Vijfde hoofdstuk.

Onderzoekt u zelven, of gij in het geloof zijt, beproeft u zelven. Of kent gij u zelven niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij eenigszins verwerpelijk zijt ?

2 Cor. 13 : 5.


Aangaande de „verzekerdheid van onze personeele zaligheid” belijden de Gereformeerde kerken dezer landen dit: „Van hunne eeuwige en onveranderlijke verkiezing ter zaligheid worden de uitverkorenen te zijner tijd, hoewel bij onderscheidene trappen en met ongelijke mate verzekerd. En zulks niet, als zij de verborgenheden en diepten Gods curieuselijk doorzoeken, maar als zij de onfeilbare vruchten der verkiezing, in het Woord van God aangewezen (als daar zijn: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreeze Gods, droefheid die naar God is over de zonden, honger en dorst naar de gerechtigheid enz.) in zichzelven met een geestelijke blijdschap en heilige vermaking waarnemen. Uit welk gevoel en uit welke verzekerdheid van verkiezing de kinderen Gods dan dagelijks meer oorzaak nemen, om zich zelven voor God te verootmoedigen, de diepte van zijn barmhartigheden aan te bidden, zich zelven te reinigen, en Hem, die hen eerst zoo uitnemend heeft liefgehad, wederom vuriglijk te beminnen.” (Zie Dordtsche Leerregelen, Hoofdstuk 1, artikel 12 en 13).

Beslist en stellig wijzen onze kerken dus af elk pogen van den mensch, om buiten de Heilige Schrift en de ervaring des levens om, enkel afgaande op innerlijke gevoelens en aandoeningen, door te willen dringen in Gods raad, het zegel des Boeks te verbreken en op de bladen van dat Boek des levens te begluren, of ook zijn naam onder de namen der verkorenen staat. Niet alsof het Gode onmogelijk zou zijn, om langs dien rechtstreekschen, onmiddellijken weg aan zijn kind bekend te maken, wat Hij werkt. Of waarom zou Hij, die Mozes uit het braambosch en Jesaja van uit het midden der Serafijnen riep, niet thans nog evengoed als toen, zijn verkorenen met name noemen en roepen kunnen; dat de knaap op zijn leger roepen hoorde: Samuël, Samuël!, en dat Samuël van zijn leger opstond en eindelijk antwoordde: Zie, hier ben ik, Heere! Maar (en dit is al, wat onze kerken met deze belijdenis zeggen willen) dien weg koos de Heere wel bij enkele zijner profeten en apostelen, maar dien weg koos Hij voor zijn kerk niet.

Nu zijn er echter predikers, die onnadenkend de groote onvoorzichtigheid |102| begaan, om over de bekeering bij voorkeur naar aanleiding van een Schriftverhaal te prediken, waarin juist zulk een buitengewone wijze van roeping bericht is, b.v. naar aanleiding van het gebeurde op den weg naar Damascus. En of ze er dan al bijzeggen of niet bijzeggen dat dit buitengewoon was, dat baat niet. Op het gemoed en in de voorstelling van de saamvergaderden laat dit dan altoos onwillekeurig den indruk achter, dat het zoo ook bij hen toe zal gaan, en zoo blijven ze wachten op een stem uit den hemel. En overmits er in ’s menschen leven allerlei oogenblikken voorkomen, dat er redewisseling in zijn ziel plaats grijpt, en sommige woorden of gedachten met diepen indruk bij hem hangen blijven, en sommigen, die wat levendig van verbeelding zijn, vaak geluiden hooren, die subjectief uit de overspanning der zenuwen voortkomen, staan er dan in de gemeente op, die ook nu nog beweren metterdaad een soort roeping als op den weg naar Darnascus ontvangen te hebben. Ze stellen zich dan voor dat dit gebeurde in oogenblikken, dat ze alleen waren. Niemand kan het dus controleeren. Wat ze zeggen is niet gehuicheld, alsof ze er om liegen zouden. Eer mag aangenomen, dat ze in diepe ontroering der ziel metterdaad een indruk ontvingen, waarvan ze zich geen rekenschap kunnen geven, en die zich als een soort roeping aan hen voordeed. Vast hieraan geloovende ontleenen ze hieraan een innerlijke verzekerdheid. En nu gaan ze de gemeente in om deze groote gebeurtenis in hun leven ook aan anderen te vertellen, deze jaloersch te maken, en hun maar al te vaak, niet zonder geestelijke hoovaardij, den eisch op te leggen, dat het met hen eveneens moet toegaan, en dat anders de ware genade hun ontbreekt.

Dit kwaad was vóór de Hervorming zeer sterk in de mystieke kringen ingeslopen; was van daar in de Dooperij overgegleden; en uit de Dooperij is het overgekomen ook in de kerk van later dagen. En omdat de Synode van Dordrecht dit kwaad zag en er al het bedenkelijke van gevoelde, heeft zij toen zoo kras en duidelijk uitgesproken, dat de verzekerdheid voor Gods kind geen vrucht is van „een curieuselijk onderzoeken van de verborgenheden Gods”, maar van een merken op de vruchten, die uit den wortel der verkiezing voortvloeien, te keuren naar de merkteekenen ons aangegeven in de Heilige Schrift.


Dat hiermee op zichzelf de innerlijke bevindingen niet worden afgesneden zal straks duidelijk genoeg uitkomen. Eerst echter dient onverdeeld de aandacht op het uitgangspunt gevestigd, en dan staat het vast, dat de roeping van Mozes in het braambosch, en, van Samuël in de hut te Silo, van Jesaja uit de Serafijnen of van Paulus op den weg naar Damascus |103| gansch buitengewone roepingen, in de bijzondere bedeeling Gods voor heel zijn kerk, waren, maar geen voorbeelden zijn van de wijze, waarop God de Heere thans nog zijn kinderen van hun eeuwige zaligheid verzekert.

Steeds moet ge dus een iegelijk, die over zijn eeuwige zaligheid bekommerd is, van zich zelven af allereerst naar de Heilige Schrift wijzen. Niet gelijk gemeenlijk geschiedt, om hem met beroep op deze rijke en heerlijke beloften Gods zeker gevoel van zekerheid op te dringen. Denk aan den „Toetssteen der ware en valsche genade”. Men mag over de vraag of men wel waarlijk een kind van God is, niet maar zoo heenloopen. Immers deze vraag is de ernstigste vraag die zich denken laat; de vraag die ook over uw lot voor eeuwig beslist; en Hebreën VI toont maar al te ontzettend, hoe rijk de geestelijke bevinding kan zijn en hoeverre de genieting van het heil kan gaan, en dat toch de trossen, die ge in uw beker uitdrukt, niet geplukt waren van den waren Wijnstok. Wie over deze ontzettende vraag heenloopt, heeft wél te overwegen of hij in deze slordigheid niet eer een merkteeken van zijn onbekeerlijkheid heeft te zien. Bedenk wel, ook een Judas heeft jarenlang als Jezus’ discipel te boek gestaan, zonder dat een der andere discipelen kwaad vermoeden hadden. Judas heeft gepredikt in den naam van Jezus. Is door Hem uitgezonden. Heeft teekenen en krachten in Jezus’ naam gedaan. En ook Judas was bij de gelukkige discipelen, toen ze juichend en jubelend van hun missie terugkeerden, en riepen: „Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen geweest”. Vooral bedienaren des Woords en met hen ouderlingen en diakenen, en hoofden van scholen en gestichten en zendingsvereenigingen en vereenigingen van barmhartigheid mogen hier wel scherp op letten. Al zulk ambt en al zulke eerepost verleidt er zoo licht toe, om te wanen, dat er bij ons van geen valsche genade sprake kan zijn. De schare ziet tot u op. Ge verkeert dag aan dag in het heilige. Zoo schijnt het immers vanzelf te spreken, dat ook gij des Heeren zijt, geschreven op het boek van Sion. En daarom kan er nooit genoeg op Judas gewezen. Ook bij was bedienaar des Woords. Ook hij was thesaurier van een heilig gezelschap. Ook hij streed voor den Heere en heeft wondere krachten der genezing gedaan. En toch . . . . hoe vreeslijk was zijn einde. Wat meer worsteling om zekerheid en verzegeling bij al wie in de gemeente voorgaat, kan dan ook niet genoeg aanbevolen. Chrysostomus zei eens, dat hij vreesde dat het groote deel der priesters in zijn dagen, als hun kudde inging, gevaar liep van zelf teruggezonden te worden. Wat dunkt u, ligt hier geen deel van waarheid in voor elke eeuw?

Zoo merkt ge wel, hoe verre wij er van af zijn, onderzoek naar iemands eeuwig heil, of toetsing van zijn genadestaat te willen afsnijden. Integendeel, |104| we wenschten dat zulk onderzoek en zulke toetsing minder verwaarloosd wierd. Slechts hierop dringen we met de Synode van Dordt aan, dat men dit onderzoek en deze toetsing op de rechte wijze instelle, en geen wegen insla, die uitloopen op misleiding van zich zelven en op wreedheid jegens den naaste.


Het rechte pad loopt hier door de Heilige Schrift.

Immers verzekerdheid voor God gaat niet buiten het geloof om, maar is in al zijn deelen een werking en vrucht van het geloof. Nu keert God de Heere alle geloof altoos op zijn Woord. Zelfs moogt ge niet zeggen dat het geloof rechtstreeks op Christus gaat. Het komt bij Christus uit, maar door het Woord; een door het geloof in u opgenomen Christus dus, maar die u in het Woord geopenbaard, voorgeteekend en toegebracht is. Met een Christus van uw phantasie hebt ge niets te maken. Dat loopt onveranderlijk op dweperij, phantastisch fanatisme en ongeestelijke overgeestelijkheid uit. Uw weg is eerst naar den Christus en door den Christus naar de gemeenschap met het eeuwig en volzalig Wezen, den Drieëenigen God.

Welke is nu die weg door de Schrift?

Ge vindt in de Heilige Schrift toespraken en beloften van uw God gegeven aan zijn volk, en in dat volk aan zijn kinderen. Ge vindt die beloften des Heeren met eedzweringen bevestigd. En ge leest in die Heilige Schrift hoe de Heere ook voor zijn volk sacramenteele teekenen heeft ingesteld als waarteekenen van het woord zijner belofte.

Maar tegenover die beloften, eedzweringen en zegelen vindt ge in diezelfde Schrift een teekerling van den mensch, gelijk hij eenerzijds in zijn zonden voor God staat, en anderzijds voor God staan moet. Ge vindt er hem staan in zijn hoogheid, met zijn vijgeblad, met zijn eigengerechtigheid, met zijn eigendunkelijke vroomheid; en ge hoort hoe hij er staan moet als dood in misdaden en ongerechtigheid, God en zijn naaste hatende, niets geheels aan zichzelven hebbende, van den hoofdschedel tot de voetzool gansch melaatsch.

En eindelijk vindt ge tusschen dien rijken God met zijn overvloeiende beloften van heil, en tusschen dien zondaar die dood in misdaden en zonden ligt, Christus instaan als Middelaar, en ziet er een iegelijk, die zelf dood is en het bekend te zijn, in dien Middelaar het leven vinden. Hij zelf dwaas, ongerechtig, onheilig en ellendig; maar Christus hem gegeven tot wijsheid, gerechtigheid, heiligmaking en volkomen verlossing.

En nu is het voor u de vraag, of ge die Schrift lezende en in die Schrift u verdiepend, merkt dat ge eerst behagen hadt in dien mensch |105| gelijk hij er stond, die zich ophield, die het vijgeblad in de hand nam, die zijn eigen gerechtigheden had en die vroom scheen; en of ge daarna almeer lust gaat hebben, om u zelven terug te vinden in den zondaar gelijk hij staan moet voor God als zich bekennende dood en doemschuldig, een vijand Gods en der menschen, en eigenlijk een vriend alleen van zijn eigen ik, een handlanger en instrument van Satan; en of ge, na zoo u zelven bekend te hebben, alsnu u zelven in u zelven geheel verliezende een ander ik terugvindt in dien heerlijken Christus.

Edoch daar blijft het niet bij. De Schrift toont u dat kind van God als een levend plantje dat opschiet en vrucht draagt. Heel andere vrucht dan de wilde wingerd. Niet alsof dat vrucht dragen ongestoord doorging. o, Neen, de Schrift toont u dat plantje van Gods kind, als gedurig door wind en storm geschud, door booze vijanden leeg geplukt, soms door giftige wormen gestoken. Maar als het plantje echt is, toont de Schrift u hoe de Landman dan altoos komt, om dat plantje weer op te binden, te zuiveren, er een steunsel bij te zetten, mest aan den wortel te leggen en het te besproeien, zoodat aan het eind toch altoos de vrucht weer uitbot. De Schrift toont u dat plantje in zijn winter- en zomerstaat; nu eens in de lente als de vrucht pas uitbot, en dan weer in den herfst als de bladeren gelen en de vrucht u tegenblonk, maar zóó dat in het eind de plant toch altoos aan de vrucht herkenbaar blijft.

Van die vrucht geeft ze u de afbeelding, de teekening, de omschrijving. Vruchten zoo heel anders dan van een bloot burgerlijke gerechtigheid, bestaande in nederigheid voor God, in ootmoed en deemoed, in zelfwegwerping gepaard aan een zoeken van de eere Gods, in teederheid van liefde, in bereidwilligheid om te vergeven, in verlangen naar de heerlijkheid die komt, in een zachten gloed van stille liefde voor den eenig Dierbare.

En nu zegt de belijdenis onzer kerken, dat het God den Heere belieft, om met toeneming en op onderscheidene wijze, langs dien weg der Heilige Schrift, zijn geroepenen van hun staat te verzekeren. Niet dus opeens, maar gaandeweg en bij trappen. Naar gelang ge inniger in de Schrift wierd ingeleid, te sterker; en naar gelang ge verder op den weg zijt, te machtiger; ja naar gelang uw strijd voor Christus sterker wordt, te overvloediger. En zulks bij den één meer, door hem op den wortel van dat plantje meer te doen merken, en bij den ander door hem meer bij de vrucht te bepalen. Zoo het veel zomert in uw leven door u de vrucht te doen tegenglanzen. Zoo het veel winter bij u is, door u op den duur van kiem en wortel te doen merken. Maar toch altoos bij beiden zóó dat wortel en vrucht saam deze zekerheid in u sterken. |106|

Toch is dit niet al, en hiermede komen we op verzegeling in engeren zin terug. Als ik een brief keuren zal of hij echt is, kan ik letten op het handschrift, op den inhoud en op het zegel. Let nu een kind van God meer op het handschrift, dan onderzoekt hij de Schrift; merkt hij op den inhoud, dan ziet hij de vrucht der bekeering aan; maar ook na op deze beide gelet te hebben, onderzoekt hij dan nog het zegel.

De barmhartigheden des Heeren zijn zoo rijk en overvloedig. Hij weet wat worsteling het voor een zondaar, dien Hij roept, is, om, tegen de aanklacht van Satan en zijn eigen boos hart in, toch aan genade te gelooven. En daarom laat Hij het niet bij het echte handschrift, en bij den zuiveren inhoud, maar drukt er ook een zegel op. En dit zegel nu werkt door de inwendige indrukking en stempeling van den Heiligen Geest in verband met de heilige Sacramenten.

Er is een Geest die niet onzen geest getuigt, dat we kinderen Gods zijn; door wien we roepen Abba Vader; die ons eerstelingen van den oogst der zaligheid toebedeelt, en in ons bidt met onuitsprekelijke verzuchtingen. En wee den bloot voorwerpelijken prediker, die voor dit bevindelijk werk van den Heiligen Geest geen oog noch oor heeft.

Orthodoxie is nooit dood. In orthodoxie is altoos leven en heerlijkheid en tinteling der liefde. En een orthodoxie, waarin dit niet gekend wordt, is heterodoxie, geen rechtzinnigheid, maar afval van het Woord.

En er is wel terdege geestelijke bevinding en die moet er zijn. Niet een bevinding die in allerlei phantasie speelt en heele verhalen weet op te disschen; maar een heilige bevinding van de werkingen der vertroostingen van den Heiligen Geest in het diepste des gemoeds, werkende in ervaringen en genietingen van zalige liefde; onze ziel opheffende tot in de sferen der majesteit; en ons doortintelende met een heilig Pinkstervuur.

Wel zijn ook deze innerlijke werkingen des Heiligen Geestes niet bij een ieder gelijk in maat en wijze. Hoe dor en schraal komt een Jacobus niet uit, zoo ge hem vergelijkt bij een Johannes, een Petrus, een Paulus. Wat zijn Salomo’s spreuken, zoo ge er den kostelijken psalmbundel naast legt. Niemand mag dus de maat en de wijze van zijn eigen bevindingen aan anderen opleggen. Ook zal hij er niet mee pralen tot eigen verheerlijking alsof hij zeggen wilde: „Zoo rijk ben ik, en dus wel een bijzonder geliefd kind van mijn God.” Dat zou even onbarmhartig zijn, als dat de rijke man al zijn schat voor het oog van den armen Lazarus uitstalde, als om hem te doen gevoelen, hoeveel hooger hij dan die arme Lazarus in de gunste van zijn God stond. Maar ook ontving hij ze niet om ze voor zich te houden. Schuchterheid blijft hier eisch, maar toch is alle gave aan een kind van God geschonken, hem geschonken voor heel de |107| kerk. En de bevindingen der heiligen strekken wel terdege, om ook anderen te troosten, rijker te maken en tot helderder inzicht te brengen. En dit effect bereiken ze ook, mits de begenadigde maar uit liefde spreke, in liefde op een ander nederzie, en zich wil spenen aan alle betweterij, zelfverheffing en zucht tot geestelijke pralerij.

Daarom is het heilig Sacrament bij de eerstelingen des Geestes gevoegd, om eerst door zijn kracht het zegel des Geestes waarlijk tot een zegel te maken.

Bij het Sacrament toch komen allen saam, gaan allen onder één wolke door, en valt het sterke onderscheid tusschen Gods kinderen weer weg. Het is één Doop waarmee we gedoopt zijn, het is één Brood dat we breken, en één Beker die onder allen rondgaat. En nu is dit de wonderlijke ordonnantie Gods, dat het Hem belieft, die sacramenteele teekenen te gebruiken als een instrument des Heiligen Geestes, waardoor Hij de zekerheid der zaligheid in zijn Sionieten versterkt.

Geestelijke bevinding die los van het Sacrament is, blijft halverwege staan, en is blootgesteld aan onheilige werking. Maar voegt geestelijke bevinding zich saam met het sacramenteele teeken, dan belieft het den Heere soms in wondersterke mate het zegel op de zielen te drukken, en het einde is één zielverrukkend jubelen in de liefde onzes Gods.

Want, en dit is het kostelijke, het zegel des Geestes geeft niet maar verzekering van een werk Gods dat achter ons ligt, en voor een zalige bevinding in het oogenblik van het heden, maar heeft ook een onderpand voor de bange toekomst die ons wacht.

Het zegel des Geestes is profetisch.

Wie verzegeld is kan niet uitvallen.

God houdt hem, en niemand, zelfs geen Satan, kan hem uit de hand des Vaders rukken. 1)




1. Slechts volledigheidshalve wordt hier herinnerd, dat de verzegeling, waarvan in Openbaring XXI sprake is, een geheel ander karakter draagt. Deze doelt op een bevrijd blijven van de weeën der laatste dagen.