Vierde hoofdstuk.

In welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in welken gij ook, nadat ge geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte; die het onderpand is van onze erfenis tot de verkregene verlossing, tot prijs zijner heerlijkheid.

Efeze 1 : 13, 14.


Het andere stuk van het werk des Heiligen Geestes, waarover ten slotte nog afzonderlijk dient gehandeld, is de verzegeling.

Volgens den Heidelberger belijdt een Christenmensch, die zegt: „Ik geloof in den Heiligen Geest”, niet enkel dat die Heilige Geest samen met den Vader en den Zoon eeuwig en waarachtig God is; noch ook alleen, dat Hij ons „Christus en al zijner weldaden deelachtig maakt”; maar ook en eer zelfs nog, dat die Heilige Geest ook hem is gegeven.

Dit geldt alzoo het gewichtig vraagstuk, of een zondaar reeds op aarde van zijn eeuwige zaligheid zeker en gewis kan zijn. Kind van God te wezen, is heerlijk, maar nog heerlijker is het, te weten, dat ik het ben. Onzekerheid werkt hier zoo doodelijk, angst en bange vrees klemmen het hart toe. En eerst als de ziel in dankbre, heilige verrukking juichen kan: |94| „Wij weten dat we overgezet zijn, uit den dood in het leven”, wordt er hemelsche zaligheid reeds op aarde gesmaakt.

Bekommerd zijn vanwege zijn zonde is beter dan dat ge zorgeloos in uw zonde voortleeft; maar bekommerd over uw eeuwige zaligheid te blijven, is geen verkwikking noch teeken van vroomheid, maar òf een voorgewende en huichelachtige overteederheid, die geen wortel heeft, òf zoo gij het met uw bekommering waarlijk meent en er oprecht voor God in staat, een band der helle in stee van een liefdekoorde des hemels die uwe ziel omstrengelt.

Er is ongetwijfeld in sommiger leven een periode, dat ze met de wereld geen vrede meer hebben, dat hun oog zich eenigszins begint te ontsluiten voor de heerlijkheden van het Godsrijk, en dat ze wel een zin, een zwakke neiging voelen, om naar dat Godsrijk zich te keeren; dat het hen ook wel aantrekt en onder beslag legt; maar dat ze nog van verre niet denken durven aan de vrijmoedigheid, om zich het „heil des Heeren en den schat van zijn vreêverbond” toe te eigenen. „Gestolen goed gedijt niet” fluistert dan een stem in de ziel. En dan eerst zullen ze, maar dan ook op den hoogsten toon, roemen en jubelen in grondelooze barmhartigheid, als ze de armen dier eeuwige Ontferminge met hun volle zielsbesef onder zich hebben gevoeld.

Deze soort van bekommering mag nooit bestreden. Wet mag ze niet als eisch aan een iegelijk gesteld worden, want ook door dezen oceaan van liefde heeft God de Heere paden, die alleen Hem bekend zijn en dengenen die Hij er op leidt. Maar toch deze soort bekommering is een geestelijk stadium, waar zeer velen door heengaan; en met name diegenen, die òf in hun jeugd in ongeloof, atheïsme en Godslastering vervielen, òf ook bij een orthodoxe mondbelijdenis toch vervielen in diepe ongerechtigheid.

Maar tusschen deze soort van waarachtige, veelszins noodzakelijke en van God gewerkte bekommering, en die andere soort bekommering, die meer op een geestelijk dobbelen en dobberen met de ziel, dan op een van God gewerkt werk lijkt, bestaat dan ook een machtig en sterk sprekend verschil.

Echte bekommering is acuut, maar ziekelijke bekommering chronisch. Hier bedoelen we dit mee. Echte bekommering is gelijk aan de barensweeën van een zwangere vrouw. Angst overvalt. Er is een zich krommen in de smarte. Maar het loopt af, hetzij dat na de moedersmart moedervreugd mag gesmaakt worden, hetzij dat het kraambed in een sterfbed eindigt. En zoo nu loopt ook de echte bekommering af. Wel duurt ze bij den een langer, bij den ander korter, gelijk ook de eene kraamvrouw in nauwlijks een uur doorworstelt wat een andere tot soms drie dagen lang benauwt. |95| Maar ook zelfs tot dien uitersten termijn gerekt, loopt het toch ten einde. De weeën komen, omdat er een vrucht is die werkt. En zoo ook, hoe lang de echte bekommering ook slepende blijve, toch zet ook zij door, eenvoudig omdat het ook bij haar is een vrucht, die kwam, en die de bekommering veroorzaakt. Dit toch staat vast: echte bekommering gaat wél aan het uitkomen, maar niet aan het ontvangen van de vrucht vooraf. Zelfs kan er geen echte bekommering spreken, of de vrucht moet ontvangen en reeds tot aan de geboorte gekomen zijn.

Heel anders daarentegen is het bij de ziekelijke namaak van de echte bekommering. Een valsch bekommerde is een ingebeelde zieke. Bij hem Is gevoelswerk, maar geen Geesteswerk. Het kruipt en sleept eindeloos. Er is geen lust, geen drang, geen hartstocht, om uit de bekommering in de zekerheid te komen, maar men is met zijn bekommering ingenomen en eert ze als een bijzondere trap van heiligheid. Ze wordt een kwaal der ziele, waarmee men ingenomen is, waarover men gaarne spreekt, waar men den mond van vol heeft. En als er gebaard zal worden, is er niets dan wind.


Er is, dit geven we toe, ook nog een derde soort bekommering, die vooral in onze dagen veel voorkomt en niet teeder genoeg kan besproken worden. Ten gevolge namelijk van het verval in menige kerk, de zwakheid van de bediening des Woords en de vele ontstentenis van geestelijke tucht, ontbreken aan heel wat zielen de van God verordende middelen, om haar te verzegelen. Zielen in wie wel terdege ontvangen is; die ook metterdaad vrucht der bekommering voortbrengen, maar die door de ontstentenis van den goeden verloskundige, om nogmaals in het beeld der barende vrouw te spreken, ook nadat het kindeke geboren werd, in lijdenden toestand blijven, en daardoor de moedervreugde derven. En zij, die over de kerkelijke quaestie altoos spreken alsof ze slechts uitwendige regelingen betrof, gissen en vermoeden in hun uitwendigheid en oppervlakkigheid van verre niet, wat geestelijke schade en wat verlies van geestelijke vreugde door dit plichtsverzuim der kerk veroorzaakt wordt.

Dat zijn bekommerden, die uit den dood in het leven overgezet zijn; zielen die ontvangen en gebaard hebben, maar door het ontzettend bloedverlies in machteloosheid verzonken, kunnen ze den levenskreet van het kindeke niet hooren, dat daar ginds in de wieg kreunt en krijt.

Dezulken zal men vooral niet op één hoop met de valsch-bekommerden werpen. Valschbekommerden zijn dood, en vertoonen slechts een ijdel spel, waar geen Geesteswerk in of achter zit. Maar deze mishandelden, als we ze om het misdadig verzuim der kerk zoo noemen mogen, zijn |96| levend; ze zijn kinderen Gods, ze zijn verkorenen en geroepenen en gerechtvaardigden. Laat ze nog heden sterven, en de engelen Gods zullen hun ziel in de eeuwige heerlijkheid dragen. Alleen maar, ze kennen hun eigen schat niet, en in stee van, God lovend en dankend, niet hun kindeke ten doop te gaan, liggen ze krank en machteloos nog altoos op het krankbed ter neder en blijven aan moederweelde gespeend.

Onder deze heeft men de teederste zielen; mannen en vrouwen, die innige gebedsgemeenschap kennen; fijnbesnaarden van gemoed; naturen, die er van Godswege op zijn aangelegd om schuchter te verkeeren in het heilige. Te weinig wil en te veel gevoel is soms de schaduwzijde van hun zielstoestand; en daarom zal verstandige geestelijke leiding dezulken niet afstooten, noch hard vallen, noch hun bekommering voor onwezenlijk verklaren; maar met vollen eerbied voor hun zielelijden, zonder veel redeneering, door goede, kloeke, manlijke prediking des Woords hun wil zoeken te sterken en hun gevoel bevrijden van zijn overprikkeling.

Te meer is deze hulpe van de bediening des Woords hier noodzakelijk, omdat er tegenover zooveel anderen staan, die aan het tegenovergestelde euvel lijden. Deze zijn wilsmenschen, gelijk die anderen gevoelsmenschen. En door die sterke ontwikkeling van hun wilskracht hebben ze vaak iets snijdends, iets al te practisch, iets te kouds over zich. Ze behandelen de zake des Koninkrijks zoo vaak als een optelsom. Zoo weinig innig, zoo weinig teer. En dat stoot die anderen dan weer af. Ze trekken zich angstig voor zooveel ruwe behandeling van het heilige terug. De holle toon schrikt hen af.

En vruchtbaar zal de prediking des Woords eerst dan weer in de gemeente vallen, als de bediening tweeërlei tegelijk doet. Zoo ze eenerzijds den wat te uitwendigen wilsmensch wat intoomt, verinnigt en warm maakt, en anderzijds den gevoelsmensch wat staalt, van zijn wiegeling afbrengt en vastzet.

We zijn in de gemeente Gods niet alle leliën; er bloeien ook rozen; en ook kruipt er een hysop langs den wand. En alle plant vraagt om een eigen verzorging.

Slechts worde één zaak streng en stipt volgehouden. Nooit worde toegegeven, dat er drieërlei staat zou kunnen zijn. Een soort vagevuur voor de zielen op aarde, waardoor ze tusschen hel en hemel moeten blijven hangen, is in strijd met al Gods openbaring. Ge zijt altoos van tweeën één. Of nog dood en dies een vijand van God en zijn Christus. Of reeds in het leven gezet, en dies een beminde om Christus’ wil. Voor God als zijn oogappel.

Iets daartusschenin bestaat niet. |97|

Doch nu dient teruggegaan op de echte, acute bekommering; die gemeenlijk kort van duur is, en binnen zekeren niet te langen tijd afloopt; om dan over te gaan in soms te uitbundige vreugde.

Van deze echte, acute bekommering is tweeërlei te zeggen.

Vooreerst dient er gelet op wat we reeds aanstipten, dat ze niet als eisch mag gesteld. Dit zou tegen Gods vrijmacht ingaan. Er is onder de patriarchen een jacob, maar ook een Abraham en een Izaäk. Van Jacob nu komt het sterk uit, wat felle, bange worstelingen er in zijn ziel doorstreden zijn, tot eindelijk eerst bij Pniël het volle rijke licht voor zijn ziel opging. Toen eerst wierd Jacob, door God zelf tot Israël verklaard. Van Abraham lezen we daarentegen zulk een worsteling niet beschreven. Abraham wordt geroepen, en terstond bij de eerste roeping gehoorzaamt hij en trekt uit Ur der Chaldeën. En ook waar later de diepe slaap op Abraham valt, en de worsteling om het kind der belofte, en straks om het gevergde offer van Izaäk begint, ziet ge Abraham nergens aarzelen. Zóó als de belofte gegeven is, gelooft hij, en het geloof wordt hem tot rechtvaardigheid gerekend. En zelfs bij de offerande van Izaäk merkt ge geen oogenblik dat zijn geloofsvastheid gestoord of verbroken is. Hij klimt op Moria en heft het mes ter slachting op. De Heere zal het voorzien. En terwijl er op die wijs bij Abraham nog wel een worsteling, maar zonder een oogenblik van onzekerheid, onvastheid of nederlaag was, bespeurt ge bij Izaäk zelfs van deze zwakkere worsteling niets. Niet een voorval, niet een periode uit heel Izaäks leven wordt gemeld, waaruit ge met eenigen schijn van grond ook maar, tot zulk een staat van heftige bekommering of doodelijken angst zoudt kunnen besluiten.

Het is met de patriarchen evenals met de heilige apostelen. Bij Paulus vindt ge een plotselingen overgang, een heftig worstelen, een in verslagenheid bezwijken. Bij Petrus een vallen en weer opstaan. Bij Thomas een staan voor het geloof zonder het te kunnen begrijpen. Maar bij Johannes is van dit alles geen zweem. Zelfs bij het kruis van zijn Heer kan hij met Maria staan, zonder in te zinken. En als Jezus hem van dat kruis wegzendt, dan gehoorzaamt hij stil en gelaten, en keert met Maria huiswaarts. Ge kunt u Johannes haast niet anders denken, dan aanliggende in Jezus’ schoot. Als de discipel, dien Jezus liefhad. Niet dat ook Johannes daarom niet zondigde. De Boanerges is door Jezus in hem bestraft. Maar dit geheel andere punt, dat niets met zijn komen tot het geloof te maken heeft, nu daargelaten, komt hij nooit anders op het Evangelieblad voor, dan als de getrouwe getuige des Heeren, wiens heerlijkheid hij gezien had, als de heerlijkheid van den Eeniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid.

Zelfs bij Johannes den Dooper ontbreekt deze periode van acute bekommering. |98| Van ’s moeders lijf aan is hij bewerkt door den Heiligen Geest. En ook waar later twijfel in zijn ziel rees, „of deze wel de Christus was, dan of men een anderen verwachtte”, heeft deze twijfel toch niets met deze bekommering uitstaande. Zóó als de Christus aan den oever van de Jordaan verschijnt en gedoopt is, roept hij de zijnen toe: „Ziet het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.”

Zoo zouden we kunnen voortgaan, en eveneens op het verschil kunnen wijzen tusschen David en Salomo, een Jesaja en Jeremia; ook in de geschiedenis der kerk op het onderscheid in den bekeeringsweg tusschen een Augustinus en Chrysostomus, een Luther en Melanchton; en zelfs in onze eigen dagen en in onze eigen omgeving op een Da Costa en Groen van Prinsterer; maar waartoe meer? Houden we ons liever aan de wolke der getuigen die de Heilige Schrift ons voorhoudt. En dan staat het vast, dat Gods almachtige en vrijmachtige genade met de heiligen des Ouden en Nieuwen Verbonds zeer onderscheidene wegen gehouden heeft. Wegen wel niet onderscheiden wat het wezen des heils of des geloofs aangaat, maar zeer onderscheiden in de toepassing der genade, Want wat men hiertegen wel eens heeft aangevoerd, dat van Izaäk en Salomo en Jesaja deze heftige bekommering wel niet beschreven staat, maar dat ze er daarom toch wel zal geweest zijn, gaat niet door. Immers, al geven we van harte toe, dat er ook bij deze mannen wel een overgang in hun bewustzijn moet geweest zijn, toch droeg die bij hen, en daar alleen spreken we thans over, nooit het karakter van een heftige worsteling, die voor henzelven en voor anderen duidelijk merkbaar was. De Heilige Schrift is niet door een mensch maar door God ingegeven. En dus moogt ge niet achten alsof vergeetachtigheid of verzuim deze periode in hun leven zou hebben doen overslaan. Indien er zulk een heftige worsteling geweest was, zou ze beschreven staan. Vandaar dat bij Jesaja zijn heftige worsteling (in Jesaja VI) over zijn roeping tot het profetisch ambt wel terdege beschreven staat, maar die niets gemeen heeft met zijn roeping tot bekeering.


Dit nu hangt weer saâm met het tweede punt waarop bij de echte bekommering dient gewezen, t.w. dat er scherp onderscheiden moet tusschen het werk Gods in ons, en ons ingaan in dat werk Gods met ons klaar bewustzijn.

Het werk Gods in ons begint altoos buiten ons om. Eer het leven in u gezet is kunt ge zelfs niet de allerminste ritseling of beweging ten leven in u gewaar worden. Het begint dus aldoor zonder u, buiten u om, tegen u in. En eerst dan, als eigenlijk alles reeds geschied en voleind is, kunt gij van dit volbrachte werk Gods in u eenige kennis of wetenschap erlangen. |99| Wie dit niet erkent, snijdt alle kinderkens af van de zaligheid, terwijl omgekeerd de Heilige Schrift ons het heerlijk uitzicht opent, dat we in den hemel heel wat uitverkorenen zullen begroeten, die op aarde nooit verder dan de wieg kwamen, dan alleen om gedragen te worden naar het graf. Ook in dezen zin heeft de Heere zich uit den mond der zuigelingen lof bereid. Zelfs onderstelt de kinderdoop, dat al het zaad der kerk reeds vroeg bewerkt is, zonder daarom Gods vrijmacht uit te sluiten van ook later tot zijn kind te komen.

Van het werk Gods zal men dus afblijven. Men zal het maat noch perk stellen. Hij doet ook in deze heilige zaak alle ding naar zijn welgevallen. Hij zal den een eerst laten uitloopen op paden van zonde en ongeloof en Godverwerping, om hem daarna plotseling in Bunyans zin te arresteeren. Maar ook Hij zal een ander reeds van der jeugd aan lokken en trekken, hem bewaren voor uitbotting van zonde en twijfel, en hem langs zeer stille wateren winnen voor zijn Koninkrijk. Daarin blijft Hij vrij. En niemand heeft recht om te zeggen: Waarom doet Gij alzoo!

Waaruit volgt dat de man ofvrouw, die plotseling, die op aangrijpende wijze door den Heere gearresteerd wierd, niet laag of ongeloovig neer mag zien op een ander dien God ongemerkt gevangen nam. Maar ook de stil en ongemerkt geleide mag niet ongeloovig van hart zijn, als een ander verhaalt van de plotselinge en aangrijpende wijze waarop God de Heere groote dingen aan zijn ziel gedaan heeft.

Beide wijzen van toebrenging zijn in Gods weg even aanbiddelijk. En in beide deze wonderen van genade wil God de Heere door zijn heiligen geëerd worden.

Maar natuurlijk, daarmee is het einde der zaak nog niet gevonden.

Het is den Heere toch niet genoeg goddeloozen te rechtvaardigen en doemschuldige zondaren in zijn Koninkrijk tot eere en heerlijkheid te roepen, maar het is ook zijn heilig bestel, dat de geroepenen te zijner tijd van hun eeuwige zaligheid zullen afweten, er van verzekerd zullen zijn, en er de verzegeling van zullen ontvangen.

Dit is niet een toebrengen van iets nieuws, maar slechts een openbaring aan hun ziel van wat hun reeds toegebracht was. Want zelfs voor die zeer enkele gevallen, waarin de toebrenging ten leven en de ontdekking dat ge toegebracht zijt, bijna saamvalt, gaat toch altoos nog het eerste aan het laatste vooraf. Eerst baart God u weder, en dan doet Hij u weten, dat ge wedergeboren zijt.

De tegenstelling van zijn en bewustzijn. Eerst zijt ge Gods kind, en daarna wordt ge er u bewust van, dat ge het zijt.

Ook hierin echter gaat het niet bij allen langs eenzelfden weg noch op |100| eenzelfde wijs. Want ook hierbij handhaaft de Heere God zijn vrijmacht, om zich door zijn menschenkind geen wet te laten stellen, maar zelf zijn wegen en gangen te kiezen, en ons uit te noodigen, om eerbiediglijk op deze onderscheiden gangen des Heeren te letten.

Ook hierbij namelijk is niet ieder mensch eender. Ze verschillen naar aanleg en temperament. En ook de tijden der kerk schelen, waarin ze optreden. En meer nog, het scheelt zooveel, hoe onze opvoeding en ons verleden was.

Veilig kan men zeggen, dat bij goeden en normalen kerkstaat, indien ook de opvoeding in de gezinnen en op school naar den regel der Schrift is en de hartstochten in evenwicht bleven, — de overgang uit het nietweten in het weten meest zacht en geleidelijk zal wezen. Terwijl omgekeerd, als de kerk een slechte moeder wierd en haar kinderen verwaarloosde, en bovendien de opvoeding in huis te wenschen overliet; en het jonge leven met veel zonden bevlekt was; en de omgeving waarin men verkeerde gemeenlijk wereldsch was, deze overgang gemeenlijk met heftige schokken zal toegaan. Waartusschenin dan tal van tusschengevallen liggen, die in sterker of lichter graad den overgang meer of minder merkbaar maken.

Is nu de toestand der kerk goed, en daardoor bij de meesten de overgang geleidelijk, zoodat hun bekeering niet zoo plotseling toegaat, dan ontstaat hierdoor het groote gevaar, dat men eigenlijk den eisch tot bekeering opzij gaat zetten, en geen oog meer gaat hebben voor de overzetting uit den dood in het leven. En daarom zien we dan, juist tengevolge van dit zinken in geestelijken. zin, de kerk weer achteruitgaan, Gods kinderen ongeestelijk worden, en een uitwendige orthodoxie de plaats innemen van een leven in de kracht des Heeren Heeren. Vandaar, dat God de Heere de zielen dan laat afdolen om ze straks met machtiger aangrijping te arresteeren, en zoo het wonder zijner genade weer machtiger te doen schitteren voor aller oog. De kracht en de glorie en het betrekkelijk recht van het Methodisme.

Dit echter brengt dan weer het gevaar met zich, dat men bekeering en wedergeboorte vereenzelvigen gaat; geen onderscheid meer maakt tusschen Gods werk in het verborgene der ziel en de openbaring er van aan ons bewustzijn; en zoo ten laatste er toe komt, om alleen bekeerde dronkaards en echtbrekers en vloekers voor echte bekeerden aan te zien, terwijl de stiller geleiden dan niet meer meetellen.

En zoo gaat het om en om in Gods kerk, terwijl God die leeft en leven geeft in al die wisseling, al die worsteling, al die strooming, steeds zijn wil doorzet en zijn eere handhaaft. |101|

Hij, groot in zijn genadewerk, en de begenadigde tot niets anders geroepen dan tot het grootmaken van zijn lof.




a.







deze pagina hoort in frames, klik hier

© Appendix Vaginix Productions 2002