.”

Reeds deze ééne gedachte verheft dus de kerk, die voorwerp van ons geloof zal zijn, boven al het aardsche, en dus ook in haar wezen boven den aardschen vorm, waarin dit haar wezen tot openbaring komt.

Machtige rijken zijn op aarde gesticht: Alexander de Groote gold voor vorst van heel het Oosten met een deel van Griekenland er bij. Keizer Augustus zwaaide zijn scepter over heel de toenmaals bekende wereld. Ook Napoleons kroon blonk eens met ongekenden luister. Maar toch, al deze rijken waren door menschen gesticht. Hun oorsprong was uit de wereld. Ze vormden een deel van het leven der wereld. Dies deelden ze ook het lot van de dingen dezer wereld. En zoo zijn al deze rijken weer ondergegaan.

Maar zoo is het met dat rijk, dat we Kerk noemen, niet. Die dit rijk stichtte was geen mensch, maar de Zone Gods. Het had dus zijn oorsprong niet uit de aarde, maar uit den hemel. Niet van beneden, maar van boven. Het was gesticht niet met medewerking der wereld, maar na breking van haar fellen en principieelen tegenstand. Deze kerk daalde alzoo als een hemelsche macht in dit leven der wereld in. Van anderen oorsprong dan die wereld zelve, handhaafde die kerk zich in haar midden als een vreemde macht, die telkens met haar in botsing moest komen. En als eens die wereld niet meer zijn zou en alle heerlijkheid die uit haar was voortgekomen, zou zijn ondergegaan, zou die kerk eeuwig blijven en klimmen in glorie, eenvoudig omdat ze uit de wereld niet was.

Wie dit niet klaar en helder inziet vat de heerlijkheid der kerk niet en kan nooit in verrukking komen voor haar glorie. |112|

Meet ge toch de verschijning der kerk in dit aardsche leven naar aardschen maatstaf, dan moet ge òf Roomsch worden en uw lust hebben aan de uitwendige schittering, waarmee de pauselijke kerk op het Vaticaan, in haar diocesen en kathedralen optreedt, òf ge moet wel toestemmen, dat het optreden der kerk erbarmelijk klein en onooglijk is en zeer verre bij den glans van de wereldsche rijken achterstaat. En ziet ge dan niet dieper, gluurt uw oog niet achter het gordijn, en mist ge den zin, om de kerke Christi in haar geestelijke verborgenheid aan te zien, dan kan het niet uitblijven, of ge moet haar ten laatste wel minachtend aanzien, u van haar afwenden, en u terugtrekken in de geestelijke bevinding van uw eigen ziel of kring.

Verstaat ge daarentegen eens voor altoos die majesteit der belijdenis op het stuk der kerk, die uitgesproken ligt in het feit, dat de Zone Gods en niet een mensch haar sticht, opricht of vergadert, en dat het die Zone Gods en Hij alleen is, die haar nog voortdurend beschermt en onderhoudt; — o, dan keeren zich opeens alle verhoudingen voor u om. Dan kunt en zult ge niets meer kunnen hechten aan eenig Genootschap, d.w.z. aan den steiger die eenige kerkelijke mannen met behulp van de wereldsche Overheid, voor die kerke Christi hebben opgetrokken, maar, door die steigers heen, het geestelijk gebouw zelf aanzien, dat met veel hooger schoonheid dan de wereld ooit geven kan, voor ’s werelds oog verborgen, alle eeuwen door steeds hooger rijst en zijn spitse verheft in de hemelen.

Uw kerk is dan een kolonie die uit den hemel in deze aarde inleeft. Ze heeft dan een eigen, zelfstandig bestaan, rustend op een eigen fondament; is opgetrokken in eigen stijl; gebouwd uit heel andere steen, dan de mijnen der wereld aanbieden; en in haar toestand en inrichting afhankelijk niet van de wetten der natuur, noch van de wetgeving van aardsche wetgevers, maar eeniglijk van de levenswet van haar goddelijken Stichter.

Haar strijd met die wereld bevreemdt u dan niet meer, want ge weet dan dat zij in beginsel tegen het beginsel dier wereld overstaat. Ge verwondert u, niet daarover dat de strijd soms zoo scherp is, maar eer hierover, dat die strijd vaak zoo lang rust. En, met het historieblad en de les van het heden voor u, verstaat ge het opeens, hoe het komt, dat zoodra de kerk geestelijk opwaakt, die strijd weer zoo fel losbrandt, maar ook, dat, als die kerk geestelijk inzonk, de vrede haar door die wereld gegund wierd.

Meer nog, als ge dan van dien strijd en de moeite en de bangheden van Jezus’ kerk hoort, dan denkt ge niet meer: „Daar houd ik mij buiten, ik trek mij in geestelijke zielsgenieting terug”; maar dan drijft en prikkelt u de hooge en heilige eere, om in die nimmer eindigende worsteling, waarin de Zone Gods al doorgaat zijn kerk te vergaderen, mee het zwaard |113| des Geestes te mogen trekken, en mee uw offer te mogen brengen voor wat u dan geworden is „de zake van den Zone Gods”, voortzetting van den triomf, dien Hij eens op Golgotha tegenover en op die wereld behaald heeft.


Om deze nauwe verwantschap vallen echter Kerk en Rijk Gods niet saam. Van beide wordt in de Heilige Schrift afzonderlijk gesproken, en ge stelt u zelven aan allerlei misvatting bloot, zoolang ge deze beide verwart.

Een rijk wordt gesticht, de kerk wordt vergaderd.

Toen Alexander de Groote zijn rijk stichten ging, vergaderde hij eerst een leger, en met dat leger heeft hij toen zijn rijk gesticht. En gelijk nu bij Alexander den Groote de onderscheiding tusschen zijn leger en zijn rijk niet moeilijk valt, evenmin kan het u moeite baren om duidelijk te onderscheiden tusschen het Koninkrijk der hemelen en de kerke Christi.

De kerke Christi toch bestaat uit personen. Dit ligt in de uitdrukking dat ze vergaderd wordt. Deze personen worden in deze kerk saamgevoegd tot een vast kader, tot een onverbrekelijk korps of lichaam. Aan het hoofd van dit korps of lichaam staat de Christus als Veldheer. En onder dien Veldheer heeft nu dit leger, hetwelk de kerk is, den strijd des Heeren te strijden, om als vrucht van dien strijd het Godsrijk te doen geboren worden.

Wel verre van saam te vallen staan Kerk en Godsrijk dus tot op zekere hoogte zelfs tegen elkander over.

Een rijk onderstelt heerschappij. Het Godsrijk zal dus dan eerst ten volle gekomen zijn, als al wat in hemel en op aarde zich aan God als Koning der koningen onderwerpt. Een rijk onderstelt organischen samenhang en saamwerking van alle krachten en machten die ter beschikking zijn. Het Godsrijk zal dus dan eerst in glorie schitteren, als alle kracht en macht, die de Schepper in zijn creatuur heeft gelegd, in onderlinge harmonie en juiste evenredigheid, naar zijn bestel en bestek, op elkaar zullen werken. En eindelijk, een rijk onderstelt een rijkswet, die gehoorzaamd en waarvan de overtreder gestraft en gevonnist wordt. En ook het Godsrijk zal dus dan eerst in zijn majesteit blinken kunnen, als de wet onzes Gods in heel zijn schepping zal gehoorzaamd worden, en de overtreder van zijn heilige wet in Zijn oordeel zal zijn ondergegaan.

Uitbreken kan dat Godsrijk dus dan eerst in volle heerlijkheid, als het einde der dagen gekomen, het laatste oordeel geveld, alle tegenstand gebroken is, en God alles in allen zal zijn.

Wat dan schitteren zal — en dat alleen — is het Godsrijk; het Koninkrijk der hemelen.

Nu is er intusschen ook voor dat Godsrijk een uitgangspunt. Eerst na den dag des oordeels wordt het voleind, maar reeds veel vroeger begon |114| het gesticht te worden. En de Heilige Schrift laat ons volstrekt niet in het onzekere over het tijdstip, waarin deze aanvang te stellen zij, maar zegt ons zeer duidelijk, dat het begon te komen met de komst van Christus. Toen was het, dat Johannes de Dooper riep: „Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.” Toen was het, dat Immanuël zelf met gelijke aankondiging optrad; zijn discipelen met geheel dezelfde aankondiging onder Israël uitzond, en aan Pilatus betuigde, dat hij om dat rijk te stichten in de wereld was gekomen.

In het Paradijs had dat Godsrijk potentieel bestaan. Door den opstand van Satan en van den mensch wierd het geschonken en verbroken. Onder Israël is er een aanschouwelijk beeld van vertoond in het prachtig rijk van Salomo en in heel Israëls nationaal bestaan. Maar in werkelijkheid kwam het eerst met de kribbe en het kruis.


Wel was er van het paradijs af, na den val, een Kerke Christi, maar het Godsrijk kwam eerst veertig eeuwen later. Iets wat anders altoos verward, terstond klaar en duidelijk wordt, zoo men maar let op, de onderscheiding, die we straks aangaven tusschen de kerk als de heilige slagorde van den Veldheer, waarmee het rijk gesticht moet worden en de stichting van dat rijk door dit leger.

Zijn heirscharen is de Zone Gods begonnen te vormen in het paradijs, in de arke, in Ur der Chaldeën, in Egypte, onder Mozes, straks onder de Richteren, nog machtiger onder David en zijn koninklijk geslacht. Maar deze kerk des Ouden Verbonds was en bleef nog altoos opgesloten binnen enge grenzen, en de optreding van deze kerke Gods in de wereld, als macht om haar voor Christus te veroveren, toefde nog.

In Israël hebt ge dus de formatie van de heilige slagorde, de oefening van het leger, de in gereedheid brenging van deze heirschare voor het oogenblik waarop ze de wereld in zal moeten; maar tot den grooten strijd trekt het nog niet uit. Israël is apart gevormd, is door de wondere geboorte van Izaäk als een eigen schepping Gods, en blijft streng opgesloten binnen zijn nationale omtuining. Wel is het en vertoont het in dit nationale leven de afschaduwing en type van het Godsrijk, waarom de strijd eens gaan zal; maar wel verre vandaar, dat het reeds zelf het Godsrijk zou geweest zijn, mag het zelfs, eer Immanuël zich aan het hoofd zal gesteld hebben, den strijd om dit Godsrijk nog niet eens beginnen.

Dit duurt tot aan de Vleeschwording en de ontzettende tragedie van Golgotha. En nu is de Veldheer aan het hoofd der zijnen getreden; en nu wordt de nationale omtuining weggeworpen; de kerke Christi treedt de wereld in; en nu in die kerke als een heilig leger voor den Heere |115| optredende, aanvaarden zijn verkorenen en geroepenen de ontzaglijke worsteling, om onder Hem als hun Hoofd, den kamp voor de stichting van het Godsrijk te wagen.

Bij elke overwinning die deze kerke Christi behaalt, is er iets van dat Godsrijk te aanschouwen. Er is een begin van stichting. Die beginselen breiden zich uit. Steeds breeder strekt het terrein, waarop de banier des Heeren Heeren geplant zal worden. En zoo gaat, onder nederlaag en triomf, de strijd voort en verder, om eens te reiken tot aan het einde der wereld en tot aan den jongsten dag. Dan zal de laatste vijand vernietigd worden. De laatste tegenstander zal gebonden worden. En dán zal Christus als de Veldheer van het Godsrijk de banier van Jehova op den top der bergen planten, ten teeken dat nu het heelal weer aan God onderworpen is. En zoo zal God zijn alles en in allen.

Zoo ziet ge, hoe volkomen juist de uitdrukking van onzen Catechismus is, dat Christus zijn kerk, als een heilige slagorde des levenden Gods, vergadert. Hij vergadert zijn kerk, om door haar als zijn leger het Godsrijk te stichten. Daarom heet dat leger dan ook kerk, d.i. Ecclesia of uitgeroepen Keurbende. De kerke Christi is zijn heerlijke lijfwacht, het korps zijner lijftrawanten, onder Hem als aller Hoofd geïncorporeerd.

Iets waar, om onjuiste opvatting af te snijden, nog kortelijk dit aan toe zij gevoegd.

Christus strijdt niet enkel met en door zijn kerk. Hij heeft nog een ander korps lijftrawanten in zijn engelen. En het zijn deze beide heirscharen, die van de keurbende zijner uitverkorenen, en die van de heirschare der engelen, die onder Hem den strijd strijden, die eens op onderwerping van alle macht in hemel en op aarde aan de majesteit des Heeren Heeren uitloopt.