Derde hoofdstuk.

Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is des Heiligen Geestes, die in u is, dien ge van God hebt, en dat gij uzelfs niet zijt?

1 Cor. 6 : 19.


Over het werk van den Heiligen Geest behoeft in deze hoofdstukken niet breedvoerig gehandeld, nadat een afzonderlijke studie over dit onderwerp, in niet minder dan drie deelen, pas onder ’s schrijvers naam het licht zag. We wenschen ons daarom tot twee punten te bepalen. De Heilige Geest maakt ons Christus en al zijner weldaden deelachtig. Dat het eerste. En dan van den Heiligen Geest belijdt elk kind van God: Hij is ook mij gegeven.

Beginnen we met het eerste.

In Christus ligt onze rijkdom. Hij nam onze natuur aan. Stond in onze natuur op. Heeft die natuur in zijn hemelvaart verheerlijkt. En zit nu in deze onze natuur verheerlijkt aan ’s Vaders rechterhand. En dat mét de profetie, dat eens al de zijnen in een even heerlijk lichaam bloeien en schitteren zullen.

Laat dan op aarde, terwijl we de pelgrimsreis nog voortzetten, krankheid en ongemak ons den welstand des lichaams rooven; laat het zijn dat zwakheid en inzinking van kracht ons soms moedeloos doet neerzijgen; laat met eiken dag die komt de grijsheid banger om u waren en u nader brengen aan het graf; ja, laat straks in dat graf de vertering heel uw lichaam sloopen, — toch ontzet dit niet en stemt het u niet bang, zoo ge dit ééne maar zeker weet, dat ge, na dood en graf, eens, als uw Heiland, in de heerlijkheid van zijn lichaam blinken zult.

In Christus ligt nog meerdere rijkdom. Niet slechts uw lichaam, maar heel onze menschelijke natuur, dus ook een menschelijke ziel nam hij aan. En in die menschelijke ziel heeft hij om onzentwil geworsteld; voor ons het bange offer der verzoening gebracht; is weggezonken tot in de diepte des eeuwigen doods; en heeft toen uit de diepte van den eeuwigen dood onze rechtvaardigmaking opgebracht.

Laat het dus zijn, dat bang verwijt en innerlijke verscheuring uw conscientie spant en verontrust; dat alle bergen u aanklagen en hun top en kruin op u neerstorten willen om u te verpletteren; dat Satan van rechtswege u voor eeuwig naar zijn het roept; en dat een eeuwige dood voor eeuwig tusschen u en uw God scheiding dreigt te maken; — toch |86| ontzet u dat niet en verschrikt u niet, zoo ge maar weet dat de „rechtvaardigmaking” die in Christus Jezus is, nu reeds u is toegerekend en eens eeuwiglijk u bekleeden zal.

Ook deze rijkdom is in Christus Jezus, dat Hij niet maar aan uw lichaam een verheerlijking en aan uw ziel rechtvaardigmaking verpandt, maar ook is in dien Eenige een schat van heiligmaking. Smadelijk zou het zijn, zoo gij, doemschuldige maar vrijgesprokene, tot in aller eeuwigheid met uw vlek en rimpel, met uw scharlaken smet, ja met uw schrikkelijke melaatschheid tot een spot en aanfluiting voor Satan en al zijn demonen moest blijven liggen. Maar zie, in Christus Jezus is ook voor die nooddruft voorziening. Hij verwierf niet slechts den zoen en bracht het rantsoen maar Hij weefde in den arbeid zijner ziel ook een onvergankelijk kleed van smettelooze heiligheid; en dat kleed der heiligheden is zondei naad dat het nimmer kan gedeeld worden; en in de plooien van dat fijne lijnwaad der heiligheden is ruimte om er al Gods kinderen mee te omkleeden. Ook die heiligheden heeft Jezus niet voor zich verworven, ook die heiligheden zijn voor u.

Laat dan op aarde, zoolang de pelgrimsreize wordt voortgezet, het stof der aarde ons nog bezoedelen en de spet van het gif uit ons eigen hart tot zelfs de goede werken ontheiligen die God in ons gewrocht had; ja laat de allerheiligste uit Gods kinderen tot aan zijn dood toe klagen en jammeren, dat altoos nog de worm van binnen knagen bleef, — wat nood, zoo aan het einde van de baan de volkomen afsterving van de zonde ons maar beiden mag, en dan het witte fijne lijnwaad der heiligheden Christi gereed ligt en ook ons om de schouders glijdt.

Ja om ook dit nog te noemen, in Christus Jezus is niet maar heerlijkheid voor uw lichaam, rechtvaardigmaking voor uw ziele en overkleeding met zijn heiligheid u verpand, maar in Christus Jezus is ook een wereld voor uw hart, een rijk van genade en vrede dat als een sfeer van volmaaktheden om u zal zijn. In die heilige wereld zult ge geen eenling, maar een kind van een heel volk zijn; van dat volk Gods, waarin alle uitverkorenen zijn ingelijfd; en waarin enkel broeders en zusters, deelgenooten van eenzelfde lot, maar ook deelgenooten van eenzelfde heerlijkheid, met u jubelen zullen over het door allen saam genoten heil.

En daarom laat dan op aarde uw pad eenzaam en uw weg verlaten zijn, en de dampkring der wereld, waarin ge omwandelt, u drukken en benauwen; laat het op aarde smaad en spot meer dan eere en lof zijn die ge wegdraagt; ja laat het tot een breuke voor uw hart, tot een breuke met uw beste vrienden, tot een verlaten worden door uw magen en naaste bloedverwanten komen; — wat nood, zoo ge Christus en zijn schat moogt |87| bezitten, dan ontvangt wie akkers en huizen, wie vader en moeder verlaten heeft om Jezus’ wille, eens honderdvoud weer.

„Christus en al zijn weldaden” is derhalve de korte, summiere uitdrukking voor heel een wereld van zaligheden. Gij, als mensch, in uw zondestaat en in uw ellende verzonken, gij kunt geen nood, geen leemte, geen heimwee in uw hart hebben, of Christus is er juist op aangelegd, om u bij dezen ganschen nood, bij deze leemte in al haar uitgestrektheid, bij dit heimwee in al zijn bangheid, ter hulpe te komen.

Eer gij zelf nog van uw eigen nood wist, was die Christus reeds alzoo besteld, dat hij juist elk gebrek in u vervullen kon. En als ge, na tot kennis van uw ellende gekomen te zijn, uzelven rekenschap gingt geven en u afvroegt: Hoe, op wat wijs, door wat middel zou mijn gelukzaligheid wel volkomen kunnen worden? — dan zoudt ge aan het einde van uw overdenking niet anders kunnen uitvinden, dan juist datgene wat ons Christus is.


Doch nu ontstaat ook natuurlijk de vraag: Hoe erlang ik aan al dit heilgoed deel?

Let wel, er wordt niet beweerd, dat iemand die er nog geen deel aan heeft, nu eens uit pure belangstelling zou gaan vragen, hoe hij er deel aan erlangen kan. Dit komt nooit voor. Wie nog ganschelijk buiten Christus staat, dien laat de schat die in Christus is koud. Hij taalt er niet naar. En veel minder nog zal hij zich vermoeien met de onderzoeking, hoe hij tot dien schat moet komen.

Naar dien schat vraagt alleen de man of vrouw, aan wie door den Heiligen Geest reeds iets uit dien schat is toebedeeld. Maar dit neemt niet weg, dat een begenadigde zich van achteren dan toch rekenschap poogt te geven, hoe deze rijkmaking van zijn ziel toeging, en ook voor het heden en de toekomst weten wil, hoe zijn gelukmaking nog dagelijks toegaat.

Zoo vat dan ook de Catechismus het op, die daarom laat voorop gaan de verklaring: „ten eerste dat Hij ook mij gegeven is”; en eerst daarop volgen laat: „opdat Hij ons Christus en al zijner weldaden deelachtig make”.

Hierbij nu valt de nadruk op de vooropplaatsing van den Christus zelven.

Oppervlakkig schijngeloof weet daar niet van en bewandelt den omgekeerden weg. Het hoort van Jezus; beluistert zijn belofte; en verneemt van al den schat en rijkdom die in Hem verborgen ligt, en nu strekt het overmoedig de hand uit, om die schatkamer leeg te plunderen en er zich zelf en anderen mee te verrijken. |88|

Zooals de reiziger, die, naar een vreemde stad getogen, daar ziek wordt, naar den arts en de apotheek zendt, en zich door arts en kruidenmenger allerlei medicijn reiken laat, maar zóó weer beter, ijlings de stad uittrekt, en arts en apotheker tot op den naam toe vergeet, zóó doen ook deze lieden der uitwendigheid met den Christus.

Ze nemen wel aan dat er goed van heerlijke waardij bij Hem is, en dat Hij kleinoodiën van groote waarde heeft uit te deelen. Maar Hij zelf is hun daarbij bijzaak. Zoo zij maar gered zijn; indien ze maar in geen oordeel komen; zoo hun heerlijkheid maar gewis is; och, al hoorden ze dan later, dat Christus weer verdwenen was en dat ze van Christus nooit iets merken zouden, dit zou hun geen gemis zijn. Als zij maar uit nood en dood in weelde en heerlijkheid zijn overgezet, wat zou hun dan de Christus deren ! Ze mochten Hem immers als Middel en niet als Middelaar. Als middel om gered te zijn, maar niet als Middelaar om alleen uit en door Hem te leven. En daarom Christus’ weldaden, o, die willen ze met goud opwegen, maar de Christus zelf bezit hun liefde niet.

En hier nu juist gaat de Schrift, en op grond van de Schrift, de Catechismus, en aan de hand van den Catechismus heel de kerk en in die kerk de schare van geloovigen tegen in; en als met een stemme veler wateren dreunt het tegen deze oppervlakkige leegplundering van den Christus in, dat niet eerst de weldaad, maar Christus zelf u, die gelooft, dierbaar is, en dat, gelijk men het wel eens paradoxaal uitgedrukt heeft, een hel met Christus u liever zou zijn, dan een hemel, waarin ge den Christus moest derven.

En hierop nu kan niet genoeg aangedrongen.

Immers alle religie, alle moeite en arbeid voor de zake Gods, al wat ge bepeinst of onderneemt, het brokkelt alles weer af en er komt niets uit, indien dat eenig cement van de persoonlijke liefde voor den eenig dierbaren Middelaar niet aanwezig is en niet werkt.

Al wat in deze achttien eeuwen in Christus’ kerk, en vóór zijn vleeschwording in de kerk des Ouden Verbonds gewrocht en schier getooverd is, en waardoor de wolke der getuigen de wereld heeft verbaasd, is nooit anders dan uit die wondere macht van de liefde Christi voortgekomen. Waar die liefde van Christus blonk, daar schitterde geestdrift, daar was heilig enthousiasme, daar glinsterde rijke verhevenheid van zin, grootmoedigheid van ziel, willige toewijding en lust in een volkomen offerande. Maar ook waar die persoonlijke liefde van Christus niet werkte, en het slechts ging om „goede bedoeling” en uit „menschenliefde”, och, daar sproot het groen wel uit, maar slechts om te verdorren; en zoo er al een bloem ontlook, was het enkel om, eer geur gespeurd wierd, te verwelken. |89|

Christus’ weldaden aangrijpen zonder Hem te begeeren, is geestelijke diefstal, is roof der ziele, is uitschudding en plundering waartoe ge geen recht hebt.

Christus is nooit los van zijn weldaden noch zijn weldaden zijn ooit los van Hem. Ge kunt niet den haard uitdooven en toch de warmte van den haard genieten willen. Ge kunt niet de zon blusschen, en u toch verkwikken willen in haar glans. En evenmin nu kunt ge uw aandeel uit Christus’ weldaden nemen, zoo ge Hem zelf afsnijdt of u om Hem niet bekreunt. De warmte straalt uit het vuur, het licht glanst niet, tenzij de zon er is om dien glans uit te stralen; en zoo ook is er geen heilschat in Christus, dien ge van Hem weg kunt dragen om dien buiten Hem te genieten, maar is alle heil met zijn persoon één en saamgeweven, en niet te genieten dan in, door, uit en met Hem.


Volkomen juist en goed plaatst de Catechismus dus den Christus zelf hier op den voorgrond, en belijdt dat het eerste werk van den Heiligen Geest hierin bestaat, dat Hij ons den Christus zelven deelachtig make.

Waarom is nu de Heilige Geest hiertoe de geroepene?

Dit hangt saam met wat ons vorig hoofdstuk uitlegde, dat God de Heilige Geest die persoon in het Heilige Wezen is, die in onzen geest ingaat en zich als met onzen geest verbindt. Wat onze geest is weten we niet. Men kan hier stamelen, maar woorden brengen hier geen licht aan. Genoeg dat elk onzer uit het levensbesef zelf weet, wat met zijn eigen geest bedoeld wordt. En waar nu niet Gods hoogheid, niet Gods barmhartigheid, niet Gods gerechtigheid van buiten op ons werken zal, maar in onzen eigen geest het besef, de wetenschap, de zalige overtuiging en genieting van den Christus zal worden ingeschoven en ingeweven, daar is het alleen God de Heilige Geest, die aldus in onzen geest kan indringen en ingaan, dat Hij van binnen uit ons met den Christus verrijke.

Denke nu echter niemand dat dit enkel bestaat in een aanbrengen van wetenschap of kennis, die als iets uitwendigs in ons zou worden aangebracht. Neen, uw eigen geest hangt saam met uw eigen wezen, en wie in uw geest wil ingaan, moet eerst in uw wezen zelf indringen, en kan eerst van daaruit uw bewustzijn bereiken.

Er is in u een zijn en een bewustzijn, maar altoos gaat het zijn voorop. Het bewustzijn kan slechts volgen.

Bestond er nu tusschen uw wezen en den Heiligen Geest geen strijd, dan zou de Heilige Geest ook aanstonds in u kunnen varen, woning bij u maken en u van binnen uit bewerken kunnen.

Maar zoo is het niet. |90|

Gij zijt in uw wezen zondig. Dit zondige van uw wezen strijdt tegen het wezen van den Heiligen Geest. En zoo is er dus geen toegang voor den Heiligen Geest in uw binnenste, tenzij de Heilige Geest eerst uw wezen zelf omzette.

Daarom moet het altoos met wedergeboorte beginnen. Daardoor gaat uw wezen om en wordt voor de booze kiem een reine zuivere kiem aan uw wezen eeiyeven. En is op die wijs de poorte in uw hart eenmaal voor den Heiligen Geest ontsloten, dan komt Hij in u, maakt zich bij u thuis, richt uw hart naar zijn aard in, en begint binnen in u het kunstenaarswerk om u aan den beelde van Gods Zoon gelijkvormig te maken.

En in dit werk in den wortel ligt nu tevens uw aansluiting aan, uw inlijving in den Christus, uw rijkmaking met Christus’ persoon.

Want dat ge Christus zelf zult begeeren, en eerst daarna zijn weldaden, wil niet zeggen, dat uwe liefde uitgaat naar een buiten u staanden Christus, dien ge allengs eerst door uwe liefde naar u lokken zult. Neen, de Heilige Geest begint aanstonds met u den Christus zelven te brengen, te schenken, deelachtig te maken, zoodat de band tusschen u en den Christus er nu ligt en voortaan van uw leven onafscheidelijk is.

Gij zijt ingevoegd in zijn mystiek lichaam. Als weergeborene zijt ge lid onder de leden, en saam met die leden, deel van het lichaam onder het ééne Hoofd geworden.

Hij is nu uw Heere, uw Heiland, uw Goël, uw Immanuël geworden. En ook al weet ge nog verder niets van eenig heil, en al kunt ge nog niet één van zijn kleinoodiën in hun schoonheid beschrijven, dat deert u niet. Gij hebt Hem, den Eenige, die de liefde in uw hart verworven heeft, en Hij is u genoeg.

Vandaar die warme zalige gloed der lief de na de eerste toebrenging, als er nog niet nagedacht, nog niets uitgelegd, nog niets begrepen is, maar als het warme hart in heilige bezieling Hem tegemoet gaat, die al uw liefde verwon.


Maar dan gaat het ook verder. Als de Heilige Geest u Christus deelachtig heeft gemaakt, dan maakt Hij u ook deelachtig al zijner weldaden.

Onlangs deed een verhaal de ronde van een persoon, die een stuk had genomen uit een blanke en een zwarte huid.

Het geval was dit. Hij wilde weten of de huid van een blanken Europeaan en de huid van een zwarten Neger enkel in kleur of ook in wezen verschilden. Om hier nu achter te komen, sneed hij eerst een stukje huid uit den Neger en voegde dat in een wondgemaakte plek van een blank mensch; en nam daarna een stukje blanke huid, en voegde dat in een wondeplek van een Neger. En zie, de uitkomst was, dat na verloop van |91| zekeren tijd het stukje blanke huid zwart wierd en het stukje zwarte huid blank.

Dit voorval kan uitnemend dienst doen, om u uw inlijving in Christus te verklaren. Christus is geheel blank, wit als de lelie op de velden; en gij zijt geheel zwart, door de verduistering van den glans die in het paradijs op u was, maar in uw zonde wierd verdoofd. En zie, nu wordt gij, die zwart zijt, in den Christus, die wit als de lelie is, ingevoegd. En het gevolg is, dat er allengs van den Christus op u, die zwart in Hem wierd ingevoerd, zulk eene werking uitgaat, dat ook gij in het eind zijner blankheid deelachtig zijt geworden, en niet meer tegen de blankheid van zijn heilig lichaam vloekt.

Hoe gaat dit nu toe?

Zoodra zulk een stukje zwarte huid in den blanken arm is ingevoegd, begint het zich te hechten. Door dat hechten komt het in aanraking met de vezelen en cellen van dien blanken arm. Door die vezelen en cellen komt het in contact met het levensbloed van den persoon van wien die arm is. Door diens bloed met zijn hart en met heel zijn levensbeweging. En wederom door heel deze levensbeweging met het hoofd, dat van seconde tot seconde de ademhaling bewerkstelligt en daardoor den bloedsomloop gaan laat. Immers snijdt men het hoofd van het lichaam af, dan houdt ook de toevoer van het bloed naar den blanken arm op, en dus ook de bewerking van dat stukje zwarte huid. Of ook, belet men dat hoofd adem te halen, zoodat de persoon stikt, dan heeft juist hetzelfde plaats: de bloedsomloop staat stil; de arm krijgt geen toevoer meer; en het eind is, dat het stukje zwarte huid zwart blijft.

Daarentegen, leeft de persoon, is het hoofd vrij en haalt het vrij adem, dan wordt van oogenblik tot oogenblik de bloedsomloop aangezet. De zoo ontstane levensbeweging deelt zich ook aan den arm, en uit dien arm aan het stukje ingeschoven zwarte huid mee. En het eind is, dat dit zwarte door gestadige bewerking al de schoonheid ontving van het lichaam, waarin het werd ingevoegd.

Welnu, evenzoo is het dan ook hier.

Zijt ge in Christus ingevoegd, dan wordt ge geschikt in dit mystieke lichaam, zoodat ge er ongemerkt aan kleeft. Hierdoor komt uw ziel in aanraking met de vezelen en cellen van dit heerlijk lichaam. Door die vezelen en cellen raakt ge in contact met het levensbloed van het lichaam des Heeren. In dit levensbloed werkt de levensbeweging, die van den Christus als het Hoofd op heel het Lichaam uitgaat. En langs die kanalen vloeit alzoo voor u uit den Christus een omzettende en reinigende werking, die maakt dat allengs de zwartheid uit u wegga en de blankheid op u |92| kome, tot eens in de heerlijkheid daarboven die blankheid uwer ziele schitteren zal als versch gevallen sneeuw.


Feitelijk kan het alzoo niet anders, of zoodra ge door den Heiligen Geest den Christus zelven deelachtig zijt gemaakt, moeten ook de weldaden Christi u gaan bewerken.

Al deze weldaden Christi toch bestaan juist in de levenskracht en levensbeweging, die Hij als Hoofd voor heel zijn lichaam bezit en in heel dit lichaam doet uitgaan. Ge ontvangt dus niet eerst den Christus, en na den Christus nog eens afzonderlijk zijn weldaden. Dat kan niet. In den Christus zijn al zijn weldaden in. Wie Hem heeft, heeft alles. Slechts ontluikt allengs wat eerst in den knop besloten was. Wat school komt uit. En ook, gij gaat u meer rekenschap geven. Ge geniet niet meer als een kind aan de moederborst, dat zwelgt zonder zijn weelde te kennen, maar ge ontwaaktet tot bewustzijn en overziet uw schat, en begint er u op andere wijze rijk in te gevoelen.

Maar van dit rijker voelen is de toevoer van dien stroom des heils niet afhankelijk.

Een man van vele redenen, wien God de sprake gaf, dat hij alles uit weet te leggen, heeft, wat het zielsgenot aangaat, niets hoegenaamd voor boven een eenvoudige en onkundige in den lande, die zijn lippen gesloten houdt. De spraak brengt het voedsel niet aan, maar strekt alleen ter grootmaking van Gods naam en tot stichting der broederen.

Doch met of zonder sprake, de Heilige Geest brengt aan allen de weldaden Christi toe. Naar gelang onze nood is, brengt Hij ons in dezen nood heul en schat uit Christus aan. Voor elke wonde vindt Hij in Christus een balsem. Voor elken traan een macht in Christus die ze drogen kan. Uit Christus brengt Hij ons aan: kracht en moed om te leven, dapperheid in den strijd, hope om vol te houden, en bovenal liefde om lief te hebben, en in dit liefhebben zalig te zijn.

En vraagt ge nu, waarom het juist de Heilige Geest is, die dit doet, dan zij verwezen naar wat ons Avondmaalsformulier zoo schoon zegt, en onze Catechismus even schoon in Vraag 76 uitspreekt, dat „de Heilige Geest in Christus als het Hoofd en in ons als zijne lidmaten woont, zoodat we door éénen Geest, gelijk als de leden eens lichaams van ééne ziele geregeerd worden”.

Dit beeld is rein en teeder.

In uw menschelijke persoonlijkheid is een geest, die uw ziel doortintelt en uw lichaam en al zijn leden doortrekt, en alzoo de eenheid van uw persoon, naar lichaam en ziel, tot stand brengt en in stand houdt. En |93| zoo nu ook heeft het mystieke lichaam Christi een levensgeest, en die geest des levens, die het mystieke lichaam Christi doortintelt, saam- en in stand houdt, dat is nu de Heilige Geest. God zelf, die in Christus en in ons woont en ons als leden van één lichaam onder dit ééne Hoofd vereenigt.

Is het nu waar, dat in ons lichaam zonder dezen levensgeest geen enkele werking geschiedt, maar elk lichaamsdeel, dat van dezen levensgeest verstoken is, verlamd is of afsterft, wat duisters ligt er dan in, dat ook in het heerlijke mystieke lichaam van Christus aan geen enkel lid een enkele werking kan toekomen, dan door dien Geest des levens, die Hoofd en leden vereenigt?

Ook hier geldt het: Zoodra die Geest des levens ophoudt in eenig lid te werken, dan verstijft of verdort het.

Heere, neem uw Heiligen Geest niet van mij!